Brugmans wijst er in De Geschiedenis van Amsterdam van 1795 tot den tegenwoordigen tijd (dat als ondertitel ‘Het Nieuwe Amsterdam’ voert) op pagina 225 op, dat de sedert 1870 ingezette algemene welvaart de liberale landsregering zowel als het liberale stadsbestuur van Amsterdam de overtuiging gaf dat zij op de goede weg waren met de gevolgde politiek, waartoe behoorde de krachtige bevordering van het openbaar onderwijs over de gehele linie. ‘Het is in deze jaren, dat de universiteit werd opgebouwd’. Inderdaad, raadpleegt men de Amsterdamse Studentenalmanak uit die tijd, dan vindt men daar met instemming vermeld dat in 1876 het Athenaeum ‘de rechten eener Universiteit verkreeg’, doch onmiddellijk zichtbaar effect had dit toch niet: bedroeg het aantal ingeschrevenen 1874-'75: 362 (waarvan 272 medische, d.w.z. enkele civiele en voor het overige militaire), voor 1875-'76 daalde het totale aantal tot 345, om voor 1876-'77 te stijgen tot 399, waarvan evenwel 321 medisch, dus een kleine achteruitgang (van 12) bij de niet-medische vergeleken bij twee jaar daarvóór. Voor 1877-'78 daalt het aantal niet-medische nog weer met 7, en dat in het jaar dat de litterarische en filosofische faculteit van twee op zes hoogleraren wordt gebracht, en het jaar daarna van zes op acht. Maar voor 1878-'79 is het getal ingeschrevenen tot 484 geklommen, voor 1880-'81 tot 597 (en onder de 337 medische overheersen de civiele nu met 222) en zo telt de universiteit tegen 1885 bijna 700 ingeschrevenen. De opgang zette in, toen in 1870 het geneeskundig onderwijs er grondig werd gereorganiseerd.
Van zulk een opgewekt academisch leven zou men de afspiegeling moeten kunnen zien in de jaarlijkse almanak, en wij hebben die van 1870 tot en met 1886 doorgenomen. Het resultaat viel in het algemeen niet mee; de rubriek mengelwerk stond op erg ouderwets peil; navolging van Duitse romantische dichters was er schering en inslag, in het gunstigste geval van Heine, de poëzie lief en huiselijk. Totdat in het boekje voor 1877 ineens een gedicht trof, dat in verschillende opzichten een voorganger lijkt van Gorter's Mei. Om het afwijkende wilde de onbekende maker - in
de lijst van corpsleden vonden we als enige die naderhand als litterator bekend werd Aletrino - zijn poging blijkbaar niet als geheel serieus lanceren; na een inzet van natuurbeschrijving neemt het gedicht de wending van een anekdote betreffende een incident dat zich op een college had voorgedaan. Dit is het nieuwe geluid, ongemeen zuiver en bekoorlijk voor 1877:
Mag de aanvangstrofe herinneren aan het laat-zeventiende-eeuwse ‘Te middernacht, bij zoete zomertijd / Zag Veldenrijk de blanke en volle maan’ ... (op het college in kwestie werd juist Poot behandeld), het is duidelijk dat de merkwaardige jonge dichter de Engelsen die het nieuwe brachten
heeft gelezen en door en door in zich opgenomen, blijkens de zuivere natuurbeelden (Gorter's ‘Nijlflamingo’), het gevoel voor de schone klank van weinig gebezigde uitheemse woorden als flamingo, papyrus, mimosa (en verderop in het gedicht nog enkele andere); en het klankrijk laten uitvloeien van de zin nadat die is overgelopen (Door 't onbewogen water. Uitstekend der papyrus. Dat hij ten toon spreidt. Van ingezwolgen water. Wijd uitbreidt boven d'aarde). Terwijl de constructie ‘Die moeilijk zij begrijpen’ bij Arij Prins behoort. Spreekt Gorter op pagina 9 van de Mei later van:
... hier, in 1877, heeft men een overeenkomstig gebruikmaken van de poëzie die er kan liggen in een vreemde naam:
Een ongewone aanblik, deze dichtproeve tussen de flauwe rijmpjes van heel deze rij boekjes, en onmiskenbare invloed van Keats, diens leermeester Leigh Hunt of Shelley. Hunt, in zijn sonnet To the Nile, heeft daar een enjambement dat uitloopt met: ... Of high Sesostris.
Niets is geheel nieuw, en uiteraard biedt nog oudere litteratuur wel voorproefjes van deze wijze van dichten. In Nederland is in de zeventiende eeuw de sterk onder Franse invloed staande Focquenbroch weemoedig charmant met zijn exotische klanken in zijn verzen van de kust van Guinee. Maar, merkwaardig genoeg, vertoont dan juist verschillende dichtkunst van minder belang de gelukkige combinatie van bekoorlijke aardrijkskundige namen en overlopende regels. Met name in de talrijke lijk- en lofdichten met hun jambische hypercatalectische trimeter, telkens gevolgd door jambische trimeter, treft men én het, min of meer toevallig, poëtisch aanwenden van eigennamen en uitheemse woorden aan, én van zulke aardige enjambementen. De bewonderaar van het classicistische (en afwijzend tegenover het uitbeelden van de werkelijkheid staande) Andries Pels zegt zo in een dichtwerk Gebruik en Misbruik des Tooneels, van 1681, aangaande Rembrandt:
Slaan we na deze escapade het oog weer op de Amsterdamse Studentenalmanak.
In 1879 vinden we er een bijdrage Geestelijke Omzwervingen in het College-Uur, getekend Varius. In Mijn Dagboek, deel I, van 1 nov. 1878, van Frederik van Eeden wordt bevestigd dat deze de maker daarvan was en dat dit diens debuut in de letteren betekende.
Na 1880 doet er de door '80 in eer herstelde dichtvorm het sonnet zijn intrede (als kunst zonder waarde hier); één onbelangrijke ouderwetse rijmproeve op een schilderij van Jozef Israëls staat er. In 1882 vindt men het blijspelletje afgedrukt dat Van Eeden voor een familiefeest maakte, waarvan Kalff jr.1 spreekt, De Paddestoel, zonder auteursnaam opgenomen. In 1885 levert P. een voorspel tot Paap's Vincent Haman van 1898, onder de titel Intermezzo van een examenstudie, met hele passages die volkomen in het latere boek zouden passen. Over een dictaat:
‘Dit toch bestond uit een snoeperig netjes gesystematiseerde hoeveelheid vertellinkjes over romeinsche toestanden, formules, rechtsregels, waarvan de eene duitsche “geleerde” dit, de andere dat vermoedde, en die geen enkele gissing waard waren, wijl ze op niets invloed hadden gehad en met niets ter wereld meer in verband stonden. Walty's professor had het geheel gedoopt met den weidschen titel “Systeem van het Romeinsche Recht”, en ofschoon men niet kon ontkennen, dat er hier en daar over het Romeinsche Recht iets in te lezen stond, was de behandeling dier wetenschap bijna geheel verdrongen door des hoogleeraars tulpenhandel in quasi wetenschappelijke anekdoten.’
Vonden we als eerste der later bij De Nieuwe Gids bekend gewordenen Aletrino onder de leden van het corps, in 1877 al, en voegde zich in 1878 Van Eeden bij hem, die later rector ervan zou zijn; in 1885, wanneer het tijdschrift het levenslicht aanschouwt, ziet men als verdere leden o.m. Boeken, Diepenbrock, Gorter en Paap. Dus niet Erens, noch de teruggetrokken levende Kloos; terwijl Verwey en Van Deyssel niet hebben gestudeerd2 en Van der Goes
zakenman was. Maar dank zij enige voor kunst en letteren geestdriftige intellectuelen, rondom wie kringvorming optrad, ontstond er contact tussen de creatieven onder de vele van alle zijden toegevloeide studenten en de buitenstaanders, en ook dank zij de bloei der schildersacademie, opgekomen sinds Allebé er in 1870 de grote man van werd - die aan de Parijse Ecole des Beaux Arts was opgeleid en de onbelangrijke directeur De Poorter overschaduwde - had er ook spoedig aanraking met de jonge beeldende kunstenaars plaats, voornamelijk in cafés, als de Poort van Cleve, waarvan Jan. Veth de ober voor de reeks. Bekende Tijdgenooten van De Amsterdammer tekende, en de Caves de France. Over de kunstacademie moge daarom nu iets volgen.