verzochten1, vroomhertigen ende welbeminden Willem Dircxen, Schoutet der vermaarde stede van Aemstelredamme mijnen jonstigen2 Here ende vriend.
DAT ik u.l.3 (waarde Here) deze Boekskens Homeri in nederlands toeschrijve en is niet om mijn goedwilligheid t'uwaart, daaraan gij niet en twijfelt, te betonen; noch ook niet door mijn onvermaardheid u.l. name, die over geheel Europa looflijk vermaard is, nog meer te vermaren; maar opdat deze bloeme der Grieken in deze Nederlanden neder-
lands sprekende1 de vergespreide jonste2 uwer namen bij den Nederlanders genieten zoude mogen. Welke oorzake, hoewel zij groot schijnt, nog niet alleen en is. Want mijn voornemen ook strekt om u.l. (dien ik met onophoudelijke moeiten ende zorgvuldigheiden tot ruste ende vreden der steden, daar C.M.3 uw wakkere naarstigheid den last over gegeven heeft, bekommerd zie) te verlustigen, ende dat met dezen alderlustigste ende genoeglijkste Poëte: gemerkt mij niet verholen en is, zo door u.l. jeugdelijke poëzie, als door 't dagelijks bevinden, dat dezelfde4 in allen goeden konsten, maar zonderlingen5 in poëzie grote vermakelijkheid heeft. Hierenboven zijt gij (wiens vrolijk gezelschappe mij dikmaal verbeeldt)6 nog meer dan ooit in mijn gedachten gekomen, als ik in 't vertalen dezer boekskens u.l. personagie7, d'welk gij op 's werelds tanneel8 met eren personeert7, zo dikwijls met menigvuldiger gelijkheid geware werd in den persone Ulyssis, hierinne door Homerum beschreven. Want beschildert hij Ulyssem zo vele landen, luiden, zeden ende steden gezien te hebben9, wie zal men herwaarts over vinden die meer zulkdanigs met zo doorzichtige ogen gezien heeft, die 't uit zo getrouwen ende wel geoefenden memorie voortbrengen kan, ende die dat met zulk een abelheid10 ende zoetelijken ernst weet te verhalen? want u.l. welsprekende tonge, met vrolijke vertellingen den tijd door horens vermakelijkheid11 bedriegende, 't gezelschappe menigwerven doet zeggen met Alcinoö den Konink, dat het nog vroeg is in den avond,
als die midnacht den avond al verjaagd heeft. Welke uwe bevallijke gave (nog verzeld zijnde met een eerbaar leven, met enen mannelijken moed, ende met een goedwillig ook behulpelijk herte voor een iegelijk) u ook, mede als Ulyssem, zo jonstig1 ende aangenaam maakt bij den Goden ende bij den mensen in 't gemene, dat u van den vijandlijken Neptuno omtrent het Ithaca dat gij bewoont, ende daar men tegens hem den Aemster-damme damt2, niet3 kwaads en schijnt te mogen geschieden, indien u.l. woninge van diergelijke Penelopische vrijers gevrijd4 is. Dit wense ik u door bijstand van den rechten Pallas, de wijsheid des vaders Jesum Christum, die de eeuwige waarheid is ende alleen terecht5 bevrijen mag, in wiens heilige hoede ik bevele u ende ook mij.
U.l. jonstige ende dienstwillige
D.V. COORNHERT6