Aan het begin van een bespreking van het zestiende-eeuwse strafrecht moeten eerst enkele instanties de revue passeren die in de Nederlanden te maken hadden met de toepassing ervan. Er zijn drie niveaus te onderscheiden: de centrale overheid, de gewestelijke overheid, en het stadsbestuur.
Tijdens de heerschappij van Karel V en later die van Philips II bestaat er een streven om de soevereine macht te centraliseren. Dit heeft, zoals we nog zullen zien, ook op de rechtspraak zijn invloed gehad. Het centrale bestuur bestond uit: (a) de landsheer (keizer Karel V, na 1555 koning Philips II); (b) de landvoogd of landvoogdes, plaatsvervang(st)er van de landsheer; en (c) een drietal raden. Deze dienden de landvoogd(es) van advies: de raad van state, de geheime raad en de raad van financiën. De geheime raad hield onder meer toezicht op de rechtspraak en redigeerde de plakkaten of ordonnantiën die uitgingen van het centrale gezag.
Onder het centrale bestuur stond het gewestelijke bestuur, gevormd door (a) stadhouders en (b) hoven. De stadhouders waren eveneens plaatsvervangers van de landsheer, maar dan op regionaal niveau. De hoven mochten in overleg met hun stadhouder plakkaten en ordonnantiën uitgeven. Het hof van Holland ontwikkelde zich in de loop van de zestiende eeuw meer en meer tot een rechtsprekend college. Men kon er bijvoorbeeld in hoger beroep gaan.
De Staten-Generaal bevonden zich naast het centrale bestuur als vertegenwoordigend college. Zo stonden de gewestelijke Staten naast het gewestelijk bestuur. In de Staten van Holland zaten, naast een aantal edelen, ook vertegenwoordigers van de zes grote steden van het gewest: Dordrecht, Delft, Gouda, Leiden, Amsterdam en Haarlem. Na de afzwering van Philips II in 1581 gaan de Staten van Holland zich steeds duidelijker manifesteren als de belangrijkste autoriteit op algemeen bestuurlijk terrein. Ze zijn al snel de machtigste onder de gewestelijke Staten in het noorden.
De Hollandse stadsbesturen waren (vóór en tijdens de Republiek) globaal als volgt ingericht. Aan het hoofd stond de magistraat, een college van schepenen onder voorzitterschap van de schout. Daarnaast trof men er een aantal burgemeesters en een raad of vroedschap aan. De rechtspraak was het terrein van schout en schepenen. De schout
(lett.: ‘hij die iemand om zijn schuld aanspreekt’, WNT 14, 945) werd ook wel officier genoemd (‘ambtsdrager’; De Monté Verloren 1972, 9; Wagenaar 1788, 279). Hij werd aangesteld door de stadhouder of de Staten, later ook wel door de burgemeesters. Tot zijn taak behoorde het toezicht op openbare rust en orde (vgl. de huidige commissarissen van politie). Ook moest hij zorg dragen voor de uitvoering van vonnissen (vgl. de taak van de officier van justitie thans). De schepenen (lett.: ‘oordeelvellers’, WNT 14, 445), verenigd tot de zogenaamde schepenbank, moesten de vonnissen vaststellen. Dat gebeurde buiten tegenwoordigheid van de schout, alhoewel deze uiteindelijk de vonnissen bekend moest maken.
De procesgang bleek in de praktijk weinig effectief te zijn. De centrale overheid zon op maatregelen om die situatie te verbeteren. In juli 1570 vaardigt Philips II een aantal ordonnantiën uit die bekend zijn geworden als de Criminele Ordonnantiën (Van de Vrugt, 1978). Uit deze verordeningen blijkt dat men iedere misdaad beschouwt als een vergrijp tegen de staat. Een verdachte moet dan ook door de staat worden vervolgd. Een staatsambtenaar (in de steden de schout) neemt het onderzoek ter hand zodra de verdenking van een misdaad is gerezen. Hij verzamelt het nodige bewijsmateriaal; daarnaast verlangt men ook steeds een bekentenis van de verdachte. Voor het ontlokken van de bekentenis wordt niet zelden de pijnbank toegepast. Voor landlopers gelden speciale maatstaven. Dit volk mag men om ‘haar boosheyt’ te ontdekken op de pijnbank leggen ‘schoon er geen andere redenen syn als dat sy gesont lijfs achter lande hebben geloopen, ende haar over andere begane misdaden scherpelijk te examineren’ (Diederiks 1976, 104). Voor alle gepijnigden geldt dat zij hun bekentenis ‘buiten pijn en banden van ijzer’ moeten herhalen. De verdachte mag tijdens de tortuur niet al te erg worden verminkt (Van Heijnsbergen 1925, 84).
Tijdens het gerechtelijk onderzoek blijft de verdachte opgesloten. Zo'n voorarrest kan tot drie jaar duren. De kosten van drank en voedsel moet de verdachte ondertussen zelf betalen (Koning 1828, 32; Hallema 1928, 519).
Als straf was opsluiting overigens niet gebruikelijk. De volgende categorieën straffen kunnen in de zestiende eeuw bij vonnis worden opgelegd, eventueel in combinatie. Verreweg de meeste van deze straffen zijn voor ons, twintigste-eeuwers, onvoorstelbaar wreed. Daarbij moeten we wel voor ogen houden dat vroeger de lichamelijke pijn niet, zoals thans, met pijnstillers onderdrukt kon worden. In het dagelijks leven moest men ontstekingen, pijnlijke zweren of tumoren verdragen zonder aspirine. Daar leerde men mee leven. Wilde men nu een misdadiger ècht pijnlijk straffen, dan moest de pijn van de bestraffing
nog heel wat heviger zijn dan de ‘normale’ pijn. Men kent in de zestiende eeuw doodstraffen, lijfstraffen, verbanning, geldstraffen en tewerkstelling.
De doodstraf kan op verschillende manieren ten uitvoer worden gebracht. De gekozen vorm van terechtstelling hangt samen met de mate van ‘eervolheid’ van de straf en de aard van het vergrijp. In het algemeen kan men zeggen dat de sociale positie van de veroordeelde de mate van eervolheid van de straf mede bepaalt. De executie vindt plaats in het openbaar op een centraal gelegen plek. Na de volvoering van het vonnis worden de stoffelijke resten buiten de stadsmuren gebracht en daar tentoongesteld (Jelgersma 1978, passim). Als er tenslotte door het inwerken van weer en wind en de gulzigheid van kraaien en ratten nog slechts botten resten is de strafvoltrekking ten einde. De meest eervolle doodstraf is de onthoofding. Verder kent men ophanging (voor dieven en inbrekers), wurging, verbranding (ketters en heksen), verdrinking (bijvoorbeeld voor schuldigen aan zedenmisdrijven), radbraking en het levend begraven. De gruwelijke straf van het radbraken behoeft nog enige toelichting. De veroordeelde werd op een paar houten balken (in de vorm van een liggend mens met gespreide armen en benen) vastgebonden. De beul had tot taak hem met een koevoet of zware ijzeren staaf helemaal of gedeeltelijk kapot te slaan. Deze straf kende verschillende gradaties. De zwaarste vorm was die ‘zonder slag op het hart’, zonder genadeslag. De beul begon vanaf de handen en de voeten geleidelijk aan het gehele lichaam te verbrijzelen. Bij ‘lichtere’ varianten viel de genadeslag wat eerder. Ter dood veroordeelden raakten al hun bezit kwijt. Hun goederen kwamen aan de staat; de achtergebleven familieleden vervielen tot armoede.
De zestiende eeuw kent twee categorieën lijfstraffen: verminkende en vernederende. Bij beide verliest de veroordeelde niet het leven, maar de eer. Als verminkende straffen gelden het afhouwen van ledematen, het uitrukken of het doorboren van de tong, het splijten van de neus, het uitsteken van ogen en het afsnijden van oren. Het brandmerken of brandtekenen is een straf voor bedelaars, dieven en bigamisten. Iemand die een brandmerk in zijn gezicht droeg zag er blijkbaar zo afschrikwekkend uit dat zwangere vrouwen er voortijdig van konden bevallen, zoals een zestiende-eeuws rechtsgeleerde opmerkt (Ten Cate 1975, 87). Tot ca. 1546 brandmerkt men op de wangen, later op rug of schouders. Op grond van welke bijzondere voorschrif-
ten men deze verplaatsing doorvoerde, is niet goed vast te stellen (Ten Cate 1975, 86).
Als vernederende lijfstraffen zijn te beschouwen het geselen, het kaalscheren en het tentoonstellen op het schavot. Ook liet men veroordeelden wel rondlopen met een steen om de hals, of in een houten ton. Men dwong hen soms tot een strafbedevaart, of men sloeg hen, bij wijze van symbolische doodstraf, met een zwaard over het hoofd.
De verbanning is in de zestiende eeuw een zware straf. De bezittingen van de verbannene worden verbeurd verklaard; men moet familie en vrienden verlaten. Dan begint het zwerven van de ene stad naar de andere, onder de voortdurende dreiging opgepakt te worden wegens landloperij. Geseling, brandmerking en nieuwe verbanning kunnen dan het gevolg zijn. Galg en rad zijn het eindpunt van zo'n lijdensweg.
Geldstraffen worden meestal in combinatie met andere straffen opgelegd.
Door toedoen van de Spanjaarden raakt de galeistraf in de Nederlanden bekend. Ook stelt men misdadigers te werk bij openbare projecten en in tucht- en spinhuizen. Hierop zullen we nog terugkomen.