

Na de overwinningen van Cesar verloren de Belgen allengskens dien heeten dorst naer vryheid, welke te voren hun kenmerk was; zy betreurden hunne onderwerping gedurende eenige jaren in stilte en werden eindelyk, met hunne toestemming, omtrent het jaer 28 voor onze tydrekening, als provincie in het romeinsch Ryk ingelyfd. By de vyfhonderd jaren bleven onze voorvaderen onder de vreemde heerschappy. Gedurende dien tyd veranderde deze landstreek geheel en al van opzigt: de Romeinen strooiden hunne meer gevoorderde
beschaving onder het volk; het zuidelyk gedeelte werd allengskens bevolkt door gallische uitwykelingen, en vermits de overgebleven inwooners de latynsche tael onder hunne duitsche spraek mengden verliepen zy van hunnen eersten oorsprong en kregen later den naem van Walen. De noordelyke en westelyke inwooners van België, nu de Vlamingen en Brabanders, behielden hunne oorsprongelyke spraek. In het algemeen verbeterde de staet des Lands gedurende de overheersching: de koophandel en de nyverheid verkregen eene zekere uitzetting. De Menapiers leverden den Romeinen vleesch, ganzen, graen en vee; anderen maekten lakenen kleederen en krygstuig, of dreven handel in Margel of mestaerde; zoodat België, aengaende zyne stoffelyke belangen, in grooten welstand kwam.
Dan verschenen er twee nieuwe volken op onzen bodem. De Taxanders, van duitsche afkomst, sloegen zich neder in die barre streken welke wy onder den naem van Kempenlanden kennen; een gedeelte Eburonen en Advatischen, gevoegd by eenige kleine stammen van de omstreken van Trier, zetteden zich neder in het oord waer de stad Tongeren, door hen gebouwd, zich bevindt; zy droegen den naem van Tongers.
De Belgen dienden als soldaten in de legers der Romeinen en namen deel in hunne oorlogen; onversaegdheid en getrouwheid kenmerkten hen steeds en deed hen als lyfwachten der keizers uitkiezen. Verder is er weinig over het overheerscht België te melden. Gedurig verpligt voor anderen te stryden, spreekt het van zelf dat onze voorvaderen dan geene merkbare feiten der geschiedenis konden nalaten: hun bloed stroomde dikwyls, dan voor den eenen, dan voor den anderen keizer of troonzoeker, maer het vaderland was het doel hunner manhaftigheid niet.
Alhoewel eenige verkondigers van het heilig Evangelie de zuidelyke streken van België, reeds in het jaer 250 bezochten, schynt het echter niet dat de Kristenleer voor alsdan onder onze voorouders merkelyken voortgang deed.
Maer de tyden gingen veranderen! De magtige hand van God
strekte zich uit over het eergierig en zedeloos Roma! - Terwyl het Ryk gescheurd en geschokt werd door bloedige burgeroorlogen, terwyl de Romeinen, in gezindheden verdeeld, elkanders bloed op het slagveld vergoten, vormde zich, op de grenzen van het Ryk, een schrikkelyk orkaen, dat de trotsche arenden voor altyd van hunnen standaerd moest rukken en de romeinsche overheersching moest vernietigen. Als of de stem des Heeren de wilde volkeren van Duitschland en Scytië had ingesproken dat de val van Roma aenstaende was, liepen, aen alle uiteinden des Ryks, geheele zwermen woeste geslachten byeen. Het Oosten, Zuiden en Westen zagen de Gothen, de Hunnen, de Alanen, de Wandalen en de Zweven, die elk een deel van het Ryk innamen; ja, de stad Roma zelve viel in handen der barbaren. Onderwyl hadden een groot getal duitsche en kimbersche volkeren een verbond aengegaen om gezamentlyk de romeinsche bezittingen in België en Gallië te bespringen. Deze roofzieke stammen noemden zich Franken, dat stoutmoedigen, onverschrokken beteekent. Eerst samengerukt op den duitschen boord van den Rhyn, kwamen zy zich weldra in het noorden van België nederzetten, en woonden aldaer langen tyd in vrede met de ingezetenen, wier tael zy spraken.
Eindelyk, in het jaer 442, voortgestuwd door andere afzakkende duitsche stammen, stonden zy op onder hunnen koning Hlodio en verjoegen de Romeinen uit België en uit een klein gedeelte van Gallië.
Hier eindigt de eerste overheersching onzes vaderlands. Een nieuw Ryk gaet opstaen: de Franken gaen het westelyk Europa in eene andere rigting rukken. Dit tydstip, hoe verward, hoe onbestendig ook, is de akker waerin de zaden van onze tegenwoordige wetten, van onze zeden, van onze gedachten gestort werden. Wy mogen en moeten de Franken gedeeltelyk als onze voorouders aenzien: hun bloed heeft zich eeuwen lang gemengd met dit onzer eerste vaderen; maer daerom zyn wy van onzen oorsprong niet afgeweken: Belgen en Franken waren beide duitsche stammen. Wy kunnen dus het Ryk der frankische koningen niet als eene vreemde overheersching beschouwen.
Deze Franken kon men gemakkelyk van andere stammen onderscheiden aen zekere wyze van kleeding en van zeden. Zy bonden zich de geelrosse haren in eenen bos boven het hoofd, latende van hetzelve een gedeelte als eene pluim nederhangen; hun aengezigt was geschoren, behalven twee groote knevels: zy droegen zeer naeuwe lynwaden kleeden met eenen breeden gordel, waeraen de degen hing. Hunne wapens waren, de naer hen genoemde Frankiske of wapenbyl en eene spies met weêrhaken, die zy hang dat is te zeggen, haek, noemden. Met hen kwam in België de dweepende godsdienst van Wodan of Thor en het geloof aen den heidenschen hemel Walhalla.
Onder de Franken waren niet alle de leden der natie gelyk. Eenige stammen aenzagen zich als de edelsten en waren in groot aenzien; uit dezen werden de oversten gekozen; zy alleen bezaten gronden in eigendom, en aenzagen derzelver bewooners als hunne slaven of Laten. De mindere stammen, onder de benaming van vrye lieden, dienden in den oorlog en hechtten zich aen den eenen of anderen oversten, als zyne krygsmannen. Uit dit verschil van stand is later de leenheerschappy of feodaliteit gesproten.
De doorluchtigste stam der Franken was die der Salisken, welke by de rivier de Sala of Yssel gewoond hadden.
Even gelyk nu reeds gedurende 500 jaren de geschiedenis der Romeinen ook die der Belgen was, zoo zal nu nog langen tyd de geschiedenis der Franken het eenig verhael van het wisselvallig lot onzes vaderlands zyn.
