terug  begin  verderprepost
[p. 48]

50. Waer bij coempt toe dat eene medicine wort geleijt op een let, die wonde heelt, ende vanden seluen medicine alleene geleijt op een ander let, die wonde wijt1 ende corendeert als coperroot ?

Ic segge daer2 bij coempt dat lichamen ende die leden nijet en sijn van eenre complexien. Want leetmen coperroot op wonden die in heeten ende in droogen lichame sijn, ende in herden van steden oft leden, soo winnen sij gelijke hert ende drooge sterck (p. 111) vlees wederstaende sijn herthede ende wint sijn gelijcke, want het wint daer in vlees ende droocht bij gelijke. Ende bij contrarien in wacken, couden lichamen ende in morwe, teederen leden daer op geleijt vitrool, dats coperroot, het winnet sijne contrarien, want die moruweden vanden lichame oft vanden leden en mach nijet wederstaen die herthede vander medicinen. Want sij gaet bouen sijnre moruheden ende also smelten sijne leden ende worden gecorondeert ende dat gat wijt ende die siechede meert3 ende die seerichede, want gelijc4 wint gelijc ende conforteert ende destruweert ende doet sijne contrarije wech.

 

Hier bij soo machmen weten dat elc lichaem ende elck let is te ordineerine sijn propere medicijnen oft plaestren. Wilmen voort gaen in al dat men siet, soo is men schuldich te onthoudene die natuere oft men en weet nijet watmen doet.

1wijt : het Hs. heeft wijst.
2daer : het Hs. heeft dat.
3meert : het Hs. heeft meest.
4gelijc : het Hs. heeft gelijct.
prepostterug  begin  verder