Niet licht zal iemand tegenspraak te duchten hebben, die de achttiende eeuw een impopulair gedeelte noemt van onze vaderlandsche geschiedenis. De Republiek is in haar nadagen een caricatuur van zichzelve geworden, en caricaturen boeien niet lang achtereen. Bij onze historie tot en met Willem III verwijlen landgenoot en vreemdeling gaarne. De Republiek is een zoo ongemeene verschijning, de fortuin ons zoo gunstig, de bloei van kunst en wetenschap zoo groot geweest, dat wij voor goed op onze plaats in de herinnering van Europa rekenen kunnen. De belangstelling in onzen goeden tijd, voor personen als voor zaken, schijnt slechts klimmende te zijn.
Geheel anders onze achttiende eeuw. Het noodlottige is, dat de décors zoo weinig veranderen. Alleen mist wat er binnen afgespeeld wordt, geest en leven. De hoofdmomenten van onze staatkundige geschiedenis herhalen zich, maar in plaats van europeesche schijnen het dorpsaangelegenheden geworden. Na het eerste stadhouderlooze tijdperk komt een tweede, na 1672 een 1747, doch hoe pover schijnen zelfs Simon van Slingelandt naast Jan de Witt, naast de echte Oranjes de friesche nakomelingen! De tijd na 1713 is zoo ontzettend leeg, dat de geschiedschrijver die de fata van dit versaaiend volksbestaan te boekstaven heeft, van het weerstaan van een Cromwell en Lodewijk XIV afdaalt tot een strijd tegen.... paalwormen. Zulke bizonderheden als dit feitje uit de geschiedenis van onzen waterstaat bleven een eeuw vroeger behoorlijk op het tweede plan, verduisterd als zij werden door den kruitdamp van zeeslagen, door steden winnen, kolonies veroveren, landen ontdek-
ken. Nu echter zijn de menschen obscuur geworden, en gaat men de dieren vermelden.
Aan het eind der eeuw komen jaren die wat meer de aandacht trekken, bij tijdgenoot en nakomeling; maar die vermeerderde belangrijkheid is er eene die niet komt op onze creditzijde. Het belang dat Frankrijk en Engeland in ons stellen in 1787, is het belang van aandeelhouders in een failleerende zaak. En bij het nageslacht is dat jaar het meest in aandenken gebleven om de potsierlijkheid van wat het hier gebeuren zag. Een volksbeweging die culmineert in het omkeeren van een rijtuig ergens op een dijkje; snoevende gewapenden die de Pruisen verslaan zouden maar zich er mee tevreden stellen, wraak te oefenen aan zonnebloemen en gele peen; een Oranje die zich eerst aan het hoofd durft stellen van een volk dat hem roept, als een pruisische prinses en een engelsche gezant er hem toe gedwongen hebben, en die voor niets anders in zijne residentie schijnt teruggekeerd dan om er na zeven jaar te smadelijker opnieuw uit te moeten vluchten; - dat alles is zoo geschikt om beurtelings onzen lachlust en onze ergernis te wekken, dat voor de gemoedsgesteldheid tot koel en omvangrijk onderzoek der feiten vereischt, geen ruimte blijft. Liever houden wij maar al weer den standaard van onze zeventiende eeuw omhoog.
Alsof wij ons er zóó maar aan oprichten konden! en men straffeloos, in boetpredikatiën tot volken zoo goed als tot personen, de waarde der continuiteit miskennen zou. Het succes der natiën is afhankelijk van eigen deugdelijkheid en van de schikgodinnen beide. Elke goede kans die zij bieden, moet ons bereid vinden er ons voordeel mee te doen, maar een ander uitgangspunt dan het heden hebben wij niet, en heden komt voort uit gisteren, en kan niet zonder de waarheid geweld aan te doen, met verwaarloozing van het onmiddellijk voorafgegane uit het verder verwijderde in eens worden afgeleid. Er is een eenzijdig zich vermeien in den glans van vervlogen tijd, dat een bedreiging in zich draagt voor de toekomst. Eene geschiedschrijving die alleen naar het verleden terug zou voeren, zonder de lijn weer tot het heden door te trekken, verspeelt den invloed die haar toekomt op het denken van haar eigen tijd.
Het uiteinde van de Republiek en de geboorte van ons tegenwoordig koninkrijk - ook niet reeds zijne leerjaren? - tot gebied van die geschiedvorsching te verklaren welke zich gerechtigd acht van alles kennis te nemen, daartoe schijnt de
tijd thans wel aangebroken: de vergelijking ten minste van wat naburige volken voor de geschiedenis van den grooten veranderingstijd omtrent het begin dezer eeuw hebben gedaan, met wat ten onzent daarvoor is verricht, valt zeer in ons nadeel uit. Echter heeft zich in uitgave op uitgave, monografle op monografie, toenemende belangstelling geopenbaard. Ook dit geschrift wil zich bezig houden met de ontbinding der oude Republiek; het heeft het scherp begrensde doel, de historische literatuur over onze achttiende eeuw aan te vullen met wat de staatsarchieven te Parijs, te Londen en te Berlijn te leeren geven over onzen patriottentijd. Dat de eerste twee over die periode zooveel belangrijks bevatten heeft zijn oorzaak hierin, dat gaandeweg elk onzer twee staatspartijen zich in vernederenden dienst had begeven van een van onze elkaar bestrijdende groote naburen: Frankrijk en Engeland. Wat er in de jaren 1776-1787 is voorgevallen in de Republiek, kan, en moet meer dan tot nog toe, als onderdeel van de worsteling tusschen deze twee mogendheden worden voorgesteld.
De derde staat van welks archieven dit geschrift gebruik maakt, Pruisen, had niet hetzelfde onmiddellijk belang als de twee andere bij den afloop van het gevecht tusschen prinsgezinden en patriotten, maar kon er gemakkelijk in betrokken raken door de nauwe betrekking van oom- en broederschap waarin twee opeenvolgende van zijn koningen tot de Prinses van Oranje stonden. Eindelijk heeft een militair vertoon van Pruisen, hoewel niet bedoeld om aan één der eene partij in de Republiek patroniseerende machten de overwinning te bezorgen, toch dit gevolg gehad, en den strijd beslist ten voordeele van Engeland. Dit is wat wij nooit vergeten moeten: het is, in September 1787, Engeland dat aan Frankrijk een belangrijken zet afwint, niet een levende kracht in de Republiek zelf, die over een tegengestelde zegeviert. De regeering van 1787 tot 1795 was een kunstmatige, wier voortbestaan geen enkelen waarborg had dan het samengaan van Engeland en Pruisen, de machten die haar hersteld hadden en bleven beveiligen als de eenige die de Republiek kon dienstbaar maken aan de bevordering van hun belangen. Toen de aandacht van elk der beide aandeelhebbers aan deze regeering naar elders werd afgeleid en zij niet langer ééne lijn trokken, hield ook het effect van hunne samenwerking in de Republiek op te bestaan, dat is te zeggen de Republiek in haar oude gedaante zelve. Zulke restauraties als die van 1787 zijn altijd de voorspelling geweest van naderenden val, en
in dien zin kan men zeggen dat reeds in 1787 het lot van de Republiek is beslist. Het is haar ontbindingsperiode tot aan dit schijnherstel, die het onderwerp uitmaakt van dit geschrift.
Langzamerhand zien wij, in de achttiende eeuw, de weerstandskracht tegen vreemden invloed bij onze staatspartijen verslappen. Reeds bij de omwenteling van 1747 is de buitenlandsche beweegkracht sterk, maar de gebeurtenis vertoont toch nog in de eerste plaats de trekken van een overwinning van Oranje en het volk op de regenten. Tusschen deze revolutie en die van 1787 in heeft ons volk de kracht verloren, om meester te blijven op eigen terrein; het heeft de toen verbeurde vrijheid om over eigen belangen te beslissen eerst weerom gekregen na lange en harde beproevingen. De patriottentijd, in zijn gansche beloop, is nog maar de inleiding op nieuwe schade en schande: een harder dan de in 1787 overwinnende engelsche, bleek in 1795 de fransche meester. Welke leerschool ons volk onder zijn dwang doorloopen heeft, eer het weder aan zichzelf overgelaten werd en een nieuw bestaan, bescheidener dan het vorige, mocht beginnen, zal onze geschiedschrijving wel eerlang te verhalen hebben, na grondiger onderzoek dan tot nog toe mogelijk was of beproefd is; als een klein deel van den voorarbeid tot zulk een werk vereischt, moge deze poging beschouwd worden, om een goed stuk van den aan den bataafschen onmiddellijk voorafgeganen tijd, in een zeker niet geheel nieuw, maar helderder en overvloediger licht te zetten.