begin  verderprepost
[p. 7]

Woord vooraf

Het zeventiende-eeuwse Amsterdam gold in het Europa van zijn tijd als voorbeeldig en vooruitstrevend bij het toepassen van het strafrecht. Van heinde en ver kwam men kijken hoe in Amsterdam de misdadigers werden behandeld. Wat was het bijzondere? Er waren arbeidshuizen waarin bepaalde soorten overtreders te werk werden gesteld; de mannen in het rasphuis, de vrouwen in het spinhuis. Daar leverden zij nuttig werk waar de samenleving profijt van had, maar waar ze ook zèlf de vruchten van plukten: door de straf van het gedwongen werk kregen ze de kans hun kwade leven te beteren en weer nuttige leden van de maatschappij te worden. Het werk gaf hun de kans op een morele verbetering.

Moderne literatuur over de oprichting van de Amsterdamse rasp- en spinhuizen vermeldt vrijwel altijd de stimulans die uitging van Coornherts verhandeling Boeventucht, gedrukt in 1587, een tekst die verband signaleert tussen armoede en misdaad, en die vervolgens de oprichting van arbeidsgestichten bepleit. Maar wie in onze tijd dit betoog wilde lezen, moest altijd op zoek naar een zeldzame zestiende- of zeventiende-eeuwse druk in een bibliotheek. Na 1630 was er geen complete Boeventucht meer in druk verschenen.

Een werkgroep van neerlandici, medewerkers en studenten aan het Instituut De Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, stelde zich tot doel Coornherts Boeventucht gemakkelijk bereikbaar te maken voor een hedendaags publiek. Ze dacht daarbij niet alleen aan neerlandici-vakgenoten, maar ook aan bijvoorbeeld sociologen en juristen. Coornherts tekst moest toegelicht en geannoteerd worden; met het oog op de niet-neerlandici onder de lezers werd er bovendien een lopende vertaling in modern Nederlands in het plan opgenomen.

Er is met enthousiasme gewerkt. De ijver bekoelde niet toen bij het onderzoek het directe verband tussen de Boeventucht en de oprichting van de werkhuizen veel minder duidelijk bleek te zijn dan aanvankelijk werd verondersteld. De tekst bleef zoveel onderzoeksmogelijkheden aanreiken dat het de werkgroep soms zwaar viel de aktiviteiten te beperken.

In 1980 verscheen het resultaat van de werkzaamheden: een editie van de Boeventucht als deel 10 van de instituutsreeks Ruygh-bewerp;

[p. 8]

in 1981 volgde een herdruk. Het boekje, bedoeld als een intern-Utrechtse onderneming, bleek ook landelijk aandacht te trekken. De logische stap was toen om niet meer zelf een derde oplage te gaan produceren, maar de Boeventucht via uitgever Coutinho op de landelijke markt te brengen. Ziedaar in het kort de ontstaansgeschiedenis van deze editie. De versie die hier wordt aangeboden verschilt van het origineel uit 1980 in zoverre dat de inleiding op detailpunten is veranderd. Alleen hoofdstuk 6 is in zijn geheel herschreven.

De werkgroep bestond uit Marianne Boogaard, Wytske Dijkstra, Arie-Jan Gelderblom, Lia van Gemert, Frans Hollander, Jan van den Hurk, Anne Evert Jacobs, Gijs van 't Loo, Marijke Meijer Drees, Christianne Muusers, Karel van Rosmalen, Annet Schenk, Riet Schenkeveld - van der Dussen, Michel Sleutelberg, Jan Steenbeek, Gertie Veldman, Edwin Venema, Wim Vermeer en Elise de Vroom. Arie-Jan Gelderblom leidde het project en herschreef de inleiding voor de huidige uitgave. Marijke Meijer Drees heeft het leeuwedeel van het onderzoek naar de zestiende-eeuwse achtergronden van de Boeventucht voor haar rekening genomen.

Van veel zijden is hulp gegeven bij de voorbereiding van het boek. Enkele instanties en personen verdienen een uitdrukkelijke vermelding. De Utrechtse Faculteit der Letteren wilde Marijke Meijer Drees ten behoeve van dit Coornhertproject gedurende enige maanden salariëren uit facultaire onderzoeksmiddelen. De Leidse Gemeentelijke Archiefdienst leverde alle gevraagde hulp en informatie. Mevrouw M. van de Vrugt van het Instituut voor Rechtsgeschiedenis, Rijksuniversiteit Utrecht, gaf bijstand en heilzame kritiek, juist op terreinen waar een neerlandicus zich niet van nature thuisvoelt. Henk Bonger en Marijke Spies hebben met hun opmerkingen veel positiefs bijgedragen aan het uiteindelijke resultaat. En tenslotte, de gehele onderneming zou onmogelijk zijn geweest zonder de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, die zo bereidwillig toestemming gaf om haar exemplaar van Boeventucht-1587, het enig bestaande, te gebruiken als basis voor deze editie.

prepost  begin  verder