terug  begin  verderprepost
[p. 26]

Armoede en misdaad 3

Pas in de tweede helft van onze eeuw komt het historisch onderzoek op gang naar bevolkingsgroepen die in het verleden op de rand van het bestaansminimum leefden. We weten nu dat het aantal armen in de vijftiende en zestiende eeuw geweldig is toegenomen. Waardoor? Die toename vindt zijn oorzaak in een versnelde bevolkingsgroei tussen ca. 1460 en 1560 en in de opkomst van het moderne handelskapitalisme. Honderdduizenden trokken van het platteland naar de stad in

illustratie
Fig. 2 en 3 Brassende en hebzuchtige bedelaars. Gravures van J. Wiericx in verschillende drukken van Coornherts Recht ghebruyck ende misbruyck van tydlicke have.

[p. 27]

de hoop daar iets meer te verdienen dan in hun dorpen van herkomst. Door de bevolkingsgroei was het op het platteland steeds moeilijker geworden om iedereen te voeden. In de stad vervielen de immigranten evenwel bij een geringe daling van de conjunctuur al gauw tot pauperisme. In de ogen van wie hoger op de sociale ladder stond vormden ze een bedreiging voor de algemene welvaart en rust.

De arme als potentiële misdadiger

In de gedachtengang van de middeleeuwer, die alles op aarde interpreteerde als een boodschap of teken van God, hield het arm-zijn een morele veroordeling in. Als arme werd je door God beproefd, of gestraft voor je zonden. In beide gevallen diende je je lot in lijdzaamheid te dragen. Wanneer het aantal armen groeit en de rondtrekkende bedelaars de stedelijke welvaart lijken te bedreigen, probeert men te bewijzen dat de armlastigen zichzèlf in zo'n benarde positie hebben gebracht. Hun lot is hun eigen schuld. Hèt bewijs dat vaak wordt aangevoerd is het gebrek aan werkwilligheid van de arme, zijn ‘ledigheyt’. Zijn de door God beproefden de ‘goede’ armen, de door God ge-

illustratie
[Fig. 3]

[p. 28]

stràften vormen de groep van ‘kwade’ armen, kenbaar aan hun weerzin tegen werk. In de praktijk viel dit onderscheid overigens moeilijk te maken. Werkwillig kon een arme zich wel tonen, maar op veel plaatsen was geen werk genoeg, zodat hij tòch moest gaan bedelen. De armenzorg was weinig efficiënt geregeld en werkte daardoor beroepsbedelarij in de hand; en wie eenmaal tussen de bedelaars en vagebonden terechtkwam had weinig kans meer op terugkeer naar een geordend leven. Hij was per definitie onbetrouwbaar geworden. Wie zou hem nog werk willen geven?

De overheid sterkte dit wantrouwen door allerlei verordeningen tegen de bedelaars af te kondigen. Tientallen schrijvers ‘bestudeerden’ hun wonderlijke wereld en publiceerden de bevindingen in werken over het leven, de organisatie en de taal der onmaatschappelijken. Voorbeelden zijn Sebastian Brants Narrenschiff (1494); het anonieme Liber vagantorum (1509) en de Vlaamse pendant hiervan: Der fielen, rabauwen oft schalcken vocabulaer (1563). De veelzeggende ondertitel van dit laatste werk luidt: ‘ooc de beveysde manieren der bedeleeren oft bedelerssen, daer menich mensche deur bedrogen wort, wort hier geleert, op dat hem elck daer voor wachten mach, ende is seer nut ende profijtelijck om lesen voor alle menschen’. In dit werk worden ruim vijfentwintig verschillende soorten bedelaars en bedelaressen beschreven en afgebeeld.

Die afbeeldingen brengen ons bij een andere ‘bron’ waaruit veelal een morele veroordeling van de pauper en tegelijk een waarschuwing aan de toeschouwer spreekt: de iconografie. Landlopers, rondzwervende gedeserteerde en afgedankte soldaten, ‘varende luyden’ (reizende kunstemakers en kwakzalvers), prostituées, beroepsbedelaars, kortom de hele grauwe horde van ‘quaetdoenders’ wordt op schilderijen en op prenten in bijvoorbeeld emblematabundels goed zichtbaar gemaakt. Schilders als Pieter Brueghel en later Adriaan van de Venne wisten allerlei vertegenwoordigers van de medogenloze anti-maatschappij afschrikwekkend weer te geven. Alle tekenen van uiterlijk verval, zoals verwrongen gelaatstrekken en afstotelijke mismaaktheid, vormden de ‘bewijzen’ van een door en door zondige levenswandel. Het zijn vaak, ook voor ons nog (laat staan voor angstige en bijgelovige tijdgenoten van de kunstenaars), macabere afbeeldingen van vechtend, moordend en zich volvretend uitvaagsel; soms zie je op de achtergrond een galg of een heel galgenveld met tentoongestelde lijken, de ondubbelzinnige verwijzing naar het definitieve eindpunt van een buitensporig leven...

[p. 29]

Hervorming van de armenzorg

In de periode 1520-1550 gaan tenminste vijftig steden in Europa over tot gecoördineerde armenzorg (Soly 1975, 591). Aan deze hervorming van de armenzorg lagen steeds drie principes ten grondslag: controle, steunverlening en arbeidsdwang. Alle beschikbare steunfondsen kwamen terecht bij het stadsbestuur, dat ze in een centrale kas stortte, ‘de gemene beurs’. Van tijd tot tijd organiseerde men bedélingen. Wie daarvoor in aanmerking wilde komen moest zich laten registreren. Door deze registratie kon het stadsbestuur de armen controleren. Het beschikte zo ook over namen van mensen die verplicht te werk gesteld konden worden. Recent onderzoek heeft laten zien dat zo'n hervorming van de armenzorg slechts werd doorgezet als er in de betreffende stad sprake was van een industriële opleving; met andere woorden, als er geld voor was. Ook denkbeelden van humanisten en religieuze hervormers hebben bij de sociaal-politieke besluitvorming een rol gespeeld. In het algemeen mag men concluderen dat àls er, ook later in de zestiende eeuw, voorstellen tot hervorming werden gerealiseerd, dat altijd gebeurde in een periode van opgaande conjunctuur. Of, met andere woorden, in een periode waarin de drie-éénheid controle-steunverlening-arbeidsdwang samenviel met de belangen van de burgers-kooplieden-ondernemers (Soly 1975, 594). In Coornherts Boeventucht is deze samenhang eveneens waarneemnaar. De auteur speelt in op de belangen van de koopman. ‘Oorbaar’, ‘nut’ en ‘profijt’ zijn in het oog springende begrippen in het betoog. Degenen die over eventuele realisering van de voorstellen moeten beslissen krijgen argumenten opgediend die tegemoet komen aan hun verlangen hun vermogen door investering te vermeerderen.

In steden als Amsterdam en Leiden breidt men in de zestiende eeuw de dienstverlening van de in oorsrpong middeleeuwse hulpinstanties uit. Langzamerhand komt er enige hervorming tot stand. Thuiswonende armen, de zogenaamde arme huiszittenen, stonden er onder controle van speciale huiszittenmeesters, aan wie hun materieel welzijn was toevertrouwd. De zogenaamde gasthuizen verleenden onderdak aan onvermogende vreemdelingen. Geen enkele inwoner van Leiden mocht vreemde bedelaars herbergen op straffe van een boete (Ligtenberg 1908, 304). Het Leidse Heilige-Geesthuis was een weeshuis. Weeskinderen kregen er lessen van een schoolmeester, de jongens leerden er een ambacht of werden uitbesteed, meisjes moesten in de huishouding helpen of leerden spinnen.

Hiervoor is al even het verband aangeduid dat de tijdgenoten legden tussen gebrek aan werkwilligheid en armoede. De arme-door-eigenschuld is in deze visie een misdadiger. De ‘goede’ armen verdienen centrale ondersteuning. Een aantal geschriften over de armenzorg die

[p. 30]

we in het volgende hoofdstuk behandelen richt zich vooral op deze laatste groep. Coornherts Boeventucht daarentegen behandelt vooral de bestrijding van de criminaliteit die voortkomt uit armoede. Het gaat hem eerder om straf- dan om hulpmaatregelen, hoewel hij daarbij het heil van de individuele gestraften duidelijk voor ogen houdt.

prepostterug  begin  verder