Zoals de titel al aangeeft valt in de Boeventucht het accent op een efficiënte bestraffing van misdadigers. Daarmee staan Coornherts ideeën over arme mensen in verband. Zij zijn de ‘luye sluymers’ die van kwaad tot erger kunnen vervallen. Maatregelen tegen de aanwas van zulke lieden hebben vooral tot doel de ledigheid, die tot zonde leidt, uit te bannen. Het doen verdwijnen van de ledigheid is ook een belangrijk motief in een aantal hierna te behandelen zestiende-eeuwse geschriften. Dat zijn: 1. Thomas More: Utopia (1516), 2. J.L. Vives: Secours van den aermen (1526); 3. Het Groot Placaat van Karel V (1531) waarin vele van Vives' voorstellen zijn terug te vinden; 4. Het Leidse armenzorgrapport (1577).
Naast het genoemde gemeenschappelijke motief van het uitbannen van de ledigheid zijn er nog andere redenen waarom juist déze geschriften naast de Boeventucht kunnen worden gelegd. Zo is de keuze van 1 en 2 mede bepaald door een aantal uitspraken over Coornherts relatie tot Vives en More (Overdiep 1944, 21; Bonger 1978, 305) waarin afhankelijkheid wordt verondersteld; de keuze van 3 door een uitspraak van Coornhert zelf over plakkaten (in par. 2); 4 is mede gekozen op grond van de mogelijkheid dat dit rapport een verklaring biedt voor een aantal uitbreidingen in de eerste druk van de Boeventucht in vergelijking met het handschrift.
Hoewel er een overeenkomst bestaat tussen de Boeventucht en genoemde vier teksten - het motief van de uit te bannen ledigheid - bekleedt Coornhert toch een unieke positie in zoverre dat hij pleit voor bestraffing van misdadigers. In de andere teksten staat verzorging van armen centraal.
1 Thomas More: Utopia (1516). Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste schetst More de schrijnende sociale wantoestanden in het Europa van zijn tijd. Deel twee beschrijft de samenleving op het fantasie-eiland ‘Nergensland’. Naar de vorm is het een gesprek met de gefingeerde Hythlodaeus. Het is een mystificatie, een literaire tekst en geen direct betoog. Daardoor kan More als auteur buiten schot blijven. Het zou onverantwoord zijn te concluderen dat Coornhert invloed heeft ondergaan van More's denkbeelden over armoede en misdaad. Beide auteurs hebben wel vergelijkbare kritiek op de wereld
waarin zij leven, maar ze verwerken die op totaal uiteenlopende wijze. More voert een pleidooi voor een ‘ideale’ samenleving waarin privé-eigendom onbekend is (niemand hoeft zich dus te vergrijpen aan andermans bezit); waarin werk naar keuze aanwezig is voor allen die kunnen werken (ledigheid bestaat dus niet); kortom, waarin alleen het beste uit de mensen wordt gehaald. Coornhert daarentegen doet een aantal concrete, praktische voorstellen voor werkverschaffing en voor een efficiënter strafsysteem. De samenleving én de individuele gestrafte zullen daar uiteindelijk beter van worden.
2 J.L. Vives: Secours van den aermen (1533). De Spaanse
humanist Juan Luis Vives, geestverwant van Erasmus en
Thomas More, schrijft op verzoek van Lodewijk van Vlaanderen, één van de
invloedrijkste

Fig. 4 Thomas More. Kopie van een schilderij van
Holbein. National Portrait Gallery, Londen.
raadslieden van Karel V, een boek over de armenzorg. Het verschijnt in 1526: De subventione pauperum. In 1533 komt er een Nederlandse vertaling uit in Antwerpen. Een tweede Nederlandse versie verschijnt in 1566. In het eerste deel levert Vives kritiek op onrechtvaardige sociale verhoudingen in de Nederlanden, veroorzaakt door bezitsverschillen. Hij pleit voor afschaffing van privé-eigendom. Vervolgens presenteert hij in het tweede deel een serie concrete voorstellen voor de armenzorg in de steden. Hij beschouwt de armen als medemensen, en niet in de eerste plaats als potentiële misdadigers. Van bestraffing rept hij nauwelijks. Precieze vergelijking levert onvoldoende materiaal op om te concluderen dat Coornhert ‘op Vives gesteund’ (Overdiep 1944, 21) heeft. Het is zeker denkbaar dat hij op de hoogte is geweest van Vives' voorstellen; op zijn dienstreizen kan hij de steden hebben bezocht waar de armenzorg in Vives' geest functioneerde. Heel waarschijnlijk is dit laatste evenwel niet. In de Boeventucht merkt Coornhert zelf op (t.a.v. de controle op de armen): ‘Zo geschiet nochtans tzelve in gheenen Steden daer ick af hebbe konnen verhoren’ (par. 5).
3 Het Groot Placaat van Karel V (1531). De artikelen VIII tot en met XXV van het Groot Placaat van Keyser Karel, vervattende verscheyde saken, de policie deser landen concerneerende, in dato 7 Octob. en gepubliceerd den 15 Novem. 1531 (Groot Placaatboek I, 1729, 416-419) handelen over bedelarij en armenzorg. Uit een vergelijking met de Boeventucht valt weinig te concluderen. Er zijn wat parallellen op het terrein van de registratie, maar in de uitwerking van de plannen over werkverschaffing en een ander strafsysteem staat Coornhert weer alleen.
4 Het Leidse armenzorgrapport (1577). In 1575 besloten de Staten van Holland dat de armenzorg voorgoed onder de overheid moest komen (Ligtenberg 1908, 298). Het is waarschijnlijk dat in dit verband het rapport over de hervorming van de armenzorg der stad Leiden in de vergadering van de vroedschap op 20 februari 1577 werd behandeld. Dit rapport was opgesteld door een commissie, bestaande uit een afvaardiging van burgemeesters en schepenen die zelf ook op de vergadering aanwezig waren (Prinsen 1905, 114, 128). Jan van Hout was als secretaris bij de vergadering aanwezig en gaf een mondelinge inleiding bij het rapport (Prinsen 1905, 129). Het rapport constateert onder meer dat er veel aalmoezen worden verspild en dus niet terecht komen bij de ‘rechte ende de ware armen’. Als oorzaken van de verspilling worden genoemd: het weinig effectieve bedélingsbeleid dat de kloosters voeren; de achteruitgang van de lakenne-
ring; de toeloop van bedelaars uit allerlei landen naar de als mild bekend staande Nederlanden en de vrijgevigheid van de bevolking. Na deze opsomming zegt het rapport (geparafraseerd): Zoals het voor een arts een vereiste is dat hij de oorzaak kent van de ziekte van zijn patiënt, om deze goed te kunnen genezen, zo is het eveneens noodzakelijk voor de ter vergadering aanwezigen om de oorzaken te kennen van de wantoestanden in deze stad (Prinsen 1905, 143). Ook Coornhert gebruikt deze uit de oudheid stammende medische metafoor in de Boeventucht, namelijk in par. 1. Vergelijking van het handschrift met de eerste druk leert dat deze metafoor in het handschrift nog ontbreekt.
Uiteindelijk komt het Leidse rapport tot oplossingen. De middelen voor de armenzorg dienen in een centrale kas te vloeien; ook het toezicht op en de registratie van de armen moeten centraal worden geregeld. Zo is controle op de besteding van de middelen gewaarborgd. Bovendien komen er opzichters in de verschillende buurten.
Door een efficiënte registratie wordt het nu mogelijk een deel van de armen tot arbeid te dwingen. Hoewel Coornherts voorstel gedetailleerder is dan het rapport, wordt de indruk gewekt dat hij op de een of andere wijze van het Leidse voorstel heeft afgeweten. Misschien was hij wel op de hoogte van de volledige inhoud van het Leidse armenzorgrapport; alleen zijn de argumenten hiervoor, althans de tekstinterne argumenten, niet echt doorslaggevend.
Wel is er een sterk tekstextern gegeven voorhanden, ontleend aan Coornherts levensloop. In 1579 had Coornhert in verband met de ‘Leydtsche Disputatie’ nogal veel contact met het Leidse stadsbestuur, waarin zijn vriend Jan van Hout secretaris was (Bonger 1978, 83 e.v.). Zelfs een jaar eerder al bevond Coornhert zich in Leiden ter gelegenheid van een disputatie in het Academiegebouw (Bonger 1978, 16). Juist in deze jaren was men in Leiden bezig met de realisering van de voorstellen die in het armenzorgrapport gedaan worden. Het is heel goed mogelijk dat Van Hout en Coornhert daarover gesproken hebben; misschien heeft Van Hout Coornhert het rapport wel laten lezen. Indien dit waar is, dan is daarmee het opvallendste verschil tussen het handschrift en de eerste druk van de Boeventucht (de toevoeging van par. 13 t/m 21 in de eerste druk) verklaard. De recentste studie over het Leidse rapport en Coornherts Boeventucht is die van P. Brachin (1984).
Welbeschouwd heeft de confrontatie van de Boeventucht met een aantal andere zestiende-eeuwse geschriften weinig opgeleverd. Dat wil zeggen: uitspraken over bijvoorbeeld Vives' invloed op Coornhert
kunnen niet worden gestaafd. Misschien dat de confrontatie met het Leidse armenzorgrapport er nog het gunstigst uitspringt; daarmee valt tenminste een verklaring te geven voor de opvulling van (het grootste deel van) het ‘gat’ dat het handschrift ten opzichte van de eerste druk van Boeventucht vertoont. De belangrijkste reden van het feit dat de resultaten nogal teleurstellend zijn (dat wil zeggen niet aan verwachtingen beantwoorden) is eigenlijk al geformuleerd. Coornhert heeft met de Boeventucht een andere bedoeling dan de overige behandelde teksten. Niet de zorg voor de armen heeft zijn primaire aandacht, maar de doelmatige bestraffing van de misdadigers, op een zodanige wijze, dat zowel de samenleving als de misdadigers zelf ervan zullen profiteren.