Wanneer Prinsen zegt dat tegen tachtig de nieuwe litteraire beweging in Nederland op gang komt en er aan alle kanten jonge krachten beginnen te werken - gelijk we in de inleiding aanhaalden - is het onze indruk dat hij er zich nauwelijks rekenschap van geeft welke krachten dit precies waren, terwijl hij stellig de medewerking van verschillende ouderen tot stimulering van dit nieuwe over het hoofd ziet. Gelijk hij zich ook ternauwernood bewust zal zijn geweest dat reeds het jaar 1879 een opvallend gelijktijdig optreden van de brengers van het nieuwe te zien geeft. Het kwantum bij ons ‘niemals dagewesenes’ is zelfs zó groot, dat dat van het ‘revolutiejaar’ 1885, dat van de stichting van De Nieuwe Gids, er schamel bij aandoet, wel te verstaan wat het aandeel geheel en al nieuwe geluiden voor de Nederlandse oren van die jaren betreft. Men heeft in de oprichting van het tijdschrift dan ook meer een consolidatie, een doen samenvloeien van kleinere stromen, te zien dan het aanboren van een geheel nieuwe bron; veel meer een gevolg dan een oorsprong van het nieuwe. Stuiveling is zelfs zo ver gegaan, uit te spreken dat ook zonder De Nieuwe Gids de Tachtigers tot hun recht zouden zijn gekomen en wellicht de bloei over breder terrein nog zouden hebben bevorderd, in verschillende organen naast elkander, en hem aldus aanzienlijk meer op onze gehele cultuur zouden hebben doen inwerken.1
Zoals we reeds aangaven plaatste Busken Huet zijn eind 1878 gehouden voordracht over letterkundige voortbrengselen (waaronder die van Keats) in maart en april 1879 in het maandblad Nederland.
Van Potgieter werd er dit jaar Studiën en Schetsen I, met hoge lof voor Shelley, gepubliceerd.
Jan ten Brink gaf zijn boek Emile Zola uit. Dit waren buiten de vier artikelen Een letterkundige Herkules, van 1877, nog bijna evenveel bladzijden over de eerste zes delen der Rougon-Macquart-serie. (In 1884 zag hiervan een, ook weer bijgewerkte, tweede uitgave in boekvorm het licht). De Kinder-Courant (nota bene) van Het Nieuws van den Dag gaf dit jaar 1879 in vertaling een stuk uit Zola's L'Assommoir.
Pierson leverde in het Algemeen Handelsblad, waarvan Charles Boissevain de hoofdredacteur was1, een bestrijding van Schaepman's retorica; niet zo virtuoos als de jonge Van Deyssel in 1884 het Schaepman's esthetica zou doen - dat deze jongere van de geste van zijn voorganger op de hoogte was blijkt uit zijn aanduiding in de Verzamelde Opstellen II, p. 95 - en niet zo goedmoedig-honend als Kloos het in 1886 zou doen drukte Pierson zich uit, doch toch zodanig dat hij er zich vijanden door maakte.
Marcellus Emants bracht Lilith uit - waarmee Verwey zijn Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst naderhand opende (vierde druk, p. 14) - en Boissevain, die zich toch als een bewonderaar van Shelley had doen kennen, viel hem erover aan. De voortreffelijke beschrijvingen en zeer schone verzen prees hij erin maar de intrige, die afwijkt van de bijbelse voorstelling (doch die ... gebaseerd is op een waarschijnlijk wel even oude andere overlevering) noemde hij niet meer of minder dan ‘gemeen’; de taak van de dichter was zijns inziens te zorgen voor een ‘everlasting consolation’. Aan het eind knoopte hij zelfs een waarschuwing tegen het nieuwmalthusianisme van Van Houten vast aan zijn filippica. Kloos, als Q.N., koos Emants' zijde in De Nederlandsche Spectator. Boissevain voelde het naturalisme in, onder of achter dit dichtwerk - wellicht mede na het kennisnemen van des schrijvers betoog over ‘Schoonheid’ in De Banier van datzelfde jaar en zijn bundel Een Drietal Novellen met de inleiding - Emants diende het kritiekwezen scherp van repliek in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, waar hij de bedoelingen van het naturalisme toelichtte, nadat men er zijn werk had afgekeurd. Dingen altemaal die bij het in geestelijke zaken belangstellende publiek van die dagen wel de aandacht trokken.
Perk leerde die zomer in de Ardennen Mathilde kennen, die hem in zeer korte tijd een honderdtal sonnetten uit de pen deed vloeien; nadat hij zich reeds geruime tijd in het genre geoefend had, sterk geïnspireerd door de terzinen van Dante's hoofdwerk en de sonnetten van diens Vita Nuova en Petrarca's Laura, die hij in Duitse vertaling had gelezen. (Prinsen, in De Beweging van 1906, heeft echter op grote overeenkomst met Sidney's sonnettenkrans Astrophel and Stella gewezen bij Perk's Mathilde.)
W.W. van Lennep tenslotte droeg in besloten kring zijn bewerking van Keats' Hyperion voor, waarvan Perk als ook toegelatene een exemplaar ontving, dat hij aan Kloos
uitleende (en deze veel later aan Verwey). Kloos zelf had, volgens de mededeling van zijn biograaf De Raaf, die zomer van 1879 juist op eigen gelegenheid Shelley ontdekt, maar volgens eigen opgaaf al in 1878. (Zie het hoofdstuk ‘Willem Kloos’.)
Hyperion (waarbij de vertaler de klemtoon op de derde lettergreep in zijn uitgave wenst), is gedateerd augustus 1879 in het boekske van 60 pagina's en opgedragen aan de Dinsdagse vriendenkring. De vertaling is ver van letterlijk, een enkele maal het oorspronkelijke in schoonheid overtreffend, vaker echter er beneden blijvend; de vertaaldwang is een beletsel tot het schenken van eigen woordkunst gelijk Kloos, Verwey en Gorter die, door Shelley en Keats geinspireerd, zullen brengen. Naar soberheid en zuiverheid heeft men gestreefd, alle retoriek vermeden, doch over het algemeen doet het niet ‘moderner’ aan dan Vosmaer's dichtkunst. In deze trant gaat het:
Dieper indruk zullen zonder twijfel de passages in de geest van de volgende gemaakt hebben, zoals we naderhand bij de drie vermelde Nederlandse dichters overvloedig terugvinden:
W.W. van Lennep's verdienste is zeker niet het minst geweest dat hij in de aantekeningen achterin op inderdaad
moderne wijze de schoonheid van het origineel aangeeft met fragmenten uit Keats' eigen kunst.
Het is hier de plaats om bij Perk's werk stil te staan, en bij zijn beïnvloeding.
Het is onder esthetiserende litteratoren gewoonte geworden, Petrarca, Hooft en Perk in één adem te noemen (Aleida Nijland doet dit heel sterk in haar boekje over Perk), en het petrarkisme der vijftiende en zestiende eeuw in Italië en Frankrijk heeft via Marot en Ronsard inderdaad veel invloed in de Nederlanden uitgeoefend, vooral op Van der Noot en via deze weer op Hooft. Onder Doorenbos' invloed kwam Perk ertoe Hooft zeer te vereren; we zagen reeds dat Doorenbos ook bizondere studie van Petrarca had gemaakt, zonder in dezen in Nederland nu direct pionier te zijn: ‘in de kringen der officiële wetenschap staat Petrarca tussen 1800 en 1850 in hoog aanzien’.1 Zelfs Helmers heeft hem verheerlijkt in de lierzang De Dichter, die dikwijls geciteerd werd; Da Costa evenzeer, in Des Dichters Lotsbestemming, Potgieter en Huet noemen hem meermalen, zelfs Braga doet dat, en Ten Kate heeft voor het eerst de kwintessens van de cyclus van de Canzoniere vertaald. Nadat in 1874 de herdenkingsfeesten te Avignon, Vaucluse en elders hadden plaats gevonden, verschenen er ook hier herdenkings-artikelen, o.a. in De Gids van 1875 door W.B.J. van Eyk. Perk was toen zestien jaar.
In 1878 debuteerde de even oud (of: even jong) als Kloos zijnde adspirant-student - op zijn verzoek van de H.B.S. genomen om te kunnen werken voor het staatsexamen - met een ouderwets gedicht Het Scheepje in het tijdschrift Nederland.
In 1880 bracht het weekblad De Amsterdammer, na een ernstige brand in de hoofdstad, een rijmloos gedicht van circa tachtig regels, voluit ondertekend Jacques Perk. De strekking die het heeft duidt nog volop verband met de oudere vaderlandse poëten aan, maar een zekere woordkunst wijst naar nieuwe verschieten. Als:
In dat jaar 1880 nam ‘Nederland’ nog vijf sonnetten van zijn hand op en De Nederlandsche Spectator een viertal. In 1881 volgden er nog tien van de cyclus in Vosmaer's weekblad; in september toen schreef de redacteur over dezelfde reeks in het orgaan: ‘Ik kom rond voor mijne gebreken uit en zeg dus ook, dat ik dien geheelen Sonnettenkrans zeer schoon vind.’ Vrij onverwacht stierf Perk reeds de eerste november en toen Vosmaer daarna Kloos' In Memoriam plaatste, schreef hij deze jonge dichter dat hij diens bijdrage beschouwde als ‘voor onze richting een manifest, een canoniesch stuk, dat een datum zal stellen’.1 Waarbij hij, Vosmaer, dus blijk gaf zowel van een deskundige als van een vooruitziende blik. Hij spoorde de ander aan, dit stuk als grondslag te nemen voor de ‘Inleiding’ bij de door hen beiden in 1882 uit te geven volledige sonnettenkrans Mathilde; welke laatste nogal gerevideerd verscheen, daar men Perk's werk op zijn best wilde tonen.
Hoe stellig eveneens de Engelse dichtkunst tot hem had gesproken bleek uit zijn Iris, door De Tijdspiegel in 1881 gepubliceerd, de navolging van Shelley's The Cloud.
Deze nieuwe klanken en ritmen in de Nederlandse poëzie der negentiende eeuw zetten op dat tijdstip, dus jaren vóór de stichting van De Nieuwe Gids in 1885, op verschillende plaatsen gelijktijdig in. Kloos debuteerde in 1880 met het drama Rhodopis, onder Grieks-klassieke invloed gedicht, in het tijdschrift Nederland - dat jaar behalve onder redactie van Jan ten Brink ook geredigeerd door Schimmel.2 In 1881 plaatste het juist verschijnende en met veelbelovende opzet voor den dag komende, geheel litterair bedoelde, tijdschrift Astrea vijf Duitse sonnetten van Kloos' hand, ontstaan door de lectuur van Platen, en ook vier Nederlandse, gevolgd door nog eens twee in de tweede, tegelijklaatste, jaargang van het orgaan. Ook plaatste Kloos in die tijd verzen in De Nederlandsche Spectator (eveneens twee sonnetten), evenals Verwey en Van Eeden daar iets in kregen (de eerste o.a. Mijn ziel is in mijn zangen, door bemiddeling van Kloos, de ander o.m. Voorjaar, later als De Lente herdrukt in Van de passielooze lelie; De Wonderbloem, invloed van Shelley's The Sensitive Plant, van Van Eeden, werd afgedrukt in ‘Nederland’ van 1884). Interessant is het, te lezen in de briefwisseling Vosmaer-Kloos, hoe de laatste aangeeft hoe hij de Nederlandse sonnetten schreef onder inwerking van Swinburne's Poems and Ballads, waarbij hij verzen van deze laatste
reproduceert.1 Het was Pierson geweest, die in 1878 in De Gids over Swinburne schreef, waarbij hij ook Shelley prees; terwijl tevoren, datzelfde jaar, Edmund Gosse in De Banier over beiden had geschreven. Niettemin heeft Kloos, die op dat tijdstip negentien jaar was, altijd volgehouden, geen kennis van die tijdschriftartikelen genomen doch Shelley op eigen gelegenheid ontdekt te hebben. Het kan niet anders, of hij moet dan ook al Swinburne uit zichzelf hebben gevonden, wat wij evenzeer in twijfel trekken.