terug  begin  verderprepost
[p. 295]

Naar de bloei
XXV

De mooiste jaargangen van De Nieuwe Gids zijn die van 1888 en 1889 geweest, de machtigste die van de debatten van hoge allure in het begin der jaren negentig. Het tweede zestal afleveringen dat er verscheen gaf zelfs enigszins een daling te zien, vooral voor de latere beschouwer, die in het oudere min of meer thuis moet zijn om het nieuwe in de tweede jaargang op te merken.

Het eerste nummer opent met de liberale pers te kapittelen over haar houding bij het volksoproer in de hoofdstad, dat zijn oorsprong nam in het verboden palingtrekken, en hekelt het beleid van de Amsterdamse politie, waardoor er tachtig doden en gewonden vielen. Dit openingsartikel moest er wel zeer toe bijdragen dat de dagbladpers het tijdschrift als ‘revolutionair’ wilde buitensluiten, in de hoop het lezers te onthouden (en het aldus te doen verkommeren) door het niet te noemen; de nog steeds beproefde tactiek van ons meer en meer achteruitgaand en aan gezag inboetend courantenwezen.1

Het politieke en sociale neemt in deze tweede jaargang, van dus het grootste deel van 1887, heel wat ruimte in en de litteratuur is er in de minderheid. Kloos richt zich tegen Schaepman's retorica (gelijk Pierson dat in het Algemeen Handelsblad van 1879 al had gedaan, alleen veel minder vrijmoedig en virtuoos, en zoals de jonge hoofdredacteur van dat blad, Charles Boissevain, het in 1875 in De Gids al deed), maar Kloos profiteert dankbaar van het pas verschenen Aya Sofia. Van Looy levert er onder eigen naam vier stukken uit Spanje, Van Eeden plaatst het blijspel Don Torribio, de wijsgerige novelle Het Krabbetje en de Gerechtigheid en een studie Het hypnotisme en de wonderen. Als medewerker treft men er dr A.W. van Renterghem, Van Eeden's associé van de psychotherapeutische kliniek, één keer aan. Multatuli wordt er bij zijn overlijden herdacht; Arij Prins levert twee fantastische schetsen; Verwey dicht

[p. 296]

Bij een Trouw-Mis op Van Deyssel's huwelijk, bepaald onkies. Deze laatste, blijkbaar in beslag genomen door de voltooiing van Een Liefde en doordat hij zich te Houffalize vestigde, schrijft dit jaar niets van belang; in zijn Verzamelde Opstellen I, waar men drie beschouwingen uit 1886 vindt opgenomen en dertien uit 1888, ziet men uit dit jaar 1887 niets. Maar de beide volgende jaargangen worden heel belangrijk.

 

De eerste aflevering van de derde jaargang bevat een opstel van Jelgersma over Hobbes, van Van Deventer over Plato, politieke en sociale artikelen van Tak, Van der Goes en Gerhard, schilderkunstbeschouwing als altijd door Veth en Van der Valk (onder schuilnaam nog), de litteraire kroniek van Kloos, en vrij wat van Verwey. Te weten: zeven sonnetten, een verhandeling over een taal- en letterkundig congres, en de zeer vrije bewerking van Marlowe's Faustus, omdat hij over dat werk iets wilde beweren in het volgend nummer naar aanleiding van een recente vertaling door prof. Modderman, die hem echter niet goed genoeg lijkt om uit te citeren! Hem, Verwey, die zelfs toen hij naar de zestig liep nog niet zonder blunders kon vertalen!

In het volgende nummer heeft deze 22-jarige echter eerst een ander hoogleraar bij de haren: in een stukje, getiteld ‘Een Bazig Denker’ laat hij zich met de bij de studenten zeer geziene Bellaar Spruyt in. Over de politiek verhandelt P.L. Tak nu onder eigen naam. Hélène Swarth heeft er zes sonnetten, Aletrino een novelle, Van der Goes schrijft er, behalve over sociale zaken, tegen prof. Te Winkel. Maar even 42 pagina's boekbeoordelingen staan er in, grotendeels door anoniemen of onder pseudoniem; een deel door Kloos, Van Eeden en Verwey.

De derde aflevering is interessant. Jelgersma behandelt Hobbes er nog, Van Eeden uitvoerig de psychische geneeswijze. Van Deyssel brengt het vermaarde stuk over La Terre, Arij Prins zond de schets Hamburg uit zijn nieuwe woonplaats. In de rubriek boekbespreking ziet men achteloos-weg, getekend met de letters F.H., Van Deyssel's satire op het nieuwe ‘weekschrift’ voor realistische letteren De Ooievaar; Van Eeden schrijft er bij uitzondering over een Frans romancier, en zeker geen moderne: Loti. Kloos oordeelt over het evenement van het jaar: Van Deyssel's Een Liefde, het standaardstuk van het naturalisme in Nederland, verradend de herkomst van het genre door de zinnen van Franse constructie bij het uitbeelden (wat de auteur zelf Netscher bij diens betogen verweet), verschenen buiten De Nieuwe Gids om, zoals er ook geen fragmenten werden

[p. 297]

afgedrukt door dit tijdschrift van de tekenend moderne werken De Kleine Republiek en Emants' eerste naturalistische roman Juffrouw Lina, beide van 1888, of van Couperus' Eline Vere van 1889; belangrijk litteraire geschriften waarvan De Nieuwe Gids toch eigenlijk een en ander had moeten laten zien indien hij de moderne litteratuur representeerde. Verwey plaatste zijn oordeel over de ‘letterkundige dogmatiek’ (gelijk De Koo die noemde) van de jonge Thijm niet in het blad - dikwijls schrijven er evenwel verschillende redacteuren over eenzelfde werk - doch lanceerde het in een vlugschrift onder de pompeuze titel Mijn Meening over Lodewijk van Deyssel's Roman Een Liefde, ongetwijfeld overtuigd van de dankbaarheid van het hele land, die te mogen leren kennen.

In aflevering vier herdenkt Veth (onder schuilnaam) Mauve, terwijl Van Looy vreemd genoeg weer achter A. Brouwer is weggedoken, en dat nog wel bij zijn meesterwerk De Nachtcactus. Van Deyssel geeft zijn mening (belangwekkender dan die van Verwey) en wel over Huet en Lidewyde, Van Eeden de zijne over Een Liefde, de (on-) zedelijke strekking afkeurend, na de schijn te hebben willen doen verdwijnen van conventioneel te zijn. Terwijl Van Deyssel tenslotte zijn criticasters belachelijk maakt in een ‘Zedelijkheidscauserietje’, ondertekend F.H. En in De Gedachte ridiculiseert hij hen die de Tachtigers verwijten geen schone of diepe gedachte in hun werk te vertolken.1

In het volgende nummer, dat ook weer even 42 bladzijden boekrecensies telt, valt Van Deyssel's kenschetsing van de kunst der Goncourts op. Van Santen Kolff draagt er Zolaïana bij, gegevens betreffende de romans verkregen uit de correspondentie met de schrijver; en typerend voor de royale omgang tussen de mannen van het tijdschrift lijkt dat Van Eeden er rustig drukt, in zijn studie Over Schilderijen-Zien, dat Van Deyssel's vader (die dan in zijn laatste levensjaar is) ‘tot overmaat van ongeluk den kluchtspel-titel te voeren heeft’ van ‘Professor in de Aesthetica’. Verwey betuttelt Van Eeden's vader.

Het sluitnummer opent met een, vrij mager, gedichtje van Verwey, bedoeld als in memoriam Vosmaer. Van der Goes bespreekt er de opleiding van de toneelspeler, waarover deze beursman-assuradeur ervaring heeft opgedaan aan de toneelschool als docent en voor de beide Amsterdammers in de schouwburg als recensent. Van Eeden schrijft over Pierson; Kloos, Van Deyssel en Verwey werpen zich

[p. 298]

op Swart Abrahamsz' juiste kenschets van Multatuli.

In de vierde jaargang (dus hoofdzakelijk 1889) debuteert Bolland, heeft Van Eeden een studie over het Dubbel-Ik, en dan doet Kloos 26 gedichten volgen, waaronder de vermaarde De boomen dorren in het laat seizoen, Menschen zijn wijs, Mijn oogen branden, met felle randen (uit de Pathologieën), De zee, de zee klotst voort in eindelooze deining. Verwey, op zijn beurt Pierson's boek over onze geestelijke voorouders behandelend, juicht: ‘Ik schrijf weer over de Joden’; Van Looy geeft er zijn indrukken over Don Quichote, tijdens een treinreis in Spanje. In de ‘Varia’ Van Deyssel over Zola, gedecoreerd en wellicht aanstonds lid van de Académie, tot zijn teleurstelling.1

Het tweede nummer opent met zijn jubelen over Le Rêve, het boek van de maagdelijkheid. Arij Prins is er met Een Executie, toepassend het naturalistisch procédé op historische stof, onder invloed van Huysmans, die hem tevoren Poe had doen kennen. Erens brengt een fantazie, Aletrino een schets, Van Eeden eindelijk een der weinige zuivere en treffende gedichten van zijn hand: Voor de Liefste, dat toch ook wel zeer herinnert aan Van der Noot's Ode aan Olympia.

 
Ic wil nu singhen een nieu Liedt
 
Van 'tgheen, Lief! dat mij is geschiet
 
Deur u suet eerbaar wesen.

De litteraire kroniek van Kloos is ditmaal uit Londen gekomen, waar hij voor rust vertoefde bij Witsen.

In de derde aflevering is het evenement: het afgedrukt staan van de hele eerste zang van Gorter's Mei. Van Deyssel, behalve als F.H. uitvallend tegen De Gids over De Goncourt, heeft er het veel naam (meer dan lezers) gekregen hebbende Menschen en Bergen, zijn overstag gaan naar het sensitivisme, de consequentie van het doorgevoerde naturalisme. Het is zeker merkwaardig dat dit proza in hetzelfde nummer verscheen als Mei, dat wel de triomf van

[p. 299]

het naturalisme in de poëzie in Nederland is genoemd, en minder vreemd dat Coenen, in zijn Studiën van de Tachtiger Beweging (pp. 80-88), zijn beschouwing van Menschen en Bergen doet aansluiten aan die van Gorter's Verzen. Van Eeden, tenslotte, laat Van Houtenios en Schaepmannias een dialoog houden over Boeddha, wel met geest nu en dan, maar toch wel als danig ouderwets afstekend bij Gorter en Van Deyssel.

In de verdere jaargang stoot men zowel op de, veel ‘modernere’, befaamde heldere en geestige uiteenzetting van Van Eeden over Gorter's poëzie, als op Kloos' ingenomenheid met Mei; Van Eeden doet alleen dan ‘nieuw’ aan, wanneer hij het voor het nieuwe kan opnemen; het is alsof hij zich daar dan aan assimileert. Van Looy staat zijn magistraal De Dood van mijn Poes af, Erens schenkt Uit mijn Dagboek en Aletrino Zuster Bertha. Ook Prins is er weer met een visionaire schets; Verwey met kindergedichten, de bekende aardige en ook kinderachtige. Uiteindelijk zwerven er een paar ongetekende verzen, die wij nu wel als van Gorter herkennen; in een later nummer wordt het auteurschap trouwens bekendgemaakt. Eén is er: 's Morgens op het witte laken, Doet er een gelaat ontwaken. (In de volgende jaargang, ook nog met asterisken in stede van met schrijversnaam in de inhoud aangegeven, ziet men: De zon - De wereld is goud en geel. En: Ik zat toen heel stil te werken, en: De boomen waren stil. En mét zijn naam tenslotte, wanneer de bundel spoedig de pers zal verlaten: De lamp schijnt, de kamer is open -, en De lente komt van ver, ik hoor hem komen, te midden van een reeks andere.)

Inmiddels is de oude Alberdingk Thijm overleden, een herdenkingsbijdrage over hem opgenomen, terwijl Verwey hem in dichtvorm heeft herdacht. Bij uitzondering halen we dit hilariteit verwerk hebbend poëem aan, om te tonen waartoe het dichten begon te ontaarden in De Nieuwe Gids - het zal nog erger worden, wij geven daar in het volgend hoofdstuk voorbeelden van - wanneer het talent is uitgeput maar het blanke papier beschikbaar. Dit is het dan ten dele:

 
Uit kleine woordjes werkte ik kleine verzen,
 
Toen, als een manslaars in een mierenzwerm,
 
Zwart, stond dat doodswoord: Thijm's dood. 'n Moeders-broer
 
Had 'n dokter bij zijn moeder: - naastbij lag ze,
 
Een oud, bleek hoofd in 'n witte vrouwenmuts; -
 
Sprak na met 'm, die 'n kras oud goud-brillig man,
 
'n Futtig chirurg was, van 't sterk, werksch ras één,
 
Dat eerd': Potgieter eerst, Bakhuizen; vierde
[p. 300]
 
Thijm, Huet, van Vloten: iedre één 't meest, veel allen.
 
Hij zweeg 'n vol doodenboekje; hij zei; Thijm's dood.
 
 
 
'n Roomsch werkvrouwtje, met een hoofd als 'n pippeling
 
Onder 'n wit mutsje, kwam bij m' thuis en zei:
 
M'n Alberding was dood. De dokter zei 't.
 
 
 
Mijn moeder zei 't me aan tafel: Mietje zeit,
 
Dat Alberdingk Thijm dood is. D' dokter zei 't.

Dit is een in memoriam, en daar de lust in parodiëren sinds de dagen der Van Eedens nog geenszins was gedoofd en de ietwat ongewone dichtvoortbrengselen onder die der Nieuwe Gids'ers nogal eens humoristische variaties te voorschijn riepen, tot in De Gids toe, behoeft het niet te bevreemden dat er ook op deze elegie een parodie verscheen, in october 1929 nog eens in De Nieuwe Gids opgenomen.1 Deze luidde:

 
'n Beschuitj' at 'k, 'k dronk daarbij 'n lekk'ren kop choc'laad,
 
Toen, als in 't kruim'g krioel 'n hard zwart stuk rog-brood,
 
Plofte op mijne ooren, bom! 't wreed woord: Lot's dood.
 
M'n zwager's tant had 'n baker bij zijn grootj',
 
'n Héél oud mensch met 'n hoofd als 'n pippeling,
 
Staal-brillig (goud 's te duur), neepjes-gekapt,
 
'n Parmantig baak'rtje die 'n geen'ratie of twee
 
Geblootebilwascht had en aangekleed.
 
Van 'n werksch ras één', kon eten als 'n paard
 
En aasd' op fooitjes van de kind-bekijksters.
 
Zij eerd'; Swanenborg eerst, van Alphen; vierde
 
Goeverneur, Gerdes, z' wist niet wien wel 't meest.
 
Zij strompeld' naar me op straat en zei: Lot's dood.
 
 
 
'n Krantrondbrenger hinkend op een kruk,
 
Met 'n hoog-rood aanschijn door veel drankgebruik,
 
Kwam bij me thuis en zei: M'neer, Lot was dood.
 
 
 
M'n broertje zei me aan taf'l: ze zegg'n op school
 
Dat Lot dood is. Jan Snoep en Koen Pot zeggen 't.
[p. 301]

De tijd van sprekend creatief werk is voor het tijdschrift nu reeds voorbij; er komen de jaargangen met de hooggaande discussie nog, die het publiek in groten getale doen toestromen; had De Gids het destijds in de eerste zeven jaar van zijn bestaan tot 400 abonnees gebracht (Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde VII, p. 240), De Nieuwe Gids kwam in de eerste (en eigenlijk enige) zeven jaar tot 800 (Van der Goes, Litteraire Herinneringen). En, op allerlei plaatsen in den lande werd er navolging van de ‘Nieuwe Gids-stijl’ bespeurbaar, niet meer in de vorm van parodieën doch in ernst. Maar naast deze bereikte hoogte gaapte de afgrond, en in de tijd van een ogenblik, het was de zaak van de tijdsruimte tussen twee opeenvolgende nummers, eindigde de grootheid voorgoed.

We moeten echter eerst nog een blik werpen op de polemiek in grote stijl die er in de eerste jaren negentig plaatsvond, die tot de bloei behoorde en ertoe bijdroeg, maar die men als het voorspel tot de ondergang wil zien. Welk inzicht wij niet delen.

1Deze, door ‘Diederik van Amstel’ getekende, bijdrage, was van de hand van De Koo, naar Verwey meedeelt (Frederik van Eeden, p. 71). Deze redacteur van De Amsterdammer was, evenals Van der Goes en Tak, toen nog unie-liberaal; hij werd weldra vrijzinnig-democraat, Van der Goes sociaal-democraat.
1de graaf, Le réveil littéraire, p. 34, neemt deze spot voor ernst. Vreemd genoeg deed Van Deyssel's biograaf benno j. stokvis dit ook, in zijn boekje Lodewijk van Deyssel, 1921, p. 35.
1Zola was niet minder teleurgesteld, tien jaar vroeger al, dat men hem in 1878, na het verschijnen van L'Assommoir, voor de decoratie passeerde, terwijl toch de minister hem die toen reeds had beloofd. Vgl. dumesnil, Correspondance de Guy de Maupassant, p. 243. Hij kreeg die nu pas, 14 juli 1888. Lid van de Académie Française is hij, ondanks 21 kandidaatstellingen, nimmer geworden (gespecificeerd bij deffoux en zavie, Le Groupe de Médan, 1920, pp. 232-234) en zelfs niet van de Académie Goncourt, spijts bijna twintig pogingen daartoe. Zie denise le blond-zola, Emile Zola, raconté par sa fille, 1931, p. 165. Hij deed dit echter om de academies voor het nageslacht te blameren.
1Ze is uit het door verschillenden geschreven, in 1890 uitgekomen, boekje Braga Redivivus, dat hetzelfde jaar werd herdrukt. Blijkens het in de Haagse Openbare Bibliotheek aanwezige exemplaar (Naslag-bibl.), afkomstig uit de nalatenschap van dr Edw. B. Koster, is deze de maker van de parodie, volgens aantekening van zijn hand. Naderhand zou hij schrijven Over navolging en overeenkomst in de literatuur en daarin ook voorbeelden van beïnvloeding van de Tachtigers door de Engelsen geven, een voorspel van Dekker's boek.
prepostterug  begin  verder