terug  begin  verderprepost
[p. 1]

D' Eerste XII boeken Odysseae
(dat is: de dolinge van Ulysse)
Beschreven in 't Grieks, door
den poëet Homerum, vadere ende fonteine alder poëten
nu eerstmaal uit den Latijne in Rijm verduitst, door
Dierick Coornhert

*

Aan den verstandigen

verzochten1, vroomhertigen ende welbeminden Willem Dircxen, Schoutet der vermaarde stede van Aemstelredamme mijnen jonstigen2 Here ende vriend.

 

DAT ik u.l.3 (waarde Here) deze Boekskens Homeri in nederlands toeschrijve en is niet om mijn goedwilligheid t'uwaart, daaraan gij niet en twijfelt, te betonen; noch ook niet door mijn onvermaardheid u.l. name, die over geheel Europa looflijk vermaard is, nog meer te vermaren; maar opdat deze bloeme der Grieken in deze Nederlanden neder-

[p. 2]

lands sprekende1 de vergespreide jonste2 uwer namen bij den Nederlanders genieten zoude mogen. Welke oorzake, hoewel zij groot schijnt, nog niet alleen en is. Want mijn voornemen ook strekt om u.l. (dien ik met onophoudelijke moeiten ende zorgvuldigheiden tot ruste ende vreden der steden, daar C.M.3 uw wakkere naarstigheid den last over gegeven heeft, bekommerd zie) te verlustigen, ende dat met dezen alderlustigste ende genoeglijkste Poëte: gemerkt mij niet verholen en is, zo door u.l. jeugdelijke poëzie, als door 't dagelijks bevinden, dat dezelfde4 in allen goeden konsten, maar zonderlingen5 in poëzie grote vermakelijkheid heeft. Hierenboven zijt gij (wiens vrolijk gezelschappe mij dikmaal verbeeldt)6 nog meer dan ooit in mijn gedachten gekomen, als ik in 't vertalen dezer boekskens u.l. personagie7, d'welk gij op 's werelds tanneel8 met eren personeert7, zo dikwijls met menigvuldiger gelijkheid geware werd in den persone Ulyssis, hierinne door Homerum beschreven. Want beschildert hij Ulyssem zo vele landen, luiden, zeden ende steden gezien te hebben9, wie zal men herwaarts over vinden die meer zulkdanigs met zo doorzichtige ogen gezien heeft, die 't uit zo getrouwen ende wel geoefenden memorie voortbrengen kan, ende die dat met zulk een abelheid10 ende zoetelijken ernst weet te verhalen? want u.l. welsprekende tonge, met vrolijke vertellingen den tijd door horens vermakelijkheid11 bedriegende, 't gezelschappe menigwerven doet zeggen met Alcinoö den Konink, dat het nog vroeg is in den avond,

[p. 3]

als die midnacht den avond al verjaagd heeft. Welke uwe bevallijke gave (nog verzeld zijnde met een eerbaar leven, met enen mannelijken moed, ende met een goedwillig ook behulpelijk herte voor een iegelijk) u ook, mede als Ulyssem, zo jonstig1 ende aangenaam maakt bij den Goden ende bij den mensen in 't gemene, dat u van den vijandlijken Neptuno omtrent het Ithaca dat gij bewoont, ende daar men tegens hem den Aemster-damme damt2, niet3 kwaads en schijnt te mogen geschieden, indien u.l. woninge van diergelijke Penelopische vrijers gevrijd4 is. Dit wense ik u door bijstand van den rechten Pallas, de wijsheid des vaders Jesum Christum, die de eeuwige waarheid is ende alleen terecht5 bevrijen mag, in wiens heilige hoede ik bevele u ende ook mij.

 

U.l. jonstige ende dienstwillige

D.V. COORNHERT6

[p. 4]

Tot den goedwilligen lezer

 
Esopus krank, zwak, en wanschapen,
 
Ziende alle zijn medeknapen
 
Tot der reizen pakken uitdelen,
 
Sprak tot hun: ‘ik ben onlanks gekocht,
 
Tot zulken dienst nog onverzocht1,
 
Wilt mij doch het lichtste bevelen.’
 
 
 
Zij waren al zeer wel tevreden,
 
Dat hij ledig mede zou treden
 
Als die doch luttel mocht bedrijven2.
 
‘Neen, zeid' hij, ‘'t waar' tegens 't betamen;
 
Gij arbeidt naarstig al te zamen,
 
Zoud' ik dan alleen onnut blijven?’ -
 
 
 
Dus zag ik elk ander gerijven3
 
Met dichten, met rijmen, met schrijven;
 
Dies heb ik mee wat werks verkoren.
 
Ik dacht: gaande op 's levens paden
 
Doet wat, schout4 ledigheid vol kwaden;
 
Niemand en werdt hem zelfs geboren5.
[p. 5]
 
Maar dat mij elk nu zal berechten1,
 
Ook 't spotten van mijn medeknechten2,
 
Is al voorzien vóór mijn beginnen.
 
Ik zal horen: ‘Tfy! 't is zond' en schand
 
Dat zulk grof, ruud3, slecht, en plomp verstand
 
Dees êel Poëet ooit dorst beginnen4.’
 
 
 
Al schijnt mij den last te hinderen,
 
Luste kan zwarigheid minderen,
 
Lust voedt arbeid, als brood het leven.
 
Esopus droeg brood, zwaar van gewicht,
 
Elks honger maakte zijn arbeid licht.
 
Dit 's ook licht met lusten geschreven.
 
 
 
Doch was mijn onbezochtheid5 bevreesd
 
Voor 't besmetten van alzulk een geest,
 
Die zo wijs, zoet, zuiver en rein is.
 
Mijn stem docht mij te lelijk van klank,
 
Om te zingen dès Poëten zank,
 
Die alder Poëten fontein is.
 
 
 
Maar begeert' om niet onnut te zijn
 
Verwan vrees-voor-schande, lusts venijn,
 
En dwank mij dat ik niet en ontzag6
 
't Goede voornemen te volbringen,
 
Elks laster oft prijs te gehingen7
 
D'welk mij argen8 noch bet'ren en mag.
[p. 6]
 
Men vindt gebrek in ieders werken,
 
Dus, denk ik, zal men hier ook merken,
 
Dat elk (veel eer dan hij 't betert) laakt.
 
Licht is 't schelden, maar beter togen1
 
Valt zwaar. Veel zien bat2 dan twee ogen.
 
Vindt men ter wereld ook iet volmaakt?
 
 
 
Niet te dolen waar' wel te wensen;
 
Maar nu dolen alle de mensen,
 
Dus is zulk de best' die minste mist.
 
Zo gaat het ook met elks vertalen:
 
De beste tolken minst verdwalen,
 
Maar nooit man zo wijs, die 't al wel wist.
 
 
 
't Bekende gebrek wil ik mijden,
 
Ook geenszins voor 't verborgen strijden3.
 
Doch moet ik hier wat wederleggen,
 
Daar iemands aangenomen zeden
 
Meer dan de verstandige reden
 
Als van fout' aldus zullen zeggen:4
 
 
 
‘Wat, zijn hier regels van vijftienen?5
 
Zulks en doen geen rethorisienen,
 
Zo lank te maken; way, dat 's geen konst.
 
Men gebruikt tien, twalef ende elf.
 
Dees heeft een ruime weg op hemzelf.
 
't Schijnt geen rijm, 't is schand dat hij 't begonst.’
[p. 7]
 
Zulke neuswijzen moet ik vragen,
 
Door wat recht zij de vrijen plagen
 
Met heur wetten dwaaslijk verkoren?1
 
Virgilius de grote Poëet
 
Stelt regels van zeventienen breed;
 
Ei laat hem2, om heurlui te horen!
 
 
 
Een volle zin eist een heel regel
 
- Daaraf zij de rijm 't slot en zegel -
 
Als elks-een atem uit mag3 spreken.
 
Waarom zal4 ons de tien benauwen,
 
Daar zestien geen geest en verflauwen,
 
Noch lankheid wind5 en doet ontbreken?
 
 
 
Dit zeit ook Louis Vives6 geëerd
 
In 't derde boek, daar hij zeggen leert:
 
‘'t Is al vers, van vijf tot twintig toe.’
 
Maar 't ons is similiter cadens7,
 
't Is nog geen vers, maar rijm8; wij laden's
 
Met dubbeld gedicht9, licht werdt men's moe.
 
 
 
Is dees ruimt' dan bij den Latijnen,
 
Waarom zal ons benauwdheid pijnen?
 
Zoekt men konst? men volg' heur maat en voet.
 
Men verlaat' vreemde bastaardwoorden,
 
Met sterk gedicht10, des zins vermoorden,
 
Men bruik' konst die den zin verzoet.
[p. 8]
 
Dit zij dan van 't vertalen gesproken.
 
Voorts heb ik den loop niet gebroken
 
Van den Poëet balladens-wijze1.
 
Hadde 't Homerus zo voorgedaan,
 
Ik waar' zijn voetstappen na gegaan.
 
Hem volg ik gaarn, zijn doen ik prijze.
 
 
 
Neemdi dit in dank, vrome lezer,
 
Bewaart mij der zielen genezer2,
 
D'ander boeken zuldi ook haast zien.
 
Vindi dat ik mij ergens verzuim,
 
Denkt: men vindt zelden goud zonder schuim.
 
Scheldt heuselijk, laat Nijdhert3 bespien
 
Mijn fouten, die in uw dienst geschien.
[p. 9]

Had. Iunio Hornano1
Medico Autore

 
Ergo ne gens usquam est sub iniquo sidere mersa,
 
Maeonidae cui non lecta camoena siet?
 
Ille lares linquens patrios, per Bactra, per Indos
 
Dum penetrat, didicit Barbara verba loqui.
 
Hinc Latiae coepit numeros molirier orae;
 
Digressusque illinc Belgica rura tenet.
 
Tandem ubi dulciloquus numerosius ore rotundo
 
Cornharto didicit verba sonare duce.
 
Macte animo Cornharte, et saecula sera nepotum
 
Foetibus ingenii demereare tui.

1ervaren, kundig
2genegen en welwillend
3u.l. = Uwer liefden
1De Nederlands sprekende Nederlanden in tegenstelling tot de Waals-sprekende gewesten
2genegenheid en gunstige bekendheid
3C.M. d.i. Comes Maiestatis, de graaf-stadhouder
4d.w.z. Ulieve (= gij)
5vooral
6verheft, verheugt
7ongeveer: ‘uw persoonlijke rol, die gij op het wereldtoneel met ere vervult.’ Personage betekende zowel toneelrol als persoon
8toneel
9‘Want, schildert hij Ulysses als een man die zoveel... gezien heeft,’...
10bekwaamheid
11door 't genot van het luisteren
1welgevallig
2opwerpt
3niets
4bevrijd, verschoond
5waarlijk
6De beginletters der Boeken vormen de, uiteraard onvoltooide, naam van de dichter (K = C; U = V)
1onbekwaam
2‘Daar hij toch weinig kon uitrichten’
3‘Zo zag ik ieder anderen van dienst zijn’
4schuw, vermijd
5‘wordt geboren om alleen aan zichzelf te denken’
1terechtwijzen
2medearbeiders (in het vak)
3onbeschaafd, dom
4ooit (het vertalen van) deze edele dichter durfde ondernemen
5onbedrevenheid, ongeoefendheid
6ertegen opzag
7dulden, verdragen
8slechter maken
1tonen
2(beter), meer
3‘Mij bekende fouten zal ik (trachten te) vermijden; ook wil ik geenszins gebreken die ik me niet bewust ben, verdedigen.’
4‘alsof het een fout betrof zó zullen spreken:’
5van 15 lettergrepen
1‘met hun wetten, die ze, dwaas genoeg, hebben verkozen in te stellen
2Volg hem niet! (ironisch)
3kan
4moet
5lucht
6Io. Lod. Vives, een beroemd Spaans geleerde (1492-1540) die lang in de Nederlanden gewoond heeft. Coornhert ontleent dit aan zijn Opera (Basileae 1555) I, p. 147
7d.i.: rijmend
8vers is hier het klassieke, metrische vers; rijm het rijmende vers, dat totnogtoe vrij was, maar waaraan C.'s tegenstanders grenzen wilden voorschrijven
9‘Als wij het met dubbele kunstmiddelen belasten...’
10ingewikkelde strofen
1‘Verder heb ik niet, zoals in het refrein (die betekenis had ‘balade’ toen), de continuïteit van het gedicht verbroken (zie de inleiding)
2‘als de redder der ziel (God), mij (in het leven) bewaart
3‘oefen heuse kritiek; laat het aan Nijd-hart (de verpersoonlijkte afgunst) over om te loeren op mijn fouten, die.... enz.
1Adriaan Junius (1511-'75), rector der Latijnse school te Haarlem 1551-'52, stadsgeneesheer 1552-'73. Denkelijk heeft Coornhert van hem (en niet van Mr. Joh. Basius, zoals men vroeger meende) Latijn geleerd (Mededeling van Prof. B. Becker)
prepostterug  begin  verder