Wat in de vorige hoofdstukken moet zijn opgevallen, is het volslagen gemis aan leiding bij de stadhouderlijke partij, of liever, het ontbreken van zulk een partij zelve. Gedurig blijkt welk een groot gedeelte van het volk den Prins nog aanhangt, maar deze aanhang is zóó weinig georganiseerd, dat alleen de brooddronken kinders aan het woord komen, die door hun onbeholpen uitingen de zaak van het Oranjehuis eer kwaad dan goed doen. Wat van de oude regeeringspartij van vóór den engelschen oorlog nog over was, hebben wij geheel zien verloopen en te niet gaan, haar laatste mannen uit de posten zien stooten die zij innamen. Een zwakke middenpartij had zich tijdens den oorlog om de Prinses verzameld, en tot Brunswijks val medegewerkt, in de ijdele hoop dat de patriotten haar dulden zouden op Brunswijks plaats. Deze lieden wilden zich hoeden voor de fouten die zij meenden dat de oude regeeringsmannen ten val hadden gebracht; waren in de buitenlandsche staatkunde van Engeland afkeerig, voor Frankrijk beducht, en sloegen het oog op Pruisen; in de binnenlandsche staatkunde zochten zij met de pensionarissen tot een vergelijk te komen, maar waren tegen hen niet opgewassen. Zij vertegenwoordigden den pruisischen invloed hier te lande, en werden door het driemanschap weinig gevreesd, maar somtijds met eenige omzichtigheid behandeld, juist zooals Frankrijk het Pruisen deed. Hun positie aan het hof sedert Brunswijks vertrek was van dien aard, dat zij de fransche zaak onberekenbare diensten konden
bewijzen door te verhinderen dat de Stadhouder zijn neiging volgde en zich weder aan Engelands leiding overgaf; in ruil ontvingen zij niets dan uitstel van executie der stadhouderlijke voorrechten. Dat de uitoefening van die nog in naam bestaande rechten Willem V stuk voor stuk ontnomen werd, wisten zij niet te verhinderen.
Zoodra nu het geschil met den Keizer in 1784 dreigende verhoudingen aannam, scheen de Prinses met haar aanhang tegenover de pensionarissen in voordeeliger positie te komen. De Republiek had hulp noodig tegen den Keizer, en het viel Frankrijk uiterst moeilijk haar dien openlijk te bieden. Veel zou afhangen van de houding van Frederik de Groote, en om hem gunstig te stemmen moest men wel zijn neef, althans zijn nicht ontzien. Zoo is in de tweede helft van 1784 in de brieven van de Prinses iets van hoopvolle verwachtingen to bespeuren. Als haar oom maar krachtig partij kiest voor de Republiek, zal men den Prins toch wel met vrede moeten laten1).
Werkelijk waren de patriotsche machthebbers er na aan toe, steun te zoeken te Berlijn. Hield Frankrijk zich onzijdig, dan was Pruisen de eenige macht die den Keizer schrik aanjagen kon. Men diende zich op alles voor te bereiden, en overwoog hoe de nadeelen eener intiemere verhouding tot den oom van Willem V het best waren te ontgaan. Men wist dat beide de koning en de kroonprins van Pruisen den Stadhouder verachtten, en hem niet voorspraken om zijn persoon, maar om zijn vaderschap van de kinderen eener pruisische prinses. Men diende dus te Berlijn te doen gelooven dat men met haar wel tot een vergelijk zou kunnen komen.
Het eerste geheim verkeer van het driemanschap met de pruisische regeering werd al door een zeer wonderlijk sujet bemiddeld. Politieke avonturiers, die zich tot officieuse onderhandelaars trachtten op te werpen, waren in de achttiende eeuw bizonder talrijk, en ook bij ons maken er in dezen tijd velen hun verschijning, niet juist de bekwaamsten of merkwaardigsten van hun gilde. Lieden die het terrein komen verkennen, in de hoop dat er voor hen een emplooi zal zijn te vinden. Twee van zulk slag, Duitschers, waren in Juli 1784 in den Haag en brachten den pensionarissen bezoeken. De een, baron von Grothausen,
hannoveraansch officier, meer een bemoeial dan een fortuinzoeker, stond in eenige hoewel zeer losse betrekking tot de pruisische regeering. Hertzberg had hem niet bepaald uitgezonden, maar wist toch van zijn reis en ontving brieven van hem. Een tweede, Helldorff, had geen andere introductie dan zijn kennis aan Grothausen. Hij noemde zich majoor, en inderdaad blijkt het dat hij deel uitgemaakt had van het pruisische leger, want wij vernemen dat hij er uit was weggejaagd. Zij gaven hoog op van 's konings instemming met de vervolging tegen Brunswijk, en van zijn afkeer eener engelschgezind e staatkunde, wat zij veilig doen konden zonder zich te compromitteeren. Grothausen begeerde in het algemeen de pensionarissen met Hertzberg in betrekking te brengen, maar maakte ieder ongeduldig door zijn zelfingenomenheid en vage redeneeringen. Helldorff sprak meer over zaken van onmiddellijk belang, allereerst over het leenen van troepen van den hertog van Brunswijk en van den landgraaf van Hessen-Kassel, en met hem liet het driemanschap zich althans zóó ver in, dat hij meende zich spoedig bij Hertzberg te kunnen aanmelden, om hem mededeelingen te doen van gewicht. Als aanloop diende de vrij overbodige vraag, of Zijne Majesteit zich niet in de bres zou stellen voor den Hertog? zoo niet, de pensionarissen zouden den Prins niet vervolgen, zij wilden zich zelfs met Pruisen gaarne verstaan omtrent de wijze waarop men hem ‘tot rede brengen’ zou en hem een Raad toevoegen. Een vertrouwd persoon moest daartoe uit Berlijn overkomen met wien zij een en ander konden regelen. Verder hadden zij troepen noodig tegen den Keizer, en hoopten dat Zijne Majesteit hen daaraan helpen wilde; een enge verstandhouding tusschen Frankrijk, Pruisen en hunne partij was wat zij bovenal begeerden1). Op voorstellen, zóó overgebracht, kon betamelijkerwijs slechts één antwoord gegeven worden: de koning onderhield een minister in den Haag; wilde men Zijne Majesteit naderen, men moest beginnen met zich tot dezen te wenden. Voor het oogenblik had de zaak geen verder gevolg; men ziet echter aan welke gevaren met name de Prinses was blootgesteld. De pensionarissen schenen thans met haar lievelingsdenkbeeld, de overkomst van Hertzberg, in te stemmen, en dus den weg te willen inslaan naar een verzoening onder pruisische bemiddeling, zooals zij die steeds mogelijk geacht' en gewenscht had. Beiden Grothausen en Helldorff had zij ontvan-
gen, en al waren beiden te dubbelzinnige sujetten om veel op te vertrouwen, als uit Berlijn het bericht komt dat zij daar niet als bona fide onderhandelaars beschouwd worden en hun reis geen gevolgen hebben zal, is een toon van teleurstelling toch zeer merkbaar1). Zij achtte het nog de moeite waard, Van Berckel over zijn betrekking tot beide avonturiers te doen polsen, maar werd er niet veel wijzer door2). Wat de zaak erger maakte was dat zulke onderhandsche diplomaten, zoo niet bij den koning, dan toch bij den kroonprins wel een vrij gunstig onthaal genoten; en de Prinses vond in de brieven van haar cynischen oom steeds zoo weinig troost, dat zij in de verleiding kwam dien te zoeken waar hij al evenmin te vinden was, in het slecht gefundeerd optimisme van haar lichtlevenden broer. Grothausen nu was te veel een zonderling en Helldorff een te ordinair3) intrigant dan dat zij veel kwaad konden, maar een geslepener was op weg, aan wiens zeer nadeeligen invloed de Prinses niet geheel is ontkomen.
Frederik III, Rijn- en wildgraaf van Salm-Kyrburg, geboren in 1746 uit een bekend duitsch vorstengeslacht, dat in de 17de eeuw meer dan één officier aan de Republiek had geleverd, had reeds een weinig eervol verleden achter zich, toen hij begon in onze verdeeldheden een rol te spelen. Zijn jeugd had hij in gezelschap van zijn moeder aan het fransche hof doorgebracht, tot een dubbelzinnige speelschuld- en duelhistorie, waaronder zijn goede naam ernstig schade had geleden, hem noodzaakte tot een althans tijdelijke verwijdering van Versailles4). Hij reisde toen verschillende landen van Europa rond, en scheen een onderkomen te begeeren in het leger der Republiek: in 1772 verwierf hij de kolonelsplaats van het infanterie-regiment Saxen-Gotha. Sedert wist hij zich echter de zonden zijner jeugd te doen vergeven en werd weer aan het fransche hof ontvangen. Hij ont-
deed zich niet van zijn post bij ons leger, maar nam er ook een in het fransche aan en verbleef meest te Parijs. Sedert 1779, toen zijn vader stierf, was hij bovendien regeerend duitsch vorst. Hij stond hoog in de gunst bij Marie Antoinette en bij Calonne, en nam in de parijsche samenleving zekere positie in. In de Republiek kenden weinig lieden hem van persoon. In Juni 1784 verscheen hij in den Haag, aanvankelijk uitgevende dat hij van den dienst der Republiek ontslagen wilde zijn, en de compagnie van het regiment Saxen-Gotha die het bizonder eigendom was van den kolonel, wilde verkoopen. De handel in compagnieën was wel ten vorigen jare door de Staten verboden1), maar Vergennes verzocht dat voor den Rijngraaf een uitzondering zou worden gemaakt: de koning en de koningin interesseerden zich voor hem2). Denkelijk zal hij in geldverlegenheid zijn geweest, en zeker heeft men hem toegestaan zijn compagnie te verkoopen; wij vinden althans dat hij spoedig tot het regiment Saxen-Gotha in geen betrekking meer stond. Toch keerde hij na het regelen van deze zijn zaken niet naar Frankrijk terug; het schijnt dat hij de mogelijkheid heeft ingezien, in de Republiek zijn fortuin te zullen maken; bij mangel van bewijsstukken moet in het midden worden gelaten, of hij dit niet reeds vóór zijn laatste vertrek uit Parijs heeft gedaan. Met de fransche regeering, althans met Vergennes, schijnt zijn optreden hier wel niet overlegd: zij beiden staan niet in correspondentie, en Vergennes ontvangt blijkbaar van zijn gezant telkens de eerste mededeelingen omtrent 's Rijngraafs voornemens, die hem niet altijd aangenaam zijn.
De Rijngraaf was iemand van groote gevatheid, levendig en welbespraakt, in staat, menschen van onderscheiden stand en geaardheid spoedig voor zich in te nemen, al had hij zijn uiterlijk niet mede. Hij alleen van het gansche officierscorps dei-Republiek heeft zich niet slechts bij de pensionarissen - en
dit zegt bij hun ingeworteld antimilitairisme reeds veel - maar ook bij de patriotsche burgerij populair weten te maken. Hij had een uitnemend talent om steeds aan zijn bruikbaarheid te doen gelooven voor het werk dat op een gegeven oogenblik het meest door de patriotsche partij verlangd werd, en het geluk heeft hem daarbij zoozeer gediend, dat de poverheid van zijn werkelijke kennis en de zwakheid van zijn zedelijk karakter geruimen tijd onopgemerkt konden blijven. Zoodra het lot hem tegenliep en hij met ernstige moeilijkheden te worstelen kreeg, zijn beide aan het licht gekomen, en is hij in een jammerlijke catastrophe ondergegaan.
Hij verscheen nu in den Haag op een oogenblik, dat den pensionarissen veel gelegen was aan een tusschenpersoon, liefst een militair, die voor het tegenwoordige een schijn van goede verstandhouding kon helpen herstellen tusschen hen en den Kapitein-Generaal. De Keizer dreigde met oorlog en men wilde hulp zoeken bij Pruisen, maar zou die zeker niet verkrijgen wanneer men ook naar den vorm in onmin bleef met den Prins: de aanzoeken bij Frederik moesten schijnen van beiden, Prins en patriotten, uit te gaan. Nu was de Rijngraaf natuurlijk voor den Prins geen vreemdeling; hij stond bekend voor geen vriend van den Hertog van Brunswijk te zijn geweest, maar dit had hij met een overgroot aantal officieren gemeen; overigens had hij zich steeds buiten den partijstrijd gehouden, en het hof had dus geen reden hem met wantrouwen te behandelen. Zonder moeite kreeg hij een nieuwe plaats als kolonel van een der dus-genaamde regimenten mariniers1), en wist in korten tijd het hof van zijn ijver voor de goede zaak een hoog denkbeeld te geven. Tegelijkertijd echter liet hij zich door Dumoulin en Bérenger2) aan de pensionarissen voorstellen, die hij niet persoonlijk kende, en bood hun zijn diensten aan; de aanbevelingen van het fransche hof en de introductie door Bérenger stemden hen gunstig, en zeer spoedig bezat hij hun geheele vertrouwen.
Van zijn omgang met het driemanschap maakte hij nu tegenover den Prins en de Prinses volstrekt geen geheim, maar wist het te doen voorkomen alsof zij werkelijk een toenadering begeerden, en hij met zijn veelvuldige bezoeken geen ander doel had dan deze begeerte bij hen aan te wakkeren. Hij gaf heel hoog op van zijn invloed op de pensionarissen en beloofde hen een goed eind tot den Prins terug te zullen brengen als men hem liet begaan1).
De gebeurtenissen schenen hem gelijk te geven. Het feit op de Schelde had plaats, en inderdaad lieten zich nu de pensionarissen gereedelijk vinden tot samensprekingen met den Prins, in het belang der landsverdediging. Salm bemiddelde de eerste ontmoeting. Het gevolg was boven verwachting; vrijwel alles werd goedgekeurd wat de Prins voor de verdediging noodzakelijk achtte, en eenmaal zeker van de instemming der leiders, kon deze nu de beraadslaging in de Staten van Holland met vertrouwen afwachten. Met de driemannen werd onder meer overlegd, dat de Prins machtiging vragen en verkrijgen zou, een of meer officieren aan te wijzen om in Duitschland troepen te werven of van de vorsten te leen te vragen, en dat hij den Rijngraaf met die zending zou belasten. De machtiging werd onmiddellijk verleend en de Rijngraaf kon vertrekken, allereerst naar Berlijn, om voor zijn zending den steun in te roepen van Frederik de Groote.
Wij hebben reeds gelegenheid gehad te vermelden dat het succes van deze openbare zending gering is geweest. Frederik hield zich strikt onzijdig, stond geen officieren af, en bepaalde zich er toe, aan Salm eenige aanbevelingsbrieven mede te geven bij zijn rondreis langs de duitsche hoven. Hij vond het eerst onaangenaam den afgezant te moeten ontvangen, omdat al die aanzoeken der Republiek hem ongeduldig maakten, en hij toch reeds besloten was haar ten gevalle zich niet in moeilijkheden te steken2). Overigens schijnt hij in het onderhoud van den
levendigen Rijngraaf wel eenig behagen gevonden te hebben1); in Januari 1785, tijdens Salms tweede bezoek aan Berlijn, na afloop van zijn reis door Duitschland, liet hij zich meermalen tegenover hem uit over den partijstrijd in de Republiek en de daarbij betrokken belangen van zijn nicht. Behalve zijn openbare militaire zending had de Rijngraaf er ook een geheime politieke: die van de grens op te sporen tot waartoe de patriotsche partij kon gaan, zonder meer dan ijdele vertoogen uit te lokken van den koning van Pruisen. Hij moest daartoe den koning, den kroonprins en Hertzberg mededeeling doen van een plan om den Prins een Raad ter zijde te stellen, uit leden der tegenwoordige oppositie gevormd, en waarin de Prinses mede zitting zou nemen, wier openlijke deelname aan het bewind de patriotten zeer zouden toejuichen. Reeds Helldorff had iets dergelijks opgegeven als door de pensionarissen verlangd; het was genoeg bekend in den Haag dat men van uit Potsdam en Berlijn meer dan eens op zulk een Raad had aangedrongen. Ook dat de Prinses sinds lang Hertzbergs overkomst naar de Republiek gewenscht had, om als bemiddelaar tusschen Prins en patriotten op te treden en de zaken op een vasten voet te helpen brengen. Niet zoozeer om dien Raad was het de driemannen te doen, als om Berlijn den indruk te geven dat hun wenschen en bedoelingen vrijwel met die van de pruisische regeering overeenstemden; zoo lieten zij Salm ook te kennen geven dat de patriotten Hertzberg gaarne als bemiddelaar in den Haag zouden zien verschijnen, maar droegen zorg het niet op schrift te geven. Een mondelinge verzekering was volstrekt niet gevaarlijk; zij wisten wel, dat de koning Hertzberg toch niet zou laten vertrekken. De bedoeling van dit alles is duidelijk: de pruisische regeering, met name de aanstaande koning en zijn raadsman, van wien het te voorzien was dat hij na Frederiks dood veel zou vermogen, moesten in slaap worden gewiegd; zij zouden de maatregelen der pensionarissen voortaan toegevender beoordeelen, wanneer men hun thans overtuigen kon dat die nauwelijks iets anders ten doel hadden dan wat men te Berlijn zelf verlangde, en dat men het in elk geval niet op de Prinses van Oranje en op de toekomst van haar kinderen had voorzien.
Deze geheime opdracht had Salm voor de Prinses niet verzwegen, maar haar voorgesteld als een nieuw bewijs van zijn invloed ten goede op de pensionarissen. Hoewel te verstandig om aan al Salms verzekeringen geloof te slaan, had zij toch veel te goede denkbeelden van hem, en schreef hem slechts een te levendige verbeeldingskracht en wat veel zelfingenomenheid toe; aan zijn goede trouw twijfelde zij niet, en koesterde van zijn zending groote verwachtingen. Zoo Hertzberg er maar in slaagde hem een goede leiding te geven, rekende zij voor haar zaak en die van haar man zeer veel gewonnen. Te Potsdam en te Berlijn doorzag men den Rijngraaf wel iets beter, maar toch ook niet geheel. De onbestemde wijze waarop hij over de overkomst van Hertzberg sprak, maakte dezen minister wat wantrouwend. Maar in hoofdzaak was de uitkomst zijner zending zeer bevredigend voor de pensionarissen: men had voor de persoon des Prinsen weinig over aan het pruisische hof, achtte er een franschgezinde staatkunde bij voortduring voor de Republiek noodzakelijk, en wilde dus dat de Prins eens en voor al met de franschgezinde partij tot een vergelijk zou komen; was hiertoe een geheele vernieuwing van 's Prinsen omgeving en de instelling van een publieken Raad noodig, men bood zijn hulp aan om den Prins in dit een en ander te doen berusten; wilde deze er niet van hooren, dan zou men te Berlijn gaarne zien dat de patriotten zich althans met de Prinses verstonden, wier openlijke deelname aan het beleid der zaken reeds nu werd gewenscht1).
Vooral de Prins van Pruisen drong op dit laatste aan, en gaf aan Salm hij zijn vertrek een brief in dezen geest mede1). Zelf hield de Rijngraaf na zijn terugkeer niet op, de Prinses een bedekt of openlijk regentschap aan te bevelen; wilde de Prins niet goedschiks de leiding der zaken uit de handen geven, of bleek het onmogelijk hem die door list te ontfutselen, dan moest de Prinses er zich van meester maken met geweld, in overleg met de patriotten. Dit klonk reeds geheel anders dan wat de Rijngraaf haar voorgespiegeld had vóór zijn vertrek; zij begon thans in te zien dat Salm in de eerste plaats een eerzuchtige was, die een groote rol in de Republiek wilde spelen, en dat zijn reis naar Berlijn mogelijk meer kwaad had gedaan dan goed. Een grooten invloed op den gang van zaken had zij zich zelve reeds zoeken te verwerven, en wilde gaarne al het mogelijke doen om haar gemaal meer en meer onder haar gezag te brengen, maar de wijze waarop moest men haar overlaten. In geen geval wilde zij breken met den Prins of dezen aan zijn lot overlaten: zij zag te goed in dat de gunst der menigte, waarin zich de Stadhouder nog altijd verheugde, haar niet verzekerd zou zijn nadat zij hem voor de oogen van heel het volk op zijde zou hebben gezet. Een breuk in de stadhouderlijke familie zou de ondergang zijn van het stadhouderschap; zij voelde, dat in deze verwachting haar zulke aanzoeken vanwege de pensiona-
rissen werden gedaan. Liefde voelde zij niet voor haar man, maar een sterk plichtbesef en een zeer respectabel verstand hebben haar steeds voor de gevaarlijke afdwaling behoed, die haar vijanden nog maanden lang met alle inspanning trachtten uit te lokken1).
Voor het oogenblik was haar positie al zeer moeilijk. Wel bleek, tot haar groote vreugde, dat ook haar oom afkeerig was van een gewelddadigen maatregel als Salm had voorgesteld, maar hij ried toch aan den Prins ter zijde te dringen zoover met list maar geschieden kon, en zich buiten hem om met de patriotten te verstaan. In 's konings verbeelding was Willem V door een drom slechte raadslieden omringd, overgebleven creaturen van Brunswijk, die in elk geval verwijderd moesten. De stukken, die de stadhouderlijke kanselarij verlieten, wekten bij voortduring zijn ergernis op, en het dient erkend dat zij in dezen tijd niet gelukkig uitvielen. Met name was de koning verstoord over de ellenlange apologie van 17 Januari 1785, waarin de Prins zijn gansche sedert 1766 gevoerde administratie zonder dringende noodzaak stuk voor stuk verdedigde, en daarbij allerlei oud zeer had aangeroerd dat het in de gegeven omstandigheden niet wenschelijk was op te rijten. Vooral de aanklacht tegen de lichtvaardigheid waarmede men den oorlog met Engeland had uitgelokt, en de aanduiding van den na zooveel teleurstellingen te Parijs eindelijk gesloten vrede als ‘allerschadelijkst en humiliantst’, wekten Frederiks toorn2), en inderdaad waren beide te onpas in den mond van een Stadhouder die niet ook de conclusiën uit dit alles trekken, en alsnog voorstellen durfde, Frankrijk de gehoorzaamheid op te zeggen. De Prinses zou zich tegen de verzending van zulk een stuk hebben verzet, maar zij had er eerst kennis van gekregen toen het te laat was, een bewijs dat aan haar overwicht op den Prins nog veel ontbrak. Alleen wanneer de staatsministers der Republiek met haar medewerkten, schreef zij, zou zij een geregelden invloed op het beleid der zaken kunnen uitoefenen. Tot nu toe was dit onmogelijk geweest doordat Bleiswijk geheel van de patriotten, Gilles en Van Hees geheel van den Hertog afhingen. Juist nu werden de beide laatsten vervangen, naar wij hebben gezien, niet geheel naar den wensch van de Prinses en haar vertrouwelingen. Ook hierin
had Salm zich doen gelden door na zijn terugkeer sterk aan te bevelen, dat de Prins en de Prinses zich de candidaten der pensionarissen lieten welgevallen: men gaf dan een bewijs van verzoeningsgezindheid, en de mogelijkheid bleef bestaan dat het hof de nieuwe titularissen, eenmaal in functie, voor zich won; deze kans verspeelde men door zich tegen hun benoeming te verzetten, die de tegenpartij toch wel zou weten door te drijven1). Er schoot niets over dan toe te geven, en de Prinses droeg zorg dat dit geschiedde met gratie, en dat met name de meest- gevaarlijke en meest patriotsche der nieuwe ambtenaren, Pieter Paulus, door den Prins goed ontvangen werd en in zijn in 1782 opgerichten geheimen Raad van Marine2) werd opgenomen. De bekwaamheid en dienstijver van dezen nieuweling beschaamden de verwachtingen niet, maar zijn vijandige gezindheid bleef even groot; wel verre van zich bij de Prinses aan te sluiten, werd hij juist de dagelijksche medewerker van de driemannen, en eerlang zoozeer hun gelijke in invloed, dat men voortaan van een geheimen raad van vieren (met inbegrip van den Rijngraaf, van vijven) kan spreken.
De Rijngraaf kon natuurlijk de vóór zijn duitsche reis aangenomen rol niet lang meer volhouden. Kort na zijn terugkeer had een incident plaats, dat de Prinses het eerst op het vermoeden bracht dat zij niet slechts met een eerzuchtige, maar met een bedrieger te doen had. In een kort voor zijn vertrek uit Berlijn gehouden gesprek had de koning hem een ingekomen bericht toevertrouwd, dat den hertog van Brunswijk beschuldigde van verstandhouding met ingezetenen van Maastricht, ten einde die vesting aan den Keizer te leveren. De Hertog had bij den koning een zeer slechten naam; dus achtte deze het noodzakelijk dat de Prins van de beschuldiging vernam, en droeg Salm op, er hem en ook de pensionarissen van in kennis te stellen; de regeering van de Republiek kon dan tijdig haar maatregelen nemen. Salm gehoorzaamde ten halve: hij bracht de tijding over aan de pensionarissen, maar niet aan den Prins, die er eerst uit de couranten van vernam3). Hij ontbood toen Salm, die bekende dat het bericht werkelijk afkomstig was van den koning van Pruisen. Salm bevestigde dit ook voor het Secreet
Besogne; hij had de zaak voor den Prins verzwegen ‘om hem geen misnoegen te geven.’ Onmiddellijk werd er nu over geschreven aan den koning; en nu bleek dat deze werkelijk het bericht aan Salm had medegedeeld, maar hoogst ontevreden was over de wijze waarop de Rijngraaf er gebruik van had gemaakt1). Een fiscaal werd naar Maastricht gezonden om een onderzoek in te stellen; hij legde beslag op de papieren van den vice-hoofdschout Van Slijpe, die gezegd werd Brunswijks correspondent te zijn, doch vond geen bewijzen van schuld. Echter hield men den man nog een poos in hechtenis, maar da zaak ontstemde de fransche regeering, die er een ernstig beklag van den Keizer over ontving, en zich op hare beurt bij de patriotten er over beklaagde, zoodat na een goede maand Van Slijpe op vrije voeten werd gesteld. Intusschen had dit geval aan Salms reputatie aan het pruisische hof een gevoeligen slag gegeven. Spoedig verborg nu de Rijngraaf zijn ware karakter van medestander en vertrouweling der driemannen niet meer, en moest de Prinses alle hoop opgeven dat met zijne hulp haar gemaal op beter voet zou kunnen komen met zijn vijanden.
Na de teleurstelling, met Salm opgedaan, hadden andere intriganten niet zoo gemakkelijk meer vrij spel. Spoedig deed er zich weer een op: baron van Reede, de gezant der Republiek te Berlijn. Hij was daar in 1782 graaf van Heyden opgevolgd, en behoorde ook tot het jongere geslacht prinsgezinden, die zich tijdens den engelschen oorlog om de Prinses vereenigd hadden, zich op hun vijandschap tegen den Hertog lieten voorstaan, en in het belang hunner carrière zich aangenaam zochten te maken bij de machthebbers der patriotsche partij. Met name met De Gijselaar was Van Reede in briefwisseling. Bij Hertzberg stond hij goed aangeschreven, en nu meende hij door zijn driedubbele betrekking tot een hollandschen pensionaris, tot de Prinses en tot den pruisischen minister, een schoone kans te
hebben zich te doen gelden. Hij verzekerde Hertzberg, dat De Gijselaar in onmin was met Van Berckel; Pieter Paulus was reeds half door het hof gewonnen, men moest nu ook De Gijselaar winnen en hem Raadpensionaris maken; op de toezegging hiervan zou hij wel bereid gevonden worden zich geheel van Van Berckel af te scheiden. Hij en Pieter Paulus waren de bekwaamsten van de tegenpartij; met hun hulp zou men allen tegenstand kunnen bedwingen. Een buitengewoon gezant van den koning van Pruisen moest dit een en ander helpen voorbereiden, en, in den geest der door Hertzberg reeds dikwijls overgezonden raadgevingen, de zaken in de Republiek op een vasten voet trachten te brengen1). De Prinses begreep, dat de voor Van Reede's karakter gunstigste uitlegging van dit alles deze was, dat hij zich door de pensionarissen verschalken liet, en dat elke nieuwe poging van gelijken aard als die onlangs mislukt was, op versche teleurstelling en vernedering zou uitloopen. Zij antwoordde dat het denkbeeld van den gezant der Republiek haar onuitvoerbaar voorkwam2).
Wij naderen nu een gewichtig oogenblik in de geschiedenis van den patriottentijd. Tot nu liep alles den Prins tegen, en behaalden de pensionarissen steeds nieuwe overwinningen. Aan een verzoening met hen vie niet langer te denken, zij bleken hun partijdigheid tot het uiterste te willen drijven, en zouden niet rusten voor het Stadhouderschap van allen luister en beteekenis was beroofd. Toegevendheid, berusting in een franschgezinde buitenlandsche politiek, verwijdering van den Hertog, toelating van patriotten in de gewichtigste staatsambten, alles
was beproefd en niets had gebaat. Wilde de Prins de rechten niet geheel verliezen die hij in naam nog bezat, hij zou voor haar behoud te worstelen hebben. Hij moest zich losrukken uit zijn apathie, en den strijd met open vizier tegen het driemanschap aanvaarden. Voelde hij zich hiertoe niet in staat, dan was er slechts kans op redding zoo hij anderen liet begaan in zijn naam.
Op het oogenblik zelf stond de Prins hulpeloos, zonder eenig plan van verdediging, zonder georganiseerden aanhang. Er moest een strijdbare oranjepartij in het leven worden geroepen. Het materiaal daartoe lag voor de hand: de eigenlijke volksmassa over de gansche Republiek, die het kwalijk verdroeg dat men van regeeringswege den Prins vervolgde en hoonde, en de kleur van zijn huis op zware straffen verbood. De legale macht van den staat was in de meeste provinciën in handen van 's Prinsen vijanden; een partijdige en strenge justitie boezemde de massa schrik in; zij zag zich van alle kanten door gewapende patriotsche genootschappen omringd, en het natuurlijk overwicht dat alom de weigestelden en welonderwezenen bezitten, kwam grooten-deels aan de patriotsche partij ten goede. Desniettemin uitte zich telkens opnieuw de oranjeliefde van het volk. Door den Prins of in zijn naam te wapen geroepen en aangevoerd, zou deze massa een geduchte strijdmacht kunnen blijken. Niet dan in een uiterste geval zou men haar in het vuur moeten brengen; een overhaaste poging zou de gansche zaak van het Oranjehuis compromitteeren en het overwicht weer voor geruimen tijd aan de tegenpartij verzekeren. Maar alleen het feit dat men den aanhang van Oranje verzamelde en onderrichtte, dat men tegen de patriotsche partij-organisatie een orangistische partij-organisatie over stelde, dat men toonde niet te willen vallen zonder harden strijd, zou in het vijandelijke kamp reeds grooten schrik verspreiden, en de pensionarissen noodzaken òf tot een oprecht gemeende onderhandeling, òf tot maatregelen van zoo openlijk geweld, dat ook de felste tegenweer gerechtvaardigd zou schijnen.
Met deze tactiek diende een andere te worden verbonden. De patriotsche partij was voor het oog tamelijk eendrachtig nog, maar in werkelijkheid reeds bitter oneenig. De democratie sloeg tegen den Prins denzelfden vijandigen toon aan als de hollandsche matadors, en zij drukte haar vijandschap uit in ruwer en heftiger bewoordingen dan dezen. Maar in één provincie althans, Utrecht, was het oogenblik reeds gekomen waarop zij in de regentenoligarchie haar machtigsten vijand erkend had, en zich
gereed maakte deze tot het uiterste te bestrijden. Voor Holland was dit oogenblik nog niet aangebroken, maar de teekenen waren menigvuldig dat het ook hier naderkwam. Wilde de Prins met die aanstaande breuk tusschen aristocraten en democraten zijn voordeel doen, dan moest hij zich tijdig bezonnen hebben op de aan te nemen houding.
Een overleg met de democraten, hoe moeilijk ook waar het wederzijdsch wantrouwen zóó groot was, behoorde niet volstrekt tot de onmogelijkheden: de Prins zou in de provinciën met regeeringsreglement ettelijke voorrechten moeten opofferen, maar. dit waren zonder uitzondering rechten die het bijkans onmogelijk gebleken was anders dan in naam uit te oefenen, en die het daarom beter was openlijk aan de burgerij af te staan, dan toe te zien dat enkele familiën er heimelijk haar spel mee bleven spelen. En in Holland, waar de rechten van den Stadhouder zooveel minder uitgebreid waren, was elk tegenwicht tegen de gesloten oligarchische regentenmacht voor den Prins het tegendeel van gevaarlijk. De democraten hadden in Utrecht nog volstrekt niet overwonnen, en in Holland begonnen zij juist thans er besef van te krijgen welk een berg van zwarigheden de regenten hun nog in den weg zouden leggen, eer zij tot hun wensch konden geraken. Het ware thans het juiste oogenblik geweest zich met hen te verstaan, en een geheimzinnige haagsche reis van de utrechtsche democraten De Nijs en Von Liebeherr, in Maart of begin April 1785, schijnt (nevens enkele andere vage gegevens) aan te duiden dat van hun kant, al maakten zij er ook een ‘point d'honneur’ van niet den eersten stap te doen, in dezen tijd voorstellen van 's Prinsen zijde zijn tegemoet gezien1).
Sloot het hof echter voor de behoeften van den nieuwen tijd geheel de oogen, en weigerde het alle medewerking om dat gedeelte der burgers dat er met aandrang om vroeg - de middenklasse in de steden - aan eenig aandeel in de regeering te helpen, dan kon het van de democraten, hadden zij eenmaal overwonnen, de felste vijandschap voorzien; er zou den Prins dan niets overblijven dan de bedreigde of reeds uitgestooten aristocraten, uit den aard van hun bestaan straks weer zijn ergste vijanden, ondanks al wat zij hem in de voorafgegane jaren hadden doen lijden, door de armen van het oranjegemeen weer op hun zetels te doen tillen, tegen de twijfelachtige belooning van hun toestemming in het behoud van al de in 1747 en 1766 aan den Stadhouder opgedragen rechten. De positie van den Prins zou dan weer houdbaar zijn voor het oogenblik, maar de toekomst van zijn huis zorgelijker dan ooit, want de op zulke wijs overwonnen democratie zou Oranje blijven haten met even feilen haat als zij het thans de aristocraten begon te doen.
Het heeft de Prinses niet te eenenmaal aan besef van het gewicht van dit moment ontbroken. Na de ontgoocheling, op Salms terugkeer gevolgd, zag zij in, dat alle hoop op verzoening met de pensionarissen behoorde te worden opgegeven, en dat het stadhouderlijk huis zijn ware vrienden om zich verzamelen, en daartoe beginnen moest met hen op te zoeken waar zij scholen: onder het volk. De Prins, en nog meer zijn gemalin en kinderen, waren der menigte weinig bij aangezicht bekend; het hof had zich te veel tot den Haag en het Loo bepaald, geen
persoonlijke aanraking gezocht met volk en regenten in de kleinere provinciën. Het stond van nu aan bij de Prinses vast dat dit anders worden moest. In den zomer van 1785 nam zij de eerste gelegenheid de beste waar voor een kleine binnenlandsche reis. In Juli begaf zich de Prins voor korten tijd naar Breda, ter inspectie van de naar de Generaliteitslanden gedirigeerde troepen. Zij vergezelde hem met haar drie kinderen en werd levendig toegejuicht, met name op haar terugreis te Rotterdam, dezelfde stad die door de pensionarissen in een soort staat van beleg werd gehouden, en waar de prinsgezinden aan de heftigste en kleingeestigste vervolging blootstonden. Nog grooter was de toeloop en nog luider het gejuich toen een anderhalve week later ook de Prins, die wat langer te Breda gebleven was, door Rotterdam terugkeerde. Dit maakte een te verblijdender indruk, daar de ontvangst in die stad op de heenreis was tegengevallen; blijkbaar was het reisplan te weinig bekend geworden, zoodat zich slechts een driehonderd personen aan de kaai hadden vertoond op de plaats waar het stadhouderlijk gezin zich inscheepte om de Maas over te steken. Toen de Prins terugkwam waren er duizenden1).
Een tweede gelegenheid zou zich spoedig voordoen: in September stond het tweede eeuwfeest der franeker academie gevierd te worden, en de Staten van Friesland, hoe weinig oranjegezind ook, hadden niet kunnen nalaten den opper-curator ter bijwoning te noodigen. De Prins nam de uitnoodiging aan en de Prinses besloot hem ook daarheen met haar kinderen te vergezellen; op de heenreis zou Amsterdam worden aangedaan, waar geen van beiden in zestien jaar een voet gezet had, en waar ook niemand de jonge prinsen ooit had gezien; de terugreis zou genomen
worden door de landprovinciën, zoodat op Zeeland na alle gewesten een voor een door de stadhouderlijke familie zouden worden bezocht1). In Friesland waar de regenten zich ernstig bezorgd begonnen te maken over den voortgang der democratie, in Utrecht waar zij reeds met de burgers in openlijken strijd waren, zou dan kunnen blijken welk voordeel voor den Prins uit deze oneenigheid zijner tegenpartij te behalen was.
De Prinses, hoe zorgvuldig ook na haar laatste teleurstellingen vermijdend zich aan iemand vóór den tijd gevangen te geven, neigde toch veel meer tot de oude aristocratische vijanden dan tot de democraten. Van de drijfveeren dezer laatsten had zij geen begrip, voor hun streven geen waardeering, van hun einddoel geen voorstelling. Zelfregeering kwam haar, in streng monarchale traditie opgevoed, iets ongehoords en monsterachtigs voor; al wie zich als democraat aankondigde, was vanzelf een gevaarlijk man. Oneindig liever zou zij zien dat de regenten tot inkeer kwamen, en zich onder de leus van ‘behoud der gevestigde constitutie’2) met den Prins vereenigden, dan dat de Prins zou moeten onderhandelen met afvallige geldersche en overijselsche jonkers, of met de opgeblazen prulschrijvers en ijlhoofdige predikanten, die de hollandsche en utrechtsche democratie in haar voorste rijen duldde. Het is honderdmaal bejammerd dat het hof de aristocratie verkozen heeft van de twee, en wij gelooven honderdmaal terecht. Maar de dwaling was ditmaal meer dan ooit menschelijk. De regenten waren schuldig aan ophitsing en geheim verraad, het hof wist het en wantrouwde hen naar behooren. Maar er waren door hen geen van die vormen
veronachtzaamd, wier verwaarloozing alle wederopvatting van verkeer tusschen beleediger en beleedigde zoo buitengemeen moeilijk maakt; er waren door hen binnenskamers waarschijnlijk, maar niet in het openbaar, van die woorden gebruikt die niet vergeven worden. Geen beschuldiging zoo onzinnig, geen laster zoo vuil, of zij waren in de blaadjes der zich thans noemende democraten tegen den Prins geuit. Diezelfde lieden thans op te gaan zoeken - let wel dat zij zich niet aanboden - scheen een te ongehoorde vernedering; met hen een vergelijk te treffen dat hun gansche werkzaamheid een andere richting geven zou, van te voren onmogelijk. Zelden heeft een goede zaak zich minder respectabele airs gegeven, dan de democratie ten onzent in den patriottentijd; vertrouwen wekkende lieden met wie de Prins in overleg had kunnen komen bestonden wel, en later, als de partij hier en daar gezegevierd heeft en de practijk moet waar maken wat de theorie heeft voorgespiegeld, zien wij er enkelen naar voren komen, maar thans gingen zij achter de schreeuwers en harlekijnen schuil. Hadden zij het niet ook aan zichzelf te wijten, zoo men hen niet van dezen onderscheidde? Deze gansche democratische partij was onder een kwaad gesternte geboren. Zij was opgegroeid minder uit de natie, dan uit factieuse clubjes, voor en tijdens den engelschen oorlog in het leven geroepen door de handlangers van Vauguyon en door de hollandsche regenten, die een kunstmatige volksstem noodig hadden, welke slechts herhaalde wat was voorgefluisterd. Gelijk andere kinderen uit de engelsche ziekte een gebrek overhouden, zoo zij uit de fransche. Zeker, daar waren ook elementen voor een ernstig gemeende democratische staatspartij, en langzaam aan ontwikkelde zich ook deze, maar die in aanmerking kwamen om haar uit te maken, hadden zich thans voor het meerendeel de oogen nog niet voldoende uitgewreven.
Een bewijs hoe weinig in de toongevende stad van Holland de scheiding van wat niet bijeen behoorde nog gevorderd was, of althans hoe daar regenten en burgers beiden bij alle onderling geschil toch elk oogenblik nog gereed stonden zich tegen den Prins te vereenigen, is te vinden in de houding van de Amsterdammers - burgerij en regeering - toen het ruchtbaar werd dat het hof de stad bezoeken wilde. De amsterdamsche regeering, die zeven of acht jaar geleden het sein gegeven had tot den afval van Engeland en zich het eerst door den franschen koning een brevet van patriotisme had doen uitreiken, was lang door alle patriotsche pamflettisten en courantiers bovenmate
geprezen; nog Capellen had het noodig geacht dit te doen in Aan het Volk van Nederland, hoewel hij de geparuikte ‘Burgervaders’ innerlijk verfoeide. Doch de tijd kwam nader dat, naar zijn voorspelling, ‘ieder loon naar werken zou ontvangen.’ De vroegere liefde was lang bekoeld, ja in de Politieke Kruyer van April 1785 werden de aanzienlijkste Amsterdammers openlijk aangevallen, en met name Rendorp in een hatelijk licht gesteld1). Dit was een ongehoord bedrijf tegenover een amsterdamsch burgemeester: de redacteur Hespe en de uitgever Verlem werden er voor in de boeien geslagen, die tot nog toe slechts hadden gediend om de oranjegezinde schrijvers en boekverkoopers te bedwingen. Groote verontwaardiging bij alle lezers van de Kruyer, die de gevangenen gedurende hun hechtenis van veertien dagen vertroetelden en hun na de invrijheidstelling een publieken triumf bereidden; sedert veranderde het blad niet van toon, maar werd niet meer lastig gevallen. Deze zaak had groot gerucht gemaakt ook buiten de stad; Bilderdijk, te veel generaliseerend als naar gewoonte, zegt dat zij ‘het signaal werd der afscheiding van de populaire en Regenten-factie’2). Wat in dezen tijd te Utrecht gebeurde, was van meer beteekenis voor de geheele Republiek en verdient daarom eerder dien naam, doch voor Amsterdam dagteekent het publiek worden der oneenigheid wel van dit voorval. Maar ook de Rendorps en Dedels waren nog zoo weinig besloten den Prins toe te vallen, dat zij evengoed als de democratische oppositie in de vroedschap en als de toongevers der patriotsche burgerij, het hof buiten Amsterdam wilden houden, en de amsterdamsche democratie was nog zoo heftig anti-prinsgezind, dat de regeering zonder vrees van gelogenstraft te worden de vrees voor ongeregeldheden van de zijde der democraten als reden opgeven kon waarom zij een bezoek aan de stad ernstig ontried3). Wat niet erkend werd maar zeker gevoeld zal zijn, was, bij aristocraten en democraten beiden, de vrees voor een uitbarsting der oranjegezindheid van de Bijltjes en ander arbeidsvolk. - Wat de beslissing omtrent de tegenover de geschillen tusschen burgers en regenten aan te nemen houding voor het hof te moeilijker maakte, was, dat de
gansche democratische beweging nog zulk een weinig universeel karakter had aangenomen; zij werd geheel door plaatselijke omstandigheden bepaald, zoodat gedurig voor een afzonderlijk geval een keus moest worden gedaan. Het meest drong die thans voor Utrecht. In deze provincie hadden aristocraten en democraten gezamenlijk de omverwerping van het bestaande regeeringsreglement ondernomen, maar waren het oneens geworden over de verdeeling van den buit. Eigenmachtig zetten nu de burgers in de stad Utrecht de hervorming door zooals zij die verstonden; de regenten, onderling verdeeld, bepaalden zich tot lijdelijk verzet, en riepen tegen de burgers geen gewapende hulp in, die de Stadhouder ongevraagd nimmer verleende. Te Amersfoort wilden de burgers het voorbeeld der Utrechters volgen, maar hier was de stadsregeering kloeker en schreef de Gedeputeerde Staten aan, van den Stadhouder de inlegering van krijgsvolk binnen hunne stad te verzoeken (13 Augustus 1785). In Gedeputeerde Staten hadden de geëligeerden en de edelen, partijgenooten van de bedreigde amersfoortsche regeering, de overhand, en onmiddellijk voldeden zij aan haar verlangen, zoodat weinige dagen later de generaal Van der Hoop, uit Nijmegen opgerukt, de stad met voetvolk en ruiterij bezette, waardoor de amersfoortsche omwenteling geheel onmogelijk was gemaakt. Dit zette bij de burgers te Utrecht, en bij de gelijkgezinden over de gansche Republiek, natuurlijk veel kwaad bloed tegen den Prins, die van zijn zelfbeperking van nimmer in te grijpen dan op een in wettige vormen hem daartoe door de overheid gedaan verzoek, niet dan wrange vruchten plukte. Men hield hem nu evengoed voor den aartsvijand der democratie als hadde hij in plaats van de amersfoortsche, de utrechtsche omwenteling gestuit, maar intusschen gelukte deze en ging de stad Utrecht voor goed voor hem verloren, al had hij te haren opzichte tusschen regenten en burgers ook de striktste onzijdigheid in acht genomen. Zoo hief zijn eene handeling het effect der andere geheel op, en maakte hij zich aan beide zijden slechts vijanden. De Stadhouder moest nu eenmaal het initiatief durven nemen om orde te brengen in de grenzelooze verwarring die thans in alle provinciën begon te heerschen, of hij werd onvermijdelijk een werktuig van de voor het oogenblik bovenliggende partij, die zich van de verouderde rechtsmiddelen van een of ander der tallooze politieke collegiën in de Republiek had weten meester te maken. Nog altijd zou hij, ware hij kloek en vastberaden geweest, een groote macht hebben kunnen ontwikkelen, niet
sterk genoeg om volstrekt te heerschen, maar wel om tot zich te trekken wat dienstig zijn kon om in verbond met hem aan een nieuwe orde van zaken het aanzijn te geven, en neder te werpen wat zich daarin niet voegen wilde. Eenmaal ontviel het Pieter Paulus, den minst bevooroordeelden en verst zienden van de hollandsche partijleiders, in een gesprek met de Prinses te zeggen, dat de Stadhouder zeer wel zich van de leiding der hervormingsbeweging meester maken kon, mits hij de democratie in haar recht erkende en haar vertrouwen won door uit eigen beweging ettelijke van zijn rechten te haren behoeve op te offeren1). ‘Daargelaten dat ik zulk een stap voor verderfelijk en het geheele plan van Paulus voor onzinnig houd,’ schrijft de Prinses, ‘kan ik mij de moeite besparen er den Prins over te onderhouden, die van niets wat op een bondgenootschap met de democratie gelijkt ook maar wil hooren spreken.’ De Prins moest zich onzijdig houden en elks wettig recht beschermen. Dat zulk een onzijdigheid hem spoedig het werktuig der aristocraten zou doen worden, die de wet en het recht der laatste eeuwen aan hun zijde hadden, werd voorbij gezien. Met de democraten, vereenzelvigd als zij konden worden met de opzichtige vrijcorpisten die den nijd wekten van het gemeen, mocht men zich in geen geval verstaan: het gemeen zou zich in den Prins bedrogen wanen, en hem niet meer aanhangen2). Zoo zocht het hof zijn hoogste wijsheid in het ontzien van de vooroordeelen der domme menigte, en maakte zich weerloos tegen zijn werkelijke vijanden, die nu spoedig inzagen dat al wat zij in geval van nood zouden behoeven te doen om op het kussen te blijven, was, ter liefde van het plebs een oranjecocarde op den hoed te steken.
Bij elke herhaalde beschouwing van dezen ongelukkigen afloop onzer hervormingsbeweging van vóór 1787, dringt zich de vraag op, of de uitkomst een even troostelooze zou zijn geweest, als de elkaar vijandige elementen in vrije en onbelemmerde botsing hadden kunnen komen, en elks succes evenredig had kunnen zijn aan de mate van elks innerlijke levenskracht. Deze voor-
waarden waren bij den strijd van toen niet vervuld. Die zich thans democraten begonnen te gevoelen, hadden al een langen dienst als goedgeloovige werktuigen der fransche staatkunde achter den rug; hun democratie was Frankrijk onverschillig, maar niet hun franschgezindheid. Zij hadden geholpen om Frankrijk een voorbeeldeloozen invloed op de beslissingen van onze hoogste staatslichamen te verschaffen, zij hadden toegelaten dat Frankrijk onze hulpmiddelen beschouwen ging als zijn eigene, en zich gereed maakte er als van zoodanige partij van te trekken. Geen eerlijk man die in de fransche alliantie een gevaar voor de ware landsbelangen duchtte, durfde een oprecht gemeende onderhandeling aanraden met lieden die als met zware ketenen aan Frankrijk gebonden waren. Evenzoo schaadde haar enge betrekking tot het hof van Pruisen aan den rechtmatigen invloed van een zoo welmeenende vrouw als de Prinses. Men wist of vermoedde dat haar uit Berlijn dikwijls raad gegeven werd die naar de pruisische belangen was afgemeten. Men kon het Oranjehuis goed gezind zijn, zonder op te houden de vestiging van een pruisischen invloed hier te lande bedenkelijk te achten.
Van Engelands invloed was nog slechts de herinnering overgebleven. De Prins en een groot deel van zijn omgeving hadden hun engelsche sympathieën nimmer verloren, maar durfden er niet aan toegeven om door het thans almachtige Frankrijk niet openlijk te worden vervolgd, misschien uitgedreven. De natie in het algemeen hing wel den Prins aan maar was niet engelschgezind; geen stem uit het volk had zich verheven toen Fox ons op zeer aannemelijke voorwaarden een afzonderlijken vrede had aangeboden. Sedert was er echter veel veranderd. Aanvankelijk had de patrotsche partij zich in de eerste plaats als een anti-engelsche voorgedaan, en had als zoodanig veel instemming gevonden, die haar niet langer in dezelfde mate verzekerd bleef sedert zij zich als anti-orangistische, en die nog veel sneller afnam nu zij zich als anti-oligarchische partij ontpopte. Het volk en de regenten zouden misschien reeds over te halen zijn in het vóór den oorlog zoo algemeen gesmade Engeland een tegenwicht te zoeken tegen de door Frankrijk gebruikte en beschermde anti-orangistische democraten. Beide, de oranjegezinde massa en de regentenoligarchie, moest Engeland dus tot zich zien te trekken; een niet gemakkelijke taak, want terwijl men bij de massa de overtuiging moest wekken dat men Oranje hooghield en beschermen wilde, moest tegelijkertijd de oligarchie den indruk krijgen dat het niet om een loutere herhaling van
1747 te doen was, waarbij de regenten weinig minder gevaar zouden loopen dan bij een overwinning der democraten. Het gansche optreden van Engeland moest het kenmerk dragen van bescheidenheid; men moest niet afstooten door hooghartigheid als Yorke; ook den schijn vermijden als ware eigenbelang de eenige drijfveer der opnieuw betoonde deelneming in de zaken van de Republiek, en als wilde men deze slechts van Frankrijk aftrekken, om haar opnieuw aan Engeland te onderwerpen. Daartoe was noodig dat men gebruik maken kon van den naam van Oranje, want slechts op dezen zou het volk in beweging te brengen zijn. Omgekeerd moest men den regenten namens Oranje de toezegging kunnen geven van het behoud van hun ambt en positie.
Engeland heeft het geluk gehad, juist op het oogenblik ongeveer van het aanvangen der boven aangeduide kentering, hier een vertegenwoordiger te kunnen zenden die met zeldzamen tact begreep welk gedrag hier thans moest worden gehouden, die aan zijn oordeel vasthield ook tegenover een weifelende regeering in zijn vaderland, en ten slotte een uitkomst bereikt heeft die voor zijn meesters een volkomen voldoening opleverde. Tot zijn voordeel had hij in Vérac een tegenstander die niet tot zijn knieën reikte. Desniettemin heeft hij zeer buitengewone moeilijkheden te overwinnen gehad, en de wijze waarop hij die te boven kwam legt een vleiend getuigenis af voor zijn krach-tigen wil en scherp vernuft. Moest hij voor Engelands rekening den naam van Oranje vrijelijk kunnen gebruiken, dan was in de eerste plaats noodig dat hij den Prins won en de Prinses. Bij beiden heeft hem dit veel moeite gekost; bij den Prins omdat deze telkens in moedeloosheid verviel en tegen elke krachtsinspanning opzag, ook al behoefde hij er persoonlijk geen deel aan te nemen; bij de Prinses omdat deze nog altijd haar heil meest uit Berlijn verwachtte, op zijn best uit Berlijn en Londen gezamenlijk, maar stellig niet uit Londen alleen. Maar als hij eenmaal zeker is van het stadhouderlijk hof, kan hij spoedig oranjeklanten en aristocraten gezamenlijk tegen de fransche partij in het vuur brengen. Een voor onze hoogste volksbelangen verderfelijke combinatie, maar die hem intusschen uitnemend voor zijn doel gediend heeft. Zoodra hij dan onder de regeering van den broeder der Prinses nog den steun verkrijgt der pruisische wapenen, vindt onze patriottentijd zijn roemloos en voor ieder ander dan Engeland onbevredigend einde.
Sir James Harris heet deze man. Reeds Fox had hem in 1783 uitgekozen om Engeland bij de Republiek te vertegenwoor-
digen, zoodra de vrede tusschen beide landen hersteld zou zijn1). Harris was een partijgenoot en persoonlijk vriend van Fox, maar werd ook door de tegenstanders van dien minister voor een der bekwaamste diplomaten van het land erkend. Hij was sedert 1777 engelsch gezant te Sint-Petersburg, maar verlangde om gezondheidsredenen van dezen post ontslagen te zijn. De keus van een zoo gunstig bekend diplomaat bewijst van hoe groot gewicht Fox het achtte, dat de haagsche missie waardig werd vervuld. Tot zijn systeem behoorde, zoo spoedig mogelijk de Republiek weer tot een bondgenoote van Engeland te maken; wij hebben gezien hoe hij een geheim agent naar den Haag zond om te vernemen of niet onze regeering tegen teruggave van Negapatnam alsnog zich van Frankrijk afscheiden wilde en een afzonderlijken vrede met Engeland sluiten in den Haag of te Londen2). Zijn pogingen mislukten, en weinige maanden later kwam hij ten val. De nieuwe minister, William Pitt, toonde aanvankelijk veel minder belangstelling in de Republiek, en scheen haar voorloopig aan Frankrijk te willen overlaten3). In Januari 1784 gaf hij ons te kennen, na den vrede een vertegenwoordiger te zullen zenden van gelijken rang als de diplomaat bekleeden zou dien de Staten bij het hof van Sint-James wilden accrediteeren. Er kwam daarop geen antwoord in, en nu moest wel alle schriftelijk verkeer tusschen de engelsche regeering en de onze ophouden, tot de vrede geteekend zou zijn. Dit geschiedde te Parijs, den 20sten Mei 1784, geheel op den grondslag der voor ons nadeelige preliminairen van het vorige jaar.
Pitt moest nu op zijn beurt een gezant kiezen, en koos Harris, die wel reeds door Fox tot dit ambt was bestemd, maar natuurlijk vóór den vrede niet officieel benoemd had kunnen worden, en na de kabinetswisseling volstrekt niet meer op de benoeming gerekend had; zoo een groote uitzondering was het toen nog in Engeland, dat een minister met eenig opengevallen ambt van gewicht iemand anders dan partijgenooten bevoordeelde. Beiden Pitt en Harris strekt de benoeming tot eer; de laatste behield zich volledige vrijheid van oppositie voor in het lagerhuis waarin hij zitting had, maar heeft er het land, thans door zijn politieke tegenpartij geregeerd, niet minder trouw om gediend.
Spoedig had zijn vertrek nog niet plaats. De patriotten bij
ons zagen alle wederopvatting van diplomatiek verkeer tusschen Engeland en de Republiek liefst uitgesteld totdat de alliantie met Frankrijk gesloten zou zijn, waarover in 1784 werd onderhandeld. Zij meenden het middel daartoe in handen te hebhen. Engeland had bij ons vóór den oorlog steeds een ambassadeur onderhouden, en wilde deze overlevering getrouw blijven, ook nu het oude bondgenootschap met de Republiek verbroken was. Ook zou de verplaatsing naar den Haag voor Harris kwalijk op een bevordering gelijken, wanneer hij daar niet verscheen in hoogeren rang dan hij te Sint-Petersburg had ingenomen. Maar de koning wilde de benoeming van een ambassadeur niet beantwoord zien door de zending van een diplomaat van den lageren rang van gevolmachtigd minister. Vandaar de vraag van Januari 1784, waarop de Republiek opzettelijk het antwoord was schuldig gebleven. Na den vrede stelde Lord Carmarthen, de secretaris van staat voor buitenlandsche zaken in Pitt's kabinet, dezelfde vraag nog eens in een brief aan den Griffier1), doch weer zonder gevolg. Het driemanschap wilde geen engelsch gezant ontvangen, vóór het werk der alliantie zijn beslag zou hebben gekregen. Toen in November op de onderteekening na alles gereed was, maar tevens bleek dat deze voor onbepaalden tijd moest worden uitgesteld, hebben zij eindelijk Van Lynden2) als gevolmachtigd minister naar Londen doen vertrekken, waarop Harris onder gelijken titel, maar met de bezoldiging van een ambassadeur, zijn post aanvaardde.
Voorloopig was hem de uiterste behoedzaamheid voorgeschreven; hij moest er zich toe bepalen de voornemens van Frankrijk bij ons te ontdekken, en de grootst mogelijke gematigdheid in den vorm in acht nemen tegenover de heerschende partij; in het geheim moest hij vooral diegenen zoeken te winnen, die wel den Stadhouder steunen wilden, maar hem geen toenadering tot Engeland aanraden durfden, en dus medewerkten hem in de handen te leveren van Frankrijk of Pruisen. Hij moest uit alle vanouds welgezinde of nieuw bekeerde elementen een anti-fransche partij zien samen te stellen, maar mocht geen de minste toezegging geven van 's konings steun aan die partij tegen Frankrijk, dan op uitdrukkelijken last van huis3). Wij speuren
hier de hand van Pitt, die elke kans om in de eerstvolgende jaren al weder het zwaard te moeten trekken, op het zorgvuldigst vermeden wil zien.
In de eerste dagen van December 1784 vertrok Harris naar zijn standplaats. Hij was in ons land niet geheel een vreemdeling: achttien jaar geleden had hij een jaar te Leiden gestudeerd, en eenige betrekkingen aangeknoopt in haagsche en amsterdamsche kringen. Hij was toen ook aan den Prins voorgesteld, die, met zijn sterk geheugen, zich thans zijner nog zeer wel bleek te herinneren. Den 7den December legde Harris zijn eerste bezoeken in den Haag af. Zij bewezen hem al dadelijk hoe moeilijk zijn taak zou zijn. De oude Griffier ontving hem hartelijk genoeg, maar bereidde hem op tal van teleurstellingen voor. Harris moest voorloopig niet meer doen, zeide hij, dan beproeven van Engeland betere gedachten te geven dan hier door de inblazingen van Engelands vijanden ingang hadden gevonden. Zijn verdere bezoeken overtuigden den gezant weldra, dat nog een groot deel der oranjepartij sterk tegen Engeland was ingenomen. President van de week was toevallig Van Lynden van Hemmen, iemand die na Brunswijks vertrek zich grooten invloed had verworven op het hof, en er in 1783 een vaste plaats had gekregen als gouverneur der jonge prinsen; met name de Prinses stelde hem hoog en luisterde veel naar hem. Hij ontving Harris, die bij hem zijn geloofsbrieven moest indienen, zoo stijf mogelijk, de beleefdheidsformules van den gezant slechts met een buiging beantwoordende. De Prins daarentegen was uiterst voorkomend en maakte er geen geheim van dat hij in zijn hart even engelschgezind was als ooit, maar hij was geheel ter neer geslagen, de goede dagen waren voor hem gedaan, zeide hij, hij verwachtte niets meer dan eindelijk voor goed uitgestooten te worden. Het gerucht van 's Prinsen aanstaande vlucht was weer zoo levendig in den Haag, dat Harris het den eersten dag
reeds vernam. De Prinses eindelijk ontving den gezant beleefd, maar was blijkbaar met zijn bezoek verlegen, en roerde geen zaken aan van publiek belang1). Korten tijd daarna bezocht Harris Van Goens, die in het vorige jaar eenige memories had gesteld voor het engelsche kabinet over den staat van zaken in de Republiek, en in het bezit was van opmerkingen door de Prinses na lezing van die stukken in schrift gebracht2). Hij deelde ze aan Harris mede, die er uit zag hoe weinig voorshands zijn regeering van de Prinses te hopen had. Haar nauwe betrekking tot Pruisen hield haar ver van Engeland verwijderd. Zich bij haar in te dringen was Harris op het oogenblik te minder mogelijk, daar hij juist aankwam na het vertrek van den Rijngraaf van Salm naar Berlijn, en bespeuren moest dat de Prinses juist thans van de bemoeiingen van Pruisen meer hoopte dan ooit te voren. Over het geheel kwam Harris iets te vroeg om gehoor te vinden: de twist met den Keizer gaf tot zeer bizondere verhoudingen aanleiding, want de oranjepartij durfde geen opoffering van het recht der Scheldesluiting aan, en Engeland kon onmogelijk de toezegging geven dat dit recht voor de Republiek behouden zou blijven, wanneer zij zich alsnog van Frankrijk afkeerde3). Voor het oogenblik moest men dus Frankrijk zijn voorsprong laten in de Republiek, en toezien dat het den Keizer tevreden stelde en door de ter onderteekening gereed liggende alliantie werd beloond. Zonder het volk in opstand te brengen
zou daarna de Republiek wel nimmer weder voor Engeland terug te winnen zijn; mislukte de poging, dan moest Engeland de welvaart der Republiek zooveel lagen leggen als het kon, om haar althans waardeloos te maken voor Engelands vijanden1).
In overeenstemming met zijn instructie en met zijn eigen inzicht droeg Harris zorg, zoo weinig mogelijk de verwachting te wekken, dat zijn regeering hier spoedig den strijd tegen Frankrijk aanvaarden zou2). Hij sprak de patriotsche staatslieden nauwelijks over politieke zaken aan, maar legde er zich op toe de vriendschap te winnen van gematigde lieden uit hunne partij, die hij vermoedde dat in het vervolg den pensionarissen de gehoorzaamheid zouden willen opzeggen. Hij deed groote moeite om in tegenstelling van Yorke een genaakbaar en vriendelijk man te schijnen, en zette de deur van zijn huis in den Haag wijd open, om de haagsche wereld weer aan den dagelijkschen omgang met een engelsch gezant te gewennen, en om zich vrienden te maken onder het talrijke personeel der afwisselende deputatiën uit zoovele steden en provinciën, in elke waarvan men zijn relatiën hebben moest zoo men invloed uitoefenen wilde in de Republiek3). Evenzoo gedroeg hij zich te Amsterdam waar hij persoonlijk met de regenten bekend wilde zijn4). Dit verhinderde hem niet, van den aanvang af betrekkingen aan te knoopen met enkelen op wie hij ten volle staat kon maken, en hen voor
te bereiden tot de diensten die hij mogelijk eenmaal van hen te vergen zou hebben, en niettegenstaande hij met zorg bespied werd, bleef het geheim hiervan langen tijd bewaard1).
Even weinig als Engeland, even veel, meende Harris, moesten de Prins en zijn aanhang van zich doen spreken. Van nu aan moest elke duim gronds aan de patriotsche partij worden betwist; van haar misslagen en moeilijkheden moest onmeedoogend worden partij getrokken, het volk moest tegen hen opgezet als tegen lieden, aan Frankrijk verkocht, die het land in slavernij wilden brengen en het volk nieuwe en zware lasten opleggen. Nauwelijks was hij een maand in het land, of de oproerige bewegingen onder het boerenvolk hadden plaats, toen de Staten van Holland de wapening ten platten lande hadden voorgeschreven. Op een rit buiten den Haag zag hij in een der omringende dorpen wel honderd gewapende boeren saamgeschoold2); uit de gansche provincie kwamen berichten van verzet. Dit maakte grooten indruk op hem; wilde de Prins maar een hand opsteken, meende hij, twee derden van de bevolking zouden zich nevens hem scharen3). Maar van den Prins was niets te verwachten, noch van zijn naaste omgeving. Vertrouwde engelschgezinden hadden hem al dadelijk na zijn aankomst gewaarschuwd, zich van 's Prinsen medewerking niet te veel te beloven, maar de uitkomst van zijn eerste pogingen was voor Harris toch een bittere teleurstelling4). De oranjepartij had hij mobiel willen maken, maar de Prins van Oranje durfde niet aan haar hoofd staan. Wie dan? Harris zelf? Nog kon hij er niet aan denken: het zou geheel in strijd zijn met de opdracht waarmede Pitt hem ge-
zonden had. Voor geen enkele daad van geweld wilde op dit oogenblik Engeland de verantwoordelijkheid dragen.
In deze omstandigheden was er Harris alles aan gelegen, het vertrouwen te winnen van de Prinses. Van haar gemaal hoopte hij in elk geval niets meer; het beste ware, hem een slaapdrank in te geven tot men den slag voor hem zou hebben gewonnen. Maar ook de Prinses zou dezen nimmer wagen, tenzij zij de zekerheid had dat haar oom de koning haar waagstuk goedkeurde, en beloofde, bij tegenspoed zich voor haar in de bres te zullen stellen. Zou dit ooit gebeuren, dan moest eerst Pruisen van buitenlandsche staatkunde veranderen en zich bij Engeland voegen. Het had telkens en telkens weer geweigerd dit te doen, maar er konden gebeurtenissen komen die Frederik alsnog tot het inzicht brachten, dat Frankrijk hem bedroog, en zijn ware belang aansluiting bij Engeland vorderde. Harris heeft zich een oogenblik gevleid, dat het bekend worden van 's Keizers poging tot verwerving van Beieren zulk een gebeurtenis zou zijn. Het had er aanvankelijk den schijn van of Frankrijk het geheel met den Keizer eens was geworden, en zich zijn toestemming had laten afkoopen voor Luxemburg en Namen. Was dit werkelijk het geval, dan zou het nieuwe brabantsch of bourgondisch koninkrijk geheel van Frankrijk afhangen; spoedig zou de alliantie met de Republiek het werk voltooien, en Frankrijks kust zoo te zeggen verlengd worden met de gansche strook van Duinkerken tot Delfzijl. Dit ware voor Engelands welvaart en bestaan zulk een bedreiging, dat zelfs de regeering van Pitt er zich krachtig tegen zou willen verzetten. Niet minder dan Engeland door Frankrijk, zou Pruisen na den ruil door Oostenrijk worden bedreigd. Een verbond tusschen Engeland en Pruisen zou met wiskunstige zekerheid volgen, en daarop zou men te zamen onbeschroomd en met gewisheid van goeden uitslag de fransche partij in de Republiek den oorlog kunnen aandoen1).
De uitkomst heeft niet beantwoord aan deze hooggespannen verwachtingen. In Duitschland zelf ondervond spoedig 's Keizers ruilplan de grootste moeilijkheden, en Frankrijk nam tegen Harris' verwachting aan de verwikkelingen die hieruit ontstonden niet openlijk deel, goede reden voor Engeland om dit evenmin te doen. Toch hadden de toetreding van George III als keurvorst van Hannover tot den Duitschen Vorstenbond, en de be-
wustheid van het gevaar dat de belangen van beide mogendheden, Engeland en Pruisen, een oogenblik van dezelfde zijde geloopen hadden, haar gevolgen. Harris achtte het van belang van de voornemens van het pruisische hof op de hoogte te blijven, en omgekeerd een kanaal te hebben, waarlangs hij van de noodzakelijkheid dat Pruisen openlijk voor den Prins partij trok, andere en betere bewijzen zou kunnen aanvoeren dan hij meende dat door Thulemeyer werden overgebracht, in wiens karakter hij niet het minste vertrouwen stelde. De engelsche gezant te Berhjn, Lord Dalrymple, was een uitermate onbetee-kenend man, die de zaken overliet aan den secretaris van legatie, Joseph Ewart. Deze sloot zich te Berlijn nauw bij de partij van Hertzberg en den kroonprins aan, en had met Hertzberg veel persoonlijk verkeer. Harris sloeg hem een geregelde briefwisseling tusschen de engelsche legaties in den Haag en te Berlijn voor, en droeg hem op, allereerst de waarachtige denkwijze des konings omtrent de mogelijkheid eener engelsch-pruisische verstandhouding uit te vorschen, en hem, Harris, van zijn bevinding kennis te geven1). Tot den koning zelven kon Ewart weliswaar niet doordringen, maar Hertzberg legde hem toch vrijwat van het geheim der pruisische staatkunde open. Men was waarlijk niet franschgezind te Berlijn, zeide hij; ook de koning niet, die wel wist dat Frankrijk de begeerte naar den linker Rijnoever nooit geheel opgaf, en die alleen uit noodzaak de fransche regeering ontzag, om niet de coalitie van 1756 tegen zich te zien herleven. Zoolang Rusland zoo eng met den Keizer verbonden was en dus aan Pruisen vijandig gezind, durfde de koning geen daad van vijandschap tegen Frankrijk aan, dat hem onmiddellijk door Jozef en Catharina zou doen verpletteren. Maar Hertzberg hoopte nog altijd dat Rusland tot zijn oude verbond met Pruisen terug zou keeren, zeker onder Catharina's opvolger, en misschien nog bij haar leven. Eerst dan zou Pruisen zijn vrijheid van handelen terug hebben, en daarvan zeker ook gebruik maken om zich
met Engeland te verstaan omtrent de bescherming van het Oranjehuis. Zoolang de koning nog leefde - hij was lichamelijk zeer vervallen, al had hij nog haast al zijn oude geestkracht - moest Engeland de zaken niet willen dwingen: een oorlog te voeren terwijl de koning op zijn sterfbed lag, was voor Pruisen al te gevaarlijk, maar onder Frederiks opvolger zou hij, Hertzberg, openlijk de goede verstandhouding met Engeland voorstaan. Reeds nu scheen de Prins van Pruisen van zulke verstandhouding niet afkeerig. Men moest dus de beide regeeringen vast op zoo goeden voet met elkander zien te brengen als de omstandigheden toelieten; spoedig misschien zou men verder kunnen gaan1).
Harris ontving dezen brief niet in den Haag, maar in Engeland. Een oom van hem was gestorven en had hem tot executeur-testamentair benoemd2); hij had deze gelegenheid gaarne aangegrepen om verlof te verzoeken, want hij meende het terrein nu genoeg te hebben verkend in de Republiek, en kon er zonder bezwaar worden gemist, zoolang hij toch geen vrijheid had iets anders te zijn dan opmerkzaam toeschouwer. Hij hoopte tijdens zijn verblijf in Engeland de regeering te bewegen, hem wat meer de vrije hand te laten dan tot nu toe. Het verlof werd toegestaan, en in het laatst van Maart vertrok hij; eerst vier maanden later is hij teruggekeerd. In dien tusschenlijd deelde hij de berichten van Ewart aan Lord Carmarthen mee, en wist te verkrijgen dat Ewart thans uitdrukkelijk door het ministerie gelast werd, de nadere verstandhouding tusschen Pruisen en Engeland bij den koning zelf ter sprake te brengen, en dezen voor te stellen van den Vorstenbond door opneming van Engeland en de Republiek een europeesch statenverbond te maken, waardoor de geheele onderwerping van de Republiek aan Frankrijk, en de ondergang van het huis van Oranje, konden worden voorkomen. Het antwoord was afwijzend: de koning wilde vooralsnog niet verder komen dan tot een overleg in duitsche zaken met den keurvorst van Hannover. Tot een samengaan in europeesche zaken, met name in die van de Republiek, verklaarde hij zich ongenegen. Althans hij stelde uit: la poire n'étoit pas mûre zeide hij; eerst moest men Frankrijk den vrede tusschen de Republiek en den Keizer laten bemiddelen3). Frederik wees
hier zeer juist aan, waar voor Engeland de groote moeilijkheid lag. Liet men toe dat de vrede met den Keizer door Frankrijks bemoeiing tot stand kwam, dan werd de alliantie, die men gaarne verijdeld zag, onvermijdelijk een feit; maakte men daarentegen geen bezwaar om de onderhandeling te Parijs te doen mislukken, dan moest men zelf den Keizer tot rede brengen, waartoe men de middelen niet had of althans niet wilde aanwenden. Harris is deze moeilijkheid niet te boven gekomen; hij vond zijn regeering, hoewel iets minder schroomvallig dan een half jaar geleden, nog altijd overtuigd dat alle kans op oorlog zorgvuldig moest worden vermeden. Echter kreeg hij volmacht, om van nu aan de fransche partij te bestoken zooveel geschieden kon zonder Engeland openlijk met Frankrijk te doen breken; kwam de alliantie tot stand, dan moest men over een goed georganiseerde partij kunnen beschikken, die elken maatregel, als uitvloeisel van dat verbond voorgesteld kon bemoeilijken, zoo niet verijdelen. Er was geen tijd te verliezen wanneer men over eenige maanden op zulk een partij steunen wilde; onmiddellijk moest de kern er van bijeen worden gebracht en voorbereid tot de taak die haar wachtte1).
In de allerlaatste dagen van Juli kwam Harris in den Haag terug. Wilde hij nu van de oranjepartij iets gedaan krijgen, dan was het noodzakelijk dat hij allereerst aan het hof gehoor vond, en liever dan bij den Prins, die slechts te klagen verstond, bij de Prinses, die ook het handelen niet versmaadde. Maar haar vertrouwen te winnen zonder dat van haar gemaal te verliezen was uiterst moeilijk. Het trof, dat hij haar bij zijn terugkomst in den Haag alleen vond; de Prins was nog te Breda, zij reeds van daar teruggekeerd2). Ook afgezien van deze toevalligheid was het oogenblik om haar te naderen thans Harris veel gunstiger dan een half jaar geleden. Toen koesterde zij van de uitsluitende bemoeiingen van Pruisen nog eenige hoop, en zag met ongeduld de terugkomst van den Rijngraaf tegemoet; thans geloofde zij niet meer in dezen, was door haar oom opnieuw grievend teleurgesteld, en reeds uit zichzelve tot het inzicht gekomen, dat zij de overgebleven vrienden van het huis om zich
verzamelen en tot den strijd voorbereiden moest. De gebeurtenissen in Europa hadden haar hoop op een eindelijk samengaan van Pruisen met Engeland ook sterk verlevendigd. Hertzberg had haar zeer in het kort gemeld, welke moeite Ewart zich onlangs gegeven had1). Haar nieuwsgierigheid was sterk geprikkeld; onmiddellijk na Harris' terugkeer greep zij de eerste gelegenheid de beste aan, om dezen in een gesprek over staatszaken te wikkelen, wat zij te voren nimmer had gedaan; ja zelfs had zij voorheen nooit toegelaten dat hij van zijn kant die aanroerde in haar tegenwoordigheid. Er volgde een zeer belangrijk onderhoud, waarvan elk van beiden zich haastte verslag te geven, de eene aan haar oom, de ander aan Lord Carmarthen2). Harris deelde haar van de in Mei met Frederik de Groote gevoerde onderhandeling zooveel mee als hijzelf er van wist, en zeide dat zijn regeering de zaken anders inzag dan de koning van Pruisen: begon men niet op staanden voet tegen de fransche plannen een stellig verzet te plegen, dan zou men de noodlottige uitvoering er van spoedig niet meer kunnen tegenhouden. Men moest de patriotten bevreesd maken, dat zij met Engeland en Pruisen te doen zouden krijgen; niets ook dan het vooruitzicht van den steun dezer beide mogendheden zou de vrienden van den Prins bewegen, zich krachtig te weer te stellen. - De Prinses stemde hiermee in, maar gaf weinig hoop dat haar oom van gedrag zou veranderen. Wel meende zij dat hij zware grieven tegen Frankrijk had, en deze mogendheid nog altijd verdacht van het met den Keizer eens te zijn omtrent het beiersche ruilplan. - Zij wist nu wat zij weten wilde: Engeland was, in onderscheiding van
vroeger, bereid zich te zamen met Pruisen in onze zaken te mengen, zoodra haar oom het toestond. Voorloopig moest Harris zich nog blijven gedragen als hij in het voorjaar had gedaan, verzocht zij. Kon het thans gehouden gesprek eenig goed gevolg hebben, dan zou zij hem wel ontbieden.
Aan den koning stelde zij het gebeurde voor als volgt: Harris had haar na zijn terugkeer om een onderhoud verzocht, en zeide hiertoe gelast te zijn door zijn regeering. Hij had haar verzekerd dat Engeland even veel voor de zaak van den Stadhouder over had als immer, en thans met voldoening bespeurde dat ook Pruisen geneigd scheen die krachtiger voor te staan dan vroeger, en zich daaromtrent met Engeland te verstaan. Zij had hem gewaarschuwd zich van de veranderde zienswijze van haar oom nog niet te veel te beloven, en gezegd dat men zoover zij wist te Potsdam oordeelde dat een beter tijd moest worden afgewacht, om een aanvallende tactiek tegen Frankrijk en de patriotten te beproeven. Hierna deed zij verslag van de door Harris aangevoerde redenen om dit gevoelen te ontzenuwen: weldra zou het te laat zijn; het was dringend noodig van het toenemend ongenoegen tegen de regeering der pensionarissen partij te trekken; het moest de vrienden van het Oranjehuis niet langer aan leiding ontbreken; zij zouden verstrooid en vreesachtig blijven, zoolang zij niet zeker waren dat Engeland en Pruisen hen evenzeer zouden beschermen, als Frankrijk het de patriotten deed. Harris had verzocht dat zij deze redenen onder het oog des konings zou brengen, opdat deze zou kunnen openbaren in hoeverre hij er mee instemde. Zij hoopte dat de koning een antwoord zou willen zenden, dat aan Harris kon worden medegedeeld, liefst letterlijk.
Van dit antwoord hing veel af. Niet dat het twijfelachtig zijn kon in welken geest het zou worden uitgebracht, maar het zou ditmaal voor Harris en de Prinses beiden aanleiding moeten zijn hun gedrag voor de toekomst te bepalen. Weigerde de koning, dan zou Harris zijn gang moeten gaan alleen, zonder zich vooralsnog van Pruisen iets goeds te beloven, Voor de Prinses ging dan een moeilijke strijd aanbreken. Harris zou haar zeker niet loslaten, en zij zou te kiezen hebben tusschen hem en haar oom.
Den 18den Augustus had zij met Harris een tweede vertrouwelijk onderhoud1). Er was nog geen antwoord, maar zij ver-
wachtte het vóór Dinsdag den 23sten, en bescheidde hem op dien dag te narent om van den inhoud kennis te nemen. Des Maandags echter, den 22sten, ontving hij van haar een kort afzeggen: het antwoord was gekomen, maar zij achtte het beter hem niet te ontmoeten, dan op het hofbal dat des Woensdags stond gegeven te worden1). Hieruit bleek Harris al genoeg, in welken geest de koning geantwoord had; hij moest haar zelfs alle persoonlijk verkeer met den engelschen gezant ten sterkste hebben ontraden. Op het bal vond zij gelegenheid hem het een en ander uit 's konings brief mede te deelen: haar oom had geweigerd zich anders dan tot nu toe met de zaken der Republiek in te laten, en predikte geduld en berusting, een woord zeide zij, qui lui serrait le coeur2). Niettegenstaande 's konings waarschuwing stond zij Harris toch spoedig weer een geheim onderhoud toe, in den tuin van het Huis ten Bosch. Daar moest van alle kanten gewerkt worden, zeide zij, om den koning tot een ander inzicht te brengen; Engeland moest niet ophouden hem te vermanen, 't zij door Ewart, 't zij op andere wijze3). Harris stemde hierin gaarne toe: niet dat hij er iets anders dan teleurstelling van verwachtte, maar juist deze zou zoo grievend mogelijk moeten zijn, wanneer hij zijn doel bij de Prinses bereiken wilde en zich voor goed van haar vertrouwen meester maken4).
Wij bezitten 's konings schrijven niet, dat haar tot zoo groote voorzichtigheid in haar omgang met Harris vermaande. Het gemis er van wordt door een ander stuk vergoed, dat van Frederiks houding een allerduidelijkste verdediging bevat uit zijn eigen mond. Nog eenmaal had de engelsche regeering zich tot hem gewend, ditmaal door een vertrouwd persoon te zenden buiten de gewone diplomatie om. In het gevolg van den hertog van York, tweeden zoon van George III, woonden eenige engelsche officieren de pruisische herfstmanoeuvres in Silezië bij. Een van hen, Lord Cornwallis, een generaal van aanzien, had in
opdracht, naar 's konings denkbeelden omtrent de mogelijkheid eener nauwere aaneensluiting van beide staten nogmaals een onderzoek in te stellen. Tijdens de manoeuvres vond hij geen gelegenheid daartoe, maar hij keerde met Frederik naar Sans-Souci terug, waar hem het verlangde onderhoud zonder bezwaar werd toegestaan. De koning was zeer duidelijk, als om verdere aanzoeken eens voor al af te snijden. Hijzelf en Engeland stonden geïsoleerd in Europa; tegen hem waren Frankrijk, Oostenrijk en Rusland, tegen Engeland Frankrijk, Spanje en de Republiek verbonden. Een engelsch-pruisische alliantie zou niets uitrichten dan Engeland den pas geëindigden oorlog ter zee, hem den zevenjarigen oorlog terug te bezorgen. Eéns had hij gewaagd en gewonnen, maar het was geen spel om het een tweede maal te wagen. Bij Rusland moest men aankloppen, niet bij hem. Zoodra Catharina zich voor een triple-alliantie met Engeland en Pruisen verklaard had, wilde hij die teekenen. Zoo niet, dan moesten hij en Engeland eenvoudig' vrienden blijven, bereid elkaar van dienst te zijn zoo dikwijls het eigen belang daaronder niet behoefde te lijden. De versterking van het geschokte nationaal crediet, en de verijdeling van Frankrijks aanslagen in Indië en Ierland, waren voorhands de beste diensten die Engeland zichzelven en daardoor ook hem bewijzen kon. In de Republiek daarentegen was nog zeer weinig te bereiken. Het was laster dat hij haar aan Frankrijk onderwerpen wilde, dit ware evenzeer tegen zijn belang als tegen dat van Engeland; maar hij kon eenvoudig niet meer doen dan hij deed: Frankrijk en de patriotten tot matiging vermanen. Om met geweld iets in de Republiek te bereiken moest men eerst de middelen bijeen hebben: een volksopstand zou door de fransche en oostenrijksche troepen die in de nabijheid waren, worden nedergeworpen, vóór hij of Engeland het konden verhinderen. Hij achtte in de gegeven omstandigheden het gedrag van Engelands gezant in de Republiek zelfs onverantwoordelijk; het zou bij de eerste ontdekking de beste slechts nadeel doen1).
Dit gesprek met Lord Cornwallis had plaats op den 17den September. Als om 's konings slotvoorspelling te bewaarheiden, kwam den volgenden ochtend een koerier van Thulemeyer aan met
de onheilspellendste berichten. De patriotten hadden den Prins het bevel over het haagsche garnizoen ontnomen, en den dag daarop was de pruisische gezant getuige geweest van een heftig tooneel tusschen den Prins en de Prinses. De Prins had zich een oogenblik door zijn drift laten beheerschen, en in Thulemeyer's tegenwoordigheid van zijn gemalin geeischt, dat zij en de kinderen met hem het land verlaten zouden. In naam zijns meesters had Thulemeyer zich tegen zulk een wanhopig plan verzet, althans voor zoover betrof het vertrek van de Prinses en haar kinderen. De Prins zeide dat men naar zijn leven stond, en hem in een proces wikkelen zou als hij in den Haag bleef; verliet hij daarentegen met zijn gansche gezin het land, dan zou het volk opstaan en hem in triumf terugbrengen. De Prinses had niet minder dan Thulemeyer haar best gedaan, hem van zulk een noodlottig voornemen af te brengen, en zij waren er althans in geslaagd hem te doen beloven dat hij nog eenige dagen met de uitvoering er van wachten zou1).
Op den ochtend van 18 September kwam dit bericht Hertzberg in handen. De koerier had ook een schrijven van de Prinses aan haar broeder medegebracht, waarin van dezelfde scène verslag werd gedaan2); Hertzberg verzocht Ewart dezen brief naar Potsdam te willen brengen, waar zich de koning en de kroonprins bevonden. Zoowel bij den minister als bij de koninklijke personen bracht het bericht geen geringe ontsteltenis te weeg; alle drie waren het er over eens dat men in geen geval de
Prinses en de kinderen uit het land mocht laten gaan, Hertzberg ried aan, den Prins niet tegen te houden als hij dan volstrekt heengaan wilde; de Prinses moest als Gouvernante achterblijven en met de pensionarissen trachten te regeeren; hij wist dat zij. bereid zouden worden gevonden haar in die nieuwe waardigheid te erkennen1). Nog sterker drukte zich de kroonprins uit: hij noemde 's Prinsen vertrek bepaald noodzakelijk, en meende dat zonder zijn althans tijdelijke verwijdering geen heil te wachten was: het zou spoedig blijken hoezeer de Prinses, alleen gelaten, het algemeene vertrouwen genoot2). De koning zag scherper: als het eenigszins vermeden kon worden, raadde hij, moest zij zich niet scheiden van haar man: de patriotten begeerden zeker niets liever, omdat zij wisten dat daarna de zegepraal hun des te gemakkelijker zou vallen. Hij beloofde zijn voorspraak bij de Staten en bij het fransche hof, al wat hij beloven kon. Opnieuw waarschuwde hij de Prinses tegen Harris, wiens intrigues hij als de aanleidende oorzaak van dit nieuwe onheil beschouwde3). Aan Hertzberg beval hij, zonder verwijl brieven op te stellen aan de Staten van Holland en aan de Staten-Generaal, die nog dien eigen dag geteekend en afgezonden werden. Zij hielden een betuiging van verwondering en leedwezen in; de Staten van Holland werden dringend verzocht den Prins bij zijn erfelijke rechten van Erfstadhouder, Kapitein-en Admiraal-Generaal te handhaven, en hem het ontnomen commando terug te geven. Moest tot herstel der eendracht naar de meening der Staten een verandering gemaakt worden in het bestuur, dan moest men zich daarover met den Prins verstaan, ‘zonder krenking zijner rechten’. Kon de koning van Pruisen tot dit herstel bijdragen door zijn bemiddeling, dan bood hij die gaarne aan. Aan de Staten-Generaal werd gelijke verzekering gegeven, onder verzoek dat zij bij Holland op teruggave van het commando, en op een goede verstandhouding tot den Prins, zouden aandringen4).
Daar bevond zich op dit oogenblik nog een ander invloedrijk persoon te Potsdam, de regeerende hertog van Brunswijk, bloedverwant van het koninklijk huis en in hooge achting bij den koning, in wiens leger hij diende als generaal der infanterie.
Ook in andere dan zuiver militaire zaken werd zijn advies op prijs gesteld; zoo had hij een groot aandeel genomen in de oprichting van den Duitschen Vorstenhond, en gold eenigermate voor een pruisisch staatsman even goed als de ministers. Ook hij was van oordeel dat het tijd was thans uitsluitend aan de Prinses en haar kinderen te denken, en verlangde dat Hertzberg terstond het een en ander op het papier zou brengen, dat aan de pruisische bemiddeling ten grondslag zou kunnen worden gelegd; de Prinses moest in ieder geval blijven, en het was nu wellicht de juiste tijd, om haar positie op een vasten voet te stellen. Toen Ewart met deze opdracht bij Hertzberg aankwam, had deze juist een bezoek van Van Reede ontvangen, die opnieuw op een onderhandeling met de patriotten was komen aandringen, en zich aanbevolen had om daarin te worden gebruikt. De Gijselaar en Pieter Paulus, had hij verzekerd, verlangden niets liever dan zulk een onderhandeling, maar hadden opnieuw betuigd haar nimmer met Thulemeyer te willen voeren; er moest dus naar een ander worden omgezien1).
Hertzberg had spoedig eenige punten opgesteld, die door Ewart aan den Prins van Pruisen en aan den Hertog van Brunswijk werden voorgelegd en hun goedkeuring verwierven. De laatste nam op zich ze met den koning te bespreken, en keerde terug met de verzekering dat Zijne Majesteit er geheel mee instemde. Als het huis van Oranje behouden wilde blijven, moest het een groot deel van zijn rechten opofferen, had de koning gezegd, en het zou misschien nog het minst verliezen als de Prins zich tijdelijk verwijderde. Aan de Prinses had hij anders geschreven, zagen wij; de onderstelling ligt voor de hand, dat hij van de gansche bemiddeling zeer weinig verwacht heeft, maar zich niet tegen den algemeenen aandrang heeft willen verzetten en den schijn van hardvochtigheid heeft willen ontgaan2). Het plan werd dus door Hertzberg aan de Prinses, en, in uittreksel, door Van Reede aan de pensionarissen medegedeeld. Wij zien er uit hoeveel van Salms voorstellen bij Hertzberg was bezonken. Hoofdzaak was de instelling van een openbaren Raad die den Prins in de uitoefening zijner hooge ambten zou bijstaan, en waarin de driemannen zitting hebben zouden. Kregen zij deel aan de uitvoerende
macht, dan zouden zij deze niet langer willen vernietigen. De Raad zou worden voorgezeten door den Prins en de Prinses gezamenlijk, en dus bij vertrek of weigering van den eerste, door de Prinses alleen. Alle rechten die den Stadhouder niet uitdrukkelijk in 1747 waren opgedragen, zouden vervallen. Namen de Staten de aangeboden bemiddeling van Pruisen aan, dan beloofde de koning een onderhandelaar te zullen aanwijzen die het vertrouwen van beide partijen genoot (m.a.w. hij zou Thulemeyer voorbijgaan). Men moest ten spoedigste zekerheid zien te verkrijgen, of de pensionarissen werkelijk een onderhandeling begeerden; een verzoening met den Stadhouder moest hun als wenschelijk worden voorgehouden, daar anders de democratie ook hun spoedig te machtig blijken zou1).
De Prinses had intusschen vóór dit stuk haar bereikte eenige moeilijke dagen doorleefd. De Prins sprak wel niet meer van het land te verlaten, maar na de resolutie van 8 September was het verblijf in den Haag hem een te groote ergernis geworden dan dat hij niet gaarne uit de mogelijkheid van een aanstaande breuk met den Keizer aanleiding nam om nogmaals naar Breda te vertrekken. De reis naar Friesland gaf hij er voor op; de Prinses zou zich met de kinderen alleen daarheen begeven. Op den 15den was haar vertrek zoowel als dat van den Prins bepaald; den avond te voren had zij een laatste onderhoud met Harris. Het zou nu wel spoedig afloopen met het huis van Oranje, zeide zij; gelukkig waren haar kinderen nog te jong om te beseffen wat zij verloren; zij hoopte hen eenmaal gelukkig te zien in een bescheidener levenslot dan eenmaal in de Republiek voor hen had weggelegd geschenen. Zich van haar man scheiden wilde zij niet, zij behoorde zijn ongeluk te deelen, en wilde trachten het te dragen met berusting2). Op zijn aan-
houden bekende zij Harris, dat dien eigen dag Maillebois haar voorgesteld had den Prins op te geven. Eenmaal met haar hulp aan het hoofd van het leger gesteld, zou hij haar een macht bezorgen, die niet voor die van den Stadhouder behoefde onder te doen1). Ook Pieter Paulus had haar bezocht, en zijn vroeger voorstel herhaald van vereeniging met de patriotten tegen de aristocraten, mits het hof ettelijke van de rechten van 1747 opofferde, en er in toestemde dat de macht van den Stadhouder op nieuwen grondslag werd opgebouwd2). Harris deed wat hij kon om haar afkeer van elke onderhandeling met een van den geheimen raad der patriotsche partij te versterken.
Den volgenden morgen in de vroegte vertrok zij. Haar eerste taak was nu, met een vriendelijk voorkomen de wankelende friesche aristocratie te bejegenen, en haar zachtkens over te halen zich aan te sluiten bij de stadhouderlijke partij. De ontvangst te Leeuwarden viel mede; het volk juichte toe, en de regeering was althans hoffelijk. De houding van Zeeland en Gelderland, beide sedert Harris' terugkeer in Juli ijverig door diens agenten bewerkt, gaf gedurig meer reden tot tevredenheid; mocht het haar nu gelukken Friesland te winnen, dan was althans een goede kern voor een actieve stadhouderlijke partij gevormd. Ondertusschen kwam het bericht dat de preliminairen te Parijs geteekend waren; de Prins kon dus niet langer met voeg te Breda bij de troepen blijven. Harris verzocht hem zich van daar naar Zeeland te begeven, waar zijn tegenwoordigheid misschien eenige beweging zou doen ontstaan, waarvan gebruik te maken ware om het verzet dat eenige zeeuwsche steden nog altijd tegen de prinsgezinde meerderheid volhielden, te breken3). Maar de Prins hield zich aan het oudere plan en voegde zich bij de Prinses te Leeuwarden, waar hij den 4den October verscheen. Even te voren had hier de Prinses al het geschrijf uit Berlijn ontvangen4). Het kwam haar te stade dat zij nog alleen was, ook
buiten aanraking met den pruisischen gezant en de leiders der patriotten, zij kon nu te vrijer op alles antwoorden, en had zich. gehaast het te doen voor de aankomst van den Prins. Den voorslag van haar broeder wees zij kortweg af; mocht ooit de Prins vrijwillig heengaan, zeker zou zij blijven, maar zij beschouwde zulk een scheiding als een ramp voor het huis, en zou alles doen om die te voorkomen. De Prins van Pruisen moest zich ook geen valsche voorstellingen maken van haar populariteit bij de patriotten: eenmaal Gouvernante, zou zij met evenveel smaad worden overladen als thans haar gemaal1). Hetzelfde antwoordde zij aan Hertzberg. Ook wilde zij naast den Prins geen mederegent zijn, dit zou de oppositie niet bevredigen en de oranjepartij verdeelen. Een publieke raad als Hertzberg verlangde zou in botsing komen met verschillende staatscollegiën; voor zulk een nieuw lichaam was in de Republiek zooals zij samengesteld was geen plaats. De pensionarissen beschikten thans, ten gevolge van de onbeduidendheid van Van Bleiswijk en van de verwijdering tusschen den Prins en de hollandsche vroedschappen, over een gansch abnormale macht, die niet bevestigd moest worden door hen aan het hoofd te stellen van een publiek regeeringslichaam. De Prins moest zeker een geregelde wijs van werken aannemen en had daartoe een klein door hem zelf gekozen kabinet noodig, maar de Staten moesten op de samenstelling daarvan geen invloed hebben.
Over den tweeden voorslag, opoffering van al wat niet in 1747 en '48 uitdrukkelijk aan den Stadhouder was opgedragen, dacht zij gunstiger. Die opoffering beteekende dan ook veel minder dan men zich te Berlijn voorstelde, waar men de stadhouderlijke macht als voor een groot deel geusurpeerd beschouwde. Spraken de patriotten van usurpatie, dan bedoelden zij ettelijke van de bij resolutiën en reglementen uit den tijd van Willem IV gewaarborgde rechten zelf; de resolutiën van Jan de Witt waren voor hen de norm. Al zulke misverstanden, meende de Prinses, waren het best uit den weg te ruimen bij een overkomst van Hertzberg, waarop zij bij den koning nogmaals aandrong. De pruisische bemiddeling, vreesde zij, zou wel niet worden aangenomen, tenzij men Frankrijk bewoog haar bij de patriotten aan te be-
velen. En zoo Frankrijk weigerde, was er dan van Pruisen nog iets te hopen?1)
Wel mocht zij zoo vragen. De volkomen nutteloosheid van alle vertoogen van Pruisen moest weldra blijken, nu de pensionarissen de zekerheid hadden dat de Prinses niet houden zou wat hun van uit Berlijn aan verlokkende beloften was voorgespiegeld. De officieuse toelichting der pruisische memorie, hun door Thulemeyer en door Van Reede geworden, was hun niettemin welkom. Zij bevestigde wat in het begin van het jaar Salm verzekerd had: dat men aan enkele krasse uitdrukkingen in de openbare stukken der pruisische kanselarij niet te veel waarde hechten moest, want dat de koning die stukken meest uitvaardigde om er zich op te kunnen beroepen tegenover de Prinses. Zoo durfden de Staten van Holland eerlang opnieuw een hooghartig antwoord geven: Zijne Majesteit moest verkeerd zijn ingelicht; zij hadden tot de resolutie van 8 September een onbetwistbaar recht, en zouden meenen de achting te moeten verliezen van een vorst die, gelijk hij, de rechten aan den Soeverein toekomende zoo wel kende, wanneer zij niet met alle nauwlettendheid waakten over de hunne. Betreffende de aangeboden bemiddeling geen woord2). - De uitkomst maakte hun hoogmoed niet te schande: de pruisische regeering verdroeg dit antwoord en zweeg3). Bij de Staten-Generaal echter (die zijn brief van 18 September nog niet beantwoord hadden), bood de koning nogmaals zijn diensten aan om tot een verzoening der partijen te geraken, zoo noodig ‘met medewerking van Mogendheden, met welke de Republiek in vriendschap’
was1). Evenmin als op den vorigen brief heeft hij er een antwoord op ontvangen. Intusschen had hij duidelijk te verstaan gegeven, dat hij zich niet met onze zaken bemoeien zou dan voor zoover Frankrijk het hem vergunde; de patriotten hielden zich weer voor onbepaalden tijd gerust. Nu zijn bemiddelingsvoorstel niet aangenomen was wilde de koning Hertzberg ook niet laten vertrekken, en deze zelf achtte zijn overkomst ook niet gewenscht: hij zou de Prinses meer van nut kunnen zijn te Berlijn, en diende daar op zijn post te blijven, want de koning kon elk oogenblik sterven. Tot diens dood toe moest men het bestaan van het Stadhouderschap zien te rekken, schreef hij haar, en dan verder zien.' Achtte de Prinses desniettegenstaande thans reeds de komst van een buitengewoon pruisisch gezant noodig, dan kon zij om graaf Goertz vragen, Frederiks vertegenwoordiger te Sint-Petersburg, die op het oogenblik met verlof te Berlijn was en niet gaarne naar zijn oude standplaats terug zou keeren2). De Prinses, beseffende dat in deze omstandigheden verdere bemoeiingen van Pruisen vruchteloos moesten blijven, besloot wijselijk liever den dood des konings af te wachten, en heeft niet om graaf Goertz gevraagd.
Onderwijl had Harris, nu voor de zooveelste maal gebleken was dat Pruisen machteloos of althans onwillig was iets voor den Prins te doen, de gelegenheid niet verzuimd om te trachten het hof tot zijn inzichten over te halen. Nu hij het niet meer in persoon kon doen, deed hij het in geschrifte. De verwijdering der vorstelijke personen uit den Haag was den pensionarissen hoogst onaangenaam; het volk en de haagsche neringdoenden morden, en met schrik zagen de driemannen de mogelijkheid vooruit, dat de Prins openlijk verklaren zou, niet in zijn residentie terug te willen keeren, voor en aleer de resolutie van 8 September was ingetrokken. Zij hadden hem in den Haag noodig, om hem daar verder van zijn rechten te berooven, zoodra Frankrijk hun de steeds uitgestelde wettelijke bevestiging van hun binnenlandsch systeem vergunde. Hij mocht niet ergens in de buitenprovinciën den martelaar spelen, tegen elk besluit dat verder te zijnen nadeele mocht genomen worden protesteerend, en een centrum van tegenstand scheppend, van waar uit hij of een ander later Holland in oproer zou
kunnen brengen. Zij wilden hem onder hun bereik houden. Te minder waren zij met zijn vertrek ingenomen, nu de Prinses zich niet van hem had willen scheiden. Mogen wij Harris gelooven, dan waren de pensionarissen het onderling in zóóverre oneens, dat Van Berckel en Zeeberg den Prins handhaven wilden, omdat zij overtuigd waren dat niemand op den duur de zaak van het Stadhouderschap zooveel afbreuk zou doen als deze zelf; De Gijselaar daarentegen en Pieter Paulus zouden hebben gemeend, dat men de gewenschte hervormingen beter onder een regentschap van de Prinses kon invoeren1). Maar alle vier moesten evenzeer worden teleurgesteld, als Prins en Prinses vereenigd bleven en in vrijwillige ballingschap, buiten Holland, maar niet buiten de Republiek.
Harris verlangde nu, dat beiden het vaste besluit zouden nemen, niet naar den Haag terug te keeren vóór zij er konden komen in triomf. Zulk een besluit zou een beroep zijn op het volk, en het volk zou antwoorden op den langen duur. Het meest kon thans voor, niet door den Stadhouder worden gedaan. Er behoorden zedelijke moed en een helder inzicht toe om zulk een besluit te durven kenbaar maken; Harris begreep, dat na eenigen tijd allerlei invloeden op het hof zouden werken om het naar zijn gewone residentie terug te drijven: de vrees dat de goede gevolgen van de vrijwillige ballingschap uit zouden blijven, en men intusschen in Holland dagelijks meer leeren zou het zonder Stadhouder te stellen; de intrigues der tegenpartij, die niet geheel zonder verstandhouding was met personen in 's Prinsen omgeving; de raadgevingen der pruisische regeering, die, op een afstand van de gebeurtenissen geplaatst, deze niet in haar ware verhoudingen zou vermogen te zien, en kortzichtige geraaktheid zou onderstellen waar in werkelijkheid goed beleid aanwezig was; de onbehaaglijkheid eindelijk van het winterverblijf buiten, en duizend redenen van alledaagsch belang, die om haar menigvuldigheid gevaarlijk konden worden2).
Harris moest dus zorgen voor tegengif. Gelukkig voor hem, vond hij nu eindelijk steun bij zijn regeering. Het ook te Londen doorgedrongen gerucht van 's Prinsen aanstaande abdicatie had deze niet weinig doen schrikken. De Prins zou zich verachtelijk maken zoo hij er aan toegaf, schreef Lord Carmarthen. Ook zijn terugkeer naar den Haag was in de tegenwoordige omstandigheden te ontraden: men achtte het integendeel noodig dat de Prins een openlijke, gemotiveerde verklaring deed van zijn voornemen om er niet weer te verschijnen zoolang de resolutie van 8 September gehandhaafd bleef1). Nog nimmer had de minister een zóó verstaanbare dépêche geschreven; de vorige waren altijd in algemeene bewoordingen vervat geweest, die Harris wel in zekere mate de handen ruim lieten, maar hem omgekeerd ook niets boden waarmede hij zijn verzekeringen aan den Prins en de oranjepartij kon staven; en het was zoozeer een publiek geheim dat Pitt zich niet te zeer met de zaken van het vasteland bemoeien wilde, dat de tegenpartij Harris reeds meermalen voor een dolleman had uitgemaakt, die t' avond of te morgen door zijn eigen regeering stond te worden beschaamd. Hij zond nu Lord Carmarthens dépêche naar Leeuwarden, met eenige kleine maar niet onbelangrijke wijzigingen: had de minister alleen van het ongewenschte van 's Prinsen terugkeer gesproken, hij stelde voor ‘Prins’ overal ‘stadhouderlijke familie’ in de plaats; in den aanhef verzachtte hij eenige voor den Prins kwetsende uitdrukkingen, en gaf hoop dat Engeland, zoodra de omstandigheden het toelieten, met daden hem zijn goeden wil zou toonen. Harris kon het stuk nu niet langer een dépêche van Lord Carmarthen noemen, maar gaf in een begeleidenden brief toch te kennen, dat het de meening uitdrukte der engelsche regeering, die hoopte dat de daarin aangegeven gedragslijn door den Prins en de Prinses mocht worden gevolgd2). Zelf drong hij haar nog in krachtige
bewoordingen aan, die er op berekend waren, wat er in den Prins aan eergevoel en plichtbesef schuilen mocht, te doen boven komen1).
De engelsche regeering, inziende dat in omstandigheden als die van thans veel aan het juister inzicht en de meerdere kennis van haar gezant moest worden overgelaten, keurde het niet af dat Harris zijn bevelen overschreden had. Minder kon hij tevreden zijn met de uitwerking van zijn brief ten hove: de Prins antwoordde niet, en de Prinses anders dan Harris gehoopt had. De ambtsplichten van den Prins, meende zij, riepen dezen toch naar de plaats waar de algemeene regeering gevestigd was; hoe langer men haar uitstelde, hoe moeilijker de terugkeer vallen zou2). Harris vermoedde, gelijk ook werkelijk het geval was, dat zij van uit Berlijn gedurig werd aangespoord met den Prins naar den Haag terug te keeren, zoodra zijn eer het maar eenigszins toeliet; Pruisens gezant te Parijs, baron von Goltz, had in last, bij Vergennes uit te werken dat aan de haagsche commando. zaak zulk een draai werd gegeven, dat het uitvaardigen der dagelijksche bevelen den Prins verzekerd bleef. Ook begon de afdoening van zaken onder 's Prinsen afwezigheid zeer te lijden: de staat van oorlog voor 1786 was in bewerking, en er moesten door den Raad van State beslissingen genomen worden in eenige militaire aangelegenheden van gewicht, als de afdanking van een deel der troepen na den vrede met den Keizer, en de verdeeling in garnizoenen van de corpsen die in dienst werden gehouden. Steeds placht de Raad den staat van oorlog op te maken in mondeling overleg met den opperbevelhebber, en door
louter schriftelijk verkeer was kwalijk in de behoefte aan gedachtenwisseling te voorzien. De Thesaurier-Generaal beklaagde zich dan ook hevig over 's Prinsen wegblijven; mocht de Prinses toestaan, dat haar gemaal de zoo dikwerf geuite beschuldiging van nalatigheid in de behartiging van zijn ambtsplichten zou schijnen te rechtvaardigen?
De Prins zelf - intusschen met zijn gezin van Leeuwarden naar Groningen getrokken - had in den terugkeer al zeer weinig lust. Toch durfde hij zich niet aan Harris overgeven. De gansche wereld schreef aan zijn vroeger dusgenaamd heulen met Engeland zijn verderf toe, en in de laatste jaren had hij zich voor niets zorgvuldiger gewacht dan aan zijn nimmer veranderde engelschgezindheid lucht te geven. Zoo durfde hij ook thans nog geen openlijk verzet tegen de fransche alliantie aan, en werkte Harris zelfs tegen bij diens pogingen om door de weigering van vier provinciën de ratificatie van het tractaat te doen mislukken (blz. 59). Maar hij verwachtte eigenlijk niet dat deze terughouding hem nog baten zou. Hij was geheel terneergeslagen en kwam aldoor weer op het vertrek naar Dillenburg terug1). Stadhouder blijven bij de genade en op de voorwaarden van Van Berckel en De Gijselaar wilde hij nimmer, wèl alles opgeven. Tot wachten en strijden ontbrak hem de kracht. Hij was echter te weinig energiek om zijn neiging te volgen en werkelijk eensklaps heen te gaan zooals hij zoo dikwijls dreigde te zullen doen. Van provincie naar provincie liet hij zich voortsleepen; hij is in deze laatste jaren van den patriottentijd eigenlijk minder een persoon dan een zaak, die zorgvuldig wordt bewaakt omdat zij voor anderen van waarde is.
Voor het oogenblik scheen op aandrang der Prinses toch tot terugkeer naar den Haag besloten2). Maar tal van teekenen bleven zonder ophouden waarschuwen tegen tenuitvoerlegging
van dit besluit. Allerlei voor den Prins kwetsende maatregelen waren na zijn vertrek in de Staten van Holland ter sprake gekomen: het verwijderen van zijn wapen van de vaandels der Hollandsche Garde; een voorschrift om zoo dikwijls de Staten vergaderd waren alleen aan haar leden militaire eerbewijzen te brengen; het opheffen van 's Prinsen vrijdom van belasting voor zijn goederen binnen de provincie gelegen, met bepaling dat ook zou worden ingevorderd de som, die in de voorafgaande jaren had moeten zijn opgebracht wanneer de vrijstelling nimmer verleend ware. Geen van al die zaken was echter nog tot conclusie gebracht; het scheen of men hem eerst weer in den Haag begeerde, om hem daarna zoo te krenken dat hij ten tweede male de stad, maar dan ook het land verlaten zou. Steeds had Frankrijk de patriotten gewaarschuwd dat de alliantie gesloten moest zijn, eer een staatshervorming in hun geest mocht worden ondernomen. Zij hadden noode zoo lang gewacht, en zouden nu niet nalaten Vergennes aan zijn woord te houden. Allerlei geruchten van aanstaande resolutiën tot besnoeiing van de macht van den Stadhouder en Kapitein-Generaal deden reeds de ronde. Het voorjaar van 1786 werd in gesprekken openlijk genoemd als tot het voltrekken der patriotsche hervormingen aangewezen. Achtte reeds de Prins de resolutie nopens het haagsche commando onaannemelijk, hoe zou hij zich ooit de latere besluiten laten welgevallen? Hij zou er nimmer in willen toestemmen, en men zou dus spoedig weer voor een geval staan als het huidige, maar intusschen zou de Prins in den Haag tal van nieuwe vernederingen hebben ondergaan, die hem waarschijnlijk voor goed van zijn waardigheden zouden doen afzien. In zulk een geval zou de Prinses van allerlei zijde gedrongen worden den Prins niet te volgen, en zichzelve in het belang harer kinderen moeten laten opdragen wat de patriotten en Frankrijk van de stadhouderlijke macht wilden overlaten. Eer zij er toe overging een overhaasten terugkeer af te dwingen die zulke onaangename gevolgen hebben kon, ware toch wel te overwegen of het plan van Harris niet beter kansen bood.
Harris was een onvermoeid strijder: bij één brief liet hij het niet blijven. Sinds lang had hij van de naaste-toekomst-plannen der pensionarissen bij geruchte vernomen, maar thans ook uit naar hij zich vleide vertrouwbaarder bron. Hij was iemand van groot talent in het opsporen van een anders geheimen, en die daarbij moeite noch kosten ontzag. In het begin van November meende hij het plan dat in het volgend voorjaar zou worden ten uitvoer gebracht in bizonderheden ontdekt te hebben. Aller-
eerst zouden eenige min of meer gegronde bezwaren tegen de wijze waarop de Prins de plichten van het Kapitein- en Admiraalschap-Generaal was nagekomen, op het breedst worden uitge-meten; men zou hem bevreesd maken voor een crimineel proces1), en hem door velerhande krenking en bedreiging het land uitdrijven. Daarna zou men de Prinses uitnoodigen het regentschap op zich te nemen, en haar niet meer macht in handen laten dan noodig was om de regenten te beschermen tegen de burgerijen: zoo zou zij geen recht van gratie hebben, en zich niet mogen bemoeien met de magistraatsbestelling in de steden. De waardigheid van Stadhouder zou erfelijk blijven, maar de jonge prinsen zouden in Frankrijk worden grootgebracht, en de Rijngraaf zou hun voogd zijn. Het Kapitein- en het Admiraalschap-Generaal zouden gedurende het regentschap door anderen dan de Prinses worden waargenomen; het recht van patenten te geven zou voor altijd worden ingetrokken. Dit plan was door Vergennes goedgekeurd, verzekerde Harris, en het stond te vreezen, dat ook de koning van Pruisen er zich niet tegen zou verzetten2). Al wat de gezant er tegen te doen wist, was, opnieuw en nog sterker dan te voren bij den Prins er op aan te dringen, dat deze zich gedragen zou als hij, Harris, had voorgesteld: de Prins moest zich in de provinciën blijven ophouden en openlijk protesteeren tegen elke verdere schending of verkorting van zijn rechten; hij moest zich op het volk beroepen, dat hem niet zonder hulp laten. zou3). Wederom bekwam Harris geen antwoord. Niet ontmoedigd, zond hij thans een der weinige Hagenaars van aanzien die zich geheel te zijner beschikking hadden gesteld, kolonel Bentinck, naar het Loo, waarheen zich nu het hof begeven had, om een onderzoek in te stellen naar de uitwerking zijner brieven. Zoover den Prins aanging was
Bentinck's bericht niet bemoedigend: deze gaf zich nog steeds aan de wanhoop over. De Prinses was en bleef althans tot dit ééne vast besloten, haar gemaal niet te verlaten. Zelfs al mocht de Prins onverhoopt heengaan, dan nog zou zij hem volgen met haar kinderen1). Of zij met Harris' verdere plannen al of niet instemde, gaf zij echter Bentinck niet te kennen. Een oogenblik hoopte de gezant van wel, toen de Prins een wijdloopig stuk uitgaf waarin hij tegen het rapport van 5 November opkwam, en aantoonde dat nimmer dan bij de resolutie van Maart 1672, die slechts weinige maanden gegolden had, het bevel over het haagsche garnizoen aan den Kapitein-Generaal onttrokken was geweest, behalve in 1752 voor het geval van minderjarigheid. Tot Harris' groote voldoening kwam in dit stuk een zinsnede voor, waarin de Prins scheen te dreigen nimmer naar den Haag terug te zullen keeren tenzij hem het commando werd teruggegeven2). Tegelijkertijd echter moest hij vernemen, dat de Prins met meer aandrang dan ooit op de algeheele abdicatie teruggekomen was, en er over geschreven had aan Fagel3); en nog steeds bleef de Prinses weigeren zich met Harris onmiddellijk in verbinding te stellen; een tweede afgezon