‘Apostel der volmaakbaarheid’ noemt Becker Coornhert in een fundamenteel artikel uit 1926 (Becker 1926, 59-84). Hiermee is Coornhert vooral gekenschetst als de verkondiger van het perfectisme, de leer dat de mens nog hier op aarde de staat van volmaaktheid kan bereiken. Gedurende zijn hele leven heeft Coornhert deze opvatting met vuur verdedigd. De mens, aldus het perfectisme, is niet ontvangen en geboren in zonde, maar in goedheid. Hij is niet voorbestemd tot eeuwige zaligheid of verdoemenis, maar hij kan, met Christus' genade, door eigen toedoen volmaakt worden, op aarde nog.
Daarvoor is nodig dat hij zich oefent in het goede en met zijn vrije wil zijn leven voortdurend ten goede stuurt. De vrije wil zal de beste beslissingen nemen als zij zich kan baseren op een waar en oprecht oordeel. Als het oordeel goed is, zegt Coornhert, dan is de gehele mens goed (Coornhert 1942, II, iv, 23). Wanneer is dat het geval? Als het oordeel zich laat leiden over de ‘overste reden’ en de ‘ware wetenschap’.
De ‘overste reden’ is het gedeelte van het menselijk gemoed waardoor God zijn liefde aan de mens meedeelt. Coornhert noemt de essentie van de ‘overste reden’ ook wel: de wet van de natuur. Die wet gebiedt de mens om in onbaatzuchtige liefde zijn schepper na te volgen en de medemens te behandelen zoals men zelf graag behandeld zou willen worden. Dit laatste is de zogenaamde ‘gouden regel’ van de filosofen uit de oudheid, die verband houdt met de gedachte dat al het geschapene een eenheid vormt; een ander goed behandelen betekent: iets goeds doen voor het geheel van de schepping, waar men ook zelf deel van uitmaakt.
Door ervaring kan de mens voorts ‘ware wetenschap’ verwerven, wezenlijke kennis van de waarheid. Ze berust niet op waan of leugen (die aan de oorsprong van de zonde liggen), maar is een onbetwijfelbaar ervaringsfeit. Uit beschouwing van zichzelf krijgt een mens inzicht in eigen kwaadheid en in Gods goedheid. Maar door praktizering van het goede, namelijk liefde voor God en daadwerkelijke naastenliefde, voelt de mens dat zijn onrust en kwade begeerten afnemen en dat zijn innerlijk genoegen groeit. Door die ervaring wéét hij onwrikbaar dat hij op weg is naar het volkomen welleven. De volledig deugdzame mens begeert uit liefde niets voor zichzelf, maar hij laat

Fig. 8 Binnenplaats van het tuchthuis. Uit
Historie van de wonderlijcke mirakelen, die in menichte ghebeurt zijn
[...] in een plaets ghenaempt het Tucht-huys [...]. 1612.
anderen zijn goedheid volop genieten. Daardoor, zo kan hij ervaren en weten, wordt zijn innerlijk welbevinden volkomen.
Coornherts Zedekunst, dat is wellevenskunste (Coornhert 1942) brengt deze opvattingen duidelijk onder woorden. Het is een handboek voor de ethica dat geheel op perfectistische grondslag berust. Het wil de gebruiker leren handelenderwijs volmaakt te worden. De vervolmaking is een geleidelijk proces waarbij de motieven voor het menselijk handelen van lieverlede veranderen. Zal iemand aanvankelijk het goede willen doen uit vrees voor straf, en vervolgens in hoop op beloning, later streeft hij het goede alleen nog na uit liefde tot God, de ware goedheid zelf. Wie eenmaal begint wordt gaandeweg beter en voelt dat ook. Via een serie trappen klimt men op tot het volkomen welleven. Coornhert bespreekt deze stadia diverse keren; heel duidelijk bijvoorbeeld in de Ladder Iacobs (W.W. I, 165-176).
Hoe verhouden zich Coornherts opvattingen over de volmaakbare mens tot zijn ideeën over het straffen die hij in de Boeventucht presenteert? In par. 1 van de Boeventucht onderscheidt hij drie soorten mensen: de goeden, de ‘kwade luiden’ die nog te genezen zijn, en de ‘boze, ongeneselijke schelmen’. Coornhert wilde, daarop zij uitdrukkelijk gewezen, niet het gehele toenmalige strafrecht hervormen of zich uitspreken over de behandeling van misdadigers in het algemeen. Hij wilde slechts een probleem oplossen dat door de tijdsomstandigheden acuut was geworden: de groei van het aantal ‘schadelyke ledighghanghers’. Dezen vormden zijn onderwerp. Zij zullen de ‘kwade luiden’ geweest zijn die nog een kans op verbetering hadden. De Wellevenskunste legt een duidelijk verband tussen ledigheid en zonde. Ledigheid leidt tot onwetendheid. Wie de deugd niet praktizeert, kan haar goede uitwerking ook niet ervaren (II, v, 50-55). Zo iemand leeft in innerlijke onrust, bijvoorbeeld doordat hij zich geheel en al richt op de bevrediging van zijn begeerten, zonder in te zien dat die aardse begeerten steeds weer nieuwe verlangens oproepen en zich nooit laten stillen. Het is de plicht van elk mens om bij het ouder worden kennis te verwerven omtrent de eigen innerlijke dispositie. Wie tot besef komt van de eigen onvrede zal zich realiseren dat het Gods bedoeling niet is dat hij steeds weer nieuwe begeerten najaagt, maar wel dat hij tot innerlijke vrede komt, bijvoorbeeld door niet méér te verlangen dan een eenvoudig tevreden leven. Dat is de eerste stap op weg naar een verbetering van de levenshouding. Dan kan de algehele vernieuwing beginnen.
Wie daarentegen alle aanleidingen om kennis omtrent zichzelf op te doen laat voorbijgaan, verzaakt zijn plicht. Zo iemand wordt een ‘kind van honderd jaren’: een grijsaard met de geestelijke ontwikkeling van een kleuter; de bedoeling van Gods liefde blijft hem verbor-
gen. In de onwetendheid (die hij zelf op zijn geweten heeft) zal hij nalaten de deugd te beoefenen, en waar geen deugd is, daar is zonde. De zondaar voelt zich daar ellendig bij, maar hij weet niet hoe hij die onvrede moet oplossen. Als anderen hem nu met dwang (dreiging met straf bijvoorbeeld) op het goede spoor zetten, dan kan ook hij beginnen stelselmatig kennis op te doen omtrent zichzelf en Gods liefde. Dan groeit ook bij hem het welbevinden in een geleidelijk proces van deugdbeoefening. (Coornhert 1942, boek I en II, passim). Door gewenning aan de zonde kan een zondaar van kwaad tot erger worden gebracht (III, ii, 50-53), maar door het cultiveren van deugd en kennis kan de zondige mens zijn ware, goede natuur terugvinden (I, xii, 39-44). Concreet voorgesteld: ook de leeglopers moeten mogelijkheden aangereikt krijgen om zich te verbeteren. Grijpen ze die kansen niet, dan zullen ze steeds verder wegzakken in hun zondigheid om tenslotte terecht te komen in de categorie van zware criminelen, voor wie geen redding meer te verwachten valt. Dan is de kwade gewoonte in kwade natuur veranderd en sterft die ziel, i.c. de ‘overste rede’. Zie Boeventucht par. 10; Dan komen landlopers en kruimel-diefjes eerst onder de criminelen terecht en vervolgens aan de galg, hoewel ze eigenlijk niet onvatbaar waren voor verbetering. Dit bederf kan evenwel voorkomen worden.
Op verscheidene plaatsen in de Boeventucht blijkt dat de precaire positie van de lediggangers Coornhert ter harte gaat. Hij doet zijn voorstellen mede opdat zij als groep en als enkelingen weer het pad naar de deugd zullen zoeken. In het inleidende gedicht vermeldt hij dat de boeven ook zélf zullen profiteren van de dwangarbeid. Duidelijker blijkt zijn uitgangspunt in de aanhef van paragraaf 1. Met welk doel straft men? Om ervoor te zorgen dat brave lieden zich niet op het slechte pad begeven, ‘dat quade luyden geneselijck zijnde, door anxte voor scande of smerte tot dueghden mochten komen’, maar voorts ook om de werkelijk onverbeterlijke schurken uit de samenleving te verwijderen en zo de nette mensen te beschermen.
De lediggangers moeten wérken (par. 13 en 14) om niet meer het smoesje te kunnen gebruiken dat ze niets te doen hebben. Ze verdienen dan wat en hoeven niet meer te bedelen (par. 18). Het is immers beter iets om handen te hebben en daarmee wat te verdienen, dan ‘winneloos ledigh gheghaen twelck niet dan quaed leert doen’ (par. 20). Ook in gevangenissen dient een regime van arbeid te heersen om dezelfde redenen (par. 29 en 30). Het voordeel is evident: leeglopende verderfzaaiers en nutteloze potverteerders worden nuttige arbeidskrachten (par. 33). Andere armen die hun lot gadeslaan zullen uit zichzelf het nietsdoen staken, aan de gevolgen ervan ontsnappen, om met fatsoenlijk werk de kost te gaan verdienen. Het is voordelig voor
de samenleving, maar ook voor de ex-leeglopers zelf; ze gaan er beter van leven. Hier blijkt het perfectistisch karakter van de voorgestelde maatregelen: isolering in gevangenissen of kampen om het voortgaan met zondigen te verhinderen, en dwangarbeid om ledigheid te weren en het proces van gewenning aan een deugdzaam leven op gang te brengen. Zo komen de lediggangers hopelijk ooit terecht in de groep van de goede mensen.
Resteert nog de groep van ongeneselijken, aan wie middelen ter verbetering niet besteed zijn. Zij bevinden zich kennelijk nog onder de laagste sport van de ladder van de menselijke vervolmaking: de rabauwen uit par. 10 en 11, op weg naar de galg; de doodschuldigen, aan wie de auteur een brandmerk of ander lichamelijk teken wil meegeven; de vogelvrijen (par. 31), de eeuwige gevangenen, wier pijnlijke bestraffing en wanhopig verdriet, bitterder dan de dood zelf (par. 37), een afschrikwekkend effect op anderen heeft. Coornhert laat hen aan hun lot over en doet geen moeite hun nog mogelijkheden tot redding aan te bieden. Hoe is dat te verklaren?
Het klinkt paradoxaal, maar toch maakt de hopeloze positie van de ongeneselijken deel uit van het optimistische systeem van het perfectisme. De mens kán ware kennis, deugd en volmaaktheid bereiken, als hij dat maar wil. De weg omhoog is een proces van wil en gewenning, maar de weg omlaag evenzeer. Zo zagen we al dat gedurige omgang met ondeugd en zonde een mens van kwaad tot erger kan brengen, tenslotte zelfs tot de dood van zijn ziel. Die is definitief, dan kun je niet meer terug. Het spreekt vanzelf dat er dan van genezing geen sprake kan zijn. Hoe vreselijk het ons ook in de oren mag klinken, voor Coornhert zijn deze misdadigers in feite geen mensen meer (zie bijvoorbeeld Wellevenskunste I, xiv, 41 en III, ii, 61-65).
Door Sellin (1944, 12-13) is erop gewezen dat Coornherts juridische theorie verwantschap vertoont met Plato's en Seneca's opvattingen. Een nadere vergelijking kan dit verduidelijken. De in 1981 verschenen studie van Mary Margaret Mackenzie Plato on punishment is voor de vergelijking met Plato een voortreffelijk instrument.
In alle vormen van samenleving, aldus Mackenzie, dient gestraft te worden. Om het straffen te rechtvaardigen werden en worden er penologische (strafrechtelijke) theorieën ontworpen. Geen enkele theoretische rechtvaardiging van de straf is evenwel volledig consistent; de bestaande theorieën zijn onderling bovendien naar uitgangspunten en doelstellingen dikwijls met elkaar in strijd. Mackenzie onderscheidt drie soorten: (a) theorieën van retributie en restitutie; (b) utilitaire theorieën; (c) humanitaire theorieën (Mackenzie 1981, hfdst. 1, vooral p. 63).
a De theorieën van straf als retributie en restitutie (vergelding en vergoeding) beogen als hoofddoel: rechtvaardigheid. Ze eisen dat de door een overtreding veroorzaakte schade wordt vergoed. Een dief dient bijvoorbeeld als straf het gestolene terug te betalen; hier is dan sprake van vergoeding of restitutie. Verder bevatten deze theorieën dikwijls redeneringen van het soort: ‘We straffen misdadigers omdat ze dat verdienen’. Daarbij gaat het vooral om de vergelding of retributie. Bij restitutie valt de nadruk op de schade die het slachtoffer ondervindt, bij retributie op de schuld van de overtreder.
b Utilitaire theorieën over de straf streven als hoofddoel na: een zo groot mogelijk voordeel voor zoveel mogelijk mensen. Straf heeft in deze denkwijze een drieledige functie: straf moet potentiële misdadigers afschrikken, dat wil zeggen hen ervan weerhouden een misdaad te plegen; straf moet potentiële slachtoffers beschermen, ervoor zorgen dat deze geen reële slachtoffers worden (protectie); straf moet voorkomen dat reële misdadigers hun snode plannen ook werkelijk ten uitvoer brengen (preventie).
c Humanitaire theorieën van straf hebben als voornaamste doel de verbetering en het heil van de individuele misdadiger. Deze moet door middel van scholing en therapie worden geholpen een menswaardig bestaan als niet-misdadiger te veroveren. Zijn angst voor straf mag gebruikt worden als stimulans ten goede in het opvoedingsproces.
Plato's filosofie van het straffen is hoofdzakelijk van laatstgenoemde soort. Mackenzie demonstreert dat hij een humanitair denker is die ook enkele utilitaire elementen in zijn theorie heeft opgenomen. Het is voor de vergelijking met Coornherts ideeën zinvol Plato's opvatting hier in hoofdlijnen te schetsen. Uitgangspunt daarbij zijn Mackenzies hoofdstukken 9-12.
In zijn Gorgias (Plato 1979, vanaf hfdst. 474) staat Plato een strafrecht voor dat het accent legt op het lot van de individuele misdadiger. Deze is het eigenlijke slachtoffer, namelijk van zijn eigen criminele instelling. Hij wordt ongelukkig gemaakt door zijn misdadigheid. Straf is er niet om potentiële misdadigers af te schrikken, maar om reële misdadigers beter te maken en tot deugdzaamheid te brengen. Door gedurige oefening en groeiend inzicht zal dat kunnen lukken. Deugd is in het belang van het individu, want deugd betekent geluk; immers deugd is gezondheid voor de ziel, welbehagen voor de gehele mens. Naast de geneselijke booswichten onderkent Plato evenwel ook een groep met een ongeneselijke dispositie. Hún bestraffing heeft vooral een voorbeeldfunctie: zo zal het iedereen vergaan die... Vrees voor zo'n straf moet andere gestraften ertoe brengen sneller voort te
gaan op het pad van de deugd. Ook in de Protagoras (Plato 1976) komt de tegenstelling geneselijk - ongeneselijk voor (hfdst. 323). Deugd wordt verworven door onderwijs en oefening, want deugd berust op kennis. De straf is een soort van onderwijs in de deugd en heeft genezende werking. Ze onderdrukt de kwade neigingen, voedt de misdadiger op en prepareert hem met prettige en onprettige middelen voor het goede. De misdadige dispositie wordt weggeconditioneerd totdat de misdadiger genezen is.
Plato's Republiek (Plato 1978) stemt aangaande de straf overeen met de Gorgias, maar heeft ook aandacht voor het openbaar welzijn. De straf van ‘ongeneselijken’ moet namelijk ook een algemeen-afschrikwekkende werking hebben; het utilitaire element begint mee te spreken. Dit geldt nog sterker voor de Wetten (Plato 1967, boek V en IX). Plato laat daar zien (V, 728) hoe boosdoeners in het gezelschap van kwade makkers verscheidene stadia van verslechtering doorlopen. Hij overweegt deterrente (afschrikwekkende) maatregelen in zijn strafsysteem. Eén daarvan is de deportatie van onwilligen en de executie van ongeneselijken (IX). Angst voor zulke straffen moet mensen ervan weerhouden zelf misdadig te worden. Hier is sprake van een utilitair argument. Voor het overige blijft echter de individuele misdadiger het centrale object van Plato's strafsysteem. Die overtreder moet, met allerlei therapieën, beter gemaakt worden. Plato's theorie van het straffen is wezenlijk humanitair van aard.
Het zal duidelijk zijn dat veel van de hier genoemde opvattingen ook voorkomen in de Boeventucht. We kunnen denken aan de wens van beide auteurs dat de verbeterbare misdadiger tot de deugd komt; aan de visie op de straf als een therapie in het gewenningsproces ten goede; aan de noodzaak van kennis en inzicht bij het beter worden. Ook de tegenstelling tussen geneselijken en ongeneselijken komt voor bij beide auteurs. Achter de medische metafoor (‘genezen’) moet zowel bij Plato als bij Coornhert de opvatting schuil gaan dat misdadigheid in essentie een soort ziekte is, die dan ook behandeld dient te worden. Het humanitaire element in de Boeventucht stemt, kortom, zeer nauw overeen met Plato's humanitarisme. Maar ook wanneer Plato een utilitaire toon aanslaat, volgt Coornhert hem, getuige de principiële uiteenzetting aan het begin van paragraaf 1 van de Boeventucht. Daarin wordt, evenals in Plato's Wetten, gesproken over het verwijderen uit de samenleving van de ongeneselijken. Dat moet gebeuren ‘met een vruchtbaer ontsich’: als heilzaam afschrikwekkend voorbeeld. Evenals bij Plato is het oogmerk hier utilitair. Overigens is ook het humanitaire element in paragraaf 1 vertegenwoordigd: één der hoofddoelen van de straf is immers het verbeteren van de ‘quade luyden’ die nog geneselijk zijn. Maar daarnaast nemen we een duide-
lijke utilitaire teneur waar. Straf moet verhinderen dat goede mensen op het slechte pad terecht komen (afschrikking); nette mensen moeten beschermd worden (protectie); vorsten moeten, als artsen (!), hun onderdanen met zoete ‘preservativen’ vrijwaren voor de ziektes (!) van stelen, afpersen of moorden (afschrikking en preventie), liever dan met de bittere recepten van wrede bloedige lijfstraffen. En dit laatste is dan weer een humanitaire overweging.

Anders dan Plato spreekt Coornhert wèl een enkele keer duidelijk van restitutie (vergoeding) door de gestrafte aan de samenleving. Dat is met name het geval in de par. 32 en 33 waar hij het nut behandelt dat de gestrafte rabauwen opleveren. Zij zijn er ‘geld waardigh’, namelijk vijf à zes stuivers per dag, terwijl hun dagelijks onderhoud maar één stuiver kost. Een batig saldo van vier à vijf stuivers per rabauw per dag dus. In dit verband moet ook de tekst van Exodus 22 op de titelpagina worden vermeld, waarin gestipuleerd wordt dat dieven het gestolene tweevoudig of viervoudig dienen te vergoeden, of, als ze dat niet kunnen, zich als slaaf moeten laten verkopen. Vond
Coornhert dit restitutie-argument zo belangrijk dat hij het op de voorkant van zijn boekje liet afdrukken? Of moeten we hier misschien denken aan een persoonlijk initiatief van de drukker en vormgever van het boek, Harmen Janszoon Muller?
Met Seneca's ideeën over het straffen, verwoord in de essays De ira (Over de toorn) en De clementia (Over het mededogen) (Seneca 1958), vertoont de Boeventucht vele overeenkomsten. Uit De ira spreekt, net als bij Plato en Coornhert, een humanitaire opvatting van het strafrecht. Straf is weliswaar pijnlijk voor een gestrafte, maar in de vorm van pijn aan geest en lichaam wordt een geneesmiddel toegediend (I, vi, 1). ‘Geen behandeling kan hard lijken waarvan het effect heilzaam is.’ (I, vi, 3). Alleen bij het bespreken van de doodstraf klinken utilitaire tonen: de doodstraf dient als waarschuwend voorbeeld, en verstevigt de staat door de booswichten te verwijderen (I, vi, 4 en I, xix, 7). Er is echter zelfs aan de doodstraf een humanitair aspect te herkennen: voor de individuele ontaarde booswichten die zich niet wensen te laten corrigeren, de zogenaamde ongeneselijken, is de dood een heilzame verlossing uit een alleszins ellendig leven (I, xv, 1-3). Overheersend in De ira is de bezorgdheid over het innerlijk van elk afzonderlijk mens. Iedereen kan kwaad doen; daarom is het goed vergevingsgezind te zijn jegens mensen die overtredingen begaan. Een ander te genezen is beter dan zich te wreken. Het begaan hebben van een overtreding of misdaad is zelf al de grootste straf voor de boosdoener. Niemand wordt zwaarder gestraft dan degene die gekweld wordt door wroeging (III, xxiv-xxvii). Het zal niet verbazen dat maatregelen van vergelding door Seneca uitdrukkelijk worden ontraden (II, xxxvii).
In De clementia, opgedragen aan Nero, ziet men dezelfde teneur. De vorst, die gerechtigd is te straffen, moet zich mild en vergevingsgezind opstellen en daarbij altijd het algemeen belang voor ogen houden. Hij dient geneselijke en ongeneselijke misdadigers te kunnen onderscheiden, teneinde de geneselijken te verbeteren en de ongeneselijken aan te pakken met extreme maatregelen. De straf, zo vat Seneca samen, kent drie doeleinden: (1) de gestrafte zelf moreel te verbeteren; (2) door hem te straffen ook anderen beter te maken; (3) door de onverbeterlijke slechtaard te verwijderen de anderen in veiligheid te laten leven (I, xxii, 1).
Ook hier overweegt dus een humanitaire visie, met een utilitair aspect in de derde doelstelling, namelijk de bescherming van de bevolking tegen kwaadaardige individuen. Coornhert zal, lezend in Seneca, het beslist eens geweest zijn met diens conclusie na de omschrijving van de doelstellingen van het straffen: lichte vormen van straf zullen de schuldigen eerder kunnen corrigeren en hervormen dan zware; im-
mers, wie nog wat te verliezen heeft zal oplettender gaan leven. Niemand is echter nog zuinig op een verwoeste reputatie...