terug  begin  verderprepost
[p. 110]

Vierde hoofdstuk.
Inwerking van den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. - Toenemende verwijdering van en eindelijke breuk met Engeland. - Zijdelingsche aanval op den prins.

Van de nieuwe verbindingen, in 1756 tusschen de groote mogendheden van Europa gesloten, was die tusschen Frankrijk en Oostenrijk duurzamer gebleken dan de andere, tusschen Engeland en Pruisen. Dit lag in de oorzaken zelve die elk van beide hadden bewerkt. De aanzoekers waren onderscheidenlijk Oostenrijk en Engeland geweest, de aangezochten Frankrijk en Pruisen. Het motief van Maria Theresia, de bestendige bedreiging die de pruisische macht opleverde voor het rustig bezit harer monarchie en voor het overwicht van Oostenrijk in de duitsche landen, zoolang Frederik op den steun of zelfs maar op de onzijdigheid van Frankrijk rekenen kon, bleef na den vrede in volle kracht bestaan: immers die gevaarlijke macht was ongeschonden uit den oorlog getreden. Het motief van den koning van Engeland, de noodzakelijkheid eener bescherming van zijn hannoversch gebied, hield met den vrede op. Engeland, dat zijn belang beter begreep dan Frankrijk het zijne, had zich zoo weinig mogelijk met de duitsche zaken bemoeid, en al zijn kracht aangewend op zee en in de koloniën. De eerste minister de beste die Pitt verving, had reeds de subsidiën aan Frederik ingetrokken en dezen tegen de coalitie alleen gelaten, twee jaar vóór den vrede. Toen die kwam had Frederik niets gewonnen; Engeland veel. Het werd zich zijn roeping als groote koloniale mogendheid meer dan ooit bewust; zag meer naar Indië en Amerika dan naar het vasteland van Europa; berustte in het feit dat het daar geen vrienden of bondgenooten meer overhield, maar alleen benijders.

[p. 111]

Beide staten stonden van nu aan alleen in Europa, Engeland en Pruisen. Maar was Engeland er onverschillig onder, Pruisen zag in die nieuwe positie een groot gevaar. Het trachtte zich schadeloos te stellen door de vriendschap van Rusland, zijn aanvankelijken vijand uit den zevenjarigen oorlog, maar wiens plotselinge omkeer Pruisen meer dan iets anders van den ondergang had gered. Het rijk van Frederiks bewonderaar Peter III was wel van korten duur geweest, maar Catharina liet het onder haar voorganger met Frederik gesloten verbond in wezen. Zich nu aan de oostzij veilig wetend, vond Frederik nog altijd Frankrijk en Oostenrijk tegen zich verbonden. Zijn staatkunde stelde zich van nu aan tot taak, Frankrijk af te trekken van zijn nieuwe bondgenootschap, dat, in de parijsche salons nimmer recht populair, als een maaksel van het hof werd beschouwd, waartegen de epigrammen-oppositie wel haar stem waagde te verheffen. Om Frankrijk op zijn zijde te brengen moest hij natuurlijk beginnen zich zelven van Engeland af te keeren, wat met zijn persoonlijke neiging zeer wel strookte. Dien Lord Bute en dien George III die hem in den zevenjarigen oorlog verraden hadden, maakte hij tot voorwerpen van zijn felsten haat, en kon zich zijn leven lang de engelsche macht niet meer voorstellen dan onder hunne trekken. ‘Le But de la Hollande’ is later het uitgezochtste invectief dat hij tegen den Dikken Hertog, ook een persoonlijke antipathie van hem, meent te kunnen vinden. - Dat een onrustig jong man, met plannen in het hoofd die zonder even zoovele oorlogen onuitvoerbaar waren, aan Frans I was opgevolgd en bij den eerlang te verwachten dood van Maria Theresia geheel naar eigen inzicht zou kunnen regeeren, vermeerderde Frederiks zorg in het kweeken van Frankrijks welgezindheid.

Deze politiek van den pruisischen koning is op die van de Republiek niet zonder uitwerking gebleven. De pruisische invloed hier te lande was met den franschen of engelschen niet in de verte te vergelijken, maar Frederiks persoonlijke reputatie stond zoo hoog in Europa, dat het gewicht van zijn woord toch wel de schaal kon doen overhellen waarin het geworpen werd, zoodra de partijen van Frankrijk en Engeland elkander ongeveer opwogen in de Republiek, en dit was nu weldra het geval. Sympathie voor onzen staat had de koning in geenen deele. De Republiek had geen vinger uitgestoken om hem behulpzaam te zijn toen hij in nood verkeerde; integendeel had haar geldmarkt zijn vijanden gereedelijk van de middelen voorzien om hem te blijven beoorlogen. De Republiek had over Noordduitsch-

[p. 112]

land ook niet meer een overwicht van beschaving als vroeger, toen zij aan duitsche beschouwers was voorgekomen als het bolwerk van vrijheid en protestantsche cultuur in Noord-Europa, eerst tegen de habsburgsche wereldmacht, later tegen Lodewijk XIV. In zeker opzicht had juist de opkomst van Pruisen de Republiek waardeloos gemaakt voor Noordduitschland. Zij gold daar nu bovenal voor een staat van kooplieden en bankiers, met een inhalige, enghartige, vreesachtige staatkunde, te laks om zich in staat van tegenweer te houden, en in geval van nood aan anderen overlatend zich voor haar onafhankelijkheid in de bres te stellen. Het gemis van een leger maakte haar waardeloos als bondgenoot tegen een der groote vastelandsmogendheden, en met haar vervallen vloot kon zij evenmin dienen als tegenwicht van de zeemogendheid Engeland. Het eenige wat Frederik soms wat nader bracht tot de Republiek, was dat zij veel belangen had die met die van den Keizer onvereenigbaar waren. Dat nu Frankrijk zich voor de Republiek interesseerde, de diensten van haar onzijdigheid aannam, zag hij niet ongaarne, omdat Frankrijk daardoor de beschermer worden moest van een land dat elk oogenblik met den Keizer in moeilijkheden komen kon. Een alliantie tusschen Frankrijk en de Republiek moest die tusschen de eerste macht en Oostenrijk van een goed deel van haar beteekenis berooven, en zoo Frederik een eind nader brengen tot zijn groote doel: dat hem gevaarlijke verbond verbroken te krijgen. Dus zag hij in, nimmer den franschen invloed in de Republiek te moeten tegenwerken; hoe de laatste uit de moeilijkheden geraken wilde waarin het gehoor geven aan Frankrijk haar moest brengen met Engeland, liet hij gaarne aan haar over. Dat dit vrij-spel laten aan Frankrijk de positie in gevaar kon brengen van zijn neef en nicht en hun kinderen, was een overweging van persoonlijken aard die Frederik steeds zorgvuldig bij de algemeen-staatkundige heeft doen achterstaan. Zijn neef vond hij een onverbeterlijken stumper, en dit was in Europa geen geheim1). Dat de vreemde ophooping der stadhouderlijke rechten en bevoegdheden in een republiek kwalijk voegt, en aan tijdsomstandigheden als de tegenwoordige de wijsheid eischt concessies te doen, staat in zijn brieven aan de Prinses evenzeer vast als dat het stadhouderschap te diepe wortels heeft om ooit geheel uitge-

[p. 113]

roeid te worden. Indien slechts, moest het zijn met opoffering van den persoon Willem V, aan zijn nicht en haar kinderen een eervolle, aan een koninklijke prinses niet onwaardige positie verzekerd bleef, hield hij zich tevreden.

De hoop op een vernedering van Engeland was toen zeer algemeen in Europa. Wat men gaarne wenscht, aan de mogelijkheid daarvan gelooft men spoedig. Men rekende zich voor dat de grootheid van Engeland op geen deugdelijken grondslag rustte: het cijfer der staatsschuld wekte de verbazing van het vasteland, en in het binnenlandsch bestuur scheen sedert de troonsbestijging van George III onberadenheid en willekeur de vastheid van Pitt vervangen te hebben. Er waren in Engeland zelf boetpredikers die de engelsche toestanden voor geheel bedorven verklaarden, en Engelands onspoed in Amerika voorstelden als een gerechte straf. Op het vasteland maakten zij misschien meer indruk dan in Engeland zelf1), waar de politieke consequentiën uit het achttiend'eeuwsch rationalisme getrokken, minder grif aanvaard werden dan elders. De meest geruchtmakende van deze ongeluksprofeten, de dissenterpredikant Richard Price, werd door Capellen onmiddellijk in het hollandsch vertaald2). Het averechtsche denkbeeld, dat wij in een brief van Price aan Capellen3) uitgedrukt vinden, als zou het verlies van Amerika den engelschen handel te gronde richten, was in onze koopsteden algemeen. Het vrijgeworden Amerika, stelde men zich voor, zou liever met anderen dan met Engeland handelsbetrekkingen aanknoopen.

Al wat in Noord-Amerika voorviel, was reeds sedert eenigen

[p. 114]

tijd met buitengemeene belangstelling van uit Europa gadegeslagen. De engelsche koloniën daar waren de eerste nederzetting van eenig noord-europeesch volk, die haar inwoners niet bij honderden of duizenden, maar bij millioenen tellen ging, en het stroomgebied van Ohio en Mississippi het eerste van de reusachtige binnenlanden op aarde, dat voor de westersche weetlust en winzucht open te liggen kwam; de algemeene belustheid op nieuws uit Noord-Amerika was dus natuurlijk. Vóór en tijdens den zevenjarigen oorlog had de worsteling, dáár tusschen Frankrijk en Engeland voorgevallen, al veel meer de aandacht getrokken dan die in Indië, waar het toch ging om niet minder groote belangen. Het verwerven van Canada was alom als een even groote overwinning voor Engeland beschouwd, als nu de afval der dertien staten een voor die mogendheid vernietigende slag werd geacht; op de wijze waarop in de dagen waarin wij thans leven, het toebrengen van een beslissende nederlaag aan de engelsche troepen in Zuid-Afrika aan het prestige van dat rijk oneindig grooter afbreuk zou doen, dan een gelijke ramp in welke andere van zijn vele bezittingen ook.

Doch er was een andere en veel werkzamer oorzaak waardoor wat in Amerika gebeurde zoo groote aandacht heeft getrokken in de Republiek en in gansch Europa. Wat tot nu toe in de oude wereld alleen in boeken, voor een klein publiek van geletterden bestemd, als wenschelijk of noodzakelijk was voorgesteld, werd dáár nu als recht opgeëischt, met de wapenen in de hand. Alle macht uit het volk; de regeering de mandataris van het volk, met een door de meerderheid opzegbaar mandaat; ongerijmdheid van de onderstelling dat iemand wetgever of magistraat kan geboren worden; dit waren alles zaken die de republikeinen van over zee niet bespraken in een salon of genootschap, maar schreven in hun staatsstukken. Zoowel het enthousiasme als het eigenbelang in de Republiek, waren dus tot ondersteuning der Amerikanen geneigd. Beiden ook achtten den franschen invloed hun welkomen bondgenoot, die de regeering dringen kon zoo niet tot openlijk hulp verleenen aan de opstandelingen, dan toch tot weigeren van alle hulp aan Engeland.

In onzen handel op de West was door den amerikaanschen opstand eensklaps verdubbelde levendigheid gekomen. St. Eustatius was de meest geschikte haven om de rebellen van alles te voorzien wat hun ontbrak en waarvan onmiddellijke invoer uit Europa door Engeland belemmerd werd; de reede daar lag aanhoudend vol schepen, en er werd een goed stuk geld verdiend aan de

[p. 115]

levering van ammunitie vooral1). Klachten van Engeland bleven niet uit. Reeds in Februari 1775 kwam Yorke met een verzoek bij de Staten-Generaal, dat zij den uitvoer van ammunitie naar West-Indië zouden verbieden, althans beperken tot wat volstrekt noodig was voor de nederlandsche bezittingen zelve. Inderdaad gebood de Raad van State deze beperking van den uitvoer, maar de admiraliteiten die aan de naleving van het verbod de hand hadden te houden, zagen niet te scherp toe, en in het ontduiken waren onze kooplieden vanouds vindingrijk. Voor en na moesten de Engelschen oorlogsschepen doen kruisen tusschen St. Eustatius en de kust van Noord-Amerika, en zooals immer was het uiterst moeilijk, zoo niet ondoenlijk, zich bij aanhoudingen van alle geweldpleging vrij te houden. Ook van onze zijde kwamen er dus klachten.

Engeland had zich ernstig voorgenomen den opstand te fnuiken. Het had daartoe sterke en onmiddellijke behoefte aan troepen, en sloot links en rechts koopverdragen met duitsche vorsten. Het tractaat van 1678 met de Republiek was in dezen oorlog, tegen rebellen en buiten Europa gevoerd, niet van toepassing, en Engeland kon ons dus niet om de 6000 man hulptroepen verzoeken; het vroeg alleen, in October 1775, het gebruik van onze schotsche brigade, oud erfstuk in het leger der Republiek. Sedert 1577 was zulk een troepenafdeeling bij ons in dienst gebleven, en de Stuarts hadden de instandhouding er van ijverig bevorderd, en faciliteiten bij de werving verleend in ruil voor de zekerheid van in tijd van nood een legercorps bij de hand te hebben voor welks onderhoud zij van het parlement de gelden kwalijk zouden hebben bekomen. Het laatst was de brigade aan Engeland in gebruik gegeven in 1715 en 1745, maar beide keeren als onderdeel der 6000 man die wij, als hebbende de protestantsche successie gegarandeerd, te stellen hadden tegen de aanslagen van den ouderen en jongeren pretendent. Thans vroeg de engelsche regeering deze schotsche troepen niet krachtens eenig tractaat te leen, maar op grond van

[p. 116]

de tusschen beide staten bestaande vriendschappelijke verhouding, en van de traditie dat de brigade, hoewel in onzen dienst, in geval van nood ter beschikking stond van den koning van Engeland, die immers bij het werven der troepen behulpzaam was. Doch van deze traditie was Engeland zelf afgeweken, dat in den laatsten tijd de recruteering in Schotland bemoeilijkt, en zelfs gedurende den zevenjarigen oorlog geheel verboden had; dit was gevolgd op de weigering van de 6000 man door de Republiek, in 1756. Daardoor was de afdeeling in verval geraakt. Zij bedroeg op papier nog 2400 man1), maar was, volgens Thulemeyer, thans niet meer dan 1000 man sterk. De troep zelf was volstrekt niet meer uitsluitend uit Schotten of Engelschen samengesteld; het officierscorps nog wel.

Yorke had antwoord verzocht binnen de maand, en al dadelijk bleek dat de tijd voor gunstbewijzen aan Engeland hier voorbij was. Slechts vier provinciën, Gelderland, Friesland, Overijsel en Groningen, gaven gereedelijk hun toestemming. Holland was eerst in Februari 1776 met zijn besluit gereed en stelde drie voorwaarden: de vrije recruteering in Schotland moest hersteld, de kosten van het vervangen der brigade, in de garnizoensplaatsen der Republiek, door troepen voor deze gelegenheid in Duitschland aan te werven, zouden door Engeland worden gedragen, en de brigade alleen in Europa gebruikt. Met name de laatste voorwaarde maakte deze halve toestemming voor Engeland waardeloos. Liever dan zich in een onderhandeling over deze drie punten te begeven, zag de koning van de gansche zaak af2). Bij de beraadslaging was veel antipathie tegen Engeland aan het licht gekomen. Amsterdam had eigenlijk de gansche brigade wel voor geld aan den koning willen overdoen, als om aan de wereld te toonen dat wij met Engeland niet meer stonden op den ouden voet, en de banden van vroeger gaarne verbreken wilden3). De Hertog vertrouwde Amsterdam toen al zoo weinig meer, dat hij zelfs van 't begin af het leenen der brigade ontraden had, uit vrees dat de stad er

[p. 117]

een argument uit zou trekken tegen vermeerdering van het leger, en niet zou toestaan dat de leegte door het vertrek van dien troep ontstaan, op voldoende wijze werd aangevuld1).

In de Staten van Overijsel had zich bij de beraadslaging een incident voorgedaan dat algemeen de aandacht trok in de Republiek. Sedert eenige jaren was in de Ridderschap van die provincie beschreven Joan Derk van der Capellen van de Poll, een geldersch jonker die tot de Ridderschap van Gelderland niet toegelaten was omdat zijn kwartieren niet geheel in orde waren. Hij kocht toen land in Overijsel waar het bezit van een riddergoed toegang verschafte, en kwam daar in de Staten met een aanbeveling van den Prins, aan wiens hof zijn geslacht een goeden naam had. Capellen betoonde zich van den aanvang af een roerig lid, stelselmatig in oppositie tegen de voorstellen die van den Prins uitgingen. Hij had wat lectuur, in 't bizonder engelsche, en was een strijder te goeder trouw voor de idealen die de Amerikanen aan het verwezenlijken waren. Hij was een ijverig maar ijdel colporteur, met wat meer gloed dan het gros van zijn landgenooten, maar zonder het geringste practische staatsmanstalent of eigenlijke kennis van zaken. Hij was de eerste die in een hooge vergadering, en in taal van een heftigheid die nog niet in de Republiek vernomen was, uitsprak wat velen al in het hart droegen, en maakte daardoor een buitengewonen opgang bij breede kringen van de burgerij. Dit steeg hem vreeselijk naar het hoofd; hij beschouwde zich na zijn klinkend advies in zake de schotsche brigade dat in openbaren druk verscheen en een geweldig gerucht maakte, als een fenomeen in het land, en was ten uiterste verbolgen op den Prins dien hij beschuldigde van in zijn spoedig gevolgde uitzetting uit de Staten van Overijsel de hand te hebben gehad, en in stilte gebeten op de hollandsche regenten die toen niet voor hem in de bres gesprongen waren. Hij was de eerste hier te lande die uit de leer van 's volks alvermogen openlijk de consequentiën trok, deze formuleerde en er het bestaande aan toetste: een democraat van

[p. 118]

geheel ander slag dan de amsterdamsche doelisten van 1748. Overigens geen schepper maar een volger, en geheel een geest van den tweeden rang, wiens opgang een bewijs is hoe leeg het land stond van oorspronkelijke vernuften. Zijn invloed is zeer waarneembaar op het wakker worden der burgerij, nauwelijks op het eigenlijke beleid der staatszaken. Amsterdam liet zich al spoedig wel met de Amerikanen in, maar hield daar Capellen geheel buiten. In zijn eigen provincie begon hij een strijd tegen de drostendiensten, gering overblijfsel van feodale instellingen, die hij ten onrechte meende dat in 1631 reeds voor goed waren afgekocht. Het waren hand- en spandiensten, van de huisluiden gevorderd eens te gras en eens te hooi (in het voorjaar en des zomers); gewoonlijk stonden de drosten toe ze voor een kleinigheid af te koopen. Capellen eischte geheele afschaffing, maar de meerderheid van de Staten wilde alleen de afkoopbaarstelling gebiedend voorschrijven. Hierop werd hij zoo beleedigend dat de Staten hem in October 1778 in zijn lidmaatschap schorsten. Deze locale zaak der drostendiensten wekte op verre na de belangstelling niet die zijn optreden voor de Amerikanen had gaande gemaakt, en het zou nog eenigen tijd duren eer met Capellen's invloed ernstig rekening moest worden gehouden.

Van de brigade werd nu door de engelsche regeering niet meer gerept, maar de zaak had duidelijk aan het licht doen komen, hoe weinig gunstig men hier Engeland gezind was. De engelsche maatregelen tot beteugeling van den smokkelhandel in wapenen en kruit hielden die kwade gezindheid levendig, maar tot een openlijk partijkiezen voor Amerika was de staatsgezinde partij nog volstrekt niet besloten. Het moest nog blijken of de opstand kans van slagen had, en, wat alles afdeed, Frankrijk dat in deze zaak het beslissende woord moest spreken, en zonder welks hulp elke stap van onze zijde een onvergeeflijke donquichotterie moest blijven, had zijn besluit nog niet gevat. Dit bleek aan onze staatslieden zoowel uit het vooralsnog uitblijven van franschen aandrang op de Republiek, als uit onderschepte brieven van den franschen zaakgelastigde, abbé Desnoyers. Zoo min als elders maakte men toen in de Republiek bezwaar, de brieven van vreemde gezanten aan hun regeeringen op het postkantoor te ontzegelen en over te schrijven. Zij waren wel in cijferschrift gesteld, maar men hield er een afzonderlijk ambtenaar op na wiens taak het was studie te maken van het gebruikte cijfer, en die na langer of korter tijd

[p. 119]

er altoos wel in slaagde den sleutel te vinden. Men deed zoo met de brieven van de fransche en pruisische gezanten in den Haag, ook met die van den pruisischen gezant te Londen, welke over ons grondgebied hun weg naar Berlijn namen. De engelsche gezant behoefde voor deze onderschepping niet beducht te zijn, om het gemak waarmee hij de bezorging ter scheepsgelegenheid te Hellevoetsluis zelf op zich kon nemen. De afschriften gingen rond bij den Raadpensionaris van Holland, den Griffier der Staten-Generaal, en den Prins. Sedert Steyn door Van Bleiswijk was opgevolgd, was het gebruikelijk ze allereerst aan den Hertog van Brunswijk te geven, en van toen af kwam er een eind aan de vroegere mededeelzaamheid met de ontdekte geheimen, die Fagel in praktijk had gebracht tegenover den engelschen gezant1). Uit deze brieven bleek in het voorjaar van 1776, dat een gemachtigde van een comité te Philadelphia, belast o.a. met het aanwerven van een goeden hollandschen ingenieur, door Desnoyers de fransche regeering had gepolst over de ondersteuning van hare zijde waarop voor den opstand te rekenen viel. Uit het antwoord bleek groote voorzichtigheid2). De fortuin had zich in Amerika nog niet beslist ten gunste der opstandelingen gekeerd, en vóór dit geschied zou zijn wilde Frankrijk zich wel op alles voorbereiden, maar droeg zorg zich door geen toezeggingen te binden.

Een tegemoetkoming van onze zijde aan de klachten over den

[p. 120]

smokkelhandel in oorlogsbehoeften in de West, was de vervanging van Heyliger, gouverneur van St. Eustatius, en bij de Engelschen verdacht van dien handel te begunstigen, door een ander titularis, Van der Graaff (September 1776). Tegelijkertijd werd Engelands verzoek om dien handel tegen te gaan, in dringerder vorm herhaald1). Het antwoord kwam ditmaal vlug maar bestond in vernieuwing voor een jaar van de oude - en onvoldoend gebleken - verbodsbepalingen, en de belofte van andere maatregelen in overweging te zullen nemen (October 1776). Dit was in het wezen minder geruststellend dan in den vorm2): alles hing af van den spoed die met de overweging zou worden gemaakt, en van het gevolg waartoe zij zou leiden. Al spoedig hoorde men van de zaak niets meer. De verhouding van de engelsche regeering tot het stadhouderlijk hof was dikwijls van zulk een vertrouwelijken aard geweest, dat de eerste ook thans hoopte de maatregelen met den Prins te kunnen overleggen, en den laatste de zorg bevolen te kunnen laten ze te doen aannemen in de verschillende Statencollegiën. Het was toch zoo moeilijk niet, schreef de engelsche minister, te begrooten hoeveel ammunitie de nederlandsche koloniën werkelijk voor zichzelf noodig hadden, en de levering daarvan te doen geschieden onder onmiddellijk toezicht van het Gouvernement; iets dergelijks had ook in Engeland plaats3). Doch Yorke moest antwoorden dat hij reeds lang geleden te vergeefs op dien maatregel had aangedrongen, en dat de tijd voor het oude overleg tusschen hem en de stadhouderlijke regeering voorbij was: deze durfde die manier van de zaken in te leiden, niet meer aan4).

In den loop van het jaar 1776 had Frankrijk zich nu toch zoo vertrouwd gemaakt met het denkbeeld van een nieuwen aanval op Engeland, dat het zijn voorbereiding voltooien wilde met het bewerken van de Republiek. Het deed voor den vacanten gezantschapspost in den Haag ditmaal een zeer goede keus. Paul François de Quelen, duc de la Vauguyon, was toen hij hier

[p. 121]

in December 1776 verscheen dertig jaren oud maar nog zonder diplomatiek verleden. Zoon van den gouverneur van Lodewijk XVI, was hij door de gunst van het hof tot den haagschen post bevorderd, maar bleek dien zeer goed te verdienen. Zijn talent om met de dispositiën die hij hier bij de staatsgezinde partij vond, te woekeren ten bate van Frankrijk, is buitengemeen geweest. Hij wist de regenten tot alles te bewegen wat de Republiek geheel afhankelijk maken moest van Frankrijk, zonder zijn regeering tot iets wezenlijks te verbinden1). Voorloopig bepaalde hij er zich toe de winzucht van den koopmansstand en de machtsbegeerte van de regentenpartij tot het uiterste te prikkelen. Ook moest de Stadhouder wat gediscrediteerd als werktuig van Engeland, maar niet meer dan noodig was om hem te isoleeren en zóó machteloos te maken dat hij de Republiek niet verhinderen kon zich aan Frankrijks leiding over te geven. Een onmiddellijken aanval op het stadhouderschap hield Vauguyon tegen2): de regenten moesten vooral niet te spoedig verzadigd worden, en nog lange jaren naar Frankrijk opzien om hulp. Van een begunstigen der democratie, als geheel buiten het programma der fransche regeering liggend, en alleen geschikt om hem verdacht te maken bij de regenten van wie hij alles hebben moest, onthield hij zich zorgvuldig. Van persoon was hij wél aangelegd om hun vertrouwen te winnen: hij droeg niets van de frivoliteit en het scepticisme ten toon die bij de Franschen van stand toen algemeen waren; deed zich niet voor als een homme d'esprit, hoe vaardig spreker hij ook zijn mocht; kwam zelfs in uiterlijk meer overeen met de buikige burgemeesters met wie hij te doen kreeg, dan met het type dat men zich van den franschen hoveling voorstelde3).

[p. 122]

Zijn secretaris van ambassade, Bérenger, was ook een man van gewicht, reeds dikwijls in diplomatieke betrekkingen gebruikt, en die zich veel kennis van de zaken der Republiek verwierf. Gedurende de veelvuldige absenties van zijn meester nam hij het gezantschap met bekwaamheid, maar niet met dezelfde matiging in den vorm tegenover den Stadhouder, waar. Vauguyon begon uiterst voorzichtig; liet zelfs de pretentiën vallen van de Breteuil, betreffende de etiquette bij het ontvangen van den Prins1). Zijn eerste dépêches zijn een belangwekkende lectuur. Onzijdigheid der Republiek in een oorlog tusschen Frankrijk en Engeland, bevindt hij, staat op ieders programma, maar niet ieder beveelt haar aan om dezelfde reden, of begrijpt haar op dezelfde wijze. De man met het meeste crediet is ongetwijfeld nog de Hertog van Brunswijk, maar hij heeft al zijn talent noodig om het te bewaren en zou het in de waagschaal stellen zoo hij een engelsche politiek aanprees. Ook heeft hij een persoonlijke reden om niet te wenschen dat de Republiek ooit in een landoorlog gewikkeld worde: lichamelijk ongeschikt geworden tot het aanvoeren van het leger, vreest hij den invloed dien een ander, met het bevel belast, op den Stadhouder zou kunnen verkrijgen. De Raadpensionaris, creatuur van den Hertog, doet al zijn best om zijn ouden beschermer te verdringen, en de invloedrijkste man te worden in de Republiek. Inderdaad is hij er in geslaagd persoonlijk gezag bij den Stadhouder te verkrijgen, die niet meer zoo uitsluitend naar Brunswijk luistert als voorheen. Maar de Raadpensionaris is uiterst behoedzaam, durft

[p. 123]

niet veel aan, zal zich altijd verklaren voor wat de meeste kans heeft aangenomen te worden in de Staten van Holland. In deze vergadering geeft Amsterdam den toon aan, een verklaard voorstander van de onzijdigheid, uit eigenbelang. Aan allen gemeen eindelijk is een besef van zwakheid: bedreiging met het sluiten der fransche havens bijvoorbeeld, zal het beste middel zijn om de Republiek te krijgen tot wat men van haar hebben wil1). Van den Prins noch van de Prinses wordt in die eerste dépêches veel gezegd. De eerste is te onbeduidend om een eigen overtuiging ingang te willen doen vinden; de tweede heeft wél een eigen oordeel, maar blijft buiten de zaken en heeft weinig invloed op haar gemaal2). Naar Amsterdam begaf Vauguyon zich al spoedig, maar verkende nog slechts het terrein, deed zich voor als toerist die begeerig is zich te onderrichten, zocht den omgang met Temminck en Van Berckel niet: zij zouden in den Haag hem wel komen zoeken, en als zij kwamen, wilde hij niet te spoedig toeschietelijk zijn, en hen goed uithooren3).

In groote trekken is deze situatie dezelfde als die van 1755, maar in Vauguyon's verhaal doet zich toch de Republiek al veel weerloozer voor dan in de memories van de Bonnac of in de berichten van d'Affry. Toen was de regeering der Gouvernante op de leiding der zaken nog ten uiterste naijverig; en die van thans liet zich alles uit de handen nemen, deed nauwelijks eigen voorstellen meer, liet zich door Amsterdam telkens verrassen. Toen ook moest de fransche gezant nog moeite doen

[p. 124]

om de republikeinen voor zich te winnen; nu kon hij afwachten dat zij kwamen bedelen om zijn gunst. Het koren stond voor Frankrijk goed te velde; niet de geringste verdienste van Vauguyon is geweest dat hij zich niet overhaast heeft een oogst binnen te halen die zonder veel bemoeiing van den franschen akkerman reeds meer dan half rijp gestoofd was. De verwijdering tusschen de Republiek en Engeland zou vanzelf wel grooter worden als de amerikaansche opstand duren mocht. In de westindische zeeën volgde het eene incident het andere op. Bij brief van den 14den Februari 1777 kreeg Yorke bevel een krachtige memorie in te dienen tegen den nieuwbenoemden gouverneur van St. Eustatius, Van der Graaff, die wel verre van een ander gedrag te volgen dan zijn voorganger, de opstandelingen op allerlei wijze begunstigd, zelfs hun vlag gesalueerd en dus erkend had. De memorie had een dreigend slot, dat groote verontwaardiging wekte in de Republiek1); in de Staten van Holland vielen er harde woorden over, en het antwoord van de Staten-Generaal (21 Maart), hoewel het saluut aan de amerikaansche vlag afkeurende en de toezegging behelzende dat Van der Graaff ontboden zou worden ter verantwoording, eindigde met een bittere klacht over den toon van het engelsche staatsstuk, als ten eenenmale tusschen soevereinen en onafhankelijke staten ongebruikelijk. Dat Engeland zich hierop voldaan verklaarde met de ‘terugroeping’ van den gouverneur, hoewel over diens ontslag niets beslist was, gaf nieuw ongenoegen2). Intusschen had de engelsche admiraliteit, op het eerste bericht van Van der Graaff's gedrag, het aanhouden en opbrengen bevolen van alle hollandsche schepen in de West, met wapenen, ammunitie en kleedingstukken (of materiaal daartoe) geladen (15 Februari); op dezen maatregel was in het slot van

[p. 125]

Yorke's memorie gedoeld. Dit bevel werd nu wel ingetrokken, maar het was te voorzien dat het zijn werking reeds zou hebben gehad, vóór de intrekking in West-Indië kon worden bekend gemaakt1); hieruit waren nieuwe moeilijkheden te wachten.

De altijd hangende zaak der vlootvermeerdering kreeg nieuwe beteekenis voor de Republiek, nu de handel weer om bescherming roepen ging. De generale petitie voor 1777 had de oude klachten en aansporingen ingehouden, maar de Raad van State had al sedert onheuglijke tijden geen gezag meer2). Holland drong thans in de eerste plaats aan op uitrusting van een eskader voor de West, en verder op eindelijke toezegging door al de provinciën van subsidiën voor den aanbouw van 24 nieuwe linieschepen. Bleef die ook ditmaal uit, dan dreigde Holland op afdanking te zullen staan van een deel der in dienst zijnde troepen, om het vrijkomende geld aan de admiraliteiten te kunnen geven. De Raadpensionaris toonde zich in al wat de vloot betrof bizonder ijverig; Vauguyon schrijft dat Amsterdam het niet beter van hem zou kunnen verlangen3). Een groot bezwaar zou het vinden van goede bemanning zijn; voor de weinige schepen, thans in commissie, gaf dit al groote moeite. In November kwam eindelijk de goedkeuring der Staten-Generaal op het voorstel van Holland tot uitrusting van een eskader naar de West; men had gesproken van twintig grootere en kleinere schepen, maar kreeg er niet meer dan acht bemand, die in December vertrokken met strenge order om alleen den geoorloofden handel in bescherming te nemen. De bevelhebber, schout-bij-nacht Lodewijk graaf van Bylandt, kweet zich verdienstelijk van zijn moeilijke opdracht; hij bleef tot in 1779 om en bij St. Eustatius, tot groot voordeel van den geoorloofden handel, en hoewel hij tegen het vuren op engelsche kapers niet opzag, wist hij, tegen de verwachting van Yorke en Vauguyon beiden4), een botsing met de

[p. 126]

engelsche scheepsmacht te vermijden. Het uitrusten van dit eskader was met buitengemeene belangstelling in de Republiek gevolgd, en Van Bleiswijk zorgde dat de Prins die ook toonde en althans niet achter bleef bij den franschen gezant, die de marinewerven bezocht en naar Texel zelfs zijn vrouw meenam, zooeven uit Parijs aangekomen. Ook voor de andere propositie van Holland, die tot den aanbouw van 24 linieschepen, werden alle krachten ingespannen, en in Mei 1778 gaf inderdaad tot de laatste provincie toe haar consent.

In Amerika had in den aanvang van 1777 de opstand groote verliezen geleden: de hoofdmacht der Engelschen had Washington steeds verder teruggedreven; New-York en Philadelphia gingen verloren. Maar in het noorden behaalde een ander amerikaansch generaal, Horatio Gates, een belangrijk voordeel: hij slaagde er in een geheel engelsch corps de wapens te doen neerleggen (capitulatie van Saratoga, 16 October 1777). Dit feit maakte groot gerucht en werd in Europa wellicht hooger aangeslagen dan het verdiende: het heeft althans Frankrijk doen besluiten zijn afwachtende houding op te geven. Wij zagen deze macht in het voorjaar van 1776 zich uiterst behoedzaam gedragen: er ontbrak in Amerika nog een geordend en algemeen erkend bestuur waarmee men zich veilig inlaten kon. Maar sedert de onafhankelijkheidsverklaring van het Congres (4 Juli 1776), was een verbond met de Vereenigde Staten ernstig in 's konings raad besproken. Voor een hernieuwde worsteling met Engeland had men zich al jaren toegerust: de fransche marine was uit haar verval opgeheven en thans in veel geduchter staat dan twintig jaar geleden, en men hoopte nu ook op de hulp der niet onaanzienlijke vloot van Spanje. Een vierledig advies van den minister van buitenlandsche zaken, Vergennes, was eindelijk aangenomen, strekkende om de zaak van Amerika nog een jaar aan te zien vóór men zich tot iets verbond, inmiddels de toerusting ter zee krachtig voort te zetten, zich over de aan te nemen houding met Spanje te verstaan, en indirect de opstandelingen te helpen zoo-

[p. 127]

veel men kon. Om deze hulp te bemantelen werd het zoogenaamde handelshuis van Beaumarchais opgericht, dat voor millioenen waarde naar Amerika zond; de geleverde wapenen waren gedeeltelijk uit de arsenalen van het koninkrijk afkomstig. Beide de amerikaansche opstand en het denkbeeld van weerwraak op Engeland voor den smadelijken zevenjarigen oorlog, waren in Frankrijk ten uiterste populair. Onder den nieuwen koning moest de nationale roem iets herwinnen van den onder Lodewijk XV zoo jammerlijk getaanden glans. In de buitenlandsche staatkunde verlangde men een krachtig optreden tegen Engeland, en een verslapping der oostenrijksche alliantie, die in vooruitstrevende kringen - en daartoe rekenden zich thans hof en adel zoo goed als de schrijversbent te behooren - met zekeren spot werd genoemd en waarmee het openbaar worden van Frankrijks verval onder Lodewijk XV onafscheidelijk in de herinnering was verbonden. Als vertegenwoordiger van het Congres was Franklin naar Parijs gezonden, de man van niets opgekomen, vaandeldrager der democratie, wiens huisje te Passy een plaats van bedevaart werd voor prinsen en heeren. In denzelfden tijd vertrok, in opgewondenheid, de jonge Lafayette naar het oorlogsterrein (Maart 1777). Na Saratoga werd het publiek dringender dan ooit, en de regeering gaf toe, al was een van de voorwaarden nog niet vervuld die zij het vorige jaar gemeend had te moeten stellen: van Spanje's toetreding was zij nog niet zeker. Den 16den December 1777 zegde men Franklin aan dat de onderhandelingen een aanvang nemen konden, en den 6den Februari 1778 werd het verdrag geteekend. De koning erkende de Vereenigde Staten; verklaarde Engeland hierom oorlog, dan verbonden beide machten zich niet dan gelijktijdig vrede te sluiten, en niet vóór de onafhankelijkheid der Staten door Engeland was erkend. Voor het overige was het verdrag er een van koophandel. Frankrijk stelde de Republiek eerlang van de sluiting officieel in kennis, onder verzekering dat het geen uitsluitende handelsvoordeelen voor zichzelf bedongen had (Maart 1778).

Zoodra de fransche regeering besloten was den oorlog te wagen, had zij hier het terrein verkend en de vertrouwde staatsgezinden doen afvragen, hoe zij dachten over een conventie tusschen Frankrijk, Spanje en de Republiek, tot onderlinge verzekering van de vrijheid van hun handel. De ontvangst van dit denkbeeld was toch nog tegengevallen: de Republiek had eerst willen afwachten van welke zijde de eerste aanval zou worden gedaan, en was nog huiverig zich in verbintenis te begeven met de vijanden

[p. 128]

van haar officieelen bondgenoot1). Van Bleiswijk had zich wel zeer gunstig over zulk een conventie uitgelaten, maar voor 't oogenblik was er geen kans dat hij er den Prins voor winnen kon: juist had hij zich tegen diens aandrang tot vermeerdering der landmacht te sterk moeten verzetten2). Er was namelijk ook te land eenig gevaar gerezen voor de Republiek, dat haar gedurende de eerste maanden van 1778 wat meer dan gewoonlijk over den slechten staat van haar levende en doode weermiddelen bezwaard maakte. De oude keurvorst van Beieren, Maximiliaan Jozef, was in December van het afgeloopen jaar kinderloos overleden. De Keizer had deze gebeurtenis lang voorzien en was in onderhandeling getreden met den erfgenaam, Karel Theodoor, keurvorst van de Palts, een van de vele duitsche vorsten die op veel grooter voet leefden dan zij betalen konden. Voor het geld van den Keizer stond deze nu geheel Neder-Beieren af, en verklaarde zich bereid over afstand van het overige in nadere bespreking te komen (3 Januari 1778). De verwerving van Beieren, geheel of ten deele, zou Oostenrijk een groote machtsuitbreiding bezorgen in Duitschland, en streed tegen het belang van Pruisen, dat gelegenheid vond als verdediger van de rechten der rijksvorsten tegen den Keizer op te treden, doordat Karel Theodoor zelf geen kinderen had, en zijn naaste erfgenaam, de hertog van Tweebruggen, tegen den afstand van grondgebied in verzet kwam. Oostenrijk en Pruisen beide brachten troepen in het veld, en een oorlog scheen waarschijnlijk. Hierom had de Prins weer wat sterker geijverd voor het leger: nu door zijn medewerking de toestemming der landprovinciën in de vermeerdering der vloot eindelijk verzekerd was, verlangde hij in ruil dat Holland de beurs zou openen voor de landmacht. Hij sprak er de afgevaardigden van Amsterdam over aan maar kreeg een besliste weigering ten antwoord3); toch wilde hij beproeven of, wat zoo dikwijls was mislukt, misschien onder den druk der europeesche gebeurtenissen meer kans van slagen had. Vier provinciën (Gelderland, Utrecht, Overijsel en

[p. 129]

Groningen) hadden reeds tot de vermeerdering besloten; den 2den April ontbood nu de Prins de Ridderschap van Holland, zijn gewone orgaan in de Staten van die provincie, op het stadhouderlijk kwartier en verzocht haar de zaak nogmaals in omvraag te doen brengen. Amsterdam en Dort bleven onverzettelijk; de laatste stad bracht zelfs de conventie tusschen Frankrijk, Spanje en de Republiek ter sprake waarvoor de fransche zaakgelastigde gewerkt had, maar die tot nu toe nog niemand in de Staten van Holland had durven aanbevelen. Den 16den April gingen de Staten uiteen, zonder een besluit in een van beide kwesties te hebben genomen; die van het leger was wederom commissoriaal gemaakt, en daarmee de beslissing voor onbepaalden tijd verschoven. Het argument dat de Prins aan den toestand van Europa ontleend had kon ook spoedig geen dienst meer doen: tot een algemeenen oorlog kwam het niet. Frankrijk wilde niet in zijn oude fout vervallen van zich in de duitsche zaken te steken op het oogenblik dat het een zeeoorlog tegen Engeland aanving, en verklaarde zich door het bondgenootschap van 1756 ditmaal niet tot bijstand tegen Pruisen verplicht te rekenen. In zijn hoop op den steun van Rusland, dat sedert eenigen tijd zijn vriendschap had gezocht, werd Jozef evenzeer bedrogen: tegen de Turken wilde Rusland met hem optrekken, niet tegen Frederik. Onder fransch-russische bemiddeling kwam ten slotte de vrede van Teschen tot stand, die Oostenrijk maar een geringe uitbreiding gaf, tot de Inn (Mei 1779).

Bleef dus het vasteland in rust, de zeeoorlog ving nu spoedig aan. Op het bericht van het tusschen Frankrijk en de Vereenigde Staten gesloten verdrag had Engeland zijn gezant uit Parijs teruggeroepen, en in Juni begonnen de vijandelijkheden in Europa, wederom, als in 1755 vóór de oorlog was verklaard. Hiermede begonnen de moeilijkheden voor de Republiek eerst recht: de kwestie over de toepasselijkheid der beide met Engeland gesloten tractaten was niet opgelost, en kon het niet worden zonder goeden wil aan beide zijden, die na al het voorafgegane ontbrak. Frankrijk had door zijn verklaring van Maart (zie blz. 127) hier de vrees opgewekt dat het de Republiek wilde opnemen in het met de Amerikanen gesloten verdrag, en haar daardoor in den oorlog sleepen; het deed het nu als een gunst voorkomen dat het hiervan afzag, en haar liet bij de voordeelen der onzijdigheid1).

[p. 130]

In werkelijkheid stond de zaak anders, en was de fransche regeering in besprekingen met Vauguyon die een keer naar Parijs had gedaan en in het laatst van Maart op zijn post terugkeerde, tot het inzicht gekomen dat het voor Frankrijk veel voordeeliger was als de Republiek, met haar zwakke oorlogsmaar uitgebreide handelsvloot die Frankrijk van scheepsbehoeften moest voorzien, niet in den oorlog werd getrokken, wat het geval zou zijn zoo zij de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten erkende. Frankrijk liet dus de Amerikanen verder voor zichzelf opkomen in de Republiek, maar bevorderde toch gaarne dat althans Amsterdam, in de meening voor de toekomst van zijn handel te moeten zorgen, zich bedektelijk met hen inliet, wat de stad afhankelijk maken moest van Frankrijk dat met haar dan een geheim zou hebben. De drie gemachtigden van het amerikaansche Congres te Parijs, Franklin, Arthur Lee en Deane, richtten zich den 28sten April per brief tot den Raadpensionaris, met verzoek de Staten-Generaal in kennis te stellen van het verlangen van het Congres, om met de Republiek in vriendschaps- en handelsbetrekking te komen. De Raadpensionaris voldeed niet letterlijk aan dit verzoek, en werd er door Amsterdam, dat van de afzending van dezen brief van te voren kennis gedragen had1), ook niet toe genoodzaakt: men zou de zaak toch nog niet hebben kunnen doordrijven in de Staten-Generaal, en het was dus veiliger het stuk alleen in regeeringskringen bekend te maken, niet openlijk in behandeling te brengen2). Elke stemhebbende stad van Holland ontving bedektelijk een af-

[p. 131]

schrift. De Prins had de dwaasheid gehad, aan den Raadpensionaris te beloven er niet met Yorke over te zullen spreken, die er natuurlijk toch van hoorde nu zoovelen er van wisten. Een van die pijnlijke tooneelen tusschen den Prins en Yorke was er het gevolg van, waarvan de laatste in zijn berichten herhaaldelijk verslag te doen heeft1). - Intusschen, wat Amsterdam nog niet bij de Staten van Holland in behandeling durfde brengen, werd toch in burgemeesterskamer druk besproken. Het resultaat was, dat burgemeesteren den pensionaris Van Berckel gelastten aan den gemachtigde van het Congres, William Lee, te schrijven, ‘dat, in een vaste onderstelling 'er in het Congres thans in America met de Engelsche Heeren Commissarissen gehouden wordende, niets in het minste zal worden vastgesteld of geresolveerd, tot nadeel van de Commercie van deeze Republiek, Burgemeesteren van haare zijde geneegen zijn, om, zodra de onafhangelijkheid der vereenigde Staaten van Noord-America door Engeland erkend zal zijn, naar hun vermogen de zaaken daarheen te dirigeeren, dat tusschen de gemelde vereenigde Staaten, en deeze Republiek, een Tractaat van eeuwigdurende Vriendschap en Commercie, tusschen de wederzijdsche Ingezeetenen worde geslooten, met qualificatie aan bovengemelde Heere Lee, met behoorlijk menagement onder de hand van deeze Haar Ed. Groot Achtb. opregte sentimenten, gebruik te maaken, daar 't behoord’2). Voorzichtig uitgedrukt zeker; maar burgemeesteren wilden verder gaan dan zij in het aanteekeningboek neerschreven waarop Rendorp zich in zijne Memoriën beroept om het onschuldige van de zaak aan te toonen: de berichten van Vauguyon en van Dumas, den geheimen amerikaanschen agent in den Haag, stellen dit buiten allen twijfel3). De kooplieden,

[p. 132]

althans die op welke men vertrouwen kon, waren in het geheim genomen, en één hunner, Jan de Neufville, was naar Aken gereisd om er William Lee te ontmoeten, en had met dezen, op den 4den September, een ontwerp-tractaat opgemaakt, dat na de erkenning der onafhankelijkheid van Amerika door den invloed van Amsterdam wel zou bekrachtigd worden door de Staten-Generaal. Dit twee jaar later in handen van de Engelschen gevallen stuk is nog maar een ruwe schets; reeds de betiteling van de Staten-Generaal als ‘Staten der zeven provinciën van Holland’ wijst dit aan. Na den 4den September is het ontwerp nog gewijzigd te Amsterdam1), ook in burgemeesterskamer2). Amsterdam was deze zaak wel voornamelijk begonnen om zich een voordeelig handelsverdrag te verzekeren in de toekomst, maar van fransche zijde was zij bevorderd meest om de oefening in eigendunkelijkheid die zij opleverde voor de amsterdamsche regeering. Deze had nu de taktiek verlaten van den Raadpensionaris in haar geheimen in te wijden en hem tot het volgen van haar adviezen te dringen; het griefde hem diep dat hij voorbijgegaan was en Amsterdam nu al den dank zou oogsten van den franschen gezant, met welken hij zelf zoo gaarne op goeden voet stond. Yorke, voor wien niet het feit eener geheime verstandhouding tusschen Amsterdam en de Amerikanen, maar wel de bizonderheden een geheim bleven, hoopte reeds dat de gevoeligheid aan de eigendunkelijke handelwijs der stad, op den weifelenden man een goede uitwerking mocht hebben3).

[p. 133]

Wat de Republiek wel het meest bezig hield in dezen tijd, was het herstel van haar zeemacht. Den 21sten Mei 1778 hadden eindelijk alle provinciën hun toestemming gegeven tot den sinds jaren gevraagden bouw van 24 linieschepen. Nu de vijandelijkheden ook in Europa uitbraken, was bescherming van den handel meer dan vroeger vereischt. Voor het loopende jaar kon men die niet meer verleenen, nu men reeds een eskader naar de West en een, onder Reynst, tegen de Marokkanen uit had, maar men hoopte tegen het volgende jaar gereed te zijn met de uitrusting van een derde smaldeel, ter bescherming van den handel dichter bij huis. De aanhoudingen door de Engelschen in het Kanaal begonnen in Juli, en in October bedroeg het getal der opgebrachte hollandsche schepen reeds 421). De klachten der kooplieden stroomden in, en niet bij de Staten maar alle bij den Prins, alsof deze in staat was eensklaps verbetering te brengen. Zich met Engeland te verstaan, zooals de regenten gedaan hadden toen zij na den dood der Gouvernante zelf verantwoordelijk werden, weigerde men in overmoed, hoezeer de engelsche regeering gaarne in overleg treden wilde. Vóór het uitbreken der vijandelijkheden in Europa had Yorke het amsterdamsche regeeringslid Rendorp gepolst, en verzekerd dat Engeland de bij het tractaat van 1678 toegezegde hulp niet vragen zou, en onze vaart op de fransche Antillen vrij laten, indien de Republiek afzag van de levering van scheepsbehoeften aan Frankrijk2). Rendorp had op zich genomen het gesprokene aan de amsterdamsche regeering over te brengen, maar deze had den gezant elk antwoord onthouden; een gedrag, te minder verschoonbaar, daar het besef niet ontbrak dat de vrijheid van alle andere takken van handel, die van den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland evenzeer, schoon dan niet zulk een buitensporig, profijt trokken als de handel in scheepsmaterialen, ruimschoots opwoog tegen het verlies van grove winst dat enkele personen zouden lijden3).

Niet beter was Yorke geslaagd bij den Prins of bij den Raadpensionaris. De Republiek, schrijft hij aan Lord Suffolk, is een nest hommels die u zullen vervelen met hun gegons, en op den honig afwillen, maar steken kunnen zij niet. Met geen aanbod tot regeling der zaak van te voren had de gezant eenig succès: men schroomde niet hem te verzekeren dat de herinne-

[p. 134]

ring aan de sommen in den laatsten oorlog gewonnen wel wijzer maakte dan nu reeds eenige kans op herhaling van profijt op te geven. De post van engelsch gezant in de Republiek, klaagt Yorke, is zeer onaangenaam geworden. Het is hem onmogelijk tegen den Stadhouder in te gaan1), en deze neemt tegen het komend gevaar niet de minste maatregelen van voorzorg: hij bespeurt den toeleg om hem de leiding der zaken geheel uit de handen te nemen en hem dingen voor te schrijven die hij niet wil, maar troost zich met de ijdele gedachte dat hij, meester van de stemmen der landprovinciën, toch altijd een liberum veto houdt, dat hem in staat stelt af te wijzen waarvan hij niet gediend is. Ondertusschen neemt de oppositie in kracht toe; de voornaamste hollandsche steden, Dordrecht, Haarlem, Leiden, volgen in alles de leiding van Amsterdam, en elk bericht van een engelsche aanhouding werpt nieuwe brandstof op het vuur; de welgezinden durven zich niet meer doen hooren, uit vrees van voor onvaderlandslievend door te gaan. Ten einde raad stelt Yorke - onder verbetering - voor of niet de koning van Pruisen aangezocht kan worden om den Prins door een ernstige vermaning uit zijn lethargie op te stooten. De koning van Engeland immers heeft in de beiersche zaak zóózeer één lijn met Pruisen getrokken, dat het vragen van een wederdienst niet ongepast heeten mag. Doch dit denkbeeld werd door den minister aanstonds verworpen: Frederik had alleen overleg gepleegd met den gezant van Hannover te Berlijn, en dien van Engeland er opzettelijk buiten gehouden; men had geen reden hem voor genoeg bevriend te houden om

[p. 135]

zonder gevaar zulk een verzoek tot hem te kunnen richten1). Had men te Londen geweten in welke termen Frederiks brieven aan de Prinses en aan Thulemeyer in dezen tijd waren vervat, de minister zou nog anders gesproken hebben.

Intusschen was men in Engeland tot het inzicht gekomen dat verder overleg met den Stadhouder verloren moeite was, en men zelf de zaak voor de Staten-Generaal zou moeten brengen, onder bedreiging van stijfhoofdigheid te zullen straffen met opeisching van de in het tractaat van 1678 gestipuleerde hulp. Het stelsel van den vorigen oorlog: verkoop in Engeland van alle aangehouden scheepsmateriaal, was nu weer in werking. In strijd daarmede - als bevattende geen der door Engeland als contrabande aangemerkte zaken - waren ook schepen opgebracht. Op verzoek van den gezant der Republiek, graaf van Welderen, werden deze vrijgelaten, maar hem werd tevens medegedeeld dat Yorke bevel zou ontvangen omtrent de toepassing van beide tractaten, van 1674 en 1678, in onderhandeling te treden met de Staten-Generaal (19 October). Den 2den November gaf Yorke kennis van den ontvangen last; in afwachting van de benoeming van commissarissen tot zulk een onderhandeling door de Staten-Generaal, verzocht hij dat geen convooi zou worden verleend aan schepen met ‘navale munitie’ geladen. Men haastte zich niet met een antwoord; alleen deelde de Raadpensionaris aan Yorke mee dat die convooiweigering wellicht toegestaan kon worden, maar dat het nut van conferentiën over de toepassing der tractaten als hoogst twijfelachtig werd beschouwd: immers men was vast overtuigd dat betreffende de duidelijke woorden van het verdrag van 1674 geen bespreking voegde, en dat het andere verdrag de Republiek tot geen hulpbetoon in den tegenwoordigen strijd verplichtte2). Wij zien hoe smal het plankje was waarop de regeering zich thans begaf, en hoe zij geen leuning vinden zou om er zich op staande te houden. Een fraai gedrag: met hand en tand hield men aan een tractaat vast dat de kooplieden zeer uitgebreide en voordeelige rechten waarborgde, maar ontzeide hun allen steun zoo zij die mochten willen doen gelden. Onwaardiger houding is wel zelden door een regeering tegenover haar ingezetenen aangenomen: zij maakte het gebruik van rechten die zij met nadruk bleef opeischen, tot een zaak van persoonlijke risico

[p. 136]

voor wie er zich aan wagen wilde. De convooiweigering zou zin hebben gehad zooals Engeland haar had gevraagd: als voorloopige maatregel hangende de deliberatiën over het tractaat zelf; zooals zij nu toegestaan werd, deed zij de schurftige aapjes van duitendieverij en machteloosheid wat al te schandelijk uit de mouw komen.

De kans op winst bij levering van contrabande aan Frankrijk had te Amsterdam een ontzaglijke speculatie in gang gebracht. Men had in den zomer enorme voorraden van alles opgekocht om de markt te kunnen beheerschen, en beleende dezen opslag om weer nieuwen te kunnen inkoopen. Er werd zóóveel goed op deze wijze beleend dat het geld schaars werd te Amsterdam1). De fransche partij in die stad stelde nu alles in het werk om de weigering van convooi te verhinderen, zond deputaties van kooplieden aan den Prins, zette de assuradeurs op om geen verzekering meer te geven op hollandsche schepen naar Frankrijk of de fransche koloniën bestemd, ten einde zoo een algemeen geroep om convooi te doen opgaan. De laatste toeleg mislukte doordat het rijke engelschgezinde bankiershuis Hope tijdelijk als verzekeringskantoor optrad, en de eigenlijke assuradeurs spoedig hun inkomsten niet langer wilden missen2). In een pamfletje door tegenstanders van Frankrijk in die dagen te Amsterdam verspreid, wordt gezegd dat de kooplieden er voor uit kwamen dat bij chartering van vier schepen met navale munitie naar fransche havens, de behouden aankomst van één enkel hun reeds winst verzekerde3).

De ontworpen resolutie sloot alleen masten en timmerhout voor oorlogsschepen bestemd van het convooi uit, niet de andere artikelen die Engeland onder navale munitie begreep. De regeering deed alle moeite haar te doen aannemen bij eenparigheid: den 12den November verscheen de Prins er zelf voor in de Staten van Holland, en werkelijk stemden alle leden er vóór behalve Amsterdam, dat zijn plan al met den franschen gezant had opgemaakt. Om de stad nog gelegenheid te geven om over te komen, werd de conclusie uitgesteld tot den 18den. Toen

[p. 137]

ging de resolutie door onder protest van Amsterdam, en den 19den werd zij eenstemmig goedgekeurd door de Staten-Generaal. De regeering wilde echter zóó weinig den schijn hebben van in eenig opzicht aan de wenschen van Engeland te zijn tegemoet gekomen, dat zij haren gezant te Londen een verklaring deed afleggen die niets inhield dan een weigering om in de verlangde onderhandeling te bewilligen; van de pas genomen resolutie werd met geen woord gewag gemaakt (3 December).

Intusschen had Vauguyon de goedkeuring zijner regeering verkregen op een plan dat hij met Amsterdam had overlegd om te verhinderen dat aan het besluit gevolg zou worden gegeven, en begaf zich den 2den December naar die stad om de laatste hand aan de voorbereiding te leggen. Den 7den diende hij een memorie in, waarin de Republiek beschuldigd werd van de strikte onzijdigheid te zijn afgeweken, en bedreigd met intrekking van de voordeelen die de fransche regeering, in Juli, aan den onzijdigen handel in het gemeen1), en van andere die zij, lang voor den oorlog, aan den onzen in het bizonder had toegestaan, zoo niet de laatst genomen resolutie werd vernietigd. Wij weten dat door het ontbreken van een handelstractaat met Frankrijk, de continuatie van die laatste voordeelen alleen afhing van de goede gunst des konings. Het kwam er nu voor onze regeering op aan, zich te handhaven in den moeilijk te verdedigen post dien zij had ingenomen. Nieuwe stukken werden tegen haar in batterij gebracht. Te Amsterdam liet Vauguyon de mogelijkheid verluiden van een samenwerking met de noordsche hoven tot bescherming van den onzijdigen handel tegen Engeland, iets waarop thans ten minste nog geen uitzicht was, en dat altijd een gevaarlijke zaak voor de Republiek moest blijven, die minder door de Engelschen behoefde ontzien te worden dan de voorgespiegelde bondgenooten, met name Rusland, en wier weerloosheid en nabijheid, bij zoo uitgebreiden handel, haar alle slagen zouden doen oploopen terwijl de anderen toeschouwers blijven zouden. Tegenover den Prins maakte hij thans voor het eerst van onbewimpelde bedreiging gebruik, en beproefde tevens in hoeverre hij een bondgenoote kon vinden in de Prinses, dit laatste in een gesprek met haar nog voor invloedrijk gehouden

[p. 138]

gewezen duenna, freule von Danckelmann1). De regeering begreep maar niet hoe de aangekondigde dwangmaatregelen in het belang van Frankrijk konden zijn, dat in tijd van oorlog zoozeer van onze leverantiën afhing2), en zag over het hoofd dat eer Frankrijk werkelijk tot de uitvoering van zijn bedreiging over zou moeten gaan, het zijn doel door den in de Republiek opgewekten storm al bereikt kon hebben. Den 30sten December was men met het antwoord aan Frankrijk gereed, waarbij de regeering al een eerste stuk grond onder de voeten verloor, want zij verklaarde zich tot een vernieuwde deliberatie over het verleenen van onbeperkt convooi bereid, en ontnam daarmee zelf alle kracht aan haar betoog dat zij zich niet van de strikte neutraliteit had verwijderd. Doch zooals de resolutie was, verklaarde Vauguyon geen vrijheid te hebben haar ter kennis van den koning te brengen, en gaf te verstaan dat een opzenden er van aan onzen ambassadeur te Parijs nog slechter zou worden opgenomen. Ten einde raad ging men op oudejaarsdag toch tot dit laatste over, maar hoe zwak men zich voelde bleek tegelijkertijd uit een vergeefsche poging om voor rekening van de admiraliteiten, die nu er in ons eigen zeewezen een begin van leven kwam ook scheepstimmerhout noodig hadden, te lichten wat er in vijftien schepen die ter reede van Texel op het uitzeilen lagen, aan die koopwaar geladen was3). Er lag daar een groote handelsvloot zeilree, hoofdzakelijk voor Frankrijk en de fransche koloniën bestemd, die eerlang door negen oorlogsschepen begeleid zonder ongeval het Kanaal door kwam. Thulemeyer twijfelt niet of die vijftien schepen met hout bevracht hadden zich onder de drie honderd andere ge-

[p. 139]

mengd, en dus mede geprofiteerd van het convooi waarvan zij heetten uitgesloten. Zeven schepen met timmerhout, weet hij spoedig daarna te berichten, waren inderdaad op deze wijze behouden te Brest binnen gekomen. Zoo dit conniventie is, zegt hij, mag deze inderdaad voor het beste middel gehouden worden om Frankrijk te voldoen zonder al te openlijk Engeland tegen te gaan; en de pruisische ministers gaven hem hierin gelijk1). Wij zien hier tot welke eervolle uitlegging het gedrag der regeering aanleiding geven moest. Doch behalve eerloos, was dat gedrag bovendien onverstandig: dit was, wat Thulemeyer ook zeggen mocht, de wijze niet waarop Frankrijk en Amsterdam tevreden te stellen waren, en van zijn kant zou Engeland zich geen tweemaal op dezen trant laten bedriegen, en nam zich voor, een volgend convooi te onderzoeken niettegenstaande de bedekking van onze oorlogsschepen. De regeering kon niet meer doen dan de keuze verschuiven: zich op het ingenomen standpunt te handhaven bleek onmogelijk.

Bij haar beslissingen spraken thans nog andere personen mee dan de Hertog van Brunswijk alleen. Deze zag zijn invloed snel afnemen, nu haar levensvoorwaarde, de terughouding van Amsterdam, opgehouden had te bestaan. De kracht van den Hertog had gelegen in zijn persoonlijk gezag over zijn pupil, en in de omstandigheid dat Amsterdam het in haar belang had geacht dezen aan een leiding onderworpen te laten die zijn eigen partij van hem vervreemden moest. Sedert eenige jaren echter was ook een jonger geslacht van staatsgezinden aan het woord gekomen, dat, niet in de positie om de zelfvoldaanheid der amsterdamsche aristocraten mede te gevoelen, alarm sloeg tegen den Hertog, uitdeeler van de gunsten der regeering, door wien zij zich van het beleid der zaken uitgesloten waan-

[p. 140]

den1). En nu de tegenstand van belangen die door de entente cordiale tusschen den Hertog en Amsterdam verbloemd was maar niet opgeheven, naar aanleiding van den strijd om het onbeperkt convooi gansch duidelijk aan het licht kwam, bleef er voor den Hertog geen kans dan óf Amsterdam tevreden te stellen, óf den strijd tegen haar aan te binden. Het zoeken naar een middenweg die er niet meer was, beduidde feitelijke abdicatie. Dat Brunswijks plaats door een gevaarlijker man zou worden ingenomen, werd door de regenten niet meer zoo gevreesd als voorheen: Bentinck van Rhoon was in 1774 gestorven, en geen prinsenman was er te vinden die het talent of den moed had, om de voortzetting te beproeven van het door hem met zoo weinig succes begonnen werk. De historische oranjepartij lag uiteengevallen; in stukken leefde zij voort maar niet als geheel. Alleen de fransche partij was georganiseerd en wist wat zij wilde: bij verwijdering van den Hertog zou het bestuur haar niet kunnen ontgaan. Van twee personen zou de invloed op den Stadhouder door zulk een verwijdering worden versterkt: van den Raadpensionaris, en van de Prinses. Voor den eersten had de fransche partij reeds geenerlei ontzag meer, en het was van zoo algemeene bekendheid dat Frederik de Groote Frankrijks gunst zocht en de Engelschen haatte, dat zij ook den pruisischen invloed voor het oogenblik weinig duchtte. Voor de geringe mogelijkheid, dat de Prinses erfgename zou zijn van al Brunswijks overwicht op haar gemaal, was men niet ernstig bezorgd: men wist hoe naijverig Willem V was op haar; ook was zij, in de schatting van het publiek, bij lange na de figuur niet van later, toen zij ontzien werd als de eenige man aan het hof van den Stadhouder: men kende haar nog slechts als vijandig aan den Hertog, en geloofde dat zij in alles de leiding volgde van haar gewezen gouvernante de freule von Danckelmann, die de koning in 1767 had meegegeven om het zestienjarig meisje te dirigeeren2), en die bij haar in groot aanzien was gebleven. Vauguyon, als hij in een van zijn eerste dépêches een beschrijving geeft van de personen aan het hof, en de Prinses voorstelt als van de freule afhangende, maakt zich tot overbrenger van het algemeen

[p. 141]

gerucht1). Haar brieven uit dezen tijd bewijzen echter hoezeer zij zich van alles rekenschap gaf, en volstrekt niet aan een leiband liep als haar man deed; maar van haar eigen inzicht en eigen wil, die zich ook eerst langzamerhand vormden, was nog weinig naar buiten gebleken. Kort na haar huwelijk, zagen wij vroeger2), had zij zich ernstig over den Hertog beklaagd, en te berusten in het feit van diens almacht over het gemoed van haar gemaal bleef haar immer moeilijk vallen. Haar eerste zachte middelen bleven zonder uitwerking, maar op sterkere bleef zij zinnen, en vond geen beter dan hem tijdelijk aan 's Hertogs omgang te onttrekken en onder andere invloeden te brengen, door hem mee te nemen op een tegenbezoek aan haar oom, te Potsdam3). Maar de Hertog wist steeds te verhinderen dat de reis voortgang had, en legde zelfs moeilijkheden in den weg als de Prinses alleen wilde gaan, wat toch, ook om de geldiger reden van moederplichten herhaaldelijk uitgesteld, in den zomer van 1773 eindelijk plaats had. Zij was toen met den koning overeengekomen, zich meer van de staatszaken op de hoogte te zullen stellen, en haar verkregen kennis aan te zullen wenden om den Prins zoo mogelijk aan de vernederende en voor de toekomst hoogst bedenkelijke overheersching van den Hertog te onttrekken4). In een belangrijken brief, van 27 Maart 1777, doet zij verslag van haar vorderingen. Veel is er nog niet bereikt: het crediet van den Hertog is wel zeer geschokt in het land, maar minder bij den Prins. Merkwaardig is wat zij zegt over een tweede bezoek aan Potsdam door den koning voorgeslagen. Van haar tijdelijke afwezigheid uit den Haag (onlangs ook op een reis naar Spa en Aken, in welke laatste plaats zij haar broeder den Prins van Pruisen en den minister Hertzberg had ontmoet), heeft zij blijkbaar zeer slechte gevolgen gezien: in geen geval wil zij haar man ook thans weer in Brunswijks handen laten; kan hij niet onmiddellijk mee, dan moet de koning hem althans doen beloven dat hij haar terug zal halen. Zelve durft zij het niet van hem eischen, maar zonder dat die belofte afgelegd wordt wil zij van de reis niet hooren: de Hertog zou hem, gedurende haar afwezigheid, te zeer tegen haar

[p. 142]

weten in te nemen. Het hoog loopen der moeilijkheden die de regeering ondervond, maakte het den Hertog gemakkelijk, goede redenen aan te voeren om voorloopig alle afwezigheid van den Prins te ontraden; van de reis is niet gekomen.

In het volgende jaar, 1778, bleek duidelijk dat de Hertog tegen de omstandigheden niet langer was opgewassen. Wilde nu de Prinses van de verzwakking van zijn crediet in het land het rechte voordeel trekken dat er uit te behalen viel voor de ontboeiing van den Prins, dan moest zij zelve, die zich thans van de staatszaken geheel op de hoogte had gesteld, hem op dit critieke oogenblik tot een beslissing brengen die de Hertog niet vinden kon. Zij achtte daartoe niets beter dan den Prins het advies van haar oom te doen vragen: met diens gezag om op te steunen, zou zij gemakkelijker den Hertog overtroeven. Van den pruisischen gezant, Thulemeyer, stelde zij zich weinig hulp voor: hij was een man van onaangenaam karakter, stond te slechter faam bekend in de Republiek, en werd gewantrouwd door beide partijen; de Prinses achtte hem door Frankrijk gewonnen, en moest reeds dáárom wenschen dat de koning meer naar waarheid dan de gezant het doen zou van de moeilijkheden waarin de Republiek verkeerde, op de hoogte werd gebracht. Zij bewerkte dus dat de Prins zich onmiddellijk tot haar oom richtte met een uiteenzetting van den hachelijken toestand en verzoek om voorlichting. De Hertog waarschuwde wel dat Frederik de Groote over de zaak der onzijdige scheepvaart evenzoo dacht als de andere mogendheden van het Noorden, en hij dus eerder zou raden Frankrijk genoegen te geven dan het tegendeel; een zeer gegronde opmerking inderdaad, evenals deze andere dat de koning nog in de wapenen stond tegen Oostenrijk - de vrede van Teschen was nog niet gesloten - en dus zelf de handen vol hebbend, weinig omzien zou naar zijn neef in de Republiek1); maar wat men dan wél te doen had om uit den nood te geraken gaf ook de Hertog niet aan, en zoo vertrok den 2den Januari 1779 een lijvig stuk naar Breslau waar zich de koning bevond, het gansche verhaal van den strijd over het onbeperkt convooi bevattende, en waarbij de resolutiën van de Staten-Generaal en de memoriën van Yorke en Vauguyon in afschrift werden overgelegd. De Prins verklaarde zich volstrekt vrij van alle partijdigheid voor Engeland, sprak veel van de geheime verstandhouding tusschen Vauguyon en

[p. 143]

de stad Amsterdam, en van de booze bedoelingen der laatste tegen zijn stadhouderschap1). In een begeleidenden brief wordt dan op 's konings bijstand tegen een zoo gevaarlijke kabaal een krachtig beroep gedaan2).

Wat de Hertog voorspeld had gebeurde: de koning vond dat ieder aan zijn eigen kwaad genoeg had, en scheepte den Prins met een antwoord af, honend van eenvoud: niemand zou zeker het belang van de Republiek beter kennen dan hij; en hij moest dus zichzelf maar helpen3). Aan de Prinses schreef hij

[p. 144]

wat zakelijker: de Republiek deed te veel, of liet te veel na, voor de Engelschen, zij moest zichzelf respecteeren, niet Frankrijk of Engeland, en om van geen van beide de slaaf te worden, zich wapenen ter zee. Een kort recept, dat tien jaar eerder toegepast de ziekte misschien had kunnen voorkomen, maar niet hielp nu haar verschijnselen zich al hadden voorgedaan. In de omstandigheden waarin de onmachtige regeering de Republiek had laten komen, kwam het geven van zulk een raad neer op bevordering der oogmerken van de fransche partij. De Prinses kwam met warmte op tegen de beschuldiging als zouden de Staten-Generaal partijdig zijn voor Engeland1), en dit gaf den koning aanleiding tot een reeks variatiën op het thema dat de Republiek haar onzijdigheid te handhaven had, wier rechten door de Engelschen geschonden werden en van Frankrijk geen gevaar liepen; moet deze onzijdigheid Frankrijk ten goede komen, de Prinses bedenke dat zich Frankrijks welgezindheid te verzekeren, het eenige middel is dat overblijft om het stadhouderschap tegen de vijanden van binnen te handhaven, die anders door de Franschen tegen de Prins zullen worden losgelaten2). Frederiks eigen behoefte aan Frankrijks steun, levendiger dan ooit gevoeld tegen den onrustigen Jozef II, zijn vooringenomenheid tegen de engelsche regeering en onderschatting van Engelands macht deden hem zulke dingen zeggen, en de kans loochenen dat onze koloniën verloren zouden gaan bij een breuk met Engeland, wat toch oneindig waarschijnlijker was dan dat Frankrijk de handen vrij zou hebben om ons aan te vallen te land, zoo wij die breuk vermeden. En wat het stadhouderschap betreft, niets zou deze instelling tot zulk een verderf strekken als tegen de mogendheid die haar steeds gesteund had in de Republiek, een oorlog te voeren in verbond met de macht die haar immer had ondergraven: dit zou tegenover de tegenpartij in het land zelf de beteekenis hebben eener volledige capitulatie. Altemaal raad die voor de zaak van den Prins hoogst nadeelige uitwerking

[p. 145]

hebben moest, en dien de koning daarenboven voor de fransche regeering zoo weinig geheim hield, dat deze er een spoorslag in vond om voort te gaan op den sedert November van het vorige jaar ingeslagen weg. Reeds was Vauguyon, als d'Affry in 1756 (blz. 56), op dezelfde wijze met de hollandsche steden aan het onderhandelen gegaan als in vroeger eeuw beider model, d'Avaux1). Het fransche edict was al den 25sten December opgemaakt, en voor bekendmaking in de Republiek was ruimschoots gezorgd, maar afgekondigd en in werking getreden was het nog niet. Het benam onzen handel alle voor en na toegestane kleine faciliteiten en voordeelen, en verzwaarde voor haar de tollen van het koninkrijk niet onaanzienlijk. Maar op den handel van Amsterdam zou het edict niet van toepassing zijn. Er viel nu te onderzoeken wat het vooruitzicht van zoo groot verlies bij de andere steden uitgewerkt had. Daartoe reed Vauguyon den 18den Januari de logementen der steden in den Haag rond, en hield de deputaties vóór, aan welke schade zij hun burgers gingen blootstellen. Veel kwam aan op de houding van Rotterdam, de tweede stad die een belangrijk aandeel nam in den handel op Frankrijk. Dat de gezant met zijn karos voor het rotterdamsche logement - aan het Plein gelegen - stilhield op het uur dat de Prins daar aanwezig was om het garnizoen te inspecteeren, trok de aandacht en was ook ongetwijfeld met beleedigende bedoeling ondernomen. Echter voegde zich Rotterdam in deze dagen nog niet aan de fransche zijde; wél deed dit Haarlem, een stad waar de regenten vanouds zeer tegen den Prins gekant waren en wier burgers van het edict genoeg schade voorzagen in hun uitvoer van fijn linnen naar Frankrijk, om de regenten te dringen hun het genot der oude bepalingen te verzekeren nu zij het zoo gemakkelijk doen konden. De pensionaris van deze stad, Zeeberg, toonde zich van nu aan in alles een medestander van Van Berckel, en bleek spoedig een der bekwaamste en werkzaamste vijanden van de stadhouderlijke regeering. Hij was eerst kort geleden tot zijn pensionarispost geroepen, op aanbeveling van Van Bleiswijk, en had toen voor een goed aanhanger van het huis van Oranje gegolden2). Zulke

[p. 146]

teleurstellingen ondervond de Prins nu en later onophoudelijk: men verliet hem zoodra men dacht zijn kansen te verbeteren door tot de oppositie over te gaan, en de lieden die aan hem iets te danken hadden, toonden zich veelal later het meest tegen hem ingenomen.

Voor het oogenblik scheen de regeering niet van zins toe te geven. Dat alleen Haarlem zich nog bij Amsterdam gevoegd had was meegevallen, en de Prins zag met blijdschap dat Zeeland, de provincie die nu jaren lang geboudeerd had, hem in de zaak van het convooi haar vollen steun toezegde1): nu zoovele valsche vrienden hem verlieten was bij de werkelijk prinsgezinden, als de zeeuwsche regenten meest waren, een verlevendiging van loyauteit te bemerken. Friesland, waar de regenten meer aristocraten dan werkelijke oranjegezinden waren, toonde zich veel minder welwillend. De overige provinciën deden zich in deze zaak die een handelsbelang betrof veel minder gelden, maar hielden zich aan de staatkunde die het minste gevaar opleverde voor een kostbare wapening ter zee. De Frankrijk toegezegde hervatting van beraadslaging bij de Staten-Generaal leidde dus tot volharding bij het besluit van 19 November 1778. De nieuwe resolutie - van 18 Februari 1779 - werd evenmin door Vauguyon aangenomen als de vorige, en de afkondiging van het fransche edict was er het dadelijk gevolg van. Amsterdam en Haarlem bleven in het genot der oude voordeelen, als belooning voor betoond ‘patriotisme’.

Allerlei persoonlijks mengde zich mede in den strijd. De Prins, in zijn vlaag van standvastig willen zijn, had ditmaal bij de verandering der amsterdamsche regeering, die jaarlijks op den eersten Februari plaats had, voor het eerst van zijn recht van electie der schepenen gebruik gemaakt tot uitsluiting van een der zeven die door de stad tot het schependom waren bestemd2): er werd een lijst van veertien aangeboden naar wij weten, maar de stad gaf te kennen welke personen zij daaruit gekozen wenschte. De getroffene was Abbema, een der jongste vroed-

[p. 147]

schappen, compagnon in het groote franschgezinde handelshuis Marselis, en de persoon door wien de stadsregeering haar nauwe betrekking met den handelsstand had aangeknoopt en onderhouden; iemand die op vergaderingen van kooplieden succes najaagde door snorkende taal, en op de beurs voorging in een scham peren toon tegen den Prins1). De amsterdamsche burgemeesterskring zat ook hierbij achter de schermen, maar liet rollen als deze gaarne over aan een groepje jongere vroedschappen die er zich met ijver voor beschikbaar stelden. De vijandschap van dit groepje tegen den Prins ging van nu aan alle perken te buiten.

In deze vlaag van verzet bij Willem V stelde Yorke van het begin af weinig vertrouwen. De voortgang van den ganschen strijd over het convooi was samengegaan met een steeds grooter worden van Van Bleiswijk's invloed op hem2), en aan diens engelschgezindheid viel moeilijk te gelooven. De Hertog, hoewel van de persoonlijke aanhankelijkheid van zijn voormaligen pupil bij voortduring verzekerd, had zijn tijd hier overleefd, en maakte zich door nietsdoen overbodig3); een besliste houding had hij evenmin aangenomen als iemand uit de omgeving van den Prins, de oude Griffier, die geen persoonlijkheid was die anderen voor zijn wil deed buigen, misschien uitgenomen4). Toen

[p. 148]

het nog tijd was, had Brunswijk den Prins den weg van onderhandeling met Engeland evenmin op durven drijven als iemand anders, en nu men toch eenmaal allen vasten grond had verlaten, had bij het zoeken naar een middenevenredige tusschen verstandhouding met Engeland en overgave aan Frankrijk, de Raadpensionaris op hem het voordeel van grooter jeugd en lenigheid van persoon en verstand. De Hertog was nu op dat tijdstip gekomen, noodlottig voor ieder die lang in een ministerie is geweest, dat elk die vroeger of later meent verongelijkt te zijn - en waar achter iedere regeeringsdaad zijn geheime invloed mocht worden vermoed, waren het er talloozen - de steenen die hij opgezameld heeft, wel durft te gaan werpen, zich sterk wetend door het aantal zijner mede-ontevredenen, en waarnemend de eerste gelegenheid waarbij de gehate persoon zich bloot te geven komt. Een buiten bedekking der wet staande invloed als die van den Hertog kon althans geen enkele van zijn andere bedekkingen ontberen, en een van de beste hielp hij thans afbreken met eigen handen. Zoo lang zijn geheim gouvernement gelden kon als waarborg voor de continuiteit van de staatkunde der Republiek tegenover het buitenland, zoo lang hij als wachter stond bij het systeem van zich bij Engeland aangesloten te houden, had hij kans dat althans de regeeringspartij aan zijn onmisbaarheid zou blijven gelooven, maar nu hij niet verhinderd had dat de Republiek aan een wisselvallige, allen vasten bodem missende staatkunde was gaan doen, had hij daardoor alleen feitelijk reeds geabdiceerd. Dit moest de loop dien de dingen namen hem weldra aan het verstand brengen, maar met de hardnekkigheid van een oud man die niet inziet wanneer het tijd van gaan is, klampte hij zich vast aan den stoel waarop men

[p. 149]

hem niet langer wilde laten zitten, en heeft zich laten stooten uit een plaats waar hij nu nog met eere uit had weg kunnen gaan.

Met dit al was de invloed van den Raadpensionaris voor dien van den Hertog een slechte ruil. Slechts voor het oogenblik liet zijn verleden hem vrijer dan dezen, en dat de Hertog in het land bleef werd hem noodlottig, want de mijn die men nu aanleggen moest om een der onderteekenaars van de Acte van Consulentschap te doen springen, was ook voor den opsteller van dat stuk geen geringe bedreiging1). De vrijheid van beweging die hem overbleef was ten slotte geen grootere dan Amsterdam hem laten wilde, en zoo worden ons zijn voorstellen van nu aan een vrij betrouwbare aanwijzing van waarmee Amsterdam, en het zich van deze stad bedienende Frankrijk op den achtergrond, telkens voor een oogenblik genoegen willen nemen liever dan tot een uiterste over te slaan dat ook voor hen zijn gevaren heeft. Van Bleiswijk was iemand die bang was voor de waarheid, zich gaarne paaide met den schijn, en naar dezen te rekenen was hij inderdaad de man geworden van het oogenblik, kon zich verbeelden de balans te houden tusschen twee partijen in de Republiek, en in staat te zijn Frankrijk en Engeland tegen elkaar uit te blijven spelen, zonder eind. De fijnheid van den zet dien hij nu bedacht had verdient eenige erkenning, maar die gematigd wordt door de overweging dat het de laatste was dien hij op dit bord kon doen, en dat hij bij verlies van dien enkelen zet het gansche spel gewonnen zou moeten geven. Naarmate er zich meer steden bij Amsterdam en Haarlem aansloten, moest Frankrijk voor die alle het edict wel buiten werking stellen, op straffe van door schijn van kwade trouw zijn pasgewonnen invloed te verspelen. Door dus het overloopen van andere sterk belanghebbende steden, als Rotterdam en Dordrecht, niet te veel tegen te werken, maar de gemakkelijker aan de streng te houden landprovinciën (waarbij zich nu vrijwillig Zeeland had gevoegd) in hun verzet tegen den franschen eisch te stijven, kon men het edict van zijn angel berooven en tegelijk zich op zijn standvastigheid beroepen tegenover Engeland2). Dat het moreel

[p. 150]

effect van deze kunstgreep vernietigend voor het gezag van den Prins in de provincie Holland zijn moest, was een kleinigheid die niet in aanmerking kwam.

Tot het slagen van Van Bleiswijks opzet was noodig dat Engeland zich voldaan rekende, of althans - om erger te voorkomen - voorloopig genoegen nam, met handhaving der resolutie van 19 November 1778, en dat het beloofde het beperkt convooi der Republiek, krachtens die resolutie verleend, te zullen ontzien. Om tot zekerheid hieromtrent te komen moest een bescheiden gesteld vraagje dienen, dat Van Bleiswijk den Prins op 26 Maart aan Yorke richten deed1). Het antwoord was zooals het verwacht kon worden van een regeering die maar geen ballon d'essai had opgelaten, maar van den aanvang af geweten had wat zij wilde: men vond geen reden op de bevelen terug te komen, in Augustus 1778 omtrent het aanhouden en opbrengen van met navale munitie geladen schepen aan de admiraliteit gegeven; van de al- of niet overeenstemming van de bevelen die de zeeofficieren van de Republiek betreffende het toelaten van zulke waren zouden ontvangen, met die naar welke de engelsche admiraliteit zich te richten had, zou het ten slotte afhangen of Engeland

[p. 151]

ons convooi zou kunnen eerbiedigen1). M.a.w. de resolutie van 19 November 1778, die alleen aan scheepstimmerhout convooi weigerde en niet aan de vele andere artikelen die Engeland onder navale munitie begreep, was onvoldoende om de engelsche regeering tevreden te stellen. Na dit aan duidelijkheid niets te wenschen overlatend antwoord kan het verwondering baren dat men den Prins zich nogmaals tot Yorke richten deed, ditmaal met de vraag of Engeland het bevel aan de admiraliteit gegeven in 1745 (zie blz. 36), niet in de plaats kon stellen van dat van Augustus 17782). Het bevel van 1745 was uit een tijd dat de Republiek haar andere tractaat met Engeland was nagekomen; het was wat naïef, na al het voorafgegane daar thans van te reppen. Het antwoord der engelsche regeering verwees dan ook eenvoudig naar haar vorige3).

Op dit cardinale punt na ondervond de Raadpensionaris in de uitvoering van zijn programma weinig bezwaar. In de Hollandsche handelssteden die door het edict getroffen waren was natuurlijk een groot gemor gerezen, want zij zagen zich met niets minder dan verplaatsing van hun handel naar Amsterdam bedreigd. Dit was niet te dulden, en één voor één bezweken de stadsregeeringen. Tegen het einde van Maart stond het in de Staten van Holland negen groote tegen negen kleine steden; de stadhouderlijke invloed deed zich in de laatste altijd meer gevoelen, en was vooral op die van het Noorderkwartier, dat naar zijn zielental en beteekenis veel te sterk in de Staten vertegenwoordigd was, nog vrij krachtig. De negen kleine steden maakten met de Ridderschap nog de meerderheid uit. Beiden Yorke en Vaugoyon merken op dat de Raadpensionaris al zeer weinig drong tot een besluit, nu het nog een overwinning voor den Stadhouder had kunnen zijn4): het was of hij Amsterdam den tijd laten wilde, eenige stemmen om te koopen. Dit gelukte met Gorkum en Schoonhoven, en zoo viel den 30sten Maart het besluit met 11 tegen 8 stemmen ten gunste van onbeperkt convooi. Onmiddellijk daarop gingen de Staten van Holland uiteen. Het was bij deze gelegenheid dat de derde uit het latere driemanschap der pensionarissen het eerst van zich spreken deed; Cornelis de Gijselaar, pensionaris van Gorkum. Aan zijn inspanning was

[p. 152]

het te danken dat deze stad zich bij de laatste stemming bij Amsterdam en de andere groote steden had gevoegd, en eerlang ontving hij zijn belooning en werd tot het gewichtiger pensionarisschap van Dordrecht benoemd door invloed van Van Berckel1); hij kwam toen spoedig naar voren en nam naast den triumfeerenden pensionaris van Amsterdam in de Staten van Holland de tweede plaats in. Het pensionarisschap eener stad was in de Republiek de eenige loopbaan waarin rechtsgeleerden van talent zich tot den regentenstand konden opwerken: zoo waren noch De Gijselaar noch Zeeberg lieden van patricische familie2), wat hun later de verbroedering met de revolutionnaire burgerij gemakkelijker gemaakt heeft dan die aan de echte patriciërs viel, die er spoedig bezwaar in vonden de populariteit na te jagen op de wijze die weldra alleen succes meer had. Deze nieuwe pensionaris van Dort was een driftiger man dan Van Berckel; op hem kwam het houden van klinkende redevoeringen aan, op de beide anderen meer het arbeiden in stilte. Maar alle drie bleven poppen in de handen van den franschen gezant, die de gansche vertooning leidde.

Nam Engeland geen genoegen met handhaving der resolutie die het werk was van den Raadpensionaris, het moest nu blijken of althans Frankrijk in den val liep dien hij had gesteld. Frankrijk kwam zeker in groote moeilijkheid, maar zag in, de aangevangen vreesaanjaging te moeten voortzetten. Had het de werking van het edict thans voor de provincie Holland opgeheven, dan zou de vaardig geworden oppositiegeest zich weer te slapen hebben gelegd. Frankrijk ging dus voort zooals het begonnen was, behoedzaam, maar beslist. Het hief de werking van het edict niet op zoolang Holland de Staten-Generaal niet omgezet zou hebben; Amsterdam en Haarlem alleen bleven uitgezonderd. De uitkomst bewees dat Frankrijk niet te veel had gewaagd: de wrevel tegen de regeering die de ongelukkige resolutie met haar jammerlijken nasleep had voorgesteld en bleef handhaven, was in de teleurgestelde steden veel sterker

[p. 153]

dan de verstoordheid op Frankrijk wegens het vooralsnog beschamen der opgewekte verwachting. Is het patriotisme zulk een voordeelig geloof, was algemeen de gedachte, de duivel haal ons zoo ooit Amsterdam ons weer vóór is met de belijdenis!

Voor Engeland begon het nu een punt van overweging uit te maken, of het niet de Republiek aan haar eigen dwaasheid overlaten zou, zich gereed houdend bij den eersten ernstigen aanstoot dien zij gaf haar den oorlog aan te doen. Bij Yorke was deze vraag het eerst opgerezen in het laatst van het vorige jaar1), na de zonderlinge boodschap die men Van Welderen te Londen had doen afleggen (blz. 137). Om de hulp die de vloot van de Republiek aan Engelands vijanden zou kunnen geven behoefde men het niet te laten: die vloot bestond nog nauwelijks meer dan in naam. Wij zagen vroeger in welk een staat zij zich bevond toen Willem V het stadhouderschap aanvaardde, en van ernstige verbetering was nog niets gekomen. Om eenig inzicht te krijgen in de mate van verblinding bij de meerderheid, van gewetenloosheid bij enkelen, die het tot oorlog met Engeland hebben laten komen op zoo onvoldoenden grond als het geschil over de uitlegging der verdragen van 1674 en 1678 opleverde, zal het zijn nut hebben nogmaals na te gaan hoe het met de vloot van de Republiek stond geschapen. In de zeegevechten van dezen tijd kwam het aan op schepen van 60 en meer stukken. In 1778 bezat Engeland 122 zoodanige schepen, Frankrijk 63 en Spanje 62; de Republiek slechts 11, tegen 12 in 1772 en even zoovele in 1741. En deze elf schepen waren veel ouder dan die van genoemde mogendheden, en voor het meerendeel vervallen; het jongste was van 1764, een was er zelfs van 17302). Twee zestigers stonden in het begin van 1779 op stapel. De vloot was in de laatste jaren wel iets toegenomen, maar in fregatten en vijftigers; deze laatsten heetten bij ons ook linieschepen, maar konden tegen de grootere van de andere mogendheden niet op. In Januari 1779 waren afge-

[p. 154]

vaardigden der admiraliteitscollegiën in den Haag bijeengeroepen om van bericht te dienen op welken voet de zeemacht gebracht moest worden, ‘om het recht van den Staat, op de duidelijke letter der verdragen gegrond, met alle kracht te kunnen handhaven’1). De afgevaardigden wonnen advies in van een commissie uit de zeeofficieren, en brachten den 10den Maart verslag uit. Zij achtten noodig:

12 zeventigers}   6 veertigers}  
30 zestigers} linieschepen; 12 zes-en-dertigers} fregatten.
12 vijftigers}   12 twintigers}  

Alleen het getal der aanwezige vijftigers en fregatten kwam het verlangde eenigszins nabij, maar van de 42 zware schepen die noodig geacht werden bezat men er maar 11! En hoe weinig men met goeden wil maar gebrekkige middelen in een paar jaar vorderen kon, blijkt uit de vergelijking, met deze verlanglijst van 1779, van den staat onzer zeemacht in October 1782, hier het best in te voegen, om den lezer het telkens terugvallen in rapporten, petitiën, resolutiën, consenten en fournissementen te besparen (er kwam wat meer gang in tijdens den oorlog, maar de weg dien men volgen moest om aan het geld te komen bleef dezelfde mijl op zeven); de vloot telde toen:

1 zeventiger}   13 veertigers}  
12 zestigers} linieschepen; 12 zes-en-dertigers} fregatten;
12 vijftigers}   15 twintigers}  

en in aanbouw waren zes zeventigers, acht zestigers, en twee veertigers2). In plaats van de vereischte linieschepen waarvoor het geld niet inkwam, het hout van verlangde afmeting niet gereed lag3), en de bemanning toch zou ontbroken hebben, was men fregatten gaan bouwen, zelfs boven het in 1779 beoogde getal, maar dit verhoogde weinig de vechtwaarde van de vloot: op zware schepen kwam het aan. Van 80 tot 100 stukken bezat Engeland er thans 22, Frankrijk 8, Spanje 9, en in 1700 de Republiek nog 15; maar negentigers van toen waren zeker niet grooter geweest dan zeventigers van thans; men was gaan schieten met steeds grooter kaliber op steeds zwaarder schepen. Hetzelfde vaarwater dat tijdens Willem III schepen

[p. 155]

van 90 stukken had doorgelaten, behoefde dat dus thans niet meer te doen, al was het op dezelfde diepte gebleven. Maar dit was niet eens het geval: onze havens en vaargeulen waren in de achttiende eeuw schromelijk verwaarloosd en vervallen. Schepen van 80 tot 100 stukken werden dus niet meer voorgesteld, om de eenvoudige reden dat men ze niet zou kunnen verplaatsen. Zoo moest ook bij ons voor het in grootsten getale aan te bouwen linieschip niet als bij andere mogendheden de zeventiger, maar de zestiger worden aanbevolen. Reeds het verplaatsen van schepen van dit en kleiner type gaf de grootste moeilijkheden. Om er een van Amsterdam naar Texel te krijgen moest men kameelen gebruiken, alle geschut er uit lichten, en had met dat al nog soms maanden noodig. Een plaats onmiddellijk aan zee gelegen waar de schepen 's winters blijven konden was er niet buiten Vlissingen, dat om redenen van provincialen naijver er niet voor gebruikt werd, al bood haar haven het dubbele voordeel van langs een diep vaarwater toegankelijk te zijn, en van een door Willem III aangelegd marinedok te bezitten, thans vervallen maar vatbaar voor herstel. Het was, bij zijn aanleg in 1692, bestemd geweest om een veilige ligplaats voor den winter te bieden aan 80 grootere en kleinere oorlogsschepen, toen een deel, maar thans meer dan het geheel der vloot. Nog onder Willem IV was het hersteld, maar sedert door achteloosheid wederom in verval geraakt. Eerst ná 1787 is het weer bruikbaar gemaakt, onder uitdrukkelijk beding dat het voor alle 's lands schepen, zonder onderscheid van admiraliteit, zou openstaan. Van de zeegaten in Holland hadden het goereesche en het brielsche de vereischte diepte niet, en was Texel een open reede, geen haven, en wegens den ijsgang voor het overwinteren van schepen een ongeschikte plaats1). Door deze om-

[p. 156]

standigheid had de Republiek over haar geringe vloot slechts gedurende veel kleiner stuk van het jaar de vrije beschikking, dan de naburen over hun groote: onze eskaders konden pas laat in zee verschijnen, en moesten spoedig weer naar huis, om de ligplaatsen voor den winter nog te kunnen bereiken.

Verder had men verzuimd, bijtijds een voorraad op te leggen van wat tot aanbouw van nieuwe, of uitrusting van bestaande schepen noodig was: de magazijnen der marine stonden leeg. Thans was, door speculatie1), de prijs van al zulke artikelen ontzettend opgedreven, wat onze admiraliteiten evenzeer tot nadeel strekte als enkele amsterdamsche opkoopers er bij gebaat waren. Maar het grootste bezwaar van alle was het vinden der bemanning, die voor de in vergelijking met de voorgestelde sterkte zoo uiterst kleine vloot welke de Republiek thans in zee had, al niet dan met de uiterste moeite en tegen ongehoorde premiën werd bekomen2). Als een der oorzaken dat de dienst op koopvaardijschepen zooveel meer in trek was, hebben wij al vroeger de slechte voeding op 's lands vloot leeren kennen: de kapiteins hadden die te bekostigen, en velen hunner beschouwden hun commando te zeer als een middel om ruim van te leven, dan dat zij zich voor veraangenaming van het leven der bemanning eenige opofferingen getroostten3). Een andere oorzaak was de onmogelijkheid om zooveel gage te bieden als de koopvaardijkapiteins geven konden. Juist nu in den handel der Republiek zoo groote verlevendiging was gekomen, gebruikte deze veel volk, en de winsten die men maakte waren zoo groot dat men tot elken prijs volk bleef aannemen: verdubbelde de staat heden zijn gage om haar aan die van de kooplieden gelijk te maken, dezen kwamen morgen met nieuwen opslag, en de ongelijkheid bleef bestaan. Een laatste en gewelddadig middel

[p. 157]

schoot over: van de koopvaardijmatrozen den vijfden of derden man voor 's lands dienst te pressen. Maar dit zou zulk een tumult veroorzaken onder den koopmansstand, en het was zoo moeilijk dit middel ook maar eenigszins gestreng toe te passen zonder in een hatelijk en toch niet doeltreffend inquisitiesysteem te vervallen, dat aan de uitvoering niet dan in den uitersten nood kon worden gedacht1). Eenig vast corps zeelieden had de Republiek niet in dienst; onder Jan de Witt was zoodanig corps opgericht en nogmaals onder Willem III, maar na den vrede van Utrecht was het ontbonden. In het begin van 1781 deed wel Willem V het voorstel een vast corps van 6000 mariniers in dienst te nemen, en inderdaad werd die zaak in December van dat jaar tot conclusie gebracht, maar aan de uitvoering bleef het haperen tijdens den oorlog, en na den vrede werd er niet meer van vernomen2). Evenmin als de bemanning maakten de officieren een corps uit: er was geen spoor van eenige formatie die met de eischen van een oorlog rekening hield; toen hij uitbrak bestond aan luitenants het grootste gebrek: men moest onervaren knapen, en inderhaast zeekundig gemaakte luitenants van de landmacht, in dezen rang op de vloot plaatsen.

Een zeemogendheid waarmee rekening te houden viel was de Republiek niet meer, en tot geen kloeke verdediging van haar belangen in staat. Zou dus Engeland, zoo het tot een oorlog komen moest, zonder groote inspanning aan haar onbeschermden handel geduchte slagen kunnen toebrengen, ook haar koloniën lagen voor een aanval bloot: de Compagniën, in wier handen zij zich bevonden, gingen sedert lang een bankroet tegen en hadden voor de verdedigbaarheid niets gedaan. Het koloniaal bezit van de Republiek was zeer aanzienlijk. Op den weg naar Indië, waar thans Engeland de eerste mogendheid was gewor-

[p. 158]

den, hield zij den gewichtigen post van de Kaap bezet; in de Oost behoorden haar, buiten den Archipel, Malakka en Ceylon, en nog eenige nederzettingen op het vasteland van Voor-Indië; in Amerika, buiten Suriname, ook de drie bezittingen welke het tegenwoordige Britsch-Guyana vormen. Vooral de Kaap van waar uit het verkeer tusschen Engeland en Indië bemoeilijkt worden kon, en Ceylon dat in vreemde handen te eeniger tijd een bedreiging kon blijken voor den bezitter van de kust van Coromandel, waren voor Engeland begeerlijke buit.

Maar - vele redenen moesten Engeland tegen een openlijke breuk met de Republiek doen opzien. De tegenwoordige oorlog verliep veel minder fortuinlijk dan die van 1756. De kansen waren ook niet dezelfde meer: Frankrijks aandacht was toen verdeeld geweest tusschen de zee en het vasteland, de fransche marine was toen veel zwakker, ook niet met de spaansche vereenigd, en eindelijk, Engelands koloniën in Noord-Amerika waren toen niet in opstand, hadden integendeel een steunpunt geboden bij den aanval op Canada. Dit alles stond nu anders. Dat ooit Amerika weer tot gehoorzaamheid kon worden gebracht, begon in 1779 voor het minst genomen zeer twijfelachtig te worden. De deelneming van Spanje aan den oorlog daarentegen werd een feit. De beiersche kwestie was opgelost zonder dat Frankrijk gewikkeld was in een oorlog te land. De welwillendheid van de machtige keizerin van Rusland, die, buiten de twee oorlogvoerende partijen staande, met beide betrekkingen onderhield, gaarne bij elke belangrijke onderhandeling in Europa een woord mede sprak, en waarschijnlijk bij een vredescongres de rol van bemiddelaarster zou willen en kunnen spelen, was aan Engeland maar half verzekerd, en juist op het punt van den onzijdigen handel, waarover men in geschil was met de Republiek, stond zij, met de andere noordsche mogendheden, geheel andere beginselen voor dan Engeland in praktijk bracht, en zou zeker niet gaarne zien dat de Republiek zou worden aangevallen op gronden, mede aan haar vasthouden aan het verdrag van 1674 ontleend. Engeland zou zich voldaan moeten rekenen zoo het bij een vrede niets zou behoeven af te staan van de vele aanwinsten van 1763, en de anderen zouden zeker wel in staat zijn te verhinderen dat het zich opnieuw verrijkte door de op de Republiek veroverde koloniën voor altijd te behouden1).

[p. 159]

Er was meer. Gaf Engeland aan de Republiek een zweepslag, zij zou onder den franschen mantel kruipen, daar was geen twijfel aan. Zelfs het voortbestaan van het stadhouderschap, was wel te voorzien, werd in geval van een oorlog met Engeland problematiek. Zonder stadhouderschap nu beteekende de Republiek voor Engeland niets meer, en het zou haar zeer missen als steunpunt bij zijn politieke ondernemingen op het vasteland, want niet meer om haar innerlijke kracht, maar nog altijd om haar geschiktheid als schakel in verschillende verbindingen, was zij voor Engeland als bondgenoot van hooge waarde. Ook haar koloniën, nu onschadelijk, konden wanneer de Republiek van uit Frankrijk bestuurd werd, eensklaps gevaarlijk worden door hun ligging en hulpmiddelen waar een ander allicht meer mee zou weten uit te richten dan zij zelve. Dit alles moest een engelsche regeering wel telkens voor oogen komen, en haar het soms verloren geduld al spoedig terug doen vinden. Zoolang de Republiek zich alleen onwaardig en bespottelijk gedroeg, zonder zich tot al te groot nadeel van Engeland te laten gebruiken, moest men in godsnaam de zaak aanzien. Wilde men nog iets doen om den franschen invloed tegen te gaan waartegen de regeering van de Republiek zelf niet wist te dijken, dan deden zich twee middelen op, beide aangelegd om vrees aan te jagen, als men Frankrijk met zoo goed gevolg zag doen. Het eene was, den handel der Republiek belemmeringen in den weg te leggen bij een maatregel van bestuur, en dien meteen weer op te heffen behalve voor Amsterdam en Haarlem. Dit denkbeeld was door den amsterdamschen correspondent van Yorke, den consul van Sardinië Triquetti, het eerst ter sprake gebracht als iets dat niet zonder bezwaar was, maar in elk geval te Amsterdam een tumult zou doen ontstaan waarin de leiders van het oogenblik misschien niet zouden blijken de sterksten te zijn1). Maar tusschen Engeland en de Republiek bestonden tractaten, en Engeland, dat de Republiek in het algemeen aan het bestaan van die tractaten en aan de goede verstandhouding die zij onderstelden, herinnerd wilde hebben, kon met zijn tarieven niet hetzelfde doen als Frankrijk dat zich opzettelijk nooit door een handelstractaat met de Republiek had willen binden. Na eenigen tijd - doch

[p. 160]

veel te laat, toen de afval der hollandsche steden reeds in vollen gang was en zij moeilijk meer terug zouden kunnen - gaf Yorke toch aan zijn regeering in overweging, de zaak althans als dreigement te beproeven, en zond het ontwerp over van een memorie, bij de Staten-Generaal daartoe in te dienen1). De memorie werd goedgekeurd, in te dienen wanneer Yorke het oogenblik gunstig zou achten2). Hij deed het den 9den April, maar het blijkt niet dat hij er veel indruk mee gemaakt heeft, en zijn regeering bleef weigeren, op de bedreiging ook de daad te doen volgen3). Zij zou er dan ook Frankrijk niet eens meer mee ingehaald hebben, want dit was juist dezer dagen een stap verder gegaan, en had, ontevreden over den geringen voortgang dien de oppositie maakte in de provinciën, een geheel nieuw tarief van invoerrechten ingesteld voor alle waren uit de Republiek afkomstig of met haar schepen aangevoerd, waarbij boven de bestaande heffingen, van elk stuk koopwaar vijftien procent van zijn waarde werd geëischt. Amsterdam en Haarlem bleven uitgezonderd. Het geleek op het oude spel van Colbert tegen Jan de Witt, met dit verschil dat thans de ‘wijsheid van Holland’ zoek was, en zijn naam alleen druk maar ijdellijk gebruikt werd door een geslacht dat van zijn geestkracht niets over had. Het nieuwe tarief, wanneer het niet door maatregelen als die van De Witt eertijds beantwoord werd, beteekende den ondergang van allen handel op Frankrijk behalve dien van Amsterdam. Op den duur moest de handhaving er van Frankrijk onmogelijk of ten minste hoogst bezwaarlijk vallen, want al kon Amsterdam in veel behoeften voorzien, de handel, om maar iets te noemen, van Rotterdam op Frankrijk was van geen geringer omvang geweest, en de gewelddadige en plotselinge verhindering er van schaadde ook fransche belangen. Maar het middel werkte te goed om het er niet een poos op te wagen, en de fransche koning had zich

[p. 161]

aan klachten van kooplieden niet zooveel te storen als de regeering eener hollandsche stad1). Vauguyon toonde zich voor den afloop niet in het minst bezorgd1). De werking op Holland was onmiskenbaar. Deze provincie nam den 24sten Juni twee scherpe resolutiën: de Staten-Generaal vier weken toe te staan om zich te voegen bij het laatste besluit van Holland tot het verleenen van onbeperkt convooi; en de andere: om als die vier weken verloopen waren zonder dat de provinciën zich naar den wil van Holland hadden geschikt, met de collegiën van admiraliteit in die provincie gevestigd - en die negen tiende van de vloot onder haar beheer hadden - te besogneeren omtrent de ‘importante middelen’ die bij de hand genomen dienden om aan de klachten der ingezetenen te gemoet te komen. Onmiddellijk schorste nu de fransche regeering de werking van edict en tarief beide, voor de provincie Holland alléén, en voor den tijd van vier weken.

Het scheen nu op haren en snaren gezet. Eén voor één ontbood de Prins de luitenant-stadhouders naar den Haag, om hun zijn instructiën te geven voor den strijd3). Friesland deed al met Holland mee, maar van de vijf overige provinciën hield zich de Prins verzekerd. Als middel om hem bij te springen stelde Yorke aan zijn regeering voor, om nu men den eersten pijl, nabootsing van het fransche edict, niet had willen afschieten, althans den tweeden dien men nog in zijn koker had niet langer achter te houden: hij raadde aan het secours te

[p. 162]

vragen waarop Engeland aanspraak had krachtens het tractaat van 1678; een stap, zegt hij, die voor het minst onze vijanden in verlegenheid zal brengen1). Het stond echter te bezien, of de verlegenheid van de vrienden niet nóg grooter zijn moest: in een vroegere dépêche had Yorke de gevolgen van zulk een aanvraag veel juister voorspeld, en te kennen gegeven dat zij gewenscht werd door Amsterdam, en gevreesd door den Prins2). Maar dat Engeland, nadat de Republiek alle onderhandeling over de toepassing van haar tractaten had afgeslagen, vroeg of laat de aanvraag doen moest, lag in de rede, en werd ook door de waardigheid van dien staat geëischt: wat voor zin had een bondgenootschap, als men van de letter van het tractaat waar het op berustte, niet kikken mocht! De oorlogsverklaringen, in Juni 1779 nu eindelijk van Frankrijk en Spanje tegelijk ingekomen, een jaar na het begin der vijandelijkheden in Europa, gaven tot het verzoek gereede aanleiding. Den 22sten Juli diende Yorke het in. De provinciën namen zijn memorie over, en langen tijd hoorde men van de zaak niets meer. De regeering zat er verlegen mee, en speelde op uitstel; de oppositie wilde op geen besluit aandringen vóór zij zeker was dat het een besliste weigering zou inhouden. Hoe langer men zwijgen kon, des te beleedigender ook voor Engeland. Nu weten wij toch wel dat de leeuw sterven gaat, schrijft met voldoening Vauguyon: ziet den ezel die hem schoppen durft3).

De vier weken waren intusschen voorbij, en de Staten-Generaal hadden Holland geen genoegen gegeven. Ook van de provinciale bemoeiing van Holland met het zeewezen was niets terecht gekomen: de aan de Staten-Generaal hun gezag ontleenende admiraliteitscollegiën toonden zich niet onderworpen genoeg om

[p. 163]

tot zulk een revolutionnaire daad te willen medewerken. De handel leed inmiddels verlies op verlies door het eindeloos twisten over onbeperkt convooi, want intusschen bleef ook het beperkte uit, dat toch het overgroote deel der koopvaarders beschermd zou hebben: de provinciën hadden hun bewilliging in de uitrusting van de oorlogschepen die tot het beperkte convooi waren bestemd, afhankelijk gesteld van Hollands toestemming in een legervermeerdering, ditmaal van 14000 man, die, in het voorjaar aanhangig gemaakt, op de stem van Holland alleen wachtte om voortgang te hebben. Amsterdams overwicht in de Staten van Holland scheen te verminderen: op Dort, Haarlem, Amsterdam, Rotterdam en Schiedam na (de havensteden en Haarlem tegen de rest), stemden alle steden min of meer in met het voorstel van de Ridderschap, om in de vermeerdering van het leger te bewilligen in ruil van de toezegging van subsidiën voor de vloot door de landprovinciën. De vijf steden dreigden nu hun bijdragen aan 's lands kas te zullen inhouden, en bleven alleen vrijstelling van het fransche edict en tarief genieten, die op de anderen weer toepasselijk werden verklaard met ingang van 1 Augustus.

De partijen wogen elkander vrijwel op, en de strijd verliep in een eindeloos gekuip om een stad meer of minder. Delft, Leiden, Gouda, Gorkum, toonden neiging om tot de vijf steden over te loopen, wat zij ten slotte deden; en werden met de fransche gratie beloond. Vauguyon had volmacht, aan de steden de vrijstelling uit te loven, te verleenen en in te trekken naar bevind van zaken, zonder dat hij over elk afzonderlijk geval zijn regeering te raadplegen had, wat maar tijdverlies zou veroorzaakt hebben; bij de fransche consuls waren geleibrieven verkrijgbaar, die de gelukkige bezitters aan de fransche douane kenbaar maakten als vrij van zonde. De landprovinciën toonden zich nog al partijvast, maar kleine minderheden deden ook hier zeer patriotsche adviezen hooren; zoo maakte in Gelderland nu naam het lid der Ridderschap, Capellen van de Marsch, neef van den overijselschen Capellen. Het resultaat van den strijd was negatief zooals haast immer in groote kwesties het geval was in de Republiek: de landprovinciën konden weer niet hun legervermeerdering geconcludeerd krijgen tegen den wil van Amsterdam, en omgekeerd kon die stad de aanneming van het onbeperkt convooi niet dwingen.

Naar welke groteske wapens een Stadhouder in onze Republiek - caricatuur thans van een geordenden Staat - te grij-

[p. 164]

pen kon hebben om voor het behoud van zijn invloed te vechten, moge de volgende geschiedenis leeren, een goede boerde, van den kaaskooper uit politiek. Om het zevental noordhollandsche steedjes (die werkelijk in de Staten van Holland een stemmenaantal besomden volstrekt ongeëvenredigd aan hun beteekenis), in het patriotisme op te voeden had Frankrijk den invoer van noordhollandsche kaas geheel verboden, en verwachtte nu een tumult dat de vroedschappen zou noodzaken hun gedeputeerden een nieuwen last te geven. Om de markt aan den gang en de keel van de kaasboeren in rust te houden, sloeg nu de Prins voor meer dan een ton gouds aan edammers in, zeker genoeg om een heel wat grooter hofhouding dan de zijne voor jaren haar bekomst te geven; maar voor het geval dat de trouw van de kaassteden hem nog meer zou moeten kosten, vroeg en verkreeg hij de toezegging van geldelijken steun der engelsche regeering. Curieus is het vernederend verhoor dat Yorke den Prins bij deze gelegenheid afneemt: waarin zal de wederdienst bestaan? wat zal er gebeuren met het convooi? wat met de aanvraag om hulp in den oorlog? De Prins zal, hij wenscht, hij erkent... maar vindt tot geen enkele belofte vrijheid, wel wetend dat hij den toestand niet meer kan beheerschen. Wat de uitwerking van het verbod van kaasinvoer betreft, deze eerste proef om een han