terug  begin  verderprepost
[p. 9]

Boeventucht; ter introductie

Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) mag zeker een ‘erflater van onze beschaving’ genoemd worden, ook al heeft hij geen plaats in het boek van Jan en Annie Romein verworven. Hij was een man van ongemeen brede belangstelling die op het gebied van de theologie, de ethiek, de politiek en de literatuur belangrijk en invloedrijk werk heeft verricht. Zijn naam is dan ook - en die eer deelt hij met maar weinig schrijvende Nederlanders - tot ver in het buitenland bekend geworden. Over zijn denkbeelden en zijn betekenis in het Europa van de zestiende eeuw is geschreven door een Duitser (Troeltsch), een Rus (Becker), een Amerikaan (Rufus M. Jones), een Pool (Kolakowski) en een Fransman (Brachin) en er zijn veel meer namen te noemen (Bonger 1978, 390-415). Vanzelfsprekend werd in Nederland de meeste aandacht aan zijn werk besteed. Het kan niet de bedoeling zijn in deze introductie alle namen te noemen van mensen die voor de Coornhertstudie belangrijk zijn geweest, maar drie van hen verdienen hier toch wel vermelding. Voorop moet staan Bruno Becker, de hierboven al genoemde Rus die uit de lezing van Coornherts werk zichzelf Nederlands had geleerd (!) en een paar jaar na de Russische revolutie naar Nederland is gekomen. Hij heeft fundamentele studies aan Coornherts opvattingen gewijd en voor een uitgave van Coornherts hoofdwerk de Wellevenskunste gezorgd. In de tweede plaats willen we H. Bonger noemen die in 1978 het standaardwerk Leven en werk van D.V. Coornhert deed verschijnen, een boek dat geeft wat het belooft: een biografie van Coornhert en een bespreking van zijn denkbeelden aan de hand van zijn werken. Wat in deze introductie staat, is grotendeels aan hem ontleend. In de derde plaats zijn voor ons van uitnemend belang geweest de studies van A. Hallema over Coornherts betekenis voor de strafrechthervorming. En daarmee zijn we dan gekomen aan het onderwerp van onze uitgave, Coornherts Boeventucht, ontworpen in 1567, gepubliceerd in 1587.

 

Coornhert werd geboren als zoon van een welgestelde Amsterdamse koopman, kreeg een goede opvoeding waarin zijn vele begaafdheden tot hun recht kwamen, en werd, naar hij zelf vertelt, ‘naerstelijck’ in de rooms-katholieke leer onderwezen. Zelfstandige lectuur van de bijbel echter maakte dat hij al vroeg ‘eenighe misbruycken ende dolin-

[p. 10]

gen’ begon op te merken in de katholieke leer. Zelfstandig denken en zelfstandig optreden bleef hem kenmerken. Op zeventienjarige leeftijd trouwde hij tegen de wil van zijn ouders met een veel ouder en bovendien arm meisje en werd toen, op voorspraak van zijn schoonzuster - maîtresse van Reinoud van Brederode - hofmeester op het slot Batestein in Vianen. Daardoor raakte hij thuis in een milieu waar men kritisch stond tegenover de autoriteit van de kerk, en waar men tevens de eigen rechten tegenover de landsheer, toen Karel V, met hartstocht verdedigde. Later zou de oudste zoon van het gezin Brederode, Hendrik, een van de aanstichters en steunpilaren van de opstand worden. De goedvoorziene bibliotheek bracht Coornhert in kennis met het werk van Luther, Calvijn, Menno Simonsz. en anderen die het gezag van Rome niet wensten te erkennen.

Omdat het hofleven hem toch niet bevalt, trekt Coornhert een paar jaar later naar Haarlem waar hij aanvankelijk als tekenaar en graveur in zijn onderhoud voorziet en vervolgens carrière maakt in de ambtelijke wereld. In 1564 wordt hij secretaris van de burgemeesters, een functie die hem in staat stelt invloed uit te oefenen op het gemeen telijk beleid. In die tijd komt zijn schrijverschap goed op gang, onder meer door vertalingen van de klassieke auteurs Cicero en Seneca. Zijn theologische denkbeelden gaan vaste vormen aannemen. Zoals hierboven al vermeld, staat hij kritisch tegenover Rome, maar anderzijds heeft hij de grootst denkbare bezwaren tegen het leerstuk van de predestinatie zoals dat bij de grote reformatoren wordt verdedigd. Zijn scherpste pijlen schiet hij daartegen af. Voorstander van religieuze tolerantie, probeert hij een eigen standpunt te verdedigen, een moeilijke zaak in een periode dat de partijen vijandig tegenover elkaar staan en als devies het ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ voeren.

Zijn werk als stadssecretaris van Haarlem brengt hem in contact met prins Willem van Oranje, stadhouder van Holland. De prins ziet een medestander in deze strijder voor godsdienstvrijheid die bovendien goede contacten met de Brederodes heeft. Maar Coornhert bindt zich niet. Als een waar regent stelt hij zich voorzichtig op, probeert de redelijkheid niet uit het oog te verliezen en alle partijen zoveel mogelijk tevreden te stellen. Enerzijds geeft hij door schriftelijke stukken steun aan de gerechtvaardigde verlangens van het Nederlandse verzet tegen Spanje, maar anderzijds tracht hij excessen te voorkomen; aan hem is het bijvoorbeeld mede te danken dat Haarlem geen beeldenstorm heeft gekend. In 1566 werd in deze stad zelfs een openbaar debat over de godsdienst gevoerd tussen enkele priesters enerzijds en een paar vertegenwoordigers van de gereformeerden anderzijds. Coornhert zorgde voor de notulen.

[p. 11]

Medio 1567 gaat het met de zaak van het verzet slecht. Een aanslag van Brederode op Amsterdam mislukt, de prins vertrekt naar Duitsland. Coornhert raakt in paniek, vraagt ontslag als secretaris en vlucht het land uit. ‘Cum inter arma, leges sileant’, zei hij er later zelf van, ‘omdat de wetten tijdens het wapengeweld zwijgen’. Maar zo'n vlucht komt op een schuldbekentenis neer, en al waagt Coornhert het om terug te keren naar Haarlem wanneer het ergste gevaar geweken lijkt, hij behoort tot de eersten die in september 1567 gevangen genomen worden wanneer Alva het heft in handen heeft genomen. Op 15 sep-

illustratie
Fig. 1 Coornhert. Houtsnede in de Wercken van 1630.

tember wordt hij overgebracht naar de Gevangenpoort in Den Haag. Begin oktober wordt hij een paar maal verhoord en de vele vragen die hem over zijn rol bij de afgelopen gebeurtenissen gesteld worden, noodzaken hem uitvoerig zijn verdediging, ook met schriftelijke stukken, voor te bereiden. Zijn gezondheid is ook niet al te best. Op 22 december schrijft hij tenminste in een rekest dat hij last heeft van ‘zwellingen van lichame, gequelle van gichte en andersz.’. Maar dat verhindert hem toch niet een rusteloze schrijfaktiviteit aan de dag te

[p. 12]

leggen, wanneer hij eenmaal het privilege heeft verworven om pen, papier en inkt te mogen gebruiken. Een van de pennevruchten is de Comedie van Lief en Leedt waarin beschreven wordt hoe de mens door allerlei kwellingen in verzoeking wordt gebracht, o.a. door de gepersonifieerde ‘Gevanckenisse’. Deze vertelt de mens hoe de ‘herberg’ waar hij ondergebracht zal worden, eruit ziet:

 
Daer is voor huysraet (ick wilt u niet verbergen)
 
Grote, sware, gheketende blocken,
 
Ellendighe, benaude, verghetende stocken,
 
Ysere veeters voor Handen en Voeten,
 
Daer veel mesdoenders met schanden in moeten,
 
Oock Gyolen (= kotten) van swarte duysterheyt yselyck
 
En pijnbancken, deur welcke smerten afgrijselyck
 
Meenich weeckhertich Mensche onverduldelyck
 
Hem selve dotelycken wroecht onschuldelyck,
 
Overmits de bittere felheyt van mennich rechter
 
Te onmenscelyck misbruyct kaers, koorde of trechter.
 
Daer is men deur veelheyt der mesdaders niet eenlyck.
 
Tgeselschap is troerich, claechlyck en weenlyck.
 
Daer hoortmen niet dan van Leedt, van droefheyt, van sorghen,
 
Van onthalsen, van branden, van hangen en worgen,
 
Ende daer ducht oock donnosele onvermydelyck
 
Valsche tuygen en Rechters int oordeel partydelyck.
 
Wat dunc u, fijn man, van mijn heerlyke woninge?

De ‘Mensch’ antwoordt dapper:

 
Ghevangen te worden is my geenen schande,
 
My slechte Knecht, tgebuert den meesten vanden Landen. (Coornhert 1955, 206-207.)

Nu, al verkeerde Coornhert in een geprivilegieerde positie, bijvoorbeeld doordat hij over een eenpersoonsverblijf mocht beschikken, de kwellingen van het gevangenisbedrijf zoals hij die hierboven beschrijft, heeft hij zeker voldoende met eigen ogen gezien. Zo ondergedompeld in de sfeer van misdaad en straf, zet hij zich aan het werk om een betoog over de oorzaken van de snelle toeneming van de misdaad te schrijven en om daarin ook aan te geven hoe men dat probleem moet oplossen: de eerste versie van onze Boeventucht, hier nog Discours onder verbeteringe van den verstandigen geheten. Het stuk draagt de datum 24 oktober en dateert dus uit dezelfde maand dat Coornhert de handen vol had aan zijn eigen verdediging. Was zijn betoog, gericht tot de magistraat, zonder een spoor van rancune geschreven, tegelijk een poging om de overheid tegenover hem gunstig te stemmen? Het is hoe dan ook merkwaardig dat een politiek gevangene,

[p. 13]

met inzet van al zijn krachten erop uit om zijn onschuld te bewijzen, de gelegenheid te baat neemt zijn bewaarders middelen aan de hand te doen om een betere bestraffing van echte misdadigers te bewerkstelligen. Men hoeft dat niet negatief uit te leggen: Coornhert zal ervan overtuigd zijn geweest dat hij met al zijn politieke activiteiten het beste voor land en koning gewild heeft, en hij heeft zich zeker niet als een revolutionair beschouwd. Daarbij past het dan goed dat men de overheid deelgenoot maakt van overpeinzingen tot nut van 't algemeen. Het is ook niet voor het eerst dat Coornhert zijn gedachten over de relatie tussen weeldezucht, luiheid en misdaad laat gaan. Bonger heeft gewezen op de monoloog van Lazarus in de Comedie vande rijckeman (ongeveer 1550), en inderdaad komen daarin zinsneden voor die sterk aan de Boeventucht doen denken, zoals

 
Doverheyts slapheyt laet ooc veel droncken snuyten
 
Tot hinder van darmen (= de armen) inden zomer gaan kuyten, (= zuipen)
 
Als sy mogen winnen (= verdienen), dat hun swinters mocht voeden. (Coornhert 1955, 62.)

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Coornhert, nu van zo nabij geconfronteerd met de gruwelijke gevolgen van misdaad, ertoe is overgegaan zijn gedachten over een en ander te ordenen en op papier te zetten.

Tot publikatie van het stuk is het lange jaren niet gekomen. Coornhert wist uit de gevangenis te ontvluchten en vertrok als balling naar Keulen. In de eerste jaren van de tachtigjarige oorlog had men trouwens wel andere dingen aan het hoofd dan de hervorming van het strafrecht. Pas wanneer de toestand in de Noordelijke Nederlanden tot rust gekomen is, komt Coornhert officieel met zijn denkbeelden voor de dag door de Boeventucht in gedrukte vorm te doen verschijnen. Het werkje is dan aan de gewijzigde situatie aangepast; Coornhert kan er bijvoorbeeld op wijzen dat de situatie op het gebied van de criminaliteit door de burgeroorlog nog aanzienlijk verslechterd is. Bovendien is er een passage ingevoegd over tewerkstelling van goedwillende armen ter preventie van misdadigheid.

 

Tot zover deze introductie. In de volgende hoofdstukken van de inleiding zullen we uitvoeriger ingaan op de maatschappelijke context van het stuk, op de plaats die het inneemt in Coornherts ideeënwereld, op de structuur van Boeventucht (met name het verschil tussen de twee versies) en op de gevolgen die het betoog wellicht heeft gehad.

prepostterug  begin  verder