terug  begin  verderprepost
[p. 11]

Hier begint Odysseia
(dat is: de dolinge van Ulysse)

Beschreven in 't Grieks door Homerum, vader ende prinse alder poëten

*

Het eerste boek
Inhoud:

De goden houden raad om Ulyssem uit het Eiland van Calypso in* Ithaca te helpen. Daarna verschijnt Pallas Telemacho, hem vermanende te reizen na Pylum tot Nestor en in 't land van Sporten tot Menelaum, om na zijnen vader te vernemen, ende verdwijnt uit den ogen. Telemachus gebiedt den vrijers uit zijns vaders huis te trekken, maar zij verachten zijn zeggen, ende houden waarschappe.
 
DICTEERT mij, o Musa, een man vol listigheden,
 
Die lange doolde, als hij Troyen had verdestrueerd,
 
Ook veel luider zeden zag met landen en steden,
 
Ende groten druk ter zee in zijn hert heeft geleden,
5
Bezorgende hem met zijn volk, nu thuiswaarts gekeerd;5
 
Die hij niet en verloste, hoe zeer hij 't heeft begeerd,
[p. 12]
 
Want zij daar al, om haar dwaasheid, bleven met kwalen.7
 
Zij hadden d' ossen van den hooggaande zonne verteerd,
 
Die hun de weerkoomst benam in haars ouders palen.
10
Haar ongeluk, o Calliope, wilt hier verhalen.
 
 
 
Al d'ander Grieken, die den wreden dood ontgingen
 
Van zwaard en zee, leefden vrolijk thuis in haar zalen;
 
Ulysses alleen, verlangende zonderlingen13
 
Na huis en na zijn wijf, en mochte geenszins ontspringen
15
De goddinne Calipso, die hem hield benopen15
 
In hole spelonken, om hem tot haar wille te bringen.
 
 
 
Maar als den tijd kwam, en de jaren waren verlopen,
 
Dat de goden 't pad zijns wederkoomsts maakten open,
 
Zo kwam hij thuis bij zijn vrienden, ook niet zonder strijden.19
20
Al de goden ontfermden zijnder; maar hij most bekopen
 
Den toorn van Neptuno, die bleef alleen gram t'allen tijden,
 
En bracht Ulyssen, eer hij nog thuis kwam, in groot lijden.
 
 
 
Deze was nu bij d'Aethiopiërs, verre gelegen
 
Op 's werelds einde, daar men geen volk na mag berijden,24
25
- Die zijn tweederlei, som oosterse, d'ander daartegen
 
Westerse -, daar hij bij zat tot vrolijkheid genegen:
 
Want zij hem tot offer ossen en schapen doodden.
 
D'ander goden waren al vergaderd, zo zij plegen,
 
In 't hemelse hof van Iupiter, Konink der goden.
30
Die welke - denkende op 't feit, niet om versnoden,30
 
Van Aegysto, die zo schandlijk weder was versmacht
 
Door Orestem, die hem jonk zijnde was ontvloden -
[p. 13]
 
Began aldus, verstoord door 's mensen onrechte klacht:
 
‘Tfy der boosheid, wij goden werden van 't aardse geslacht34
35
Beschuldigd, als oorzaak van alderlei kwaden;
 
Hoewel elk door zijn eigen laster in nood werdt gebracht,36
 
Als zij hun zonder dwang zelfs veel verdriets beraden.37
 
Dit blijkt aan Aegystus, die vrijwillig, t'zijnder schaden,
 
Atrides' wijf nam; ook hem in zijn weerkoomst gink moorden.
40
Nochtans duchte hij een zware dood voor zijn boze daden.
 
Ik had hem voorzeid door Mercurium kloek van woorden:41
 
“Laat hem leven; bindt u aan 't wijf niet; 't zijn doodlijke koorden;
 
's Vaders dood werdt nog door zijn zoon Orestem gewroken,
 
Als hij man werdt, en zijn rijk begeert zuiden en noorden.”
45
Hij achtte 's niet, vergeefs heeft Mercurius zulks gesproken;
 
Dus boet hij 't nu al t'seffens, den hals is hem gebroken.’46
 
 
 
Hierop sprak Pallas, goddinne van ridders en klerken:47
 
‘O strenge vader, daar ooit de goeden onder doken,48
 
Dees is terecht gestorven: hij heeft loon na werken.
50
Och oft zij al zo voeren, daar men zulks in mag merken!50
 
Maar 't verdriet van den vromen Ulysses doet mijn herte wee:51
 
Zijn leed is te groot, nog gaan zij 't die hem minnen versterken.
 
Daar is een eiland, dat leit, als de navel van der zee,
 
Vol bossen mids in 't water; een goddin woont daar ter stee,
55
't Is een dochter van Atlas, die de diepe gronden kent,
 
Die 't firmament draagt, en houdt de lange kolumnen mee,56
 
Daar hemel en aard op draait, na uw verbonden jent.57
[p. 14]
 
Zijn dochter Calypso houdt daar in haar bewonden tent58
 
Dien ellendigen treurder, die zij kwelt met smeken:59
60
Om zijn land te vergeten, daar hij 't hert t'alder stonden zendt,
 
Ja wenst maar den rook zijns lands te zien, oft bij gebreken
 
Haast te sterven. Is uw lieve hert nu van hem geweken,
 
O beschermer der goeden? meugdi hem verlaten?63
 
Heeft hij u bij de Griekse schepen geen offer ontsteken?
65
Hoe zijdi dus gram? meugt gij o vader hem ook haten?’65
 
 
 
Hierop sprak de heer van de hemelse onderzaten:
 
‘Wat's dat, dochter? wat sluipt daar door uwe tanden?
 
Zoud' ik Ulyssem vergeten, dien ik min boven maten?
 
Hij overtreft in wijsheid al d'aardse verstanden,
70
Ook eert hij d'onsterflijke goden met offeranden.
 
Maar Neptunus, die d'aarde omhelst, blijft nog op hem verstoord
 
Om Poliphemum, de machtigst' in de Ciclopse landen,
 
Dien Ulysses zijn enige oge uit heeft geboord.
 
- Zijn moeder was Theosa, van Neptuno bespoord,74
75
Phorcinis dochter Konink van 't water onstille.75
 
In een spelonk bracht zij Neptuno deze zone voort,
 
Die bij haar geslapen hadde na zijnen wille. -
 
Sedert heeft Neptunus, die 't aardrijk schudt met geschille,78
 
Hem niet gedood, maar altijd van zijn landschap gedreven.
80
Maar laat ons nu raden - elk zij hier een Sibille -80
 
Om schikken dat's hem Neptunus eens mag vergeven.81
 
Hij kan hem ook alleen niet tegens ons allen opheven82
 
Dat wij zijn doen ons ondanks zouden moeten verdragen.’
[p. 15]
 
Doe zeide Pallas: ‘O vader, daar 't al voor moet beven,
85
Is 't dan uw, ende der zaliger goden, behagen
 
Dat men de weerkoomst Ulyssis niet meer en zal vertragen:
 
Zo zeindt uw bode Mercurium, die Argum versloeg,87
 
In 't eiland Ogygiam om daar te gewagen88
 
Uw ernstige wil aan die goddinne: dat zij met gevoeg89
90
Den wijzen Ulyssem laat gaan, die daar lange genoeg,
 
Ja veel te lang is geweest, om eens thuis te geraken.
 
Ik ga na Ithacam, om zijn zone spade ende vroeg
 
Te verwekken tot vrome ende manlijke zaken,
 
Dat hij raadslage met d'edelste der Griekser spraken,
95
Ook den vrijers verbiede zijn goeden te schenden,95
 
Die de vetste beesten verslinden met haar gulzige kaken.
 
Dan zal ik hem na Spartam, na 't zandige Pilum, zenden,
 
Om vragen na zijn vader, die nu drijft in ellenden,
 
Opdat hij bij 't volk in eren vermaard mag beklijven.’99
 
 
 
***
 
 
100
Dit gezeid hebbende, ging ze haar straks omwenden,100
 
En trok twee gouden schoenen om haar gank te stijven
 
Aan haar onsterflijke voeten, daar zij mede kan drijven
 
Over zee en over land, met een windeken zachte.
 
Ook nam zij een scherpe spiets, sterk, en om wel te beschrijven,
105
Groot, zwaar, ook lang, daarmet zij demt de groten van machte.105
 
Zo daalde ze van den hemel, snel als een gedachte:
 
En stond voor Ulysses' hof, op de gemene wegen,
 
In gedaant van den Konink Mente groot van geslachte,
 
Die den Taphiers regeert. Daar zag ze te degen
110
De hovaardige vrijers haar geneugte plegen,110
[p. 16]
 
Zittende op d'ossenhuiden van hun gedood, om koten.111
 
Zij zag ze ook weidelijk grote bekers legen,112
 
Die de pagens vol boertelijk wijntjen goten.113
 
Sommige dienaars zag men de tafelen bloten,
115
Die zij met dorstige sponzens gingen drogen;115
 
Andren bereidden 't vlees en sneden 't aan moten.
 
Telemachus zag Minervam eerst onder ogen
 
Daar hij bij de vrijers zat, en moest dit leed gedogen,
 
Denkende: kwaam mijn vader thuis, hoe zoude hij 't nog lonen,
120
Hoe zoud' hij ze verjagen, en dat te vergelden pogen,
 
Zijns goeds heer worden, en hem met eren doen kronen.121
 
In dit gepeins zag hij Palladem uit ander personen.
 
Hij trad na haar - 't verdroot hem dat men ze daar liet staan -
 
En nam haar rechter hand, om vriendschap te betonen,
125
Ook haar sterke spiets, en sprak haar vriendelijken aan:
 
‘God groet u vriend, zijt willekoom, wilt met mij binnen gaan
 
Om wat te eten, dan verzaad zijnde, zegt uw begeren.’
 
 
 
Alzo gink hij voor, Minerva volgde, na zijn vermaan.
 
Als zij nu kwamen binnen 't heerlijke huis vol eren
130
Hing hij haar strijdbare spiets bij veel ander geweren
 
In de blinkende wapenkamer aan een pilaren
 
Behangen met Ulyssis schilden, zwaarden en speren.
 
Haar stelde hij op een heerlijke stoel. De dienaren
 
Spreidden een schoon kleed, konstig en subtiel van garen;
135
Daar zat zij op, onder haar voeten was een schabelle.
 
Ter zijden ging hij hem op een verchierde zetel paren136
 
Tussen haar ende de vrijers, met kloeken opstelle:137
 
Opdat zijn gast rustig mocht eten van heur gekwelle,
[p. 17]
 
Ook om vrijer te vragen na zijn dolende vader.
140
Een maagd goot water hem ende zijnen gezelle140
 
Uit een gulden watervat als een kristallijnen ader
 
In een zilveren bekken, daar zij wiesen te gader.
 
De vrolijke tafel werd gedekt van den knechten.
 
De spijswaarderse bracht schoon brood, des honger verzader,144
145
Zeer eerwaardelijk, met alderlei gerechten.145
 
De kok kwam met schotelen vol vlees, niet van den slechten,146
 
De pagens schenkten den wijn in gulden schalen.
 
Dus zittende kwamen de vrijers van 't spelen, van 't vechten.
 
Elk nam zijn plaats, die dienaars liepen 't handwater halen,
150
't Gink daar op een wassen, die maarten brachten dwalen,150
 
Ook brood uit de korven; zij sloegen hand aan de spijzen.
 
Den wijn werd haar geschonken met doorluchtige stralen.
 
Maar als zij betaald hadden des hongers exchijzen153
 
Zag men ze al om zingen en springen oprijzen,
155
Want zulks verchiert de waarschappen t'allen tijen.155
 
Phemius zang en sloeg de herpe om haar verjolijzen,
 
Daar zij hem toe dwongen; hij mocht's niet vermijen.
 
De zale was van zijn stem en spel vol melodijen.
 
Hierentussen heeft Telemachus zijn hoofd geheld
160
Na Minervam, en luisterde onder de razernijen,
 
Om voor de dansers te helen, dat hij bedekt vertelt:
 
‘Laat u niet verdrieten, vriend, te aanhoren dat mij kwelt;
 
Mij let wat anders dan deze, die lachen en spotten.
 
Zij verslinnen hier mijns vaders goeden met geweld,
165
Wiens witte gebeenten ergens in de regen verrotten
 
Oft zij wentelen in de vloeden, daar zij vermotten.166
[p. 18]
 
O kwaam mijn vader nog eens thuis, door Gods genaden,
 
Zij wensten heur eer snellen voeten - al zijn 't zotten -
 
Dan gulden klederen zwaar om heur te beladen.
170
Maar leider, hij is gestorven tot onzer schaden;
 
Dien hoop is weg. Al wilde iemand zijn komst gewagen,171
 
Men zoud's niet geloven, en zulks als logen versmaden.
 
Maar zegt mij, wie zijdi? van wat land? van wat magen?
 
Wat schip heeft u hier gebracht? wat schippers? Ik moet's u vragen.
175
Van wanen zijn ze? want gij koomt hier niet te voete.175
 
Zegt mij ook recht, zo versta ik na mijn behagen,
 
Oft gij nu eerst koomt? oft mijn vader u hier ooit gemoette?
 
Want hij de vreemden ontving, en vriendlijk groette,
 
Als die ook veelderlei mensen hadde gehanteerd.’179
 
 
180
Hierop antwoordde Pallas met woordekens zoete:
 
‘Ik zal de waarheid zeggen, van al dat gij begeert.
 
Ik ben Mentes, een zoon van Antilocho geëerd,
 
En regere de Taphiërs, meesters in de zeilage.
 
Nu ben ik t'scheep, door de duister zee, herwaarts gekeerd.
185
Na Themesen strekt (om koper) mijn pelgrimage;
 
Geladen met ijzer, 't schip leit onder 't bosschage
 
In de schiprijke ruisende haven voor de stede.
 
Wij waren voormaals uws vaders gasten op dees passage
 
En hij weder den onzen door vriendlijke bede.
190
Vraagdi't den ouden Laërten, die zeit u dit mede,
 
Die niet meer in der stad en komt, maar blijft buiten in 't veld,
 
Daar hij eniglijk leeft in zware droefhede
 
Met een oude maarte, die hem spijs en drank bestelt193
 
Zo dikwijls als den arbeid zijn trage leden kwelt
[p. 19]
195
Vermoeid van 't kruipen door de vruchtbare wijngaardranken.
 
Maar nu ik koom, is Ulysses uit - zo men mij vertelt -
 
Wiens wederkoomst een god behindert, om hem te kranken.197
 
Hij en is niet dood, maar leeft, en mag God nog danken,198
 
Gehouden zijnde in een eiland, mids onder de vloeden,
200
Van wrede wilde mannen, wiens macht nu haast zal wanken,
 
Die hem ondanks zullen laten, om herwaarts te spoeden.201
 
Dus wil ik u nu profeteren, uit mijn vermoeden,
 
Zo 't een mense invalt, en als ik vastelijk waan.
 
Want ik en ben geen profeet, al ben ik van den goeden.
205
Zijn vaderland en zal hem nu niet lange ontstaan,205
 
Al zaat hij ook vast in stalen ketens gevaan,206
 
Want hij is listig, en zal altijd thuiswaart sporen.207
 
Maar zegt mij doch de waarheid, ik zie u daarom aan:
 
Is Ulysses uw vader? zijdi van hem geboren?
210
Want gij gelijkt hem heel, van ogen, van neus en oren.
 
Ik heb hem wèl gekend, wij waren dikwijl t'zamen
 
Eer hij van hier trok om Troyen te verstoren,
 
Daar hij t'scheep ging met d'ander Grieken van groter famen,
 
Zodat wij nooit sedert bij malkanderen kwamen.’
 
 
215
Daarop sprak Telemachus wijslijk en behend:
 
‘Ik zal u, o Prins, waarheid zeggen na 't betamen.
 
Mijn moeder zeit zo, ik weet 's niet; nooit man, hoe excellent,
 
Wist zijns vaders naam. 't Is een wijs kind dat zijn vader kent.
 
Maar och oft mij een gelukkiger vader had gewonnen,
220
Wiens oudheid thuis bij wijf ende kind mocht nemen end.
 
Nu is 't d'ellendigste mense beneden der zonnen
 
Die mijn moeder met anderen mij tot een vader jonnen.’222
[p. 20]
 
Doen zeide Pallas: ‘De goden en hebben u niet mesdeeld;
 
Zouden ze u edeler geboorte geven konnen,
225
U, die van zulk een Penelope zijt geteeld?
 
Maar zegt mij, wat's dit smetsen? dit rumoer? dat men hier dus speelt?
 
Is 't waarschap oft bruiloft? 't is geen gemeen vergaringe,227
 
't Getier is zo oproers dat het mij verveelt.
 
Dit vreten en is u geen kleine bezwaringe;
230
't Moet elk verdrieten, die uws ouders besparinge
 
Dus schandlijk ziet verteren, versluimen en verbrassen.’231
 
 
 
Telemachus dede haar terstond verklaringe,
 
Zeggende: ‘Gij vraagt wèl, wilt ook op d'antwoord passen.233
 
Dit huis was eertijds groot, en plag in rijkdom te wassen
235
Zolang mijns vaders voorzichtigheid dat mocht bestieren.
 
Nu is 't veracht, en werdt verslonden van vreemde zassen,236
 
Door der goden toorn, die straflijk op ons verfieren.237
 
Mijns vaders dood zoud' mij 't hert nog zo droeflijk niet kwartieren238
 
Waar' hij als Achilles verslagen van den Trojanen,
240
Oft waar' hij gestorven in eniger manieren
 
Als 't oorlog geëind was, bij zijn Griekse kompanen.
 
Ja waar' hij van hun begraven, ik zoud's mij glorie wanen.
 
Maar nu hebben hem de Harpijen gaan verscheuren
 
Zonder enige ere, op onbekende banen.
[p. 21]
245
Mij is niet gebleven dan gekwel en drukkig treuren.
 
Maar dit leed was 't niet alleen dat mij moeste gebeuren,
 
Nog hebb' ik al meer kwaden op den halze gekregen.
 
Mijn machtigste geburen komen mij versteuren,
 
Uit Dulichio, Samo, Zachynto, uit alle wegen.
250
Elk wil mijn moeder trouwen: die is niet genegen
 
Tot een ander man, maar weigert zulk een bruiloft hatelijk.
 
Dies slokken zij 't huis op met slemmen, demmen en vegen,252
 
Ja ook mij zelfs, door hun kwaad regiment onmatelijk.’253
 
 
 
Minerva hierdoor bedroefd zijnde antwoordde statelijk:
255
‘Wapen, gij hebt hier den vromen Ulyssem wel van doene.255
 
't Waar' haast uit met dees vrijers, 't viel heur verwatelijk,256
 
Kwaam uw vader eens thuis in zijn wapenen koene
 
Met helm, schild en twee spietsen, zo hij is gewoene258
 
Te wezen, en als ik hem voortijds hebbe geweten: -
260
In ons huis logerende avond ende noene
 
Als hij kwam van Ephyro in 't snelste schip gezeten,
 
Daar hij doodlijk venijn zocht in wonden te eten262
 
Om zijn stalen geschut daarmede te bestrijken.263
 
Maar Ilus en deed's hem niet, ontziende Gods secreten:264
265
Dies gaf 't hem mijn vader, die minde hem hertelijken. -
 
Mocht men uw vader zodanig hier nu eens kijken,
 
Hij zoud' dees vrijers een bloedig bruiloftshemd geven!
 
Maar dat hangt aan de goden, regeerders van d'aardse rijken,
 
Oft hij thuis zal komen, en wraakgierig heur doen sneven;269
270
Pleegt gij raads, hoe dees vrijers best worden verdreven.
 
Hoort mij dan, en wilt wel op mijn redenen letten.
[p. 22]
 
Morgen zuldi in den raad uw stemme verheven272
 
Bij d'overste des volks; God zal uw doen voortzetten.273
 
Gebiedt de vrijers uit uw goed te ruimen na de wetten;274
275
Uw moeder zegt (indien haar zinne strekt om te houwen)275
 
Dat ze bij haar vader ga, daar zij zonder besmetten
 
Houwen mag, feest maken, ende een ander trouwen.
 
Die zal haar met houwelijkgoed rijkelijk bedauwen
 
Als zijn waarde dochter, want hij is zeer machtig.
280
U geef ik dezen raad - doet gij ze, 't vrijdt u van rouwen -:
 
Neemt een 't alderbeste schip met twintig roeiers krachtig,
 
Daarmede zoekt na uw vader dolende klachtig282
 
Oft gij ergens tijdinge van hem mocht verwerven,
 
Door enig mens, oft uit Iuppiter waarachtig,284
285
Want zulks doet den mens grote glorie erven.
 
Gaat eerst tot Pilum, vraagt Nestor lang van zijn sterven.286
 
Vandaar zuldi tot Menelaum in Spartam trekken.
 
Dees koomt vers thuis, en heeft de laatste moeten zwerven.
 
Hoort oft hij u wat van uw vader weet t'ontdekken,
290
Al zoude 't u nog tot een droevig jaar lang strekken.
 
Hoordi dat hij dood is, keert straks weder tot uwen lande;291
 
Maakt daar dan een heerlijk graf om zijn faam te verwekken,
 
Ook maandstonden met maaltijden menigerhande;293
 
Dan geeft uw moeder een vroom man, edel van verstande.
295
Dit gedaan zijnde, zuldi ook kloeken raad bedinken
 
Om met de vrijers te rekenen. Houdt te pande296
[p. 23]
 
Heur leven voor 't gelag, doodt ze, vernielt ze, wilt ze krinken,297
 
Verslaat ze met der hand, oft doet heur venijn inschinken.
 
Gij zijt geen kind meer, wilt als een man manheid plegen:
300
Hebben ze uwen wijn verdronken, wilt ze weer verdrinken.
 
Weet gij niet wat groter ere Orestes heeft verkregen
 
Omdat hij zijns vaders doodslager heeft verslegen?
 
Ik mein dien valsen Aegisthum, die Atriden had vermoord.
 
Aldus, vriend, nu gij tot manlijke kracht zijt bedegen,304
305
Doet manlijk, zo prijst u namaals elk die uw vroomheid hoort.305
 
Ik ga nu tot mijn schip en mijn gezellen rechtevoort,306
 
Die met verlangen na mijn wederkoomst beiden.
 
Neemt gij dees dingen ter herten, slaat wel acht op mijn woord.’
 
 
 
Telemachus en liet zijn gast daarmee niet scheiden;
310
Hij sprak: ‘Waarde heer, dat koomt uit vriendlijkheiden
 
Als een vader tot zijn kind, ik zal 't in 't herte schrijven.
 
Toeft wat, al wildi u tot de reize bereiden,
 
Dat gij u wast, en vrolijk 't jonstige hert moogt gerijven313
 
Door mijn vriendlijke gifte die bij u zal blijven,
315
En u als een schat kostelijk, ook dierbaar zal wezen,
 
Zo vrienden malkanderen schenken tot jonsts verstijven.’316
 
 
 
‘Houdt mij niet langer, o jongelink uitgelezen,’
 
Zeide Minerva, ‘ik moet nu voort, laat het bij dezen
 
Tot mijn weerkoomst; wildi dan met een gift uw jonst verklaren,
320
Zo draag ik ze thuis, om uw vriendlijkheid geprezen
 
Te vergelden, en met dankbaar lof te vermaren.’321
 
 
 
Dit was gezeid, men zag ze ten hemelwaarts varen
 
Als een vogel op haar wieken zeilt door de luchte.
[p. 24]
 
Zij stortte kracht en vroomheid in hem boven zijn jaren,
325
Ook verlangen na zijn vader, al met één vluchte.
 
Hij waende 't een god te zijn, hij verschrikte en duchtte
 
Als hij 't overpeinsde in zijn herte binnen.
 
 
 
***
 
 
 
Doe gink hij na de vrijers en maakte geen geruchte,
 
Daar de melodieuze harpslager hoor zinnen329
330
Met spel vermaakte, dien zij stillekens hoorden beginnen
 
Der Grieken wederkoomst uit de Trojaanse palen.
 
Dit lieflijke spel verstond op de hoge zalen
 
De kuise Penelope, die kwam nederwaarts dalen
 
Van de diepe trappen bij al 't gezelschap gemeine -
335
Niet alleen, maar met twee maagdekens van heuser talen
 
Die haar volgden, simpel, schamel, en van herten reine.336
 
Zo kwam de fleur van vrouwen bij de vrijers op 't pleine,
 
Daar zij bleef staan bij den ingank van der deuren.
 
Zij dekte haar wangen met een sindaal van zijde kleine;339
340
Die waren met tranen bedauwd, door 't innerlijk treuren.
 
De maagden stonden achter dees fleur van alle fleuren.
 
Die sprak wenende tot den speelman met woorden klagelijk:
 
‘O Phemie, gij kont veel zangs dat men heeft zien gebeuren,
 
't Welk de Poëten voormaals zongen en zingen nog dagelijk,
345
Van goden oft mensen, lustig en behagelijk,
 
Behalven dit treurige lied; ei laat dit doch eens enden.
 
't Scheurt mijn drukkig hert, 't vermaan is mijn onverdragelijk,347
 
Mij die zelfs van ontroost verdwijn, waar ik mij ga wenden,348
 
Door 't derven mijns waarden mans, dolende in ellenden,
350
Wiens edele faam haar looflijk door Grieken gaat dringen.’350
[p. 25]
 
Telemachus sprak: ‘Wilt niet, o moeder, als d'onbekende351
 
Vrolijkheid haten; waarom kwelt u dit lustige zingen?
 
De Poëte zingt niet, 't is een geest, hij mag's niet bedwingen.
 
Iupiter zingt ook somtijds zelfs door de Poëten
355
Om wat heerlijks uit de vruchtbare verstanden voort te bringen.
 
Dus is hij onschuldig, al zank hij ook secreten356
 
Tot oneer van de Grieken. Want wij al gaarne weten
 
Nieuwe liedekens, die nieuwe vroomheid looflijk vertellen.358
 
Dus treurt niet, nu hij mijns vaders lof uit gaat meten.
360
Ulysses is 't alleen niet onder al zijn gezellen
 
Die gebleven zijn in d'oorloge niet om verfellen.361
 
Gaat dan, o moeder, uw dingen doen op de kamer.
 
Breit, naait en spint, wilt uw maarten daar ook toe versnellen;363
 
Met mans te spreken is den mans al veel eerzamer,
365
Immers mij voegt zulks als heer van den huize bekwamer.’365
 
 
 
Zij ging weg, verwonderd, en dacht op haar zoons wijslijk spreken,
 
Dat zij in 't herte begroef, en is dies te aangenamer
 
Met haar maagden weder ter kameren gestreken.
 
Daar beschreide ze haar lieve man, 't hert docht haar breken,
370
Totdat Pallas enen zoeten slaap zand in haar ogen.370
 
 
 
De vrijers rumoerden totdat haar lusten bezweken
 
In 't donkere huis, doe wilden zij ter rusten pogen.
 
Maar Telemachus ging heur zijn zinne vertogen373
 
Ende sprak met luider stemmen vroom en vrijmoedelijken:
375
‘Gij vrijers van mijn moeder, geweldig in 't vermogen,
[p. 26]
 
Smetst nu, vermaakt u, luistert stille na der muzijken376
 
Die dees konstenaar met godlijker stemmen doet blijken,
 
Want zulk een zanger te horen is een eerlijke vreugd.
 
Maar als gij morgen vergaart, zal ik armen en rijken
380
Bevelen mijn huis te ruimen, loopt dan daar gij meugt,
 
Zoekt ander spijzen, vergast malkanderen met geneugt,
 
Verslampampt al uwe goeden, ik mag 't wel lijen.382
 
Maar wildi 't mijn verteren, tegens de rechtverdige deugd,
 
Zo roep ik God ten getuig, die de bedrukten kan vrijen:384
385
Indien hij de boosheid straft tot enige tijen,
 
Dat hij u al t'zamen in dit huis eens doe vermoorden.’
 
 
 
Zij zwegen, en knersten haar tanden, vol hovaardijen
 
Verwonderende in des jongelinks stoute woorden.
 
Als Antinous zag dat zij dit zwijgende aanhoorden
390
Sprak hij: ‘Telemache, mij dunkt u de goden leren
 
Vermetellijk bulderen gelijk de wind van Noorden.
 
't Schijnt, Juppiter u als orator wil doen oreren,
 
Opdat gij nemmermeer als Koning zoudt regeren
 
In 't rijk van Ithaca, dat op u is gestorven.’394
 
 
395
Daarop zeide Telemachus die jongeling vol eren:
 
‘Al vergramt u mijn zeggen, ik en waar' niet bedorven,
 
Hadd' ik welsprekendheid van den goden verworven;
 
Ik zoud's gaarne ontvangen, wilden zij 't mij jonnen.
 
Acht gij 't regeren zo kwaad? dat vult lasten en korven,
400
Ja 't gantse huis met goeden, daar werdt eer bij gewonnen.
 
Veel Griekse Koningen regeren onder der zonnen,
 
Elk Prince gebiedt ook in Ithaca over de zijnen.
 
Maar nadat de vloeden Ulyssen hebben verslonnen403
 
Zal ik als Konink regeren over de mijnen:
[p. 27]
405
Over huis, hof, beemden, wijngaarden en woestijnen,
 
Somma, over al dat mijn vader mij heeft verlaten.’
 
 
 
Eurimachus, Polibus' zoon, gink hem te spreken pijnen:407
 
‘O Telemache, 't gebieden over dees onderzaten
 
Staat in der goden macht, uw geboort zal daar niet toe baten.
410
Uw huis meugdi regeren en bezitten uw goeden,
 
Niemand zal u beroven, thuis noch op der straten,
 
Zolang Ithaca bewoond werdt en Princhen mag voeden.412
 
Maar zegt mij doch wat van dien gast, stilt mijn vermoeden.413
 
Wie is hij? uit wat land? van wat stee? uit wat geslachte?
415
Brengt hij tijding van uw vader? zal hem die herwaarts spoeden?
 
Oft koomt hij om zijn zelfs zaken geladen met vrachte?
 
Hij vreesde bekend te werden, al was 't schier nachte;
 
In een ogenblik verdween hij uit ons gezichte.
 
't En scheen geen dwaas, maar een man van kloeken gedachte.’
 
 
420
Ulysses' zoon terstond weder zijn antwoord stichtte:420
 
‘Mijn vader, Eurimache, ziet niet meer der zonnen lichte;
 
Hij is dood, den hoop van zijn weerkoomst is ons benomen.
 
Al zeiden 't mij boden, 't geloof is krank van gewichte,
 
Al zwoeren 't de Profeten, ik hou 't nu al voor dromen.
425
Maar dit's mijns vaders vriend, en is van Tapho gekomen,
 
Mentes genaamd, een zoon Anthiloï vroom geprezen;
 
Hij regeert de Taphiërs, kenners van de stromen.’
 
 
 
Dit zeide de jongelink, die 't nu een god hield te wezen.428
 
Zij dansten, zongen en sprongen zonder vrezen
430
Totdat de zwarte nacht alle dingen gink bedekken.
[p. 28]
 
Doe spoedde hem elks te bedden om moedheids genezen.431
 
 
 
Telemachus gink ook na zijn slaapkamer vertrekken
 
Die boven in 't kasteel was, in 't heerlijkste van der plekken;
 
Hij dacht menigerlei. Euriclea gink voorhenen
435
Met lichte toortsen om een bezorgde maart te verstrekken,435
 
Zo zij ook was, trouw, naarstig, niet geil als ander kwenen.436
 
- Laërtes had ze klein gekocht nog teder van zenen437
 
Om twintig ossen, en hield ze als zijn wijf in waarden.
 
Nochtans bleef zij kuis van hem, hij most hem van haar spenen. -
440
Deze droeg de brandende toortsen, die al 't huis verklaarden.
 
Zij minde hem boven alle dingen op aarden,
 
Want zij had hem gevoed van dat hij nog niet en konst gaan.
 
Zij ontsloot zijn slaapkamer met snelder vaarden.443
 
Hij zat op 't zachte bedd' en heeft zijn klederen van hem gedaan,
445
Die hij haar reikte, zij greep ze naarstelijk aan
 
En heeft ze gevouwen, ook reinlijk over 't rak gespreid.446
 
Voort strijkende uit der kameren, fluks en onbelaân,
 
Sloot zij de deure met een zilveren sleutel bereid.
 
Hij heeft hem onder de warme dekens geleid
450
En dacht op zijn aanstaande reize, ook met onderscheid450
 
Op alle 't geen dat hem Pallas hadde voorzeid.

EINDE VAN 'T EERSTE BOEK ODYSSEAE HOMERI

*naar.
een feestmaaltijd.
5bezorgende al zorgend voor zich en zijn volk; thuiswaarts verkeerd vertaald, zoals blijkt uit het volgende vers.
7haar hun; bleven met kwalen kwamen daar (op zee) ellendig om
13zonderlingen zeer hevig
15benopen geboeid
19ook doch
24berijden (door rijden) bereiken (Een land, waar geen land meer achter is)
30feit daad; niet om versnoden dat men niet gering moet schatten
34werden worden
36laster zonde
37als zij hun aangezien zij zich; zelfs zelf; beraden bezorgen
41kloek van woorden wel ter tale, welbespraakt
46t'seffens tegelijk
47klerken geleerden, schrijvers
48daar ooit ... doken aan wie de goeden zich altijd onderwierpen
50daar ... merken in wie men zo iets kan opmerken. Latijn: quicunque talia fecerit
51vromen dappere
56mee eveneens
57na ... jent volgens uw schone beschikking? (toevoegsel van Coornhert)
58in ... tent in haar omwonden (met slingerplanten begroeide) hut? (toevoegsel van Coornhert)
59smeken vleien, flemen
63meugdi kunt gij
65meugt...haten ‘Kan het soms zijn dat gij hem haat?’
74bespoord bevrucht
75Phorcinis ... onstille dochter van Phorcyo, koning van... enz.
78geschille geraas
80raden beraadslagen
81dat's ... vergeven ‘dat Neptunus 't hem eens moge vergeven’
82hem zich; opheven verzetten
87zeindt zend (imperativus)
88gewagen aan te zeggen
89met gevoeg in der minne
95goeden goederen
99beklijven voortleven, blijven
100straks terstond
105demt bedwingt
110haar hun
111koten bikkelen
112weidelijk grote geweldig grote
113boertelijk vrolijk? Waarschijnlijk drukfout i.p.v. bortelijk: borrelend, schuimend
115sponzens sponzen
121hem zich
136hem ... paren zich (bij haar) voegen.
137met ... opstelle met slim overleg
140maagd dienstmaagd
144spijswaarderse spijsbewaarster
145eerwaardelijk eerbiedig
146niet ... slechten niet van de gewone, alledaagse soort
150dwalen handdoeken
153exchijzen accijns, ‘tol’
155want ... waarschappen ‘want dit luistert de feestmaaltijden op’
166vermotten vergaan
171gewagen melden
175van wanen waarvandaan
179Als ... gehanteerd ‘als iemand die voorzeker met velerlei mensen had omgegaan’
193bestelt klaarmaakt
197kranken schaden
198mag kan
201ondanks ... laten met tegenzin vrij zullen laten
205ontstaan onthouden worden, onbereikbaar zijn
206gevaan gevangen
207sporen streven, trachten te gaan
222jonnen gunnen, d.w.z. toewijzen, toebedélen
227't is ... vergaringe ‘'t is geen gewone bijeenkomst’
231versluimen verkwisten, doorbrengen
233passen letten
236zassen lomperds
237straflijk ... verfieren ‘die streng en grimmig op ons neerzien’. Er staat in de druk een vrij duidelijke f. Toch is dit misschien een drukfout. ‘Die straflijk op ons versieren’ (spreek uit: verzieren) zou dichter staan bij 't Latijn: ‘nunc vero aliter visum est diis mala machinantibus’ en ongeveer moeten betekenen: ‘die hardvochtig [allerlei] tegen ons beramen’. Er staat versieren in de latere drukken, maar dit bewijst niet veel (zie inleiding). En straflijk is geen vertaling van mala.
238kwartieren ‘vierendelen’, doorsnijden
252slemmen, demmen en vegen smullen, schrokken en klaplopen (?)
253regiment levenswijs
255Wapen voorwaar
256't viel ... verwatelijk ‘'t zou noodlottig voor hun zijn’
258gewoene ‘gewoon’. Zo gespeld om voor 't oog te rijmen
262in ... eten ‘om in wonden in te vreten’
263geschut pijlen
264ontziende ... secreten ‘die Gods geheimenissen vreesde’ (godvrezend was)
269heur hen
272verheven verheffen
273voortzetten ondersteunen
274te ruimen te vertrekken
275(indien ... houwen) ‘als haar hart naar huwen trekt’
282klachtig beklagenswaardig
284oft ... waarachtig Onhandig vertaald; 't Latijn geeft de verklaring: ‘si quis tibi dicat mortalium, aut famam audiveris ex Iove, quae potissimum gloriam adfert hominibus’ .... ‘of als gij een gerucht van Iupiter afkomstig, verneemt; want dit....’ enz.
286van ... sterven omtrent Ulysses' dood
291straks terstond
293maandstonden dodenfeesten (eigenlijk zielmissen)
296te rekenen af te rekenen
297krinken schaden, onschadelijk maken
304bedegen gegroeid, gekomen
305vroomheid dapperheid
306rechtevoort dadelijk
313jonstige mij dierbare; gerijven behagen, verheugen
316tot ... verstijven om de genegenheid te versterken
321vermaren roemen
329hoor hun
336schamel eerbaar
339een sindaal een zijden doek
347drukkig droevig; 't vermaan dit wekken van herinneringen
348zelfs verdwijn zelf verkwijn
350Wiens ... dringen ‘wiens heerlijke faam zich roemrijk over heel Griekenland verspreidt’
351als d'onbekende ‘zoals de onverstandigen’, ‘dwaselijk’
356secreten geheime zaken
358vroomheid dappere daden
361niet om verfellen welks wreedheid niet te overtreffen is
363maarten dienstmaagden
365Immers vooral; mij ... bekwamer mij voegt dit, en is voor mij, als heer des huizes, meer gepast (dan voor u)
370zand zond
373zijn ... vertogen zijn gedachten doen blijken
376Smetst fuift
382goeden goederen
384vrijen verlossen
394dat ... gestorven dat door versterf aan u is gekomen
403nadat aangezien
407hem ... pijnen zijn best doen, proberen
412mag kan
413vermoeden argwaan
420stichtte ‘gaf’
428die ... wezen die nu dacht dat 't een god was
431doe toen; elks elk
435te verstrekken voor hem te zijn
436kwenen vrouwen
437zenen spieren
443met snelder vaarden met snelle spoed
446rak kapstok
450onderscheid overleg
prepostterug