terug  begin  prepost
[p. 433]

Stellingen.

[p. 435]

Stellingen.

I.

Het streven naar één- en ondeelbaarheid van den nederlandschen staat is aan de patriotsche beweging vóór 1795 volstrekt vreemd gebleven.

II.

Het op 22 Januari 1779 door Thulemeyer op verzoek der Prinses ontcijferde stuk (Bijlage VI bij Hoofdstuk XIII van Dr. D.C. Nijhoff's Hertog van Brunswijk) is niet van Frederik de Groote, maar van Hertzberg afkomstig.

III.

De voorstelling, als zou Prinses Wilhelmina nog geruimen tijd na haar huwelijk aan den leiband hebben geloopen der freule von Danckelmann, behoort te worden opgegeven.

IV.

Deelneming aan het noordsche neutraliteitsverbond van 1780 was voor de Republiek ondoeltreffend.

[p. 436]

V.

Ten onrechte gist Mr. F. baron van Hogendorp (Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, II, 133), dat het ‘plan van 1782’ (afgedrukt als Bijlage M bij Mr. S. Backer, Leven van Joachim Rendorp, Amsterdam 1858) in 1787 door de tegenstanders der hollandsche pensionarissen aan dezen zou zijn toegedicht.

VI.

Tot in September 1787 heeft de pruisische regeering alleen bedoeld, met wapengeweld haar eisch om satisfactie voor de aanhouding bij Goejanverwellesluis te ondersteunen, en volstrekt niet, den ganschen strijd in de Republiek ten voordeele van den Stadhouder en Engeland te beslechten.

VII.

De door de Nationale Vergadering in den nacht van 4 Augustus 1789 vernietigde rechten werden (en worden) zeer oneigenaardig ‘feodale’ genoemd, daar zij meerendeels nimmer aan het bezit van een feodum als zoodanig verbonden zijn geweest.

VIII.

d'Estrades heeft in October 1650 geen tractaat met Willem II gesloten.

IX.

Rousset's verdediging van het fransche oorlogsbeleid na den overtocht bij het Tolhuis in 1672, is onvoldoende.

X.

Sedert het laatste vierendeel der zestiende eeuw, en nog immer, is er een afzonderlijke noordnederlandsche nationaliteit.

[p. 437]

XI.

De taal is niet gansch het volk.

XII.

Doel van den geschiedschrijver zij, bekend te maken hoe het verleden geweest, en, zoo mogelijk, hoe het zoo geworden is. Hij beschouwe zijn wetenschap niet als leidsvrouw voor het heden, vermijde dus het haec fabula docet, en betrede nimmer het terrein van den staatsman.

XIII.

Van den V Vrouden, vs. 9-10:

 
Om die vroude die men vindt
 
Die u daer bequam so wale.

Ten onrechte verandert de uitgever Verwijs die van vs. 10 in dat.

XIV.

Sinte Franciscus Leven, vs. 2331-2338:

 
Ooc seidi al openbare
 
Dat vele gedoochdeliker ware
 
Enen geesteliken man groot coude
 
Te gedogene menichfoude
 
In zinen vleessce, dan hi binnen
 
Gevoelen soude in sine zinnen
 
Een lettel hitten teniger steden
 
Van vleesceliker ondersceden.

Verwerpelijk is de door Dr. T.D. Detmers (Aanteekeningen op de Middelnederlandsche berijming van Sinte Franciscus' Leven, Groningen 1894, blz. 18) voorgeslagen verandering van ondersceden in orensceden. Men leze: oncuusheden.

[p. 438]

XV.

Sinte Franciscus Leven, vs. 3095-3100:

 
Wildi dat si [de minderbroeders] in de kerke
 
Vrucht maken ende goet gewerke,
 
Hoetse in den staet aldat ghi levet,
 
Daerse God in geroupen hevet,
 
Ende laetse clemmen nemmermere
 
Ter prelacie, te sulker eren.

Lees, in vs. 3097, houtse.

XVI.

Sinte Franciscus Leven, vs. 3879-3882:

 
Want God, dies macht heeft al dure,
 
Ghewerde so daerme gebure,
 
Dat si hem selven ende ooc thare
 
Hem gewillike boden dare.

Lees, in vs. 3880, gheroerde.

XVII.

Sinte Franciscus Leven, vs. 5631-5637:

 
Het was int derde jaer te voren
 
Eer hi starf, als wijt verhoren,
 
Dat hi zelve heeft gehacht
 
Te casteel Grece, na sire macht,
 
Met groter zonderlangher wouden
 
Die helege gebornesse houden
 
Vanden zoeten kinde Jhesus....

De uitgever Tideman verandert ten onrechte wouden van vs. 5635 in vrouden en wordt hierin door Dr. Detmers (t.a. pl. blz. 42) nagevolgd. De lezing van het handschrift is goed.

[p. 439]

XVIII.

Breeroo's Moortje, ed. Moltzer, vs. 684:

 
't Moet een groot Monsuer wesen desen verschreven Kackerlack.

Prof. Moltzer: ‘verschreven, verkeerd als zoodanig aangeschreven, gewaand; eigenlijk “ten onrechte bij vergissing ingeschreven in het gildeboek” (vgl. vs. 612)’.

Versta echter (zooals wij het gemeenzaam zouden zeggen): deze eigenste Kackerlack.

XIX.

Onze zeventiende-eeuwsche dichters worden met veel te veel ‘verklarende’ aanteekeningen uitgegeven.

XX.

Anna Bijns was bij de uitgave van Pippinck's bundel niet meer in leven.

XXI.

Tegen Breeroo's auteurschap van de Klucht van den Hoogduytschen Quacksalver zijn geen uitwendige bewijzen te vinden.

XXII.

De historische studie aan onze universiteiten worde van die der germanistiek afgescheiden en onder eigen en behoorlijk dak gebracht.

prepostterug  begin