Werd aan het einde der voorrede van het eerste deel van dit werk beloofd dat een tweede deel het voltooien zou, de omvang der stof heeft het noodzakelijk gemaakt, dit toegezegde vervolg in twee stukken te doen verschijnen. Om ondertitels te vermijden, noem ik het thans in het licht gegeven stuk kortaf ‘tweede deel’. Het derde is in bewerking en zal verschijnen zoo spoedig mijn andere bezigheden dit gedoogen. Het zal van ongeveer gelijken omvang zijn als dit tweede, en in ieder geval de voltooiing brengen van het ondernomen werk.
De lijst van verbeteringen herstelt een of twee fouten, die in een zorgvuldig bewerkt geschrift niet hadden mogen voorkomen. Wie ooit in de noodzakelijkheid is geweest den tekst van een geschiedkundig werk te stellen ver van archief en bibliotheek, weet bij ondervinding vast hoe het bijna ondoenlijk is in zulk geval zich tegen de verraderijen van het geheugen steeds genoegzaam gewapend te houden. Ook zal de lezer uit die lijst bespeuren dat de bijlagen I, 5 - 7 en III, 15a eerst gedurende den druk zijn ingevoegd. Niet mijn traagheid evenwel is hieraan schuld, maar de omstandigheid dat van verzameling Dumont-Pigalle op het Rijksarchief, toen ik in het voorjaar van 1897 haar gebruikte, een gedeelte niet onder mijn bereik was, dat eerst zeer onlangs te mijner beschikking kon worden gesteld.
Gelijk achter mijn eerste deel, heb ik ook thans een aantal bescheiden doen afdrukken. Dat de omvang van het werk daardoor toenam, mocht geen bezwaar zijn; de waarde, meende ik, zou eveneens stijgen, waar het zaken gold als b.v. de houding der Prinses van Oranje in de jaren 1785 en 1786, die slechts uit buitenlandsche archiefstukken voldoende te kennen zijn.
Ik gebruik de gelegenheid, om een verbeterde lezing te geven van noot 1) op blz. 307 van mijn vorig deel. Ik bespreek daar Fox' voornemen om generaal O'Hara naar den Haag te zenden in het begin van October 1783. Men leze die noot als volgt:
‘Bijlage XII. - Uit Brieven aan R.M. van Goens en onuitgegeven Stukken hem betreffende III, 212 vv. (Werken van het Hist. Gen., Nieuwe Serie 56, Utrecht 1890) blijkt, dat de zending werkelijk heeft plaats gehad. Zij moet wel zeer geheim zijn gehouden om aan de aandacht van Bérenger en Thulemeyer te kunnen ontsnappen, die haar geen van beiden ver-
melden. In elk geval heeft de Prins zich niet aan geheime gesprekken met den engelschen zendeling gewaagd, ja zelfs heeft hij dezen niet toegestaan den in de Bijlage vermelden brief aan hem af te geven. De aangehaalde memorie van Van Groens aan den hertog van Portland, van 20 October 1783, meldt hieromtrent het volgende: “On n'a pas hésité un moment ici sur le parti que S.A.S. avoit à prendre relativement à la lettre de S.M. Br. dont M. le Général O'H. a été chargé pour Lui. Il pourroit venir des moments où le Prince ne pourroit absolument pas nier ni dissimuler d'avoir reçu une lettre pareille. Et s'il l'avoit reçue, comme elle lui a été adressée directement et personellement, il ne pourroit jamais s'excuser de ne point l'avoir communiquée à des personnes à qui il est de la première nécessité de cacher soigneusement toute disposition que S.M. Br. pourroit avoir et voudroit témoigner de concurrir au rétablissement du pouvoir et du crédit du Prince Stadhouder. Il est indispensable que ce dernier ne soit mêlé en rien, et paroisse ignorer absolument tout ce qui pourra se faire en sa faveur.... C'est le sentiment de toute la Conr, c. à d. non seulement du Prince même, mais de S.A. R. Madame la Princesse d'Orange à laquelle on a dû s'en ouvrir, à l'occasion de la Lettre susdite dont il avoit malheuresement percé que M. le Général O'H. étoit chargé avant qu'on pût faire sentir à ce dernier l'importance extreme qu'il y avoit de ne point remettre la Lettre directement, comme portoient ses Instructions.” - Op welke wijze dan ook....’ (Zie verder hiervóór I, 307 noot 1)).
Hetzelfde deel 56 der Nieuwe Serie van de Werken van het Historisch Genootschap bevat (blz. 249 vv.) ook het opstel der Prinses, waarvan een uittreksel als Bijlage XIII van mijn vorig deel is afgedrukt. Ik had dus naar dien tekst dienen te verwijzen.
Ik breng mijn dank aan Mr. S. Muller Fz. te Utrecht en Mr. A.S. de Blécourt te Groningen, die mij met een enkele inlichting van dienst zijn geweest. Mijn hooggeschatte oud-leermeester, Prof. P.L. Muller te Leiden, had de goedheid ook dit deel in proef te lezen, en mij af en toe een verbeterde redactie voor te slaan. Ik blijf er hem voor verplicht.
H.T. COLENBRANDER.
's-Gravenhage,
Januari 1898.