Een laat-Octobermorgen lichtte bleek over de nieuwe stad. De strekking der huizenblokken, de rechte, diepe straatgeulen werden al duidelijker in den barren opstand hunner hardbruine muren, in hun ver-heenlijnende, uitgestorven verlatenheid. Het was een Zondag en alles bleef stil lang over het gewone uur, dat de ambachtslieden met bleeke slaapgezichten haastig naar hun werk gaan. Alleen de melkwagens rammelden in de verte in 't kil vochtgrijze, naderden, tot hun gebolder een oogenblik aan de ingang eener straat, als voor een tunnelholte, rammelde, dan afzwakte om een hoek, en allengs verging.
Toen kwamen ook de kleine zwarte gedaanten, die doofden de eindelooze rijen ros gloeiende lichten, van de een naar de ander
gaande in gestadige stap, een lange stok over de schouder. En achter hen lieten zij de nuchtere grijsheid van de morgen, huizen en straten vaal en armelijk onder de dichtdekkende gure wolkenlucht.
Maar in de huizen zelve was het nog nacht.
Op de eerste verdieping, midden in de lange straat, waar de Verhoefs woonden, hing nog het broeiend nachtzwijgen, de zware stilte van de slaap, die schijnt te verdichten in 't donker der slepende uren. Zware schaduwen huifden in 't smalle gangetje naast de trap, waar een snelle ademhaling uit een openstaande bedsteê als een vederlicht geluidje wiegde op de stilte.
In het keukentje, waarvan de deur wijd-open stond, begonnen de dingen zich allengs tot eigen vormen af te scheiden onder de dofgrauwende morgen. De hooge bank van het aanrecht, onder het raam, dat als een grijs vierkant de zwarte wand brak, was bedekt met een verwarden hoop ruw en haastig daar uit de hand gezet tafelgerij, een flauw te onderscheiden warboel van donkere pannen, bleekopen schalen, waaruit heften van messen en stalen vorken en lepels, in een snelle greep dooreen gesmeten, opstaken.
Op een wandtafeltje begonnen flauwtjes zich de vormen te omtrekken van een keukenlampje zonder kap, het glas zwart gewalmd op de glazen peer, het blikken reflectortje zoo bevuild, dat het dofzwart zonder een enkel glimlicht dáárstond in de schemering. Flauwe stank van petroleum, van vuil vaatwater, verwaarloosde gootsteen wademde in de ruimte.
De deur naar de achterkamer stond aan en het was daarbinnen, als in de gang, dezelfde bleeke binnenhuisstilte onder de vaalwolkende schemering, waarin de meubels zich met hun vorm en kleur nuchter hervonden.
Zwaar snorken in regelmatige grommingen ontrustte de stilte van-uit de halfopen alkoof, een zwarte diepte met schimmige lichtvlekken van de lampetkan of een opbulting van wit laken in de andere hoek. Maar in de vunze bedomptheid, doortrokken van tabakswalm en verzuurde bierlucht, voelde men het vol van zwaardierlijk leven, dat daar de nacht over had gekroeld.
En al die stilteruimten in de aanbleekende morgen, met het grofwarme leven, broeiend in dat donker alkoof hok, schenen wel voor goed afgezonderd van de buitenwereld der straten, waar de trage Zondag nu eindelijk openging
in sneller aanstappende voorbijgangers en vermeerderd geraas van ver gerij.
Tot ineens een schel, kort rinkelend in felle ruk, inbrak in de dompe rust.
Een moment wilde de slaap van het huis overhellen tot bewustzijn, maar daarna viel het gesnork weer in zijn geregelde dreun en niets scheen gebeurd.
Opnieuw klankte de schel, nu langduriger luidend.
Doffe mompelwoorden en zwaarkrakend beweeg ontstegen het alkoofdonker. Toen een vrouwestem, vakig-schor en smorend onder dekens:
- M'rie, doe 's open... M'rie! en, daar het stil bleef in de gang: M'rie dan!
Een licht fronselen en kraken in het gangetje, doffen van haastige bloote voetjes op houten vloer, en de gangdeur, die op de trap uitkwam, knapte uit haar slot. Het was of hiermee het buitenleven van de straat intoog, en nu overal de gave stiltebol in geluiden openbarstte. Er was even een geplens van vocht overgieten, onverschillige mompelgroet van een grove stem... Daarna hosklosten zware schoenen de trap af en knapte de deur weer veilig dicht.
De vale alkoofschemering echter leefde nu in
klein bewegen en geluiden van wakker worden. Het bovenlijf van juffrouw Verhoef was opgespookt uit de vaalschaduwige bedmassa en op zij gekeerd, steunend op de rechterarm, wreef zij zich met de vlakke linkerhand over de oogen, gerekt geeuwend. Naast haar ging het dek omhoog boven de magere knieën van haar man, die aan de muurkant lag, en zijn lange staakarmen hieven op, strekten langs het kussen met een doffe stoot tegen het beschot.
- Jesis... is 't nou al weer uit! geeuwde hij.
- Ja... hebbi nog niet genog gemaft? fluisterde zij schorrig, maar haar aandacht ging naar wat zij in de keuken hoorde: kleine scharrelige geluidjes, gekraak en bordengetik. En opeens riep zij luid:
- M'rietje, wat doe je? Nerges ankomme, hoor je? Ga maar vooreerst weer in bed....
En toen er iets na-kletterde, drifte zij op:
- Gà je!
- Ja... moeder... klonk een dunne kinderstem vleiïg-gedwee terug en toen:
- Mag ik bij u komme?
- Nee, nog niet, ga maar eerst weer in bed... Strakkies, as je vader d'r uit is...
En toen zij het zwakke kraken van de bed-
steê in de gang gehoord had, lag de vrouw weer stil op de rug te kijken in het alkoofhokje, dat de morgen nu gevuld had met vuilgrijze schemer. In de kamer, in de gang en ook vòor, bij den commensaal heerschte weer stilte en van boven kwam evenmin geluid. Overal de Zondagochtendrust van lang uitslapen en genietende luiheid.
Tot beneden een klok sloeg met donkere klank.
- Jees! half negen al,... ergerde de vrouw op en toen brom-fluisterend om den commensaal in de voor-alkoof niet te wekken, tot haar man:
- Toe, ga d'r nou uit... 't wordt anders weer zoo bliksems laat... ik mot 't kind ook nog wasschen ook.
- Nou, ga jij d'r uit... kwam zijn antwoord, dof-gesmoord, maar toch met een duidelijk sarrig accent er in.
- Ik mot 'r alle dag vroeg uit... doe jij 't nou 's... breng jij mijn nou 's thee op bed...
Zij wou kwaad worden. Verrek jij!... begon ze, maar hield zich in, trok haar grof geluid tot een klein-kindergeluidje in, vakerig klagend, krompratend.
- Heb nog zóo slaapie... ben nog zóo moei... Kan niet opstaan Dirkie!...
- Mensch, stel je niet zoo an, kwam hij met
zijn gewone kort-hatelijke lach. Maar hij zat toch al overend, zijn gezicht, van terzij een vage kleurvlek, bewegend in het schemerdoffe van die hoek. Zij zag zijn snorharen verward uitspieken naast zijn wang.
Toen deed hij zijn lange, grauwe onderbroekbeenen 't bed uit, langzaam, weerzinnig ze een voor een tillend onder de deken vandaan en over haar heen.
- In Jesis naam dan, zuchtte hij... Medam is weer 's lui,... dan geeuwend, armrekkend hoog naast haar, die tot hem opzag:... hè... hè... ò... ò... ò... ò...
Zij zag hem door de deur van de alkoof, zijn lange figuur gaande in de grauwe dag van de achterkamer: een hark van 'n vent!... maar toch wel goedig... ja, as-i niet treiterde...
Genietend strekte zij het zware lijf in de weldadige bedwarmte, de armen om haar hoofd strengelend... Het ijzeren ledikant knarste.
- Moeder... moe... mag ik nou? klonk de kindstem uit de gang.
- Jawel... Kom maar... nee... wacht nog effe... eerst mot je vader klaar zijn, riep zij terug in haar grof-grommend boersch geluid.
- Hè... moe... nou!...
- Ja, ja, ja! hoor... stil maar... blijf
maar waar je ben... je bent er goed.
Zij hoorde Dirk in de keuken bezig. IJzeren ringen van 't petroleumstel kletterden... gekrits van een lucifer die aangestreken werd. Wat zanekte-n-i nou toch zoo lang?... Hij vloekte werendig!... nòg 'n lucifer... o! d'r was zeker geen olie meer in 't stel!... nòg al een... kon-i wel!... Hoor 's... hoe-d-i vloekte... Hij stampte d'r bij op de grond!
Zij hoorde zijn stappen terugkomen, zag 't lange lijf aan de deuropening, 't gezicht donkerend tegen 't waasgrijze.
- Grofferdomme Kato! nou is dat stel weer leeg... zorg daar dan voor... daar staan-ik nou 'n halfuur te miere voor niks in die kou!... D'r is ook nooit niks in order bij jou!... En de boel ziet-'r weer uit, dat 't een schandaal is!
Er klonk een ingehouden, droge drift in zijn stem, die de woorden deed horten en trillen en de vrouw even tot nijdigheid prikkelde, meer dan de woorden zelf deden. Zij schorde terug, minachtend-dof.
- Seg... bi-jij me nòu! Ga door, hè! ka-je nie effe 't kannetje neme en d'r wat in doen? Mò-je daarvoor nou zoo'n kakkie make!...
Maar haar drift zonk dadelijk weer weg. Zij moest een dienst van hem hebben en ook hoorde
ze wel graag als hij zich 's woeiend maakte en uit z'n koue bedaardheid kroop. Alleen dat bedaarde sarren, dat-i doen kon, dàt kon ze niet hebben.
Daarom kwamen haar woorden nu gewoon-onverschillig toen zij verder zei...
- 't Kannetje staat op de schoorsteenrand links, je weet wel...
Maar hij, hoewel eerst staande of hij zòo weer in de keuken terug wilde, was al, schouderschokkend, in de alkoofschemering getreden voor 't éénpersoons waschtafeltje. En terwijl hij hoekig-stijf de lampetkan van de grond tilde, schuddend of er water in was, er bedaard mee wegstappend om in de keuken te vullen, zei hij blijkbaar weer volkomen kalm:
- Nee, dank-i, ik verdom 't nou verder, as je thee wil hebbe, moe-je 't nou maar zelf doen.
Weg was hij in de voorkamer. Die kouë beheerschte spot in zijn stem, dat onaandoenlijke van hem, zoo in tegenstelling met haar telkens oplaaiende drift, maakte haar razend, meer nog nu ze gedwongen werd zelf te handelen. Want zij wist dat hij nu geen vinger zou uitsteken.
- Jees, wat 'n pestkop! kreng! dooie dief!
riep zij hem halfluid na in een heete woedefluistering dat de commensaal achter het schot 't niet hooren zou. En zij trappelde heftig met de beenen, dat 't bed weer knarsend kreunde, sloeg haar grove vuist dof in de dekens, onderwijl haar driftheet hoofd inwoelend in 't slappe kussen.
Verdomme!... verdomme!.. zoo'n pestkop!.. Ze kon 'm wel!... Toen lag ze weer stil, hoorde in de keuken de waterstraal zingen in de kan, een donkere toon, al heller oploopend.
En ineens besloten, hief ze 't zware lichaam op, kantelde moeizaam 't bed uit. Ze zou 't dan, verdomme, zelf doen, as-i niks voor d'r over had.... Haar groote breedgeschouderde gestalte zwaar plompend op platte voeten, kwam ze in 't keukentje, waar haar man met zijn gore, beenige kop, zijn borstelhaar en slappe snorren aan de gootsteen stond. Hij keek haar van ter zij aan, met spottend hoog getrokken wenkbrauwen, en slofte heen. Zij, grimmig, roerde brutaal de handen, kletterde de ijzeren ringen, draaide ruw met glimvettige stompvingers aan de schroefdeksel van het oliereservoir. Toen tastende met haar gegroefde handen tusschen al de vatenrommel op de rechtbank, vond zij de grijs geëmailleerde
ketel met roet-berookte rand, en zette water op. Zij zou hier maar wachten tot 't kookte. Vooreerst wilde ze niet meer in bed terug, terwijl die kerel in de alkoof bezig was. Ze kon 'm niet meer zien, hè... Beroèrling!
Schurkend van kou, zich krauwend in de verwarde bos nachtharen, dan weer tusschen haar nachtgoed op de borst, was zij voor de rechtbank gegaan en keek naar buiten, over de diepte der grauwe omtuiningen, op de achtergevels aan de overkant.
In die strakke huizenhooging begon allengs het matte Zondagsleven zich te roeren. Gordijnen gingen omhoog, balkondeuren werden opengestooten, waaruit sluike gedaanten te voorschijn kwamen om een kleedje te hangen over de balustrade of een stofdoek uit te slaan.
En intusschen wachtte de vrouw maar steeds in 't waterlicht van het keukenhokje, onder de dompe Zondagsstilte, waar niets gehoord werd dan 't ploeteren en plassen van den man, die zich in de alkoof waschte. Zij wachtte een lange poos, drentelend ongeduldig, dàn met een blik naar buiten, dàn op het toestel, waar 't in de ketel stootend te razen begon.
Zij leek eene jonge boerevrouw met platte
voeten en breede handen. In haar grofgebeend, vleezig gezicht sloten de dikke lippen met een knorrig-onverschillige uitdrukking over de breede mond. Haar neus was dik en stomp, met wijde holten, en de lichtgrauwe oogen daarboven hadden een zinnelijk-lokkende blik onder 't laagbollig voorhoofd, glad omzoomd van flauwblond haar. En nu vooral, na de lange slaapnacht in 't walmig alkoofhok, scheen 't gezicht verleefd, gelig en goor onder 't verward gespriet der kleurlooze haren, klam plakkend langs de slapen...
Eindelijk zag zij de stoom blauwend opkrinkelen uit de tuit van het keteltje en kon ze thee zetten in de witsteenen pot...
Verhoef kwam vragen of-i een beetje heet water mocht, maar zij draaide stuursch het hoofd af, bleef naar buiten zien tot hij weer weg was met de ketel. In de kamer hoorde zij zijn hatelijke grinniklach.
Lamme kerel! Eeuwig treitere!... Goddank dat-i de heele week op de wasscherij zat.... As je dat altijd bij je most hebben.... Nou!
Toen zij haar kop boordevol thee geschonken had, wijfelde ze even. Zou ze 'm maar hier uitdrinken en meteen opblijven? Nee, verdomme! hij zou d'r geen pleizier van hebben, dat-i
d'r uit 't bed gejaagd had... Ze ging d'r lekker weer in.... 't Was ook Zondag, en ze voelde zich huiverig en was niks op d'r gemak nog. Ze most eerst nog 's op d'r verhaal komme onder de dekens.
Voorzichtig-langzaam tredend kwam ze in de schemerige alkoof, dompig van slaaplucht, terug. Verhoef zat zijn voeten te wasschen in een zinken tijltje. Achter het schot hoorde zij den commensaal die zich nu ook roerde.
- As je thee wil hebbe, mô-je zelf maar inschenke, zei ze gedempt met haar donkerzangende stem, die niet onaangenaam klonk.
- O! o.... wat hei jij 't weer op je heupe! antwoordde Verhoef, al plisplassend in 't water. Zijn bovenlijf schokte mee met de rechterhand, die, telkens in een opgolf van water, de groene zeep langs zijn kuiten schuimen deed.
- Och verrek, vent! bromde zij terug, stappend in 't knarsende bed, nadat ze de kop zachtjes op de stoel had geschoven.
- Wa's dat? Ga je d'r nou weer in, vroeg hij spottend, even opkijkend van zijn plasploeteren.
- Ja natuurlijk.... wat dach-i?
- Lui beest! grinnikte hij; maar toen, oplettend zijn mager been afdrogend, dat hij hoog gehoekt uit het water hief, vervolgde hij,
brommig onder de gedachte dat 't weer zoo bliksems laat wier op zoo'n manier.
- Jij kan anders ook peste, as je wil... Toe nou, kom d'r nou uit, 't word zoo alle-Jezis laat.
Maar zijn vrouw, schemerig-witte gedaante in de beddehoek, waar zij half rechtop tegen het kussen, hoorbaar-behagelijk haar thee slurpte, antwoordde bedaard:
- Ja strakkies, hoor! We zalle je helpe, ik zal me daar door jou laten koejeneere... Jawel! As jij niks voor mijn overheb, doen ik niks voor jou.
Hij zweeg, wrijvende nu 't andere been, hoog geheven in 't halfdonker, en alleen haar slurpen werd gehoord. De commensaal was blijkbaar weer ingedut.
Tot opeens de kinderstem door de stilte ging.
- Hè, moe, mag ik nou komme? ik verveel me zoo....
- Jawel.... kom dan maar gauw nog effe, je vader is nou toch klaar....
Een zwak bonsje op de gangvloer en bloote voetjes die zacht-snel aantripten.
- Dàg pa.... zei het meisje, verschijnend in de alkoofdeur, een donker silhouet tegen de lichter kamer-dag.
Verhoef bromde wat tot antwoord. Dat ze dat kind nou nog bij zich nam, was expres om hem te treiteren! Maar hij hield zich in: 't gaf toch niks of-i wat zei.
- Pas op! nou niet wild, gooi me koppie niet om, hoor! waarschuwde de vrouw en 't kind stapte vlug in bed, zóó licht dat 't nauwelijks geluid gaf.
- Nee moeder, zei ze overdreven-zachtzinnig. Haar stemmetje had een weeke klank van ietwat geaffecteerde voornaamheid, vreemd in deze omgeving en tegen het laag-bij-den-grondsch dialect van den vader en de grof-zangende buitenstem van de moeder.
Terwijl nu de man op zijn bloote voeten zwaar wegstapte kamer-in, de alkoofdeur sluitend, dat enkel een breede lichtreet overbleef. sloeg het kind de tengere, bleekschemerende armpjes ineens onstuimig om haar moeders hals, drukte zich aan 't zware lijf, zoende haar heftig over 't gezicht, op wangen, neus, haar... overal.
- Moèder, moèder, lieve moèder, steunde ze hartstochtelijk.
- Kom, nee! schei uit! malle dries! weerde de vrouw af, haar stem gesmoord onder 't zoenen; toen ineens kribbig, drukte ze 't kind heftig terug.
- Nee, schei uit! Is 't gedaan?.... Jezis, je doe me pijn, met die wildheid altijd.
't Kind lag hijgend naast haar.
- Ik hou ook zoò van u! zei ze, toen de deur weer uitweek en voor de inslaande dag Verhoefs donkere gedaante verscheen.
- Zeg vrouw, waar leit nou me schoon goed, ik kan 't nerges vinde, vroeg hij en toen plotseling geërgerd:
- Jesis! Komme jullie toch uit dat stinkende slaaphok... Je most je schame.
- Och, bemoei je met je eige, hè, gromde haar geluid op en 't kind, met haar fijn-luidend stemmetje, dapper in haar moeders bescherming:
- Hè, akelige pa.... ga maar gauw weg.
- Je goed leit links op de tweede plank... zei de vrouw...
- Dan hei je 't weer verleid...
- Ja, wat zou dat?
- Nou, je weet dat ik daar niet van hou, bromde hij, in 't heengaan.
- Hè, zoo'n lamme Pietje sekuur, grommelde zijn vrouw en 't kind onmiddellijk gedienstig:
- Pa is een nare vent, hè moeder. En-i heeft ook zukke dunne beene!...
De moeder proestte luidop, bedwong zich dadelijk tot een grofgrommende hiklach.
- Zoo'n klein nest, wat weet jij d'r van!...
- Nou, ik weet er veel van, ijverde 't kind, ik zag daar net zijn beene nog... akelig, hè! net stokkies... En ik heb nog wel 's meer gezien van...
De vrouw, half geamuseerd half geërgerd, sloeg vrij ruw haar breede hand aan de mond van 't kind.
- Wil je wel bliksems gauw je smoel houden, kwaje meid!
- Nee,... nee... nee... nee... fluistergichelde 't kind... kronkelde het slanke lijfje om onder de hand weg te raken, begon de moeder te kietelen met haar nerveuze tastvingertjes tot deze, schokkend 't zware lijf van lachen, stamelde:
- Schei uit... is 't nou gedaan!... schei uit... en met haar handen de kleine vingers weg moest rukken. Maar 't kind, nu eenmaal losgelaten, was niet te houden... Zij richtte zich half op, viel wild over haar moeder heen, met de vlugge vingerhandjes nu grabbelend, kriebelend overal door 't dunne nachtgoed in de weeke vleeschklomp.
- Wacht! wacht! wacht! ik zal u 's eve... hijgde ze gesmoord, schuin liggend over 't moederlijf, zich vastklampend met beide armen.
En de vrouw weerde zich maar zwak, gilgorgelend gestreeld, zich windend onder de kitteling, dat 't bed luid kreunde, op haar beurt het tenger kinderlijfje omvattend tot 't gierde van lachen, telkens weer van nieuws begon.
Zoo stoeiden ze in 't bijna-donker al heftiger, met hijgen en verstikt lach-grinneken, met schoppen in dekens, die opbultten en gerij over de kussens, die over het bed zeulden. Een gleed met een weeke plof op de grond.
Tot het kind, dat telkens speels afgeweerd, en neergedrukt, telkens weer overeind kwam, op haar verhit gezicht neerviel, de lippen als vastzuigend aan haar wangen, aan haar hals, en zoo stijf met de armpjes haar omvattend, dat ze niets doen kon onder die aanval. Maar in een ruk, bevrijdde zij een arm en stompte met volle vuist 't kind tegen de kin.
- Ga je weg! grauwde zij in woede... ga je weg!... of ik zal je...
- Au! had 't kind gesteund, slap terzij afvallend, waar 't eerst stil bleef liggen, toen nokkend te schreien begon.
- Ja... dan mot je maar hoore, gromde de vrouw, ben je mal of wat mankeert je!... die wildheid ineens!... je heb me
haast gebete... allo... je mot er nou uit, hoor...
- Nou... nou... nou... snikte 't kind, ik wou u toch maar zoene... ik hou zoo van u.
- Ja... dat kan je dan zachies doen.. niet zoo wild, je dee me schrikke...
Weer opende de alkoofdeur wijd.
- Toe nou vrouwtje, sta nou op... 't is al bij tiene, dan krijg je nog een tweede koppie thee van me... zei Verhoef, die heel aangekleed, met zijn schoon hemd voor hen stond.
- Dat lieg-i dat 't bij tiene is, zei zijn vrouw.
- Hè pa, krijg ik dan ook 'n koppie, riep 't kind, alweer getroost.
- Ja, hei-je me nou! Eerst de groote mensche, hoor.
- Allo... en nou d'r bliksems gauw uit ook, zei de moeder, terwijl Verhoef met de leege theekop wegging, en de alkoofdeur openbleef...
Zij sprak hard en korzelig, zoodat 't kind vlug gehoorzamend, al midden in de alkoof stond, voelend de dreigende kentering in haar moeders stemming.
De vrouw berouwde nu de verloren tijd.... 't Kind heelemaal nog wasschen.... d'r eigen wasschen.... boel aan kant maken.... allemaal nog vóór half een.... ze kwam nooit klaar!
En een narrigheid zette zich vast in haar hoofd, prikkelde haar zenuwen, een wrevel tegen zich zelf, Marietje, d'r man.... tegen alles.... Hè Jesis! je kon nie eens op Zondag je gemak d'r van neme.... Altijd maar vort, vort en alles kwam op haar an....
Zoo mokte zij, hoog-op in de alkoofschemer, gezicht naar 't kamerlichte gekeerd. En 't kind zag schuw er naar op, merkend hoe norsch 't stond, terwijl de vrouw in gedachten haar thee slurpte.
Verhoef had 't ook gezien, toen hij haar de kop, die ze grommig aannam, reikte en hij dacht dat 't maar beter was uit de weg te blijven en in 't voorkamertje de krant te gaan lezen.
Alleen vroeg hij nog, zich bij de deur even omkeerend, of meneer vóór alles had. Moest-i z'n ontbijt niet hebben? Zij gromde terug, dat Verhoef zich t'r niet mee hoefde bemoeien.... 't ontbijt stond al van gisteravond af klaargezet.
- Al goed.... al goed!.... moeder, trachtte Verhoef haar te kalmeeren, terwijl hij wegslofte.
- Kom!.... klee je alvast maar uit! hoorde hij haar nog snauwen tegen 't kind.
Ze was weer verdomd uit 'r hum van morgen.... dacht hij, slofstappend naar vóór, terwijl
zijn oogen werktuigelijk de bekende dingen opnamen: het vaal-stille gangetje, waar de Zondagsche looper, groen-rood-zwart, leidde tot 't voorkamertje met de deur half open, een doorzicht latend van klein interieur, bleekjes en bekrompen.
Verhoef ging zich aan het raam zetten, in de krakende rieten stoel, legde de krant op zijn knie, maar draalde een pijp te stoppen, zijn denken nog bij wat hij in de achterkamer zooeven verlaten had. En terwijl zijn lange lijf stijfhoekig rechtop zat aan de hooge stoelrug, schoon zondagshemd krijtig plooiend over platte borst en schuine schouders, pezig-magere hals er boven uit, waarin de adems-appel telkens zichtbaar opschokte, was de zonderling vogelige kop, - steilharig, met groote, kromme neus en ronde vogeloogen, flauw van uitdrukking, - naar de straatdiepte gekeerd, volgend het stijvig-beenend voortschrijden der vele kerkgangers. De straat was er vol van, gelijk zij, in fluweel en deftig laken, daar achter elkander stoetend gingen, klein-roerig vóór de starheid der hooge huizen, de meesten in dezelfde richting.
Een zwak gerucht klom er van op, van al dat gelijke gestap, en dan plots het fel toeslaan
van een huisdeur, een helle oproep uit een bovenraam naar iemand op straat en een luide groet terug....
Maar Verhoefs gedachten waren daar niet bij, ook niet toen hij, 't hoofd achteroverleunend, in 't kamertje rond keek. Over de vale behangselwanden, verschotenpaarswit gebloemd, de scheve boekenhanger met de omgevallen bandjes, al de familieportretjes in uitgeknipt-papieren of rieten lijstjes, waarvan de hoeken met knoeiïge fluweeltjes verbonden waren, de hardkleurende Japansche waaiers, vaagden zijn blikken naar de hoek bij de deur, waar allerlei goedkoop prulgoed van gekleurde vaasjes en beeldjes op een geschilderd houten penantkastje te pronk stond.
De deur had hij bijna dicht gedaan. Hij kon in de gang niet zien, maar hoorde toch wel van achter de geruchten waarvan hij de beteekenis wist.
.... Hard tikken van lampet tegen kom.... waterplassen.... holle stomp van kan op grond. Daartusschen stembrommingen van Kato, brutaal-kort, als harde stompen van geluid. Toen ineens grienen van 't kind, licht stijgend boven 't lage mompelen uit....
Dàar!... daar geniepte ze 't kind weer!
dacht Verhoef. Dat most 'r van komme, natuurlijk.... dat mensch was net gek!... dán was ze zus, en ineens sloeg ze om.... en haatdragend.... daar was 't end van weg!...
Het huilen hield aan, onderdrukt klagend, dan ineens uitschietend in een scherpe kreet: au! moeder!... o!... o! moeder!.... Onderwijl telkens geplas van een spons, die uitgewrongen werd.
Wat was ze weer an de gang! Onder 't wassche door kneep ze nou 't kind, waar ze maar kon, zoo erg dat 'r blauwe plekken van bleve... Beest van 'n wijf! Niet dat 't kind hèm zooveel anging... 't was niet eens van hem en d'r moeder most 't maar wete.... Maar 't was zoo mal: telkens as hij 't kind een tik gaf, werd zij stinkend-nijdig en zelf geniepte ze 't elk oogenblik voor niks en voor alles.... Vroeger sloeg ze 't ook.... maar dat was te gehoorig voor de commesaal,... nou had ze er dit op gevonden... zij kneep maar... hoor 's!... hoor 's... hoor ze 'n 's bezig zijn!...
Het grienen werd heftiger, in versnelde hijgingen, met telkens gesmoorde gilkreetjes: au!... au!...
En Kato's grof geluid er tusschen door, soms even overslaand van driftsnerping, dan dadelijk
weer onderdrukt tot hardheesch gefluister: stá je stil! sta je stil!... je zál stilstaan, zeg ik! Stomme rakkerd! gromde hij, hoofdschuddend, bezorgd luisterend naar de voorkamer... Most ze nou met alle geweld meheer wakker maken!... Zoo'n schandaal in je huis!
Het huilen stilde echter allengs in lange uitklagingen.... ook háar stem ging weer doffer en Verhoef wendde zijn hoofd af naar 't raam en stopte nu werktuigelijk zijn pijp.
- Gemeen dier! gromde hij nog. Toen zakte hij achter in zijn stoel, nazinnend, met vage oogen naar de straat gewend.... As-ti 't nog 's over most doen, zou-i 't 'm anders levere.... dan nam-i hàar in d'r eeuwigheid niet weer... Stomkop! waar had-i ze hersens toe? Hij had zich nog wel verbeeld 't nou 's listig in te pikken... Zij had d'r boeltje en nog wat cente over van wat de famielje van die dooie kerel d'r gegeve had.... en dat kon hij toe best gebruike... En dan had-i gedacht dat ze wel dankbaar weze zou, dat-i weer bij d'r terug kwam, na al wat 'r gebeurd was en nou ze nog wel met 'n kind zat... Welke andere man had dàt gedaan? Zij stond er werachtig ook niet zoo best voor in die tijd.... Met 't verhuren ging 't toe heelemaal niet, en as de centen op ware,
waar most ze dan na toe?... Maar.... jewel! dankbaar! hij werkte zich uit z'n naad en zij klaagde nog dat-i teweinig thuis bracht!.... 10 guldes voor 't huishoue in de week,... dat was toch ordentelijk.... daar kon je royaal van bestaan.... as je maar 'n beetje wist huis te houe.... Maar daar had dat wijf geen benul van... daar had-i zich ook al in vergist... Hij dacht dat ze 'n goeie huishouster was.... 't Leek na snert.... Ze was slordig en uithuizig.... ze zorgde heelemaal nièt en wat of ze uitvoerde zoo'n heele dag, god moch 't weten!... Geregeld vond-i 's avons de vuile vaterommel van de vorige dag nog nèt zoo staan.... En an d'r boel dee ze dikwels ook geen slag... 't bed in de alkoof was soms nog geen eens opgemaakt.... 't Was gebeurd dat-i Zondags in godsnaam zelf maar an de slag ging, stof afneme en zoo... de rommel wat an kant helpe.... En 't miserabelste was, dat ze zich, verdomd, geen tijd gunde behoorlijk ete voor 'm te koke! Elke dag was 't godhelpie! lappies, sla en aardappels; aardappels, sla en lappies.... Ja, 't was wat lekkers, as je van 's oches half zeve d'r uit was geweest in dat verdomde pesthol van 'n wasscherij en je kreeg dan niks anders in je donder
dan 'n flentertje taai vleesch, aardappels, angebrand of niet gaar en die koue sla, die je zoo rauw op je maag lag!... 't Zat niet in 'm, anders was-ti waarachtig 'n kroeglooper geworde, zoo leelijk vernoke was je met zoo'n wijf!..
In 't begin had-i ook 't smoor in gehad en opgespeeld wat ben je me! Maar wat won je d'r mee? Green bliksem... dan liep ze weke lang met d'r kwaje kop, en wat 't crimeneelste was: dan weigerde ze-n 'm... dan moch-i niet bij d'r komme... En Jees, dat hieuw-i niet uit as 't wat lang duurde!... Dan was 't toch weer smeke-n- en soebatte of ze maar weer goed wou worde...
Och, maar nou trok-i zich al lang geen bliksem an... Overdag had-i d'r geen last van en asse-n 'm maar te vrete gaf en 'm 's avons maar in vreê z'n potje bier liet drinke...
En dan kon ze soms ook wel weer goed voor 'm zijn, as ze-n in d'r hum was. Ze was vroeger wat 'n knappe meid geweest, vóór ze met die verzope jonkheer schuive ging... Eeuwig jammer!...
Al lang, peinzende, luisterde hij niet meer naar de achterkamer-geruchten. Hoogvragende kinderstem van Marietje ging daar telkens op, die als iets gewoons in zijn ooren kwam en
zijn aandacht niet wekte. Later plots geluid van een lange plons water: een kom die uitgegoten werd.
Verhoef echter, zijn pijp in een mondhoek, al uitpaffend de grijze rookkringels, die loom slinkend opstegen, golvend dwaalden onder de zoldering, traag wentelden om de lamp, zat nu verloren in streelender denkingen.
Al een paar weken lang was-i zoo 's, as-ti wat vroeg gedaan had 's middags, met Spier en 'n paar andere mee geweest naar die kroeg van Wiedema, een ‘bar’ noemde ze-n 't... maar 't was eigenlijk niks as 'n gewone kroeg. Dat lekkere dikke wijf van Wiedema mocht 'm wel lije... leek 'm... Ze was altijd wat vrindelijk as ze-n 'm zag. Hij kreeg 'n pootje over de toonbank heen en as-ti dan 'n praatje maakte, dan kneep ze d'r ooge dan toch zoo verdomd wellustig toe in d'r rooie bellefleurtoet... Weergasch lekker wijf!... Mogelijk kon daar op de duur wel wat van groeie... Maar 't most 'm geen cente koste, want daar had-i 'n broer an dood...
Vlug-lichte kinderstapjes in 't gangetje naderend, braken in zijn gedachten verzonkenheid in. Hij keek opgeschrikt naar de deur, die met een bons open zwaaide. Marietje stond er voor.
- Ik ben al klaar!... helderde haar stem met dat geaffecteerde klankje, haar eigen.
- Heila! kà-je wel! had Verhoef haar toegebeten in zijn schrik-ergernis.
- Vader, moe zegt dat u maar geld moet geve om taartjes te hale voor bij de koffie.
- O, zoo, zegt je moeder dat?... da's wel makkelijk van je moeder, grinnikte hij, en wanneer krijge we vandaag die koffie? dat zal wel morge-ochend worden as 't zoo doorgaat.
- Ik moet male, zegt moeder...
- Jij male? dat kù-je niet, kind...
- Zoo? kan... ik... dat... niet...? Zal u 's zien!
Even keek zij hem uitdagend aan met haar brutale, blauwe oogen in het smal, blank-blond gezichtje.
- Zal u nèt 's zien!... herhaalde ze, voorzichtig neerknielend bij 't buffetkastje om haar grijs zondagsch rokje en schoon boezelaar te sparen. En zij ging, stommelend tusschen allerlei andere dingen, de blikken koffietrommel krijgen, reikend ver achter in 't kastje.
Verhoef zag haar doen, geknield voor de kast, haar beenen in zwarte kousen en halfsleets gebarsten leeren knooplaarzen, stokkig recht naast elkaar op de grond. Even kwam hem de
verwondering dat zij niets meer scheen te weten van die grienpartij van straks... Maar daar was geen spoor meer van op het hoekig-magere, kleine profiel met het hoog jukbeen en de groote oorschelp, waarlangs 't vaalblond korte haar, opgehouden door een kam, in natkleverige sluike lokjes trilde.
Zij deed nu enkel druk-gewichtig, de rammelende koffieboonen nauwgezet afmetend in 't busje, dan weer leeggooiend om nog eens te scheppen, tot ze het volle lood ratelend overstortte in de molentrechter. Daarna sloot ze de blikken trommel, 't deksel met alle kleine vingers er moeilijk òmdrukkend, liep toen, klein-haastig stappend met de molen heen, nog met haar schelle stem over de schouder hem toezeggend:
- Leg u 't geld maar alvast klaar, ik kom zoo....
En achter in de kamer hoorde hij haar vragen, nu niet brutaal, maar vleierig.
- Is 't zoo goed, moeder, anderhalf lood? en verstond 't antwoord:
- Ja,... allo... toe maar! maak maar vort!...
Van de keuken klonk toen het versch-krakelende, snarrige malen.
Meneer Frikkers was nu ook opgestaan, Verhoef hoorde zijn gestommel in de alkoof, toen zijn zware stappen in de kamer komen en gaan, Later ook rinkelen van theegoed....
Juist had Verhoef de krant opgeslagen, zijn oogen afwendend van de grauwe straat, waar 't nu stil geworden was - soms nog kindergejoel opklinkend van heel ver - toen heesch fluisterend zijn naam geroepen werd.
In 't matte ganglicht aan de achterkamerdeur zag hij, opkijkend, zijn vrouw, - groote gedaante in korte onderrok, waaruit plomp twee staakbeenen - die hem wenkte. Hij haastte zich op.
- M'nheer is al op, en ik heb vergete z'n laarze te poesse, och toe! doe jij 't effe.. straks vraagt-i d'r om en dan zijn ze d'r niet..
Haar stem klonk smekig, terwijl ze zich de bloote dikke armen krabde bij de ellebogen.
- Zoo.... da's anders mijn werk niet.... mopperde hij tegen, zijn beenig gezicht met grauwige baard-kin dicht op haar, strak haar aanziende achter zijn bril, met ineens begeerte-glanzende oogen.
- Ach Jees! doen 't nou maar effe!.... ik vraag je anders ommers nooit wat! hield zij ongeduldig aan.
- Nou dan, omdat jij zoo'n lekker wijf bent!....
En zijn groote handen met een lichte klats klemmend om haar weekvleeze armen, drong hij het zware lichaam, altijd strak haar in de oogen ziende, achteruit de kamer in. Maar zij, halfgeschrikt, half geërgerd, rukte in een lompforsche omzwaai haar armen los en nijdig:
- Och Jees! Schei nou uit! Wat mankeert je? Schaam je je niet voor 't kind!
En zij duidde met haar hoofd naar de keuken, waar het kind met blinkende oogen opzag, onderwijl traag malende.
Verhoef liet zijn handen van haar af, die leeg langs zijn lijf vielen en zoo stond hij een oogenblik haar aan te zien, verlegen grinnikend. Tot hij zich afwendde naar de keuken.
- Ik heb maling an 't kind, bromde hij en tot Marietje, die haar gretige kijkoogen juist neersloeg:
- Kom, ben je nog niet klaar!
- Is dat malen nou nog niet gedaan? kwam ook de moederstem uit de kamer.
- Ja, moeder, dadelijk! was weer overdreven-zachtzinnig 't antwoord. Eenige tijd draaide Marietje nu heftig-snel, hijgend van inspanning, terwijl Verhoef aan een hooge rijgschoen stond
zag hij de dikke lippen norsch-gespitst, de kattige oogen dof-klein onder 't knorrig-rimpelend voorhoofd en begreep dat 't nog altijd mis was. Dat was beroerd! Hij mocht zijn vrouw wel, als ze 's Zondags zoo frisch gewasschen met 'r bloote armen rondliep... dan had-i altijd lust met 'r te dollen. Ze scheen 'm dan ongewoon verleidelijk en hij zag 'r anders nooit zoo... Maar 't was verdomd nou èlke Zondag dat ze juist om die streek zoo krengig kwaad liep... Wat scheelde dat mensch toch?
Hij had de laarzen blinkend gepoetst en ging ze, geduldig-sloffend, heel voorzichtig en onhoorbaar neerzetten aan de voorkamerdeur. Toen hij terugkwam riep Kato hem uit de kamer toe, dat z'n koffie klaar stond op de keuketafel. Zuchtend nam hij zijn kop mee naar voren om 'r de krant bij te lezen.
Kato zat de hare in de achterkamer op te drinken, zoo maar even op een stoel aan de wand, de beenen wijd-uit, dat haar rok, tot een breede schootkuil gespannen, strak trok over de knieën. En terwijl ze de elboog ondersteunde met de linkerhand, omvatte de rechter breed de kop, de gebarsten werkvingers, stomp-zwartgenageld en met dikke vleeschrimpels op de geleedingen.
Zoo, terwijl haar oogen naar buiten keken, in 't schrei-bleeke buiten van grauwe regenlucht en vocht-zwarte takken, waarachter gelaten de overkanthuizen opstonden, nam zij telkens een lange slurp van de heete koffie, die zij klok-slikkend omlaag spoelde, blies dan even in de gestaag ijl-opkrinkelende damp en slurpte weer, smakkend met de vochtroode lippen.
Door de zoetigheid en warmte voelde zij de wrevel wat opgelucht, die sedert de morgen haar drukte, als een balk dwars door haar hoofd.
't Was begonnen toen Dirk 'r geen thee op bed wou brengen. Daar had ze zich zoo giftig om gemaakt!.... en toe dat lastige kreng van 'n kind, dat niet stil wou staan onder 't wassche.... altijd maar spele en douwele..... Ze had 'r ook goed wat gegeve.... maar dat had 'r niet opgelucht.... misschien was 't ook dat pestige weer, dacht ze, werktuigelijk roerend in de dikke boôm van suiker, die ze onder-in voelde,... en och Jesis! d'r was nog genog anders dat 'n mensch de pest in kon hebbe!...
Wat was dat nou voor 'n leve, dat ze had... as je 't vroeger zoo anders gewend was geweest!... Ja, fatsoendelijk, dat wàs-i, Dirk, en zij was nou ook een fatsoendelijke getrouwde vrouw... Maar
wat hâ-je daàr an? Krimpe, scharrele van nie veel meer dan 10 guldes in de week, duizend cente... verdomme! daar doe je veèl mee!... Dan maar liever niet fatsoendelijk en lekker veel cente! Ze had tijje dat ze maling had an 't fatsoen... dat ze d'r op spuge kon!... Ja, as je de cente d'r bij heb, is 't heel plezierig... maar zóó... dat gesappel! En Dirk liet niks meèr los, zoo'n Joris Goebloed as-i anders was, as 't op geld op an kwam, dan was-i zoo vrekkig as t'r an toe. We motte spare... zei-di altijd maar, voor de kwaje dage... Alsof de dage nou niet kwaad ware! Nou ja, hij had wel effe gelijk ook: je mos wat achteraf hebbe, bij ziekte of zoo, maar Jees! 'n gezond mensch wou toch ook wel 's wat hebbe... 'n goed stuk kleere en zoo... vooral as je-n 't zoo anders gekend heb!...
En in weemoedig verteederen ontsloot haar geheugen de visie van 't verleden: de tijd met Van Ravensweerd...
Ze had 't toen rijk gehad... ze was toen 'n dame, net zoo goed as wie ook... en al d'r broeke en al d'r hemde met kante en entre-deux... wat sjiek, hoor! en kostuums... elke maand 'n ander! en de prachtigste hoede... En op straat altijd gepoeierd onder 'n voile en 'n parasol... Daar was Raaf wat opge-
steld!... Ze most 'n echte dame zijn,... en natuurlijk altijd handschoene... Ze had toen ook echte dameshande, zoo blank! heel anders dan die werkpoote van nou... Geen wonder! Ze voerde toen ook geen slag uit... ze zou nog geen koppie omgewassche hebbe... Ze liet d'r meid poot-an spele! Ja, waar hâ-je zoo'n meid anders voor? En dan had ze ook dikwijls genog te stelle met 't kind, met Marietje en met Raaf zelf, as-i z'n dronke buie had...
Ongemerkt deed de vrouw het kopje op tafel schuiven, zat nu met de handen in de schoot, een frons van peinzing boven de starende oogen. Om haar was de doffe kamer, was het huis stil. Maar van boven-vóór dreinde de slepende galm van een liedje.
Zoo leeg-verlaten klonk dat, zoo Zondags-dof en zeurig...
Haar gedachten werden er misschien door be-invloed. Die gingen nu tusschen triestige beelden en willoos liet zij hen gaan.
Van die eerste tijd harer kennismaking met Van Ravensweerd, toen zij diende in de manufacturenwinkel, waar hij zijn kamers had, en de gezellig-dikke, goedleefsche jonker, met zijn joviaal rond-rooie gezicht en kleine twin-
keloogjes haar aanhaalde beneden in 't donker aan de trap, sprong haar denken plotseling over op die laatste benauwde maanden van hun samenleven, dat hij nachten lang door-zwijnde, terwijl zij hem te wachten zat, insluimerend en telkens weer opschrikkend in haar stoel... In 't begin, toen-i nog niet zoo verzope was, kon-i soms wàt goed voor d'r zijn... Zoo'n onverschillige gemoedereerdheid had-i dan over zich, en as ze met 'm uit was, dan dee-i altijd heel galant, met deur opedoen en an d'r mantel helpe, net of ze z'n vrouw was... Hè! zoo'n lekker-onverschillige dikzak was-i toen, met ze ronde kop en ze dikke, harige beene in z'n fijne lakensche broek... 'n echte, voorname menheer!... Toe, in 't begin, dronk-i òok wel, en dan stonge z'n oogies zoo vettig en nog kleiner dan anders, as-i 's middags stevig geborreld had...
Maar al gauw, na de geboorte van 't kind al, was-i hoe langer hoe meer gaan zuipe, en as-i dan 'n kwaje dronk over zich had, dan kon-i d'r niet luchte of zien. Dan schold-i d'r voor hoer, zei dat ze z'n ongeluk was... dan had-i d'r wel geslage ook en eens, toen ze 'm niet as anders maar begaan liet, maar opspeelde, had-i d'r 'n kristalle vaas na d'r
kop gegooid! Toe was ze 't huis uitgeloope!...
Ze had wat uitgestaan in die laatste weke vóór z'n dood!... Dikwijls brachte ze 'm thuis, dat-i niet meer op ze beene staan kon en-i de heele boel onderspoog. Dan most ze'n 'm eerst onder gesoebat en gesmeek in ze bed sjouwe en dan nog gaan reddere, want ze wou toch niet dat die meid dat 's morgens vond. En ondertusschen lag hij bove maar te vloeke, dat je d'r koud van wier... zoo in 't holle van de nacht!... En 't kind, waar-i vroeger zooveel om gegeve had, kon-i toe op 't laatst ook nie meer vele. Weg dat kleine mirakel, weg met dat hoerekind! Wat heb ik 'r mee te make, 't is toch niet van mijn! riep-i altijd maar uit ze bed en al d'r griene en al d'r bezwere dat 't echt zijn kind was, holp geen bliksem... Nou, hij was toen ook al 'n heel end weg, en eindelijk was-i zoo wild geworde dat ze 'm in 'n gesticht moste opsluite, omdat 't levensgevaarlijk was...
O Jees! die laatste dag, dat ze 'm zoue komme hale, was-i uit ze bed gespronge en had de boel nog kort en klein geslage! De verpleger en de meid same hadden 'm nie meer kenne houe. En toe zij boven kwam, had-i 'r te lijf gewild... en ze kreeg 't op 'r zenuwe,
zoo ijselijk vervloekt-n-i d'r! Ze was toe met 'r kind weggeschole op zolder, ure lang, al maar luisterend en zachies grienend, tot 't donker was en ze 'm kwamme afhale... En toen-i weg was, wat had 't huis toen ineens stil en uitgestorve geleke!...
Ja, as ze dat allemaal bedacht, had ze toch ook d'r pleizier wel op gekend... Maar affijn, d'r was toch in alle geval nog 's variatie... ze was toen tenminste 'n dame, de sjieke mentenee van Jonkheer Van Ravensweerd... En altijd geld zat... dat had ze toe te weinig geteld...
Toen-i gestorve was, had die smerige familie van 'm, d'r voor al d'r moeite en zorge, terwijl ze nog wel met 'n kind van hem zat, met 'n paar duizend gulden afgescheept.... die rijke vuilakke! En ze most wel anneme, want ze had geen cent meer en d'r stong al heel wat in de lommerd ook.... Maar 't was daarna toch wel 'n lollige tijd geweest.... Ze had kamers verhuurd an meiden en mentenees, die allerleim alle streken uithaalden.... zelf ook wàt meegedaan.... massa sjempie gezopé, soms 's oches vroeg al.... d'r onbezorgd op toe geleefd.... En toen de cente al zoo wat op begonne te rake, want ze kon wat an! was
Dirk bij d'r gekomme, die ze al van vroeger kende en had 'r gevraagd om te trouwe. 't Was een leelijke kerel, maar doodfatsoendelijk en hij verdiende ordentelijk.... ten minste, wat je dan ordentelijk noemt: niks bij wat ze vroeger gewoon was natuurlijk....
Ze had 'r toen 's goed over nagedacht.... d'r most toch verandering komme, dat begreep ze wel. Dat leve kon zoo niet dure en ze had 'r ook meer dan genoeg van de hoer te spele.... as ze 'm nam werd ze ineene 'n fatsoendelijke burgervrouw.... Hij zou 't kind echte, had-i beloofd, en dat had-i ook gedaan ook.... En nou was ze getrouwd.... Maar Jezis, wat verlangde ze soms nog na die tijd terug!... Daar zat je nou voor je leven, fatsoendelijk en wel.... en dag in dag uit 't zelfde.... Dirk trok d'r vroeg uit 's oches.... en as dan 't kind na school was, dan zat ze.... Bij tijjen, as ze 's 'n werkbui had, ging 't wel, dan haalde ze de boel om, ploeterde en schrobde ze tot ze d'r haast bij neerviel.... dan kon ze niet hebbe dat 'r 'n stoel verkeerd an de muur stong...
Maar soms was 't ook of d'r keel werd toegeknepe, of t'r 'n gewicht op 'r borst lag, as ze weg ware. Dan kòn ze niet tegen de
alleenigheid en dan liep ze 's morgens al de straat op, na deze of gene kennis. En daar bleef ze dan maar hange, liet thuis de boel in-godsnaam maar waaie.... D'r kwame dan allicht 's andere meide oploope, soms ook wel 's en paar heere.... d'r wier gezope natuurlijk en lol geschopt en elkeen gaf dan op ze beurt wat.... Voor d'r fatsoen gaf zij dan ook wel's 'n paar maatjes, maar sommige van die meide trokke daar d'r neus voor op en woue niks as konjak drinke.... Nou, dat kon zij niet bekostige, dan moste ze d'r maar vrijhoue.... Kon ook best zukke rijke meide!... Met een heete kop van de drank kwam ze dan 's middags laat thuis.... 't kind was al uit school.... en dan most ze staan koke, terwijl ze soms de grond onder d'r voete niet voelde. En ondertusschen vrat ze maar koffieboone om de lucht van d'r mond weg te krijge.... As de maan dan nog an 't aardappele schille.... 't kind uit sturen om lappies.... sla had ze al in huis.... alles in 'n vloek en 'n zucht, want Dirk kwam om zeven uur van de wasscherij.
Meestal was ze dan net zoowat klaar as-i z'n voeten in huis zette.... 't ete was er dan ook na, maar Dirk mopperde haast nooit....
en as-ti 't dee, donderde 't nog niks.... Hij had 'r geen spier te verwijte, hij wist precies wat-i an d'r had, toen-i d'r vroeg en hij had nog van d'r cente geprofiteerd ook, want hij was toen zoo nakend as 'n rot.... zij had alles meegebracht, geen stuk bracht-i zelf an.... En wat-i nou in de week d'r gaf, dat was toch ook maar 'n bedroefd klein beetje.... te weinig om te leve en te veel om te sterve.... Wat 'n moeite en gesappel om 'n nieuw stuk kleeren an je lijf te krijge!.... Ze schaamde zich soms dood as ze bij die meide kwam, zoo schorem as ze d'r uit zag.... En as-'r dan bij haarlui wat afviel, most ze nog danki zegge.... 't Was geen leven zoo!....
Heel verloren in haar denken, zei de vrouw die laatste woorden bijna hardop. En zij hoorde 't zelve, juist toen in de alomme rust, stommelig trapgeloop klonk, dat het lichte gedachtenvlies gansch verscheurde. O ja.... 't kind....
De gangdeur knapte los,... kort-klappende haaststapjes naderden en Marietje stond in de kamer naast haar, het gezichtje rood boven de donkere mantel en met rauw-frissche buitenlucht om haar. Een groote krakige zak haalde ze van onder de mantel.
- Moeder.... daar is 't... Hè... ik heb
zòolang moeten wachte in die winkel!... d'r stonde toch zòo'n macht mensche!
Ze zei 't haastig, met een gemaakte onbevangenheid in haar fijn-zingend stemmetje, waaruit een onrust klonk. Juffrouw Verhoef had 't niet gemerkt, dat er al zooveel tijd verloopen was sedert zij 't kind uitstuurde, maar nu maakten die haastige verontschuldiging en blijkbaar onware woorden haar opmerkzaam. 't Was waar: Marietje moest zeker al héél lang weg zijn geweest, want ze had in die tijd koffie gezet en hier al een heele poos zitten prakkizeeren.
Haar nog niet verdwenen wrevel schoot weer omhoog en, als altijd, was er een scherp gevoel van wellust in, die wrevel aan iets zwaks te koelen.
- Dat lieg-i weer, kreng dat je bent! 't Is nooit zoo vol bij Schamp in de winkel, vooral 's Zondagsoches niet... Waar hei je weer geslenterd al die tijd?...
- Heusch moeder.... ik ben recht door gegaan.... ik heb nergens geslenterd.... maar d'r stond zóoveel volk... d'r waren 'r wel twintig.... ja wel dertig, die allemaal....
Met een forsche zwaai patste de breede werkhand, de vingers stijf aan een, op zij van 't koel-frissche gezichtje, nog eer 't kind had uitgesproken.
- Dàar dan!... ik zal jou leere me voor te liege, brutaal beest!
Het kind was teruggewankeld, met vrees-knippende oogen en viel nu dadelijk heel hard aan 't huilen, twee handjes voor 't gezicht, dat iedereen 't in huis zou hooren:
- O! moe-der!... o... moe!... 't is heusch waar.... u kan.... 't.... vragen.... an... iedereen.
Maar juffrouw Verhoef, al bedaard, schrikte van de hevige huil-uitbarsting, die ze toch maar half als echt voelde. Al was meneer Frikkers nou ook al vóór, hij zou 't toch hooren, as dat kreng zoo te keer ging... En ze wou 't voor boven ook niet, dat 't kind zoo jankte....
- Hou je mond! hou je leelijke bek! gromde zij met ingehouden stem, de woorden met felle rukken van haar hoofd toebijtend naar Marietje, die nog altijd huilde met onnatuurlijke snikhalen.
- Kom... ruk maar uit!... na vore, na je vader!... Neem de zak mee.... ik kom temee ook,... snauwde ze.
Het kon haar eigenlijk niet schelen waar Marietje gebleven was, nu zij haar drift gekoeld had...
En deze, in eens minder snikkend, tripte
vreezig langs haar voorbij, een handje nog schuw voor 't gezicht, in de andere de vettige zak.... Maar nauwelijks in 't gangetje viel 't handje af, ging 't gebukte snoetje vrij omhoog en de nog natte oogen knepen slim dicht en om de mond kwam een stille lach.... daar kwam ze nog lekker goedaf door d'r schreeuwen.... Ze had natuurlijk wel geslenterd... ze had gespeeld met de jonges van de kapper... Die eene was 'n naarling, maar Japie vond ze wat aardig... En daar had ze mee gestoeid in stoepies.... Jees, moe most 's weten wat ze d'r hadden willen doen!... Gelukkig waren d'r net menschen voorbij gekomme, ja, gelukkig maar.... 't Kon moe anders ook zooveel niet schele waar ze bleef, as 't niet was om de taartjes.... maar moeder was altijd zoo woedend Zondags.... misschien wel omdat pa thuis bleef...
Zoo denkend door 't gangetje, kwam ze bij Verhoef 't kamertje binnen en de zak op tafel gooiend, zei ze nestig:
- Hier benne de taartjes, pa.... maar u mag t'r niet ankomme voor moeder d'r is, het ze gezeid.
Intusschen was juffrouw Verhoef zich verder
gaan kleeden. Met haar bonzende stappen en hooge zware lichaam maakte zij de kamer vol, gaande in en uit de alkoof, opruimend hier en daar van de stoelen, in hoekig-ruw bewegen.
Ten laatste bleef er nog alleen haar japon aan te doen en zij stond een oogenblik stil, midden in de bleek-armoedige kamer, stevig geplant op haar lange platte voeten in leeren muilen, de korte onderrok bollend over de buik, terwijl ze zich weer met gehoekte armen krabde over het slapgele, puistige vel. En de lippen spitsten norsch-ontevreden in haar bolle gezicht en de brauwen waren kwaad gefronsd... Jees!... wat most ze nou toch andoen?... Ze had letterlijk geen heel lijf meer om an te doen... alles verslete... D'r daagsche was zoo gescheurd onder de arme... daar liep ze al lang mee... maar ze geneerde zich 'n beetje, om dat voor de Zondag an te doen, ook omdat Dirk op z'n pestige manier d'r al 's wat van gezeid had... En d'r blauwe met 't fluweel, van van-de-zomer, daar hingen de knoope af en die zat vol vlekke... Geen wonder! Ook dag an dag an van de zomer!...
Jees! Verdomme!... dat je nou nie eens wat had om an te trekke! Verrekte armoed-
zooi!... Bij Vermeule op de Nieuwendijk daar stinge nou zukke prachtige kostumes in de kast... En niet duur ook... Wat zou dat lichtgroene d'r goedstaan...! Maar d'r was geen kijke na met die beroerling... 't Kon hem wat schele hoe ze d'r voor heen liep... Een andere vent keek nog 's na z'n vrouw om, hoe ze d'r uitzag... Maar hij....! As-ti d'r 's nachts maar had!...
Opnieuw zeerde haar die dwarsche pijn in 't hoofd boven de oogen, voelde zij propping in haar keel... De vale armoedigheid der kamer sloeg haar tegen, werd één met de armoedigheid van haar leven, dat zij overzag, eeuwig grauw-gelijk in de bekrompenheid, 't altijd zich stooten aan die nijpende behoeften in de kleine kring van haar wekelijksche tien gulden. En in snerpend verlangen herdacht zij 't vroeger leven, toen ze een dame was en ze al de kleeren makkelijk koopen kon, al 't mooi's van opschik, waar ze nu dag en dag naar liep verlangen, maar vooral, toen er variatie was in haar leven, een dolle warrel van lol en een omgang met menschen, die haar niet schuin aankeken om d'r armoe maar haar flikflooiden om d'r geld.
Daar in 't verleden zag zij rijklevendheid, kleurig vertier... nu was 't grauwheid, altijd
door, tot 'r dood... altijd met die kerel en dat kreng van een kind... En nooit niks meer van al 't prachtigs en lekkers, dat je alledag om je heen zag... Tergend schoot de herinnering in haar op aan een paar oorbellen van similidiamant, die ze in de Galerij had zien liggen... Ze kosten maar een riks... maar jawel: één riks of tien, dat was al eender, as je 't niet had... En wat was vroeger een riks voor haar...
Zij wou wel huilen... Haar grijze oogen knipperden van tranen en haar lippen hadden zenuwschokjes...
Maar in een woede-ruk keerde ze zich om, greep d'r daagsche lijf dat ze in een paar forsche armrekkingen aanschoot...
Toen de rok over haar hoofd en ze was klaar. Laat genoeg, waarachtig!... dat kwam van al dat geprakkizeer... Ja, ze zou daar 'n deuntje gaan zitte griene!... daar kwam je wel mee vooruit... 't Was eenmaal uit met de pret... zij had d'r portie gehad en ze most 't nou maar nemen as 't was...
Zoo drong ze haar gedachten terug, maar wrevel en zelfbeklag bleven nadreinen in haar hoofd en haar groot, gelig-bleek gezicht stond strak, toen ze naar voren ging met lange, schokkende boerinne-stappen.
Door de halfopen deur van 't kamertje, zag ze 't kind, donker profieltje tegen de watergrauwe dag, snel vingers aflikken, met op en neerbeweeg van 't hoofd... toen schielijk afwenden naar 't raam!
En zij begreep dadelijk dat Marietje van de taartjes had gesnoept.
Binnenkomend zag zij Dirks kromneuzig profiel, naar 't raam toe, over de krant gebogen. Zijn eene brilglas spiegelde het grijze wolkenlicht. Marietje stond schijnbaar aandachtig in de straat neer te zien, de gespreide vingertjes van een hand op vaders knie, beenen over elkaar geslagen.
Maar op 't koffiebruin tafelkleedje lag de vettige zak en de taartjes stapelden er uit, als uit een hoorn van overvloed: twee ovale bleekrose amandeltjes over 't glimvochtig bruin van roomhorens met hun botergeele rondten en kleine vierkantige mokkataartjes, waarvan de weeke kuifjes waren platgedrukt.
Bij 't zien van die open zak was er een prikkeling van woede in haar hoofd. Haar wrevel sloeg weer uit, nog verscherpt door haar gulzigheid, die eigenlijk nooit deelen wou en zich nu benadeeld geloofde.
Het ware voor haar wellust geweest uit te,
barsten, te schreeuwen, er op toe te slaan, maar zij hoorde meneer Frikkers in de groote kamer, die brommend neuriede, en zoo kwam 't enkel tot een heesche woedefluistering, terwijl ze in één vaart door 't kamertje Marietje bij de arm terugsleurde naar de tafel.
- Jees!... Jezis nog toe! Vuile snoepster dat je bent! Wie hadt je gezeid die zak open te doen en met je smerige fikke d'ran te zitte, hè? Hè?... Toe nou!... spreek op nou?...
En de arm onderwijl venijnig knijpend, schudde zij het kind zoo hard, dat 't hoofd waggelde op de hals. Marietje viel dadelijk weer aan 't huilen, griende scherp-op met breed-getrokken mond: au! au! terwijl Verhoef over zijn bril de twee aankeek, verward door 't plotseling geval, de mond half-open van niet begrijpen.
- Hou je... leelijke bek! hou je stil!... zal je stil zijn! gromde de moeder terwijl het kind haar jengelend gegrien onderbrak door hoog uitgeschreeuwde driftwoorden:
- 't Is niet waar... 't is geloge... ik heb niks gedaan dan...
- Hou je stil!... mot meneer 't nou hoore!... ga na achter... gà je!... gà je!... gemeen leugebeest!... d'r zat nog room na
d'r mond! vervolgde zij tot haar man, terwijl Marietje kwaadaardig grienend wegsloop.
- Och, moeder, laat 'r nou maar, begon hij. Maar zij:
- Ja... jij had wel 's kenne oppasse dat die meid d'r niet ankwam, met d'r dievepoote... maar jij zit maar lam te leze en ziet of hoort nooit niks...
Verhoef wou wat terug zeggen: - ik... maar hij keerde zich schokschouderend af en nam z'n krant weer op.
- Maar ze zal d'r nou niks van hebbe,... ging de vrouw, verkalmd, voort, terwijl ze de taartjes weer in de knisterende zak liet glijden, en zich half omkeerend, met haar gezicht naar 't gangetje, waar ze Marietje zag druilen bij de keuken, herhaalde ze halfluid:
- Maar die snoepster zal d'r nou expres niks van hebbe... we eten 't allemaal alleenig op, lekker!...
Een woede-stamp en nieuwe uithuil met onverstaanbaar geschreeuwde woorden antwoordden en 't kind verdween snikkend in de achterkamer.
- Wâ zeg-i? had juffrouw Verhoef nageroepen, haar breed gezicht heel omgewend, de lippen dreigend gespitst.
- Ja... begin nog 's!... je ken nog meer krijge... riep ze naar achter. Toen, na even wachten, sloeg ze de deur dicht en begon, altijd hoog bij de tafel opstaand in 't kleine kamerhokje, aan de taartjes te eten...
In een vratige hap verdween een heel roomhorentje haar mond in en, met haar dikke roode vinger naduwend, maalden dierlijk gulzig haar kaken, smakkend en tonglekkend tusschen de vochtig-vette lippen. Daarna, terwijl in het vertrekje niets gehoord werd dan haar knappend kouwen, stopte zij in een schielijke greep een tweede roomhoren naar binnen, gulzig er eerst een oogenblik op starend, even wreed-begeerig en wreed-snel als een geweldig Reuzen-wijf een klein kindje verslinden zou. Onder het drukke smakken, vroeg ze Dirk of hij 'r ook nog van wou.... Verhoef in zijn lezen gestoord, loensde terzij over zijn bril eerst naar de zak, toen naar haar, die hoog voor de tafel opstond. Even bleef zijn blik vaag, toen kwam er begrip in zijn grauwe oogen, een tinteling van treiterige vroolijkheid.
- Nou asjeblief! zei hij met zijne droge lach. Ze waren van zijn cente gekocht, natuurlijk most-i d'r van hebbe!.... en veel ook!....
Kato schoot hem een dierlijk wangunstige
blik toe. Zij begreep wel zijn treiteren. Hij gaf niet zoòveel om zoetigheid, maar enkel omdat zij niet alles zou hebben, wou-i nou deelen. Maar zij liet niets merken, nam moei-lijk bukkend, een schoteltje uit het buffetkastje en legde er onverschillig een roomhoren en een amandeltaartje op, die zij hem in de uitgestoken beenige hand wilde geven. Maar Verhoef nam enkel het amandelvierkantje.
- Zoo.... bewaar dat nou voor 't kind, zei hij, zich weer tot lezen schikkend en breed kauwende.
Zwijgend ging juffrouw Verhoef het witte schoteltje in 't kastje zetten, onderweg meteen een derde roomhoorn, met een snel-slinksche greep van de tafel, in de mond stekend. En volmondig malend-kauwende ging ze toen de deur uit, de zak met de overige taartjes terloops meegrijpend en dragend voor haar buik in de roodgrove vingers. Zij moest in de keuken nog eerst wat vaten wasschen voor de koffie en nam de taartjes mee om ze onderwijl op te eten.
Voorbij de achterkamer gaande, kwam zij even om de deur kijken, wat het kind uitvoerde. Marietje stond aan een raam bij een hooge rieten stoel, haar boezelaar fel-wit vlekkend in
't bleeke wolkenlicht. Zij keerde zich ineens af toen 't hoofd van juffrouw Verhoef om de deur keek en deze zag niet anders dan het gelig-blonde haar-kopje met de afhangende lokjes, die op rug en schouders trilden, het donker jurkje en de zwarte spillebeentjes.
- Zus... as je nog 'n taartje wil!... zei juffrouw Verhoef... Vóór staat 'r een voor je...
't Kind bleef zwijgen, de haarlokjes trilden zenuwachtiger.
- Zus, as je nog 'n taartje wil? Pas op,... ik zeg 't niet voor de derdemaal... zus!...
- Och mensch, ga toch heen! luidde ineens scherp-hoog haar stemmetje, waarin zenuwachtigheid trilde...
Juffrouw Verhoefs mond trok in breede, stille lach.
- Wil je niet zoo brutaal zijn! kwaadaardig nest! zei ze schijn-boos en toen:
- Nou... je weet 't wel, hè?... dan krij-je niet... dan eet ik ze op...
En zij stapte de keuken in.
- Dat doet u toch!... ik krijg d'er toch nooit ies van!... had 't kind woedend nageroepen, de laatste woorden weer stikkend in huilen. Juffrouw Verhoef hoorde 't en zij
lachte weer, half nijdig, half kittelig-lekker aangedaan door de brutaalheid van het kind, waarvan ze 't soms prettig vond zoo de drift op te wekken. Net Raaf... dacht ze, daarbij nog onbewust tevreden dat ze niet van de taartjes hoefde af te geven.
En het derde roomhorentje tusschen haar breede lippen proppend, begon zij bij de gootsteen bezig te zijn, heet water gietend in een blikken omwaschbak, omtastend in de vaten-rommel, dat de borden klikten, vorken en lepels dooreen kletterden.
Verhoef intusschen vouwde de ritselende krant weer in de plooien, stond van zijn stoel stijf-langzaam op, om zich geeuwend uit te rekken. Hij begon in 't kamertje op en neer te stappen. Hij verveelde zich, wenschte maar dat er koffie gedronken werd, maar durfde toch zijn vrouw niet te vragen, wel hoorend waar ze nu aan bezig was. Telkens op het eind van zijn drie stappen het raam toe, zag hij neer in de straat, waar, bij groepen of alleen, de kerkgangers al thuis gekomen waren. En terwijl hij zat te lezen, was hun praatgerucht, hun droog gestap, aansterkend en afzwakkend, vaag in zijn gehoor geweest. Nu nog maar enkele haastige nakomers, stijfjes in hun gladde Zondagsch goed en met
blinkende laarzen. Een enkele spande al dofzwarte parapluie, want de straat versomberde en het wou regenen.
- Wat een verrekt weer, nou! dacht Verhoef, nou ging 't nog regenen ook en kon je nie eens 's loope van middag.
't Werd al donkerder buiten, de huizen in hun strakke opstand langs het verlaten trottoir grauwden onheilspellend als bij vallende avond en het kamertje dofte in vaal-valsche schemerschijn.
Toen klitste het ineens heftig-schuin aan de ruiten, een felle regenstraling suisde omlaag, de overkanthuizen doezelend achter grijze wade, terwijl groot-heldere droppels hun dalend spoor lijnden op het heldere glas. Verhoef was blijven staan om de regen te zien en hoe de straat-steenen donkerden, plassen begonnen uit te loopen, waarin felle droppels leken te ontploffen...
Een eenzame juffrouw in dofgroene rok en zwarte mantel kwam schutterig-gehaast aanbeenen, een kind in schotsch jurkje meetrekkend. Strak vóór zich ziend, pagaaiden haar armen langs haar lijf in het zenuwig-geforceerde stappen. Het kind half gesleept, trippelde mee, telkens in een haspelig drafje. Verhoef amuseerde zich er mee... Kijk dat mensch 's holle! Wat het ze 'n
haast! Zeker voor d'r mooie hoedje met veere.... Ook stom om met zulk onbestendig weer zonder paraplu uit te gaan!.... Je hadt van alles te wachten in deze tijd van 't jaar.
Nog twee menschen gingen voorbij: een jong paar, dicht aaneengedrongen onder de parapluie, die hij schuin tegen de wind ophield. In lange, voor haar veel te groote passen, stapten zij stijf voorbij.
Verhoef keek ze even na. Toen had hij er genoeg van, geeuwde weer van verveling.
Maar onder het raam klonk gelach op, gesmoespel van zenuwig-vroolijke stemmen en daarop knapte beneden de deur los.... O, dat waren de bovenburen, die thuis kwamen... Ze waren laat vandaag....
Gestommel langs de trappen, weer luide stemmen en gillachjes, hel opklinkend in die trapkoker, hun deur voorbij, toen hooger achter hem en eindelijk slaan van deuren en bonzend gedraaf boven zijn hoofd voor en achter.
Zie zoo, die zouen ook wel nat geworde zijn!.... As ze zich nou maar wat bedaard hielde.... Verleje Zondag hadde ze de god-gansche dag een helsch spectakel gemaakt...
Langzaam, zonder bepaalde bedoeling, was hij buiten het kamertje gesloft, toen hij even
opschrok van het plots openen der voorkamerdeur. En hij zag meneer Frikkers, die zijn laarzen kwam binnen halen.
- Dag m'neèr! zei Verhoef.
- Goeie morge, meneer Verhoef... 't is anders al haast middag hè?
- Tja, 't loopt al aardig na half een, zou ik wel denke, m'neer.
- Zoo!... zoo laat toch al? zei de ander om iets te zeggen.
Hij was een forsche, goedgebouwde jonge vent, met een fiksch blond-blank gezicht, lichtblonde snor en blauwe stoutblinkende oogen. Terwijl hij zijn schoenen opnam en, de deur open, ze ging zitten aandoen, bewoog zijn vierkant breedgeschouderd lijf rustig-gewend in het korte jasje van ruige winterstof. Zijn groote blanke handen toonden een dikke zegelring aan de pink, nog een paar ringen aan andere vingers.
Terwijl hij zijn veters aantrok en strengelde, het roodig hoofd diep gebukt, zei hij losjesweg tot Verhoef, wiens gestalte onzeker draalde aan de open deur:
- Wat 'n zomerbui, hè.... zoo ineens!....
- Ja.... da's de zomer die nog in de lucht zit; kwam droog grinnekig, met een gedienstig accentje het antwoord.
De schoenen waren aan, de vingers frommelde nog aan de strik, stopten de einden diep in. Toen stond de stevige figuur van den jongen man recht en, gehaast nu om weg te komen, haalde hij zijn overjas van de stoel, rukte de borstel uit de hanger naast de schoorsteen, begon te schuieren over kraag en rug, alles in een resolute doening, met forsch-stampende stappen de tafel om, terwijl hij, onverschillig-weg, antwoordde op Verhoefs zeggen dof-klankend en gepreoccupeerd:
- Nou, zooveel warmte hebbe we anders niet gehad in de laatste tijd....
- Nee.... werendig niet! lachte gedienstig Verhoef. En geen van beiden sprak meer, de jonge man ijverig schuierend op zijn jas die hij langzaam keerde naar de borstelvegen, Verhoef aarzelig bij de deur.
Tot opeens, met een snelle oogopslag van zijn schuierwerk naar Verhoef, de jonge man weer begon:
- Wat hebbe de liberale gistere hier op hun donder gehad bij de herstemming, hè!.... Of intresseert u u niet voor die dinge?....
- Jawel!.... ja-zeker!.... dat heb ik ook geleze.... nie malsch ook! haastte Verhoef te antwoordden, zich weer geheel de kamer toe-
wendend en steunend met zijn hand tegen de deurpost. Zoo vulde hij met zijn lange slapplooiende broekbeenen en 't stijf kreukend, blauwwit hemd de gansche deuropening. En terwijl hij luisterde, vaag rondkijkend in de waterbleeklichte, rommelige kamer, waar de witgedekte ontbijttafel gezelligheid maakte, schuierde de ander, naast de spiegel opstaande, zorgvuldig zijn bruin bolhoedje af, met korte streekjes, telkens een vlot, onverschillig zinnetje loslatend over de stommigheid van die lui, om zich nou weer te verdeelen bij deze herstemming, over de tactiek, die ze hadden moeten volgen.... alles wat hij zoo gisterenavond in zijn krant had gelezen.... Onderwijl trok hij zijn overjas aan....
Verhoef eerst kort beleefd terugzeggend: ja, 't was te wachte.... en: zou u dàt denke? en: nou, dat weet ik nog zoo net niet.... raakte daarna, breedsprakig en met handgebaar aan 't uitleggen, hoe, volgens zijn idee, d'r had motte gehandeld worden, ideeën, die hij ook pas uit zijn krantje had opgedaan.
De ander zweeg nu, met zijn besliste, krachtige stap in de kamer omgaande, zoekend naar zijn handschoenen. En alle aandacht daarop saamgetrokken, lette hij blijkbaar nauwelijks op de woorden van Verhoef, die hem
al redeneerend met de oogen volgde in zijn onrustige omgang.
- En op zoo'n manier had haarlui kandidaat op ze minst duizend stemme minder gehad.... eindigde Verhoef.
- Ei.... zou je denke?.... wierp de jonge man los-onverschillig op, terwijl hij bukte om onder de roode kanapee te zien.
- Ah! daar zijn ze nou, die beroerlinge! helderde ineens zijn stem op. Verhoef had gezwegen, een beetje verward door dat plotseling van onderwerp veranderen, terwijl Frikkers nu, zijn hoed opzettend, naar de deur kwam, klaar om weg te gaan, nog even reikend in de hoek naar zijn parapluie.
- Nou.... nou kras ik gauw op, anders kom ik vandaag heelemaal niet bij me meisje.... Dag m'neer Verhoef!....
Deze, zijn lange lijf snel terzijde nemend om hem voorbij te laten, antwoordde, nu weer onderdanig beleefd:
- Dag m'neer Frikkers, plezierige Zondag verder...
- Ja, ik kom misschien nog terug van middag... zei de ander en toen naar achter vluchtig groetend:
- Dag juffrouw! opende hij de gangdeur
en zijn kraakstappen daalden de trap af, bedaard en zelfbewust-voornaam...
Toen sloeg de benedendeur in 't slot.
Verhoef slofte door 't grauwe halfduister van het gangetje, huiverend, geeuwerig-armrekkend...
- Is die verrekte trotsche kerel eindelijk vort? luidde zijn vrouws stem uit de keuken, tusschen allerlei waschgerucht, geplomp en gesop in 't water, geklik van borden die tegen de bakrand stootten, diepe klanking van blikken deksels op aanrecht.
- Ja.... hij 's weg... maar Jees! ete we nou nòg niet? antwoordde hij in een geeuw, ingeslapt en kleumig dralend voor de deur, handen in de zakken, dof toeziende hoe zij zich weerde in een plots opgekomen zenuwende schoonmaaklust.
- Ja! Verdomme jà... hoor!... bitste haar antwoord, 'k ben dâlijk klaar... Je ziet toch da'k bezig ben... ik haast m'n al zooveel as 'k kan, maar ik ken de boel toch maar nie zoo laten stikke... Daar kèn ik niet tegen!...
Een geluidlooze, weeë glimlach breedde zijn mond. Ze had er gisteren de heele dag toch wèl tegen gekund, want die zooi stond er
gistermiddag al net zoo... Toen had 't kind nog van een vuil bord motten eten, omdat er geen schoone waren.
Maar hij zei niets, bleef maar naar haar zien met zijn flauwende blik, zich onbehagelijk voelend, verveeld. Zij was bezig met afdrogen, hield even haar doek stil, om haar hoofd hem toe wenden:
- Zeg, zulle we M'rietje nog wat late hale voor twaalf uur?
- Voor twaalf uur?... voor één uur! grinnikte hij smadelijk.
- Verrek... nou ja, nou geen gebbetjes... zulle we d'r een gemarrioneerde haring late meebrenge, hè? Ik heb zoo 'n trek in wat hartigs!...
- Mijn goed... maar 't zal wel te laat weze...
- Nie waar... 't ken nog net... 't Is toch nog geen één uur?... as ze gauw loopt. Zus! zus! Kom 's hier, gauw!... loop 's as de bliksem na Verschuur hierachter en haal 's 'n gemarrioneerde haring, haal d'r maar twee... pa zal je wel geld geve...
Het kind was voor de kamerdeur komen staan, nog altijd mokkend, haar blauwe oogen met harde, vijandige glans strak op de moeder
gericht. Maar zij sprak geen woord, hoorde lijdelijk de opdracht aan.
- Jewel... jewel... dat gaat goed zoo!... altijd maar van mijn... had Verhoef geprotesteerd, met dezelfde droge grinnik... bè-je gèk! as jij haring lust, betaal 'm dan zelf!...
Maar de vrouw werd ongeduldig:
- Nou dan doen we-n 't same!... gauw nou maar!... geef nou maar eerst geld, anders komt ze niet weg... dan krij-je 't van mijn weerom...
- Van jou weerom... jawel... jij bent wat lekkers... pruttelde hij, gaf toch uit zijn portemonnaie 't geld in 't open groezelig kinderhandje...
- Daar dan, loop dan maar!...
Nog altijd in vijandig zwijgen, met nog een trotseerende blik naar haar moeder, sloeg 't kind manteltje om, en stapte weg door 't gangetje.
Toen zij alleen gebleven waren, ging Verhoef de kamer binnen, keek even door de openstaande deur in de alkoofschemer, waar het afgehaalde bed vormloos opbleekte... Maar zich afwendend, loomde zijn lange gestalte verder in de kamerruimte, tusschen de dingen
die zeurig en waterbleek rond hem opstonden: tafelvierkant met 't wezenloos zeilgeglim, oude kanapee van dofzwart leer met lichtvegen van duffig wit over de rechte rug en waarvan het overtrek hol was ingeslapt, tot de draad versleten roodzwart karpet over het kil glanzig zeil.
Tusschen de ramen stond een vogelkooi, waarin een uitgebleekt geele kanarie heen en weer wipte in een dor-ritselig geluidje. Verhoef bleef bij de kooi staan, onverschillig oogend op het vervuild-drekkig grondje, naar het armzalige diertje, dat in zijn ziekelijk opgezette veertjes, rusteloos hipte, op en neer. Even kraste hij met breede zwarte nagel langs de traliewand, zoodat de kanarie met gespreide vlerkjes razend tegen de andere wand opvladderen ging, het fonkel-zwarte kraaloogje wijd-rond van angst... Stomme hannes! grommelde Verhoef, de kooi latend om voor 't raam te gaan, waar hij bleef uitzien naar wat er sedert de morgen veranderd was.
Niet veel, vond hij. Toch, over de zwarte tuintjes met hun ijle, herfstkleurige boompjes heen, had de stijve rij van donkergrijze pleistergevels een aanzien van stemmigheid, van Zondagsche beslotenheid en rust. Niemand op de lange balkons, deuren en vensters dicht gesloten,
lancasters gelijk neergelaten voor de zwarte binnenholten, vitrages beweegloos-ondoordringbaar. Nergens zelfs een menschen-hoofd achter een ruit, nergens menschenbeweging.
Enkel een grijze kat - kleinbewegend dingie in het stil grijs-druilige - sloop snel-voorzichtig langs de vorstrand van een gelig tuinhuisje.
Maar een zwakke windvlaag voer aan, zoodat een rij van bezemige populiertjes rillig ritselden in hun nog groen geblaarte, en van enkele kastanjes en esschen felgeelende bladen wijd dwarrelden, eer zij zich traag neerlegden op de slijkig zwarte grond.
En reeds weer donkerde het van een breede, vuilwattige wolk, die òver kwam. Ragge vlokken gingen hem vooruit, snelverglijdend langs 't bleekgrijze...
Zoo dadelijk zou wel regen vallen...
Lamzalig weer toch! dacht Verhoef mismoedig, de godgansche dag rege, niet eens 's 'n loop make. Dat hâ-je voor je Zondag, je zat net as in 'n kooi. Lekker land hier!...
Hij had zich van het raam afgewend naar de kanapee, waar hij nu overschillig op neerzonk, dat het droog-leerig kraakte onder hem. En een poos staarde hij op naar de abat-jour-
van verschoten roze papier om de hanglamp, onbewust de zware prikkeling van vliegenvuil op de uitgeschulpte rand beoogende.
Want doffe denkingen begonnen hem te benarren over de werkdag van morgen. Al in geen maanden had-i iets met de baas gehad, maar nou al 'n paar dagen liep die rond met 'n gezicht zoo zuur as azijn, zei 'm amper-an gedagt as-ti in de wasscherij kwam... Of t'r iets broeie zou?... Nou, hij had er maling an, hoor! an hem en z'n malle kure... D'r zou 'm wel weer wat dwars zitte... dit of dat niet naar z'n zin... en dan was 't vast dat hij 't op z'n kop kreeg... Nou!... hem 'n biet!... 't Beroerdste was maar dat je nooit wist uit wat voor hoek de wind zou waaie, en dat maakte je van te voren al zenuwachtig... hij had dan maar liever dat-i d'r dâlijk mee voor den draad kwam, maar dat rondloopen en koppe, daar had-i de duvel an gezien...
Onderwijl, al die tijd, hoorde hij - behalve licht stemgegons en soms wat geknars en gekraak boven zijn hoofd, waar hij niet meer op lette - in halfbewustheid zijn vrouw bezig zijn in 't keukentje: bonzende stappen, klikken van borden, stroef ijzerpiepen van een aschlâ in 't fornuis...
En er was iets in dat haastig gedoe dat hem irriteerde door zijn gedenk heen. Nu werd 't hem bewust en hield hij 't hier niet uit met al die stomstarende dingen in 't rond. Wat had dat mensch nou weer ineens voor 'n malle kuur! Temee ging ze nog de keuken dwijlen ook!...
Juist hoorde hij metaal-rammelend een emmer neerzetten onder de kraan en de waterstraal holklankend zingen op de bodem. Verdomd! daar hàd je-n 't!...
Hij stond op, moest even geeuw-koud zich uittrekken, slungelde toen uit de kamer naar het keukentje.
Haar dikke kop omspriet van warrige haarbos, stond de vrouw met krachtige streken de rechtbank te boenen, het bovenlijf regelmatig meeschokkend, met elke aanzet van de raspig-roode vingervuist, terwijl nog altijd de straal in de emmer speelde...
- Jesis To! ga je nou ook de grond nog dweile?... La-we nou gaan eten asjeblieft! zei hij geërgerd, weer slapleunend aan de deurpost. Zij hoorde eerst niet en hij moest zijn vraag herhalen, eer zij antwoorden kon, wat binnensmonds en hijgend van 't zware geboen:
- Och wat gaat 't jou an! Lâ mij nou toch me gang gaan...
- 't Gaat me zooveel an, as dat ik honger heb, zei hij nijdig tegen. Maar zij gaf geen weerwoord. Haar gezicht klamrood van inspanning, tilde zij nadat de nu zwak murmelende straal gestopt was, in krachtige greep de volle emmer uit de gootsteen weg, om hem zwaar neer te planten vlak voor de drempel.
- Ga nou asjeblieft effen uit de weg, dat ik er bij kan, zei ze toen, hooger opsjorrend haar rokken boven de plompe kousenbeenen, daarna, één voor één, aan de gestrekte arm de mouw opstroopend, dat de dikke spierige voorarm bloot kwam.
Verhoef week terug, schouderschokte even, bleef verveeld toezien, handen in de zakken, hoe zij bonkend op de knieën zonk buiten het keukentje, haar breede rug vlak onder hem en de vuil-zwarte zolen van haar muilen onooglijk en zot naast elkaar aan de grove staakbeenen. Zóó begon zij haar dwijl in de emmer te ploeteren.
Juist klingelde de schel van de voordeur door 't gangetje: een opschrikkend geluidje in de binnenrust.
- Nou! daar hei je 't kind nou al! verweet hij, wegsloffend om open te doen.
- Mijn zorg! riep ze hem na, even 't hoofd omwendend, - dan mot zus maar meteen effe dekke... die grond mòt opgedaan... ik kan zoo'n zwijneboel niet late legge...
- Och verrek! gromde hij voor zich heen, terwijl hij op de trap ging om aan 't touw te trekken.
Eindelijk - het was bij half twee geworden - dronken ze koffie, nadat het kind, weer heel opgevroolijkt en leed-vergeten na haar straatloop, de boel had klaargezet.
- Zus! wil je me 'n pleiziertje doen? Zet jij nou 's netjes klaar voor ons, as 'n echte groote meid... had de moeder met haar donkerzangige stem vleierig geroepen uit de keuken. En Marietje was begonnen, zeer gestreeld door die opdracht, gewichtig-druk heen en weer stappend tusschen kast en tafel, met scherp stemmetje naar Verhoef bedillend, die haar helpen wilde, zich quasi-ergerend precies als haar moeder: och née!... zoo doet u 't ommers niet goè-oed! en: och mensch! blijf d'r maar af,... kan ik dan nies an je overlate!...
En nu zaten ze dan in 't bleekstille middaglicht van de achterkamer aan de met Zondagsch servet gedekte tafel. Om hen was 't in de kamer,
in 't gangetje, in de keuken, overal hol-stil. Ritselig glipte de kanarie op en af zijn stokje: een klein nabij geruchtje in 't doffe Zondagzwijgen.
Maar van boven, tweehoog, waar ze met koffiedrinken blijkbaar gedaan hadden, kraakte druk gestap, als op nieuwe laarzen, van de alkoof in de kamer en terug. Soms een roep, haastig-kort gepraat, onverstaanbaar.... en dan weer de kraakstappen.
Intusschen aten de Verhoefs gulzig van de haringen, die kop aan staart en in vettig-blauwglimmende mooten gekerfd op een wit bordje lagen, hun wijdopen vischoogen in weeë blinddoode staring. Terwijl haar breede kaken haastig smakkend kauwden, brabbelde juffrouw Verhoef in haar volle mond telkens halfverstaanbare schampere opmerkingen over dat mensch van boven en d'r malle meide van dochters. Ze mosten zeker nog uit in dat weer!.. Die leefden niet as ze niet op straat slenterden...
- Nou, ze konne d'r plezier van beleve... Temee ging 't weer regene!
Haar breedronde toet, met de grauwe kattenoogen en platte neus, geelig in het onderschepte kamerlicht, zat zij op haar gemak zich te goed
te doen, een arm rustend op de tafel, lekker zuigend met vette lippen op een stuk ruggegraat. Dan weer dieptastend met velrimpelige dikke vinger en duim naar een fijn graatje in haar mond, raakte haar heele gezicht in excessieve mummelplooien, grijnzend en oogknippend. Verhoef at keuriger, met minder beweging op zijn karikaturig uilengezicht, zijn blik opmerkzaam omlaag. Ook woelde hij niet zoo onhebbelijk met vingers in zijn mond, trachtte met zijn tong de graatjes uit te brengen, die dan aan de lippen zijn vingers grepen. En hij sprak al die tijd geen woord op 't gebabbel van zijn vrouw, nu over ‘die slons van drie hoog.’ Dàt moest toch zoo'n smerig dier zijn! Zij had 't van de juffrouw van de kruiënier, die 't weer had van iemand, die d'r wel 's over huis kwam. Zoo as die boel d'r boven uit zag, dat most meer as schandelijk weze!... D'r bed maakte ze nooit... net zoo as ze d'r 's morgens uitkroop, zoo kroop ze d'r 's avonds weer in, en de keuke stonk tegen je an, as je d'r binne kwam! Hoe as toch sommige menschen in een zwijnepan konne leve, dat kon ze zich gods onmogelijk begrijpe!...
Onderwijl zat, haar tegenover, het kind met
de elbogen op de tafel, de kleine vingers plukkend aan haar droge boterham, wrokkig te zwijgen. Maar haar blikken gingen rusteloos van de borden naar de monden, telkens als een een hap deed, juist zooals een hond met strakbegeerige oogen de brokken volgt, die zijn baas in de mond steekt. En toen de mooten verminderden op de borden, die met graten en olieïg sap bedekt werden, donkerden allengs haar oogen, werd haar blik hatender, wrokten de lippen vaster samen...
Tot Verhoef, eindelijk eens met onverschillige grinniklach antwoordend op wat zijn vrouw gezegd had, toevallig die donkere blik ontmoette.
- O Heere!... zei hij, - mot zus ook niet een mootje hebbe, moeder?
- Zus... aarzelde de moeder, die haar vergeten had,... ja... wil ze wel?... vraag eerst 's of ze 't lust!
- Natuurlijk!... dat weet u heel goed! heftigde de kinderstem, met een achterklank van huilende verbittering.
- Hei!... wi-je je brutale bakkes houe, klein kreng! Of ik geef je...
- Ja, laat nou maar! suste de man, die meelij had met de groote traanoogen van het
kind en haar zenuwig lippenbeven,... ik zal d'r wel dat staartmootje van mijn geven... daàr dan... eet maar op!...
De vrouw had de schouders opgehaald.
- Jij verwent dat nest ook altijd... Ze had nou net niks d'r van motte hebben om d'r brutale bek... zei ze, tevreden dat zij zelf niets hoefde af te geven, dadelijk weer met alle aandacht in het smullend eten van 't laatste mootje.
Maar het kind was, terwijl nog in haar ooghoeken groote tranendroppels glansden, met dierlijke schrokkigheid aan 't eten gevallen van haar magere staartmoot. En in 't ongemanierd haastig mummelkauwen, de gretige aandacht op haar bord en 't graat-uitpeuteren leek zij precies op de moeder: katten, zij tweeën, die vratig-kauwend op hun prooi liggen.
Geen woord viel meer tusschen hen. Het vochtig gesmak van hun kauwende monden, met getik van mes op bord, soms een slurp uit de koffiekoppen: dat waren, met het rusteloos geslip der kanarie, de ijle geruchten in de matte, verslagen stilte...
Tot juffrouw Verhoef opstond om in de keuken nog een laatste kop koffie te gaan halen. Tegelijk sloegen boven deuren, en, met de verdofte
klank van stemmen, roffelden hakken de trap omlaag.
- Daar gaan ze nou! Veel lol in dat weer! grinnikte juffrouw Verhoef, nog met volle mond, terwijl ze de kamer uitging.
Maar dadelijk kwam ze weer haastig door 't gangetje voorbij op zwaarbonkende voeten, om vóór te gaan kijken hoe die fijne dames d'r wel uitzagen en of ze 't lekker vonden buiten.
Verhoef stond toen ook op, lippen afvegend met de rug van zijn hand, tastend naar een sigaar op de schoorsteen, die hij daar expres voor de Zondag had weggelegd. En onderwijl schooierde het kind de tafel rond, likte de koffiekoppen uit, hoofd achterover, kop op de neus, tot zij, rood van inspanning, liplikkend weer òpkwam.
- Schei nou toch uit, M'rietje, smerig kind! kwam Verhoefs ruige stem. Hij had haar in de spiegel zien doen en knorde nu zoo maar onverschillig weg, zijn aandacht bij het zoeken naar de sigaar, die zeker verlegd was.
- Och mensch!... laat me met rust! gaf het kind snibbig terug, zonder zich te laten storen, zoekend op de borden met haar tast-vingertjes in de afgekloven, wittige hoop
graten, of er nog een eetbaar stuk was gebleven.
- Je most liever je melk opdrinke, vervolgde zijn mompelstem op dezelfde toon van halve aandacht.
- Jasses! me melk! die blauwe vieze watermelk! dank u lekker! antwoordde ze met een grilbeweginkje harer schouders, maar terstond trok zij haar vette vingers van het bord terug, met een schuwe blik naar de deur, want zij hoorde haar moeder komen.
En met stille stappen naar het raam keerend, stond zij daar rustig te kijken toen de vrouw binnenkwam.
Wat later waren ze alle drie in 't kleine voorkamertje, omdat ze de groote kamer niet durfden gebruiken, nu meneer Frikkers van terugkomen gesproken had.
Groot op in het engwandig hokje, onder 't grijsweenend licht, zaten ze benauwd-dicht bij elkaar, Verhoef nog altijd in zijn wit-plekkend hemd. En dik-verzadigd na 't eten en drinken van zooveel koffie, genoot hij met lodderige oogen, denkloos, van zijn goeie sigaar, liet hij wolk na wolk opkrinkelen tot het plafond, waar ze ijl-blauw bleven drijven, geluidloos uitrondend in weeke golvingen. Hem tegenover, in
de andere hoek, zijn smalle knieën aan haar breede schoot, zat juffrouw Verhoef wijd-uit in haar vaalzwarte japon, het diklippig snoet met bleekblond haarknotje naar het raam gekeerd, oogend omlaag, de armen over elkaar onder de hooge borst. Een open boek lag op het tafeltje, maar zij las niet, uitkijkend soms met langzaam overbuigen van 't bovenlijf en ver òmdraaien van haar hoofd.
En aan de muur naast Verhoef zat het kind, blankblond hoofdje gebogen over een boek, dat op haar schoot open lag, de smal-zwarte beenen licht slingerend boven de grond.
En telkens loerde zij schuin naar haar moeder op, wilde vragen of zij naar haar vriendinnetje Treesje mocht gaan spelen, maar durfde dan weer niet.... Nog tien regels lezen en dàn doen... drong zij zichzelf. Maar na die regels heimelijk opkijkend, ging 't wèer niet, voelde zij haar hart zwaar bonzen.
Ze had met Japie Vierhout afgesproken dat ze hem van middag zou zien. In de stoep van 't derde huis in de Hemony, zoo'n diepe met een trap naar beneden, zouen ze mekaar vinden en dan zou Japie iets voor d'r meebrengen. Maar as ze 't niet op 't goeie oogenblik vroeg, as 't moeder niet schelen kon, of as
ze lust had om te treiteren, dan zei ze nòg van nee!... Daarom moest ze zoo oppassen niet te gauw te zeggen en maar zoo heel gewoon vragen. As moe zag dat ze heel graag wou, dan zei ze zèker van niet.... Nou zou ze nog maar effe wachten, lezen tot heel onder aan het blad en dan ineens maar doen.
Zoo beginnend, bleef zij beenschommelend stil, het hoofd op de borst geknikt, haarlokken langs haar oogen afgegleden. En minuten lang duurde die stilte met ritseling in het benauwde hokje. Een blauwig waas van rook hing om hun hoofden en rookkrinkels, plotseling zichtbaar, zwierven traaglijk om onder het bleeke zoldervlak.
In het overige huis was, sedert het uitgaan der bovenburen, de rust ongestoord, maar van naast-aan klonk zwakkelijk gebabbel, soms gelach, alles ver en vreemd-gedempt, terwijl beneden in de straat, in 't natwaaiige, regengrauwe buiten tusschen de hooge steenopstanden, het gewone Zondagmiddagleven zijn saaie beweging gaande hield.
Hoewel schaarscher dan anders, stapten langs de donkere huizen, over het modderig trottoir nog telkens paren voorbij, in fiksche gelijkpas, of drentelden stijfgekleede kinderen aan,
een makke vader vóóruit, die in zwarte jas en hooge hoed, zeurig naast een kinderwagen zijn stappen inhield.
Terwijl zoo de trage middag verging, Verhoef, in zijn stoel geleund, slaperig aan zijn sigaar trok, volgde zijn vrouw het flauwe gerucht, de saaitrekkende beweging. En haar lippen spitsten al mismoediger en haar oogen blikten dof, zoodat Marietje, opnieuw schielijk opkijkend, de vraag al op de lippen, in eens besloot maar stil te blijven wachten tot ze zelf d'r uitstuurden als ze trek in een maatje kregen.... Dat zou wel gauw gebeuren....
De vrouw werd al narriger, nu de opwinding van werkijver gezakt was, zij niet meer, in tevreden besef van eigen zindelijke aard, smalen kon op die vuilikken van drie hoog, wrevelig-jaloersch ook door het kijken naar die Zondagsch-aangedane menschen op straat. Ze begeerde en benijdde, in zenuwig wrokken, al die laken, fluweelen, zijen rokken, die zware mantels, die hoeden met veeren, al dat dure, opzichtig-gedragen goed en vergeleek 't bitter bij haar eigen armoedje.... En dan, al wou ze zelf ook voor geen geld uit in dat weer, kon ze toch niet velen, dat al die andere menschen daar buiten liepen te pronken en
zij er niet bij. Zoo morden haar gedachten, smaalden innerlijk op al wat voorbijging: 't bespottelijke hoedje-met-veere van deze.... zij het oòk veere op d'r hoed! Jees, wa'n kiep!... as 'k toch nie anders had te vertoone, nou! en de malle kakkie van die met 'r mantel van 't jaar nul....
Soms ging er ook wel een mooie jongen voorbij, wàt een knap ventje, met een open, brani-achtig-gezicht aan de arm van zijn meid, en dan keek ze hem ver na, hem beklagend in een steking van plotselinge begeerte en zelfbeklagende weemoed, dat hij moest loopen met zòo'n dier.
Dat was nou voor haar allemaal voorbij, en voor goed. Nou zat ze met die kerel opgescheept en nou had ze niks en niemand, geen eens kleeren om an d'r lijf te doen.... Wat had ze eergistere nog een vracht van stoffe gezien in de Kalverstraat!.... bij Van Buren die sjansjanzij, rood met een paarse weerschijn!... of dat heel lichte blauw met een rooie glans d'r over! En niet duur ook.... voor wie ten minste nog wat besteje kon, voor wie niet van zoo'n krengig weekloontje hoefde te bestaan, met nooit niks extra's d'r bij. As die kerel nou toch 'n vent was, een jonge
waar wat bij zat, dan had-i toch lang geprobeerd 's avonds d'r nog wat bij te verdienen. 's Avonds na zeven was-ti toch vrij!...
Verscherpend haar leed kwamen de mooie oorbellen in de Galerij haar weer te binnen, Ze kosten maar een riks.... ja wel! je most 'm eerst maar hebben, die riks! Mogelijk as ze nou Dirk 's goed flikflooide strakkies, as-ti wat op had.... dan werd-i altijd nogal verliefderig.... Och.... malligheid! ze kende-n 'm toch wel? As 't op cente-geven ankwam, bleef-i altijd even nuchter en dan was-i zoo hard as 'n deur.... Affijn! ze kon 't toch 's probeeren.... As-ti nou 's een goeie zin had, dan kon ze-n 't morgen misschien al koopen en d'r mee wandelen gaan....
Even, terwijl ze in de binnenrust nog altijd stil zat uit te kijken, hoogde het haar stemming, dat ze zichzelve zag, met d'r lang flink postuur in d'r bruine manteltje, vlug heen stappend door de Kalverstraat: een echte dame. En terwijl zij natuurlijk recht voor zich uit keek, zag ze wel dat alle heeren haar aankeken, mekaar aanstootten als zij nabij was.... Maar dadelijk dofte het weer in haar. Ze voelde zich kleumig-kil en verveeld, en dat eeuwige geslenter op die straat maakte ook zeeziek.
Wat een verrekt weer ook! En die kerel, die maar as 'n zoutzak in zijn stoel hong en al maar geen stom woord zei! As hij maar 'n sigaar in ze mond en 'n stoel onder ze achterste had, dan was-i tevreje!... Ze kon 't niet meer uithoue, die dooie stilte....
- Hè... Jezis! toe! zeg toch 's wat! zit niet eeuwig stommetje te spele!...
Haar woorden schorden hard en pijnlijk-onverwacht in 't ritselig zwijgen. Haar zelf klonk het vreemd, terwijl Verhoef en het kind er van opschrikten.
- Hei! Goskristis mensch! je doe me schrikken! zegge?... Wat mo'k je nou zegge! Dat 't mooi weer is? gromde nu ook zijn droge stem.
- Jas! hoe flauw! wat bè-je aardig!
- Ja, wat wi-je dan? grinnekte hij.
- Nou, praat 's wat! Laat je geluid 's hoore... Een andere man weet 's nog 'n mop te vertelle... maar hij... Dat zit maar en rookt maar! vervolgde ze hem aanziende met een koudhatende glans in de grauwe klein-geknepen oogen. Toen zich heelemaal afwendend van 't raam om naar 't kind te zien.
- En wat mankeert jou vandaag, M'rietje? Wat ben je lezerig uitgevalle...?
- Ik lees, moe, luidde het lichte kinder-
stemmetje, terwijl de blauwe oogen argeloos werden opgeslagen.
- O, dach-i da'k dat niet zag?... Maar wàt lees je? en hoe kom-i d'r an?...
Zij sprak met harde stem, in wrevele lust tot pijn doen, en haar kijken was koud-achterdochtig. Marietje voelde wel het gevaar dreigen en maakte zich klein-onderworpen, wilde schuchtere woordjes zeggen, toen Verhoef ineens rauw inviel:
- God-nog-toe! laat dat kind nou toch met rust!... as ze leve maakt is 't niet goed en as ze zoet zit te leze, dan is 't ook niet goed... Wat zou je dàn wille?...
Van zijn ingezakte houding opkomend, ging hij voort, met een grove sjovialiteit in zijn dieper klinkende stem:
- Wi'k jou 's wat zegge, ouwe?... Ik weet 'n moppie dat jou opperbest bevalle zal!... Als we-n 's wat dronken, om de fut er in te houe... Ik geef de cente... Dan mot zus, as te bliksem hier naast een paar maatjes hale... Hè? dat vindt moeder wel goed... die lust 'm ook wel... assenem maar krijge kan!...
- Dat lieg-i!... nijdigde zij tegen hem in, maar slapjes, haar hardheid al gebroken - jij lust 'm... ik drink meê, meer niet...
- Zij drinkt mee, meer niet... jawel! Godza'me-lief hebben, hoor je die?... ja, jij bent 'n lekker brok, as 't op zuipen ankomt... Ga jij nou maar 's gauw, kind, hier benne de twee duppies... verlies ze niet op de reis!...
Het kind stond al klaar bij de deur, vraagoogend van vader naar moeder. Toen, het geld in haar handje, liep ze haastig het gangetje in, deed blij haar kape om.
- Zus, dâlijk terug komme, hoor! riep de vrouw haar na.
- Ja moeder, kwam 't gedwee-zachte antwoord.
- Bè je d'r zoo ongeduldig na? gekte hij, in zijn ruwe grinniklach.
- Och, verrek jij toch!... ik zeg 't maar voor dat kind. Anders loopt ze me maar in die straat te schooiere en dat het niet noodig...
Ze hoorden 't kind de trap afgaan, de dreun van de deur, en bleven zwijgend elkaar tegenover. Door het gepraat en 't vooruitzicht van de borrel, was de vrouw de mismoedigheid van straks vergeten, die enkel nog nawerkte in haar dolente zeggen in doffe stilte.
- Wat 'n lamstralige dag, hè? met dat verrekte nattige weer...
Waarop Verhoef, lui in zijn stoel terug-
gezakt, enkel toestemmend humde, onderwijl vaag naar buiten turend, luisterend naar zwak pianogetingel, mat klinkend door de wand heen...
Het rinkelschelletje ging, verwacht en prettig belovend. Juffrouw Verhoef stond op, stapte zwaar heen om open te trekken en dan de suikerpot te gaan halen, want ze dronk liefst jenever met suiker.
En zij was al weer terug, in 't schemerig gangetje hoog en plomp achter Marietje aan, die roodwangig en hijgend van haastigheid en buitenlucht de flesch op tafel zetten. Daarna, volijverig, bukte zij in het buffetkastje om glaasjes en 't verlakte blaadje.
- Zoo, da's nog 's 'n meid, zei de moeder tevreden... dan moe-je strakkies voor jou maar wat kersausies hale, hierover...
- Ja moe, zei 't kind, terwijl ze, zorgvuldig haar rokje spreidend, weer zitten ging en het boek op de schoot nam, onderwijl denkend, achter haar zachttevreden gezichtje, dat die twee maatjes gauw genoeg op zouen zijn en ze dan verderop zou moeten halen. En dan kon ze wel wat uitblijven, kijken of Japie d'r was en of-i wat voor d'r had meegebracht...
Toen de glazen boordevol waren ingeschon-
ken, hief Verhoef eerst welgevallig 't zijne voor zijn gezicht, nam een lange natslurpende teug en zette het halfleeg op tafel terug.
- Hè, dat doet 'n mensch goed in ze buik... zei hij, nasmakkend en met zijn onderlip de borstelige snorharen uitzuigend.
Maar zijn vrouw, die eerst twee scheppen suiker in haar glas had gedaan, zette zich breed-behagelijk, met stoelverschuiven, voor het raam, om lang en voorzichtig de witte suiker in 't waterbleek vocht om te roeren, haar oogen oplettend neer. Toen dronk ze, met kleine proevende slurpjes, staroogend over het glas heen in genotsaandacht.
In het muffe, grijsmiste hokje, waar Marietje telkens opkuchte in de grauwe rook, die langzaam spiraalde om haar hoofd, begonnen die twee zich nu op hun gemak te voelen. Hadden ze te voren onbewust geleden van het stugkoude aspekt der dingen, zich eenzaam gevoeld in de afstootende onverschilligheid van de dag, thans gingen ze het leven warm om zich toe gevoelen. Door de warmte van de drank gingen ze passen in 't oogenblik, één met de opgang van de tijd, knus en lekker gezeten in 't warme kamertje, dat uitzag in 't regengrauwe buiten. En ophoudelijke klankte nu
van de vrouw het droog murmelen harer woorden, met hortingen en opzwaaiingen van geluid, met altijd die donkere vaag-ontevreden bromming, die haar eigen was. Daar tusschen zìjn luidere woorden, irritant gelijk van toon, droog en klankloos, soms stikkend in hinnekende keellach.
Dat was in 't eerst, toen hij met zijn stem nog telkens hatelijk inbrak in haar breedelijk vertellen, haar gezellig-opgezet verhaal van mevrouw Van Schulik, de rijke maintenee, die ze pas had leeren kennen en waar 't altijd zoo fatsoenlijk toe moest gaan. Geen woord te veel mocht je daar zegge!... En altijd op 'n behoorlijke distantie met de meid... en as je 's 'n lolletje maakte, dan keek ze je an met 'n paar ooge!... Wat verbeeldde ze zich wel, die kakmedam! Wat was ze nou zooveel anders as de gewone lelle?... Omdat ze nou cente had... En ze hoefde haar, juffrouw Verhoef, niet te leere hoe ze zich houe most, zij was 'n getrouwde vrouw en ze wist 't best zelf, hoe of 't hoorde...
Nou maar, eergistere was ze d'r net op angekomme dat de knecht van de slager schandaal maakte an de deur, omdat 't die week nou al de derde keer was dat ze 'm met 't vleesch weerom stuurde....
Terwijl de vrouw sprak, klonk haar stem minder zeurig-eentonig, lichtten van kwaadaardige pret haar oogen.
- Je had motte zien! D'r stond een heele troep volk voor de deur... En zij wist geen raad, hoe ze de vent weg zou krijge. En hij stond maar te razen, allerlei smerige woorden gooide-n-i d'r na d'r kop... Eindelijk het ze 'n 't vleesch toch nog motte houe.... Jees, ze had zoo de pest in!
Haar stem nu weer doffer, onverschilliger, voegde ze er nog aan toe:
- Nou, nèt goed voor zoo'n wijf; wat hèt ze zoo'n kak te make...
Verhoef, zich dof-lekker voelend, geprikkeld door 't verhaal, vergat zijn lust haar onaangenaam te zijn, vroeg, door wie dat wijf gemainteneerd werd, of ze knap was en jong, of ze zich ook wel 's door een ander....
Maar 't schelletje ging over opeens, onverwacht fel in de dompe binnenrust.
- Verrèk! wa's dàt nou? gromde hij.
- Zus, ga 's opetrekke... zei de vrouw.
Het kind, bijna stijfgeworden door het stil toehooren, sprong blij-levendig van de stoel, boek neerleggend, om dan, onder het oog der moeder bedaard doende als een groot mensch,
met vlugge coquette stapjes gang-in te loopen.
- Wie kan daar nou weze? zei de vrouw luisterend.
- Misschien meneer die zijn sleutels vergete het.
Zij schudde van neen, ophoorend hoe het slot al losknapte, de kinderstem nuffig-deftig hoogging:
- Wie 's dàar?...
Een grove mompeling antwoordde, zware stappen klommen traag en krakend de trap op.
- O! had 't kind halfluid geroepen, en in 't gangetje terugtredend:
- 't Is grootmoe, moeder...
Verhoefs gezicht trok donker-ontevreden.
- Je moeder!... Wat mot-dié van je hebbe?
- Weet ik 't! antwoordde zijn vrouw droog-jesweg, toen schamper:
- Ze komt zeker 's kijke of d'r wat te snaaie valt met de Zondag...
De trappen kraakten hooger-op, dicht bij door de open gangdeur.
- Je prissenteert 'r niks, hoor! zei hij nog haastig gedempt.
- Bi-je mal! kon zij nog antwoorden, lippen nauw bewegend, toen de gedaante in de
schemering van 't gangetje verscheen en naar voren trad.
Het was 'n armoedig vaalzwart en knoeiig oud-wijf, met spitsig-zuur gezicht, rimpelig-geel van vel, en donkerharig, groezel achterhoofd. Haar uitstekende kinbak mokte stug-ontevreden onder de slap ingevallen bovenlip, waar enkele snorhaartjes piekten. De sluw ingeknepen oogen namen donker-wangunstig menschen en dingen op, boven de breede snufneus, waar zij gewoon was met de rug van haar droogvellige vingers langs te vegen.
Maar nu, intredend, trok een zurig glimlachje van beminnelijkheid haar mondhoeken omlaag, kneep haar oogen nog dichter, terwijl ze, kort-ademend van de klim, groette:
- G'n dag same... dag M'rietje...
- Dag moeder... zei juffrouw Verhoef stug, met dichtgeknepen lippen.
- Goeiedag... kwam Verhoef na, minachtend onverschillig.
Geen van tweeën stond op of zei de oude vrouw te gaan zitten. Deze merkte de vijandigheid wel maar liet niets blijken.
- Hier zoo M'rietje... kind,... zei ze, haar lange vaalzwarte mantel met de sluik afhangende mouwflappen afzakkend van de schouders:
- Hang jij die nou 's erreges over 'n stoel... maar netjes, hoor!... as 'n meid...
Het meisje, dat haar zwijgend brutaal stond aan te zien, nam de veilige zwarte lap en liep al heen, toen de oude vrouw haar nog staan hield:
- Hier... hier... me kiepie... dat mot t'r nog bij... Waarop, stijf als op rhumatische beenen, ze zich zetten ging op de stoel van het kind, gekeerd naar de anderen, die nog altijd even stijf-vijandig zaten.