terug  begin  verderprepost
[p. 29]

Het tweede boek Odysseae Homeri

*

Inhoud.

Telemachus den raad verzaamd hebbende zeit den vrijers dat hij uit Ulyssis huizinge wil trekken. Hij ontvanget van Euriclea zijn behoefte tot de reize, maar van Pallas een schip ende gezellen, ende zeilt tegens den nacht van daar.
 
IN 't rijzen van den dageraad met haar bloeiende wangen
 
Gink Telemachus ook wakker uit den bedde rijzen.
 
Hij kleedde hem, en heeft zijn zwaard om zijn schouders gehangen,
 
Ook zijn voeten geschoeid oprecht en zeker van gangen,
5
En trad zo uit zijn kamer, gechierd na godlijker wijzen.
 
Den boden beval hij ras met goeder avijzen6
 
Op 't raadhuis te vergaren de heren van dier kontreien.
 
Dit werd haast gedaan, men zag daar bijeen veel kloeke grijzen.8
 
Hij nam een stalen spiets, en gink na den raad zonder beien,9
10
Twee witte honden volgden haar meester om geleien,
 
Pallas maakte hem aangenaam in alle mans ogen.
 
Elk zag vriendelijk op hem, de menigte gingen haar scheien
[p. 30]
 
Opdat hij met ruimte voorbijlijden zoude mogen,13
 
Men zag de bedaarde ouders ter aarden gebogen.14
15
Hij stelde hem heerlijk in zijn vaders trone.
 
Een prins, Aegyptius, begonst eerst om spreken pogen;
 
Dees was zeer wijs, en krom van oudheid, wiens oudste zone
 
Ook voor Troyen was gereisd, zonder soudije oft lone,18
 
Met Ulysses om der Grieken schande te wreken.
20
Zijnen naam was Antiphus, vroom en van leden schone,
 
Hij was gedood van Ciclops met onmenselijker treken,21
 
Die hem alder lest opslokte, 't en baatte geen smeken.
 
Nog had hij drie zonen van enen moeder gezoken23
 
Waaraf de twee in heurs vaders werk gehoorzamig bleken.
25
De derde was Eurinomus, jonk en schoon ontloken,
 
Dees hield hem bij de vrijers in Ulyssis huis gedoken.26
 
Hij treurde nog om d'oudste zone manlijk van zeden,
 
En heeft al wenende droeflijk aldus gesproken:
 
 
 
‘Hoort doch, gij Princhen van Ithaca, na mijn reden.
30
Nooit en hield men hier raad noch vergaringe dan heden
 
Sedert de godlijke Ulysses schied uit de landen.
 
Wat is er nu te doen? Wie heeft ons hier doen treden?
 
Is er enige nood van oud oft van jong voorhanden?
 
Oft zeit men dat ons heer wederkoomt aan onze stranden?34
35
Is 't alzo, 't waar' goed dat men ons vreugd ook vermeerde.
 
Oft wil iemand zeggen van 's lands welvaart bij dees verstanden,36
 
Die is hulp en eren waard; och of 't God al ten besten keerde
 
Dat zulke voor 't gemeen welvaart heeft in zijn gedachten.
 
Telemachus was blijde, want hij sprekens begeerde;
40
Dies hij van zijn plaatse rees, langer wilde hij niet wachten.
[p. 31]
 
Hij stond mids onder de grijsaards groot van geslachten,
 
Met een scepter in der hand hem van Pisenor gedaan,
 
Een oud dienaar, wijs, ook getrouw bij dage en bij nachten.
 
Vrijmoedig beginnende sprak hij Aegyptium aan:
 
 
45
‘Die man en is niet verre o vader, gij zult haast verstaan
 
Wie den raad vergaard heeft, ik ben 't, ik leve in rouwen.
 
'k En heb geen tijding van ons weerkomende heer ontvaan,47
 
Zal u ook niet, dat het gemeen goed aangaat, voorhouen,
 
Maar koom om mijn eigen zaak, 't verdriet mijns huis t 'ontvouwen;
50
Dat is tweederlei en kwelt mij uitermaten.
 
't Een is dat ik mijn vrome vader misse vol trouwen,
 
Die u allen regeerde als een vader 't kind, t'zijnder baten.
 
Nu kwelt mij nog veel arger kwaad, meerder om haten,
 
Dat al mijn goed verslindt, en mijn huis ook haast zal verderven.
55
Dees vrijers willen mijn moeder niet in vreden laten;
 
Die is onwillig, nog meint ze elk te wijve verwerven.56
 
Dit doen meest uw lieve zonen, die uw goed zullen erven.
 
Waarom en gaan zij niet tot Icarum haar vader?58
 
Hij mag haar huwelijk-goed geven, daar zouden ze zwerven;59
60
Hij geef ze dien hij wil, hij is haar enige berader.
 
Maar nu vernielen zij mijn goeden allegader:
 
Zij offeren mijn ossen, mijn bokken, mijn vette schapen,
 
Daar drinkt men de wijn op, 't gaat mij zo langer zo kwader,
 
Ik verderve en werd verslonden van dees boze knapen.
65
Men vindt geen man zo Ulysses was, die dit keert met wapen,
 
Noch die ons huis van dit verderven bestaat te vrijen.66
 
Ik en mag's niet keren, want mijn krachten nog slapen,
[p. 32]
 
Ik ben nog jonk, zwak ende ongeoefend in 't strijen:
 
Dus moet ik dit geweld voor mijn ogen zien en lijen,
70
Wat wil ik daartoe doen, ik en mag's doch geenszins beletten.
 
O, had ik macht tegens die schandelijke roverijen,
 
Ik zoud' er mij - want ze ondraglijk zijn - manlijk tegen zetten.
 
Laat het u doch verdrieten, weest voorstaanders der wetten,
 
Schaamt u eens dit onrecht te gedogen, voor uw geburen,
75
Vreest der goden toorn, die u om dit kwaad mogen verpletten.
 
Maar ik bid u door Iuppiter - die alleen mag sturen76
 
Den raad, wil ende voornemen van alle creaturen,
 
Die hij vernielt oft bevestigt na zijn godlijk behagen -
 
Begeeft mij, laat mij ongetroost al dit leed bezuren,79
80
Indien mijn goede vader ooit Grieken gink plagen,
 
Oft iemand verkort oft misdaan heeft van alle zijn dagen:
 
Loont het mij, vergeldt dat nu, en port dees om mij te kwellen.82
 
't Waar' mij veel nutter, en ook lichter om verdragen
 
Dat gij 't mijn' alzo verteerde: ik mocht het vergellen,84
85
Ik zou 't weer mogen eisen, en u terecht doen stellen,
 
Gij zoudt dat moeten betalen, dit waar' mij veel gereder.86
 
Nu laat gij mij treurig, vergeefs is al mijn vertellen.’
 
 
 
Doe werd hij gram, en werp den scepter op d'aarde neder.
 
't Volk ontbermde zijnder, van tranen dropen zijn ogen teder;
90
Niemand dorste kikken, zij zwegen alt'zamen stille,
 
Antinous alleen antwoordende sprak doe weder:
 
 
 
‘Vermetellijk dorft gij, Telemache, na uwen wille
 
Ons fame lasteren en schenden - daar ik af grille -;93
 
T' onrecht geefdi ons Griekse vrijers de schulden.
95
Want uw listige moeder is oorzaak van dit geschille,
[p. 33]
 
't Is nu 't vierde jaar dat wij haar vierige minne dulden.96
 
Zij zeindt boden, elk geeft ze hoop haar liefde te hulden,97
 
Zonder meinen lokt ze en berooft ons alder zinnen.
 
Haar listen vonden nog een nieuw bedrog, daarmet zij vulden
100
Ons kaproen vol hoois, doen zij dat web gink beginnen.99-100
 
‘Gij minnaars,’ sprak zij, ‘toeft met dit huwen doch uit minnen;
 
Nu Ulysses dood is, laat mij dit web volmaken,
 
Opdat ik 't fijne garen niet vergeefs en doe spinnen
 
Dat ik den ouden Laërti bereie tot een doodlaken
105
Als hem de wrede drie zusters vanhier zullen schaken.
 
Anders zouden de Griekse vrouwen mij blameren,
 
Liet ik zo rijk een dode ongedekt d'aarde genaken.’
 
‘Dit zeid' ze, wij geloofden 't, en gingen 't haar consenteren.
 
Daags weefde zij, en begost dit lange web te scheren,109
110
's Nachts gink ze weer naarstig 't geweefde bij de kaars ontweven.
 
Dat bedrog speelde ze drie jaren - wij mochten 't niet keren -
 
Tot in 't vierde jaar, doe werd het ons te kennen gegeven
 
Door een van haar jonkvrouwen, daarbij zij 't hadde bedreven.113
 
Wij verlakten ze, en vonden haar 's nachts 't webbe weer breken:114
115
Zo most zij 't haars ondanks volmaken, want zij bij haar bleven.
 
‘Dit heb ik u, voor mij en voor de vrijers, willen spreken
 
Opdat elk ons onschuld zoud' blijken, ook haar listige treken.
 
Dus zet ze nu van u, en gaat haar eens t' huwen bevelen.
 
Zij neem die haar belieft, die haar jonstigst is gebleken,119
120
Oft die haar vader haar van ons allen toe zal delen.
 
Maar zoud' ze meer met ons Venus' jankertjen spelen,121
 
Zij zal in 't einde haar eigen dwaasheid dan nog boeten -
[p. 34]
 
Hoewel haar vernuft beschilderd is met Pallas' pinselen,123
 
Zodat wij ze boven alle vrouwen prijzen moeten
125
In wijsheid, in deugd, in konst met handen en voeten,
 
Ja dat ook al d'ouden voor haar list moeten zwijken,126
 
Als Tyro, Alcmena, Micena, die men kloek mag groeten,127
 
Maar in verstand en raad bij haar niet en zijn te gelijken -
 
Want hier ziet ze de baat niet, hier schaden haar praktijken
130
Daar zij ons mee verdwaast en bij haar zelven belacht.
 
‘Wij denken dan uw goed te brassen, daar niet uit te wijken,
 
Zolang uw moeder 't voornemen houdt in haar gedacht
 
Dat haar de goden in 't herte hebben gebracht.
 
't Schijnt wel t'haarder eren, nochtans strekt zulks tot uwer schaden.
135
Wij en gaan niet thuis, maar blijven hier dag ende nacht
 
Totdat zij onzer een trouwt; zij mag haar beraden.’
 
 
 
‘Dien raad,’ zeide Telemachus, ‘is waard om versmaden.
 
't Betaamt mij geenszins mijn moeder haars ondanks te verdrijven,
 
Die mij gebaard heeft, en weeldelijk doen verzaden.
140
Ook leeft mijn vader ergens, oft de dood gaat hem verstijven.
 
Ik mag Icaro van zo veel duizenden niet gerijven141
 
Die ik hem met mijn moeder zoude moeten betalen.
 
Kwaam mijn vader thuis, daar waar' reden om mij te bekijven,
 
Zo zoud' ik zijn toorn - meerder kwaad - op den halze halen,
145
Ook mocht mijn moeder, stiet ik haar uit mijns vaders zalen,
 
Mij met groot recht bitter en hatelijk vervloeken;
 
De mensen zouden mij ook al t' enemalen
 
Als een ondankbare lasteren in allen hoeken.
 
Ik en beveel mijn moeder geen ander woonplaats te zoeken.
[p. 35]
150
Mishaagt u dit, zo ruimt mijn huis, en laat mij met vreden,
 
Zoekt elders de kost, gaat u ergens om smetsen verkloeken:151
 
Brast daar, bruist daar, sluimt daar bij beurten na uw kwade zeden.152
 
Maar acht gij 't nutter en dunket u beter reden153
 
Dat gij hier al t' zamen geweldig verteert eens mans goed,
155
Valt er voort aan, ik bid de goden en heb 't haar gebeden:
 
Indien Iupiter immermeer wraak over boosheid doet,
 
Dat hij u al t' zamen binnen mijn huis versmore in uw bloed.’
 
 
 
Hij hadde volzeid; Iupiter, die 't al ziet met goeden ogen,
 
Zendde twee aarnden van een hogen berg met rasser spoed:
160
Die kwamen snellijk voor winde nederwaarts gevlogen,
 
- Haar wieken streken door de lucht als 't geschut eender bogen -161
 
Totdat zij mids in de vergaderinge kwamen.
 
Daar sloegen ze haar klappende wieken met groot vermogen
 
Ginds en weder, zo fluks, men mocht er geen oog op ramen.164
165
Ja, 't scheen zij der vrijers bonnetten van den hoofden namen,
 
Die zij neus, mond en wangen scheurden met klauwen bloedig.
 
Zij beduidden heur den dood met verschrikkelijk beschamen,
 
En vlogen doen ter rechter hand als verwinners moedig168
 
Over haar huizen ende steden na 't hoge spoedig.
170
Elk zat verbaasd en verblind, maar als zij weder zagen170
 
Verwonderden zij hun van die twee aarnden verwoedig.
 
Doen sprak Alitherses, een prinse oud van dagen,
 
Mastoris zone, de wijste van alle zijn magen
 
En van alle zijn tijdgenoten in wichelarije
175
Ende ook mee in wijslijk spreken, dat elkeen most behagen.
 
‘Hoort,’ zeid' hij, ‘gij Grieken 't beduidsel van dees fantazije.
[p. 36]
 
Gij vrijers, u treft dit stuk, al zijdi vrolijk en blije,
 
Al genaakt pericule, jammer en zwaar verdriet.
 
Ulysses zal niet lange weg zijn, hij komt u t' ontije,179
180
Hij is omtrent, ik heb 't aan dees vogels bespied.
 
Uw dood is voorhanden, dit teken u ongeluk biedt;
 
Onzer velen van Ithaca werdt ook leed toegedocht.
 
Laat ons bedenken en keren 't geweld dat hier geschiedt,
 
Houdt gijluiden op, oft gij werdt al om den halze gebrocht.184
185
Gelooft mij, ik versta dees dingen, 'k en spreek niet onbedocht.
 
Ik houde dat Ulyssi alt'zamen is wedervaren186
 
Dat ik hem voorzeide als hij t' scheep ging met al de tocht.187
 
Ik profeteerde hem veel leeds en jammerlijk bezwaren:
 
Dat hij zijn gezellen zoud' verliezen, ook twintig jaren
190
Ellendig dolen, en daarna onbekend thuiswaart komen.
 
'k En twijfel niet, 't is hem gebeurd dat gij mij hoort verklaren.’
 
 
 
Eurimachus Polibus' zoon heeft het woord genomen,
 
Die sprak: ‘O grijsaard, profeteert uw kinderen zulke dromen,
 
Dat hun in toekomende tijden niet kwaads zou geschieden;
195
Hierin mag ik mij beter profeet dan gij zijt beromen.195
 
Daar vliegen veel vogels, ál hebben ze niet te bedieden196
 
Toekomende zaken, zo gij 't acht en wilt ons verbieden.197
 
Ulysses is lang dood, o waart gij met hem ook gebleven!
 
Gij zoudt uw profetie dus niet kakelen bij de lieden,
200
Noch Telemachum tegen ons in gramschap doen beven,
 
Op hope dat hij u enig geschenk zal geven.
 
Maar dit wil ik u voorzeggen, en zal 't ook volstrekken:202
 
Indien gij krepele veelweter door 't lange leven,
 
Den jongen man bedriegende tot toorn gaat verwekken,
[p. 37]
205
't Zal hem bederven, en uw beurze niet bespekken;
 
Maar u, o verkrompelde, zal men 't wredelijk lonen206
 
Met pijnlijk gekwel daarinne men u zal trekken.
 
Telemacho rade ik, wil hij zijn welvaart verschonen,
 
Dat hij zijn moeder zeinde bij haar vader te wonen:
210
Die mag haar de bruidgaaf schenken, als de bruiloft zal wezen,
 
Zo groot als men zo waard een dochter hoort te betonen.211
 
Eer en rust er ook geen onder dees vrijers geprezen
 
Van dit lastige vrijen, want wij gants niemand en vrezen,
 
Noch ook Telemachum niet, al derf hij stoutelijk snappen.
215
Uw profetie achten wij ook als gebroken pezen:
 
Gij doet u te meer haten door uw onwijselijk klappen.216
 
Zijn beesten zullen wij slaan, zijn wijn ook te ruimer tappen217
 
Zolange zijn moeder geen van ons allen wil trouwen.
 
Dus ziet men ons wachtende op 't vervolg niet slappen,
220
Elk waar' gaarne de vroomste geacht in haar aanschouwen,220
 
Wij zien ook na geen ander vrijster, om dees te behouen.’
 
 
 
Telemachus sprak, om zijn redenen te besnoeien:
 
O Eurimache, ook ál gij vrijers van eender vrouwen,
 
Om die dingen wil ik u niet meer bidden noch bemoeien.
225
De goden weten 's nu, en al die hier in eren groeien.
 
Maar doet wel, bestelt mij een schip met twintig gezellen,
 
Die mij de zee ploegen, en spoedelijk door 't schuimsel roeien,
 
Zo wil ik mijn reis na 't zandige Pilum versnellen,
 
Ook na Spartam, oft mij enig mens tijding mocht vertellen
230
Van mijn afwezende vader daar ik na wil sporen,230
 
Oft God kan 't doen - dit mag den mens hoogst in eren stellen.231
 
Om van mijns vaders leven en weerkoomst te horen
[p. 38]
 
Wil ik een moeielijk jaar lijden, al viel 't al verloren.
 
Verneem ik van zijn dood, ik keer terstond in mijn vaderland
235
Om hem een heerlijk graf te bouwen, ook een lijk al voren235
 
Rijkelijk, voor zulk een vader vast in mijn herte geplant.
 
Dan wil ik mijn moeder een man geven van goed verstand
 
Deugdelijk en vroom.’ - Dit gezeid zijnde is hij gezeten.
 
 
 
Mentor, een getrouw vriend van Ulysses rees op te hand,239
240
Dien hij in 't scheiden zijn huis beval en al zijn secreten,240
 
Ook zijn vader gehoorzaam te zijn. Dees man kloek in 't weten241
 
Liet hem horen, sprekende in dezer manieren:
 
‘Nu Ulysses hem hier vergeefs zo wel heeft gekweten,
 
Geen Konink zij voorts meer zaachtmoedig en goedertieren,
245
Noch en kwel zijn gemoed niet om des volks orbaar te bestieren,245
 
Maar laat ze lastig zijn en boze stukken bedrijven.246
 
Ach hoe luttel gedenkt men hier Ulyssis goedlijk regieren!
 
Ook 't volk niet, dien hij als een vader wetten voor gink schrijven.
 
Mijn zin strekt nu niet dees lastige vrijers te bekijven -
250
Die door kwaden raad geweldige feiten volbringen,250
 
Haar boze lusten volgen, bij haar voornemen blijven,
 
En 't gantse huis van Ulysse door hun darmen dringen,
 
Die zij nu al dood achten, dies zij dansen en springen -
 
Maar 't volk is te schelden, die zien dit aan met goeden ogen;
255
Elk zit stom. - Kondi alt'zamen dees vrijers niet bedwingen?
 
Gij zijt den meesten hoop, meugdi dit gedogen?’
 
 
 
Vergramd heeft Liocritus dees woorden uitgespogen:
 
‘O schampere Mentor, plompe beest, wat hebdi daar gezeid?258
[p. 39]
 
Gij raadt ons af te laten. Zullen weinige ook mogen259
260
Tegens velen strijden? en dat nog in maaltijden bereid?
 
Ja al kwam Ulysses zelver thuis, en hadde overleid
 
De smetsende vrijers uit zijn huize te verjagen,
 
't En zoude van niemand eer dan van zijn wijf werden beschreid,
 
Hoewel haar zijn koomste boven al schijnt te behagen.
265
Want streed Ulysses tegens ons, hij waar' terstond verslagen.
 
Dus en hebdi niet gesproken na behoorlijkheden.
 
Maar laat 't volk nu thuis gaan, elk tot zijn werk zo zij plagen;267
 
Mentor en Alitherses mogen de dingen bereden
 
Tot zijn reize, als oude vrienden van zijn vader's zeden.269
270
Maar bleef hij nog hier, hem kwaam' zulke tijdings verklaring
 
Dat hij nimmermeer, denk ik, op die reize zou treden.’
 
Dit gezeid zijnde, scheidde terstond die vergaring,
 
't Volk strooide vaneen, elk spoeide hem thuiswaart varing,273
 
De vrijers strekten haar na 't huis van Ulysse vol eren.
 
***
275
Telemachus gink aan 't strand, de weg was hem geen bezwaring,
 
Hij wies zijn handen in zee, en sprak tot Pallas met begeren:
 
‘Hoort mij, o God, die gister in mijn huis kwaamt teren,277
 
Die mij t' scheep bevaalt te gaan om na uw profetijen
 
Mijn vader te zoeken, die wij lange moeten ontberen -
280
Ziet, dit beletten de Grieken, zij willen 't niet lijen,
 
Zonderling die snode vrijers vol hovaardijen.’281
 
 
 
Zijn gebed was voleind - Pallas stond daar in den schijne
 
Van Mentor dien zij geleek, zeggende tot zijn verblijen:
 
‘'t Betaamt u niet, o jongelink, blohertig te zijne,
285
Hebdi anders uws vaders aard, die vreest moeite noch pijne285
[p. 40]
 
In 't volbrengen dat hij om doen oft zeggen heeft voorgenomen.
 
Dees reize zal niet vergeefs zijn, zij koomt ten goeden fijne287
 
Indien gij zijn zone zijt van Penelope gekomen.
 
Waar' dat niet, ik duchtte, dees vaart zoud' u niet vromen.289
290
Weinig kinders ziet men haar ouders in deugden gelijken,
 
Meest zijn ze snoder. Wat spruiten verbeteren de bomen?291
 
Maar want gij nog namaals edel en verstandig zult blijken
 
En uw natuur ook van uw vader's vernuft niet en mag wijken,
 
Zo hebt moed, neemt troostelijk dees arbeid aan, 't zal wel gelukken.
295
Dus acht de vrijers niet, noch haar zotte praktijken;
 
Die zijn onwijs, hinkende op ongerechtigheids krukken,
 
Zij zien den zwarten dood niet, die ze al komt verdrukken.
 
Maar u zal de begeerde reize niet lank ontbreken,
 
Ik wil u daartoe helpen zorgvuldig in allen stukken
300
Als die ooit uws vaders getrouwe vriend ben gebleken;
 
Ik zal 't schip voorzien, en zelfs met u van lande steken.301
 
Gaat gij nu thuis, spreekt goedlijk met de vrijers die u kwellen,
 
Vult kisten vol meels, vaten vol wijns, met listige treken;
 
Ik ga onder 't volk vergaren een hoop willige gezellen.
305
Schepen zijn d'r genoeg aan strand om ons in te stellen,
 
Ouden en nieuwen, ik zal ons verzorgen van 't beste
 
Om ons daarmet door de wijde zee te versnellen.’307
 
 
 
Zo sprak Pallas; Telemachus gink na zijn vader's veste,
 
Als hij dit hadde gehoord; die kwam treurig thuis in 't leste,
310
Daar hij dees hovaardige vrijers vand zijn geitkens villen;
 
Zij brieden de verkens, men doodde daar 't vette gemeste.
 
Antinous kwam Telemachum tegen om hem te stillen.
 
Hij nam hem met der hand en sprak: ‘Wilt nu om onzen willen,
 
O vrome stoutmondige Telemache, vrolijk wezen,
[p. 41]
315
Laat zorgen varen, bedwingt uw tonge, schout dees geschillen,315
 
Maar eet en drinkt als voormaals, niet kwaads wilt van ons vrezen.
 
Men zal u een schip doen met roeiers uitgelezen,317
 
Zo werdi haast, na uw wille, tot Pilum gebrocht
 
Om te vernemen na uw vrome vader geprezen.’
 
 
320
Telemachus antwoordde hierop wijslijk bedocht:
 
‘'t En voegt geenszins dat ik met u, gij hovaardig gedrocht,
 
Mijns ondanks zou eten, mij verblijen en vermaken.
 
't Is genoeg dat gij 't mijn' dus lang om den hals hebt gebrocht;
 
Doe was ik zot, maar nu denk ik wat bet op mijn zaken,324
325
Ik hoor der verstandigen raad, die mij wijzer maken;
 
't Hert is mij vol leeds, ik zal mijn best doen om u te bederven.
 
God geef, oft ik reize oft blive, uw dood zal genaken;
 
Mijn tocht werdt niet te vergeefs, mer zal mijn wille verwerven.328
 
'k En zal ook niet als schipper noch roeier ter zee gaan zwerven,
330
Want dat waar' uw alder lust; neen, ik zal 's mij wel wachten.
 
Ik koom haast weder, om u allen kwader dood te doen sterven.’
 
 
 
Meteen wrank hij zijn hand uit Antinous' hand met drachten.332
 
De vrijers bereidden de maaltijd, die hem ál verachtten,
 
Beschimpten en met veel spotlijke woorden versmaadden.
335
Doen sprak er één hovaardelijk - daar zij alle om lachten -:
 
‘Hij wil ons alt'zamen vermoorden met ongenaden.
 
Koomt hij uit Pilo oft Sparta met hulpe, 't zal ons schaden;
 
Oft haalt hij uit het land Ephyrum venijn doodlijk,
 
Hij zal ons al vergeven en met drank verraden.’
340
Een ander dertel vrijer sprak: ‘ik zorge blotelijk340
 
Dat hij zijn vader zoekende zijn dood vindt noodlijk341
 
In 't dolende schip, verre van vrienden en magen,
[p. 42]
 
En zo ook achterblijvende ons moeiten meert grotelijk
 
Om alle dees rijkdommen te deilen na ons behagen.
345
Zijn moeder willen wij 't huis geven, zo heeft ze geen klagen,
 
Ook een man uit ons allen die haar best zal believen.’
 
 
 
Telemachus gink al door - 't docht hem tijd om verdragen -347
 
Na zijns vaders slaapkamer; daar was tot zijn gerieven
 
Hopen van goud, juwelen, klederen, kisten met brieven,
350
Welriekende olie, oude vaten met Bacchus' dauwe,
 
Wel vast bewaard en besloten voor rovers oft dieven,
 
Opdat Ulysses die, na zoveel druks verdriets en rouwe,
 
Thuiskomende gebruiken zoude met zijn wijf getrouwe.
 
Het stond al in ordene bezorgd met naarstigheid puurlijk
355
Door Euriclea Pisenor's dochter, een oude vrouwe
 
Die was daar nacht en dag inne, en bewaarde 't geduurlijk.356
 
Telemachus sprak voor de door: ‘Voedster, die mij zo zuurlijk357
 
Hebt opgebracht, doet op, en vaat den ouden wijn in tonnen,358
 
Den alderbesten, zoet, klaar ende natuurlijk,
360
Die na mijn vader beidt, d'ellendigste onder der zonnen,
 
Die zijn dood en ongeluk vliedt - och waar' hij 't ontronnen!
 
Vult twaalf vaten, stopt ze dicht, wilt ze vast toe pakken;
 
Neemt ook twintig maten meels uit de victaliebonnen,363
 
Stort dat ende benaaiet' sterk in leren zakken.
365
Zegt daar niemand af, 't zoud' anders mijn voornemen zwakken,365
 
Maakt dit al gereed, wacht dat gij 't niemand en openbaart.366
 
Te nacht zal men 't halen, stillekens zonder krakken,
 
Als mijn moeder met haar zorgvuldige slape vergaart.368
 
Na 't land van Sparta en 't zandige Pilum strekt mijn vaart,
[p. 43]
370
Vernemen oft ik van mijn vader's weerkomst mocht horen.’
 
Dat zeid' hij; doe weende Euriclea zijn voedster waard
 
En sprak al nokkende: ‘Zegt, o jongelink verkoren,372
 
Waarom neemdi zulke zware zaken doch voren,
 
Gij die jonk zijt? wat wildi alleen in vreemde landen?
375
Is uw vrome verstandige vader zo niet verloren?
 
Die was bedaard en verzelschapt, nog heeft hij moeten stranden.376
 
Deze vrijers zullen u belagen, 't zijn uw vijanden,
 
Om u met verraad te doden, en dan uw goed te delen.
 
Laat af de reize, blijft rustig binnen dezer waranden,379
380
Schout d'onbetemde zee, doolt niet, men vaart er niet spelen.’380
 
 
 
‘Zijt getroost, voedster,’ sprak Telemachus, ‘wilt niet meer kwelen,381
 
't Is door Gods bevel dat ik doe, dus stelt u te vreden.
 
Maar zweert mij, dat gij 't mijn waarde moeder zult helen
 
Totdat den twaalfden dag zal zijn verleden,
385
Opdat ze niet treuriglijk vol drukkigheden385
 
Door veel wenens haar zuiverlijk aanzicht en ontmake.’386
 
 
 
Zij dede hem den eed na godlijker zeden.
 
Doe gink ze den wijn vaten lekker van smake,388
 
Het meel goot ze in de zakken, en bezorgde haar zake.
390
Telemachus gink bij de vrijers, daar hij een wijle zat.
 
 
 
Minerva en sliep niet, maar hield hierentussen de wake;
 
Zij gink in schijn van Telemacho door de gehele stad,
 
Ook vermaande zij de gezellen, die zij vriendelijk bad
 
Met hem te varen, en beval ze t'savonds t' scheep te komen.
395
Zij bad om een schip van Noëmon, een jongelink rijk van schat,
 
Die leende 't haar gaarne, om zeilen op vreemde stromen.
[p. 44]
 
De zon gink onder, de schaduwe heeft dat land ingenomen.
 
Zij sleipten 't schip in zee, en bracht al 't gereedschap spoedelijk
 
Binnen den schepe: geen arbeid schenen zij te schromen.
400
Daaromtrent vergaarden al de gezellen eenmoedelijk,400
 
Minerva sprak ze moed aan met woorden vroedelijk.
 
 
 
Daarna gink zij in 't hof, en deed' al de vrijers slapen,
 
Die bedroog zij al drinkende onbehoedelijk:403
 
D'ogen sloten, de hoofden knikten, die mond kwijlde in 't gapen,
405
De bekers zegen uit der hand van dees sluimerige knapen -
 
Zij gingen alle thuiswaarts, hun tot rusten te stellen.
 
 
 
Pallas riep Telemachum; die was wel voorzien met wapen,
 
Zij scheen Mentor van gedaante, van gank en in 't vertellen.
 
‘Komt,’ zeid' ze, ‘jongelink, na u wachten de gezellen.
410
Spoedt wakkerlijk, laat ons de reize niet langer vertrekken.’410
 
 
 
Dit was gezeid. Zij trad voor en deed' hem zijn gank versnellen,
 
Hij gink hem dapper na der goddinnen voetstappen strekken,412
 
Totdat zij aan de zee kwamen, ter zelver plekken
 
Daar 't schip was, waarin al de gezellen vaardig stonden.
415
‘Gaan wij in 't hof, vrienden, zonder iemand te wekken.’
 
Sprak Telemachus ‘om den victalie voor onze monden,
 
't Is alt'zamen bereid, gepakt en wel bewonden,
 
Daar niemand, ja ook mijn eigen moeder, niet af en weet,
 
Behalven een oude maart, ooit trouw en secreet bevonden.419
 
 
420
Na deze woorden gink hij voor, zij volgden hem gereed,420
 
Men haalden de provand, die werd op haar plaats in 't schip besteed,421
 
't Was er al bezig, elk dee zijn werk naarstig met manieren.
[p. 45]
 
Telemachus gink t' scheep, en dee ookzijn volk daartoe de weet;423
 
Iegelijk nam zijn plaats, Pallas gink aan 't roer om stieren,
425
De jongelink zat bij haar, en zag haar 't schip regieren.
 
De kabels worden gelost, zij begonsten te drijven,
 
't Volk viel aan de riemen en deden 't schip haast zwieren.427
 
Maar hun arbeid werd gespaard, Pallas gink hun gerijven428
 
Met een westenwind, die allenskens begonst te verstijven:
430
De baren wentelden om elkander te achterhalen,
 
't Water werd bruin, de wind wakkerde; 't scheen zij zou zo blijven.431
 
Telemachus beval het want te laten dalen.
 
Zij verlieten de riemen, - daar was toeven noch dralen -
 
De mast werd gerecht, 't zeil viel neder, de schoot liet men schieten,
435
Men strekte de hoofdtouwen; de wind kwam achterin stralen,435
 
't Zeil begonst te zwellen, het schip snellijk voort te vlieten.
 
De blauwe zee ruiste om 't schip, d'welk de baren voort stieten:
 
Dat zwam door 't water als een zwaan met verheven pluimen doet,
 
De riemen werden weggeleid, om den wind te genieten.439
440
Zij dronken 't bruisende wijnken met zijnder schuimen zoet,
 
En zo offerende de goden na der kostuimen goed,441
 
Zonderlink Pallas die hun met de wind te ruimen spoedt,442
 
Voeren zij al den nacht: want men geen goeden wind verzuimen moet.

EINDE VAN 'T TWEEDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

6met ... avijzen met overleg
8haast spoedig;
9beien talmen
13voorbij glijden voorbijgaan
14ouders grijsaards
18soudije soldij
21met ... treken met verraderlijke list
23gezoken gezoogd
26hem ... gedoken zich verborgen
34heer leger
36verstanden knappe koppen (verstandigen)
47ontvaan ontvangen
56nog en toch
58Icarum vader van Penelope
59daar zouden ze zwerven ‘daar moesten ze maar heengaan’
66bestaat durft
76door bij
79bezuren lijden, verdragen
82port ... om spoort deze (vrijers) aan om
84vergellen vergelden
86gereder gemakkelijker
93daar ... grille waar ik me kwaad over maak
96haar ... minne de vurige liefde voor haar
97hulden toedragen, wijden
99-100vulden ... hoois voor de gek hield; web weefsel
109scheren op 't scheerraam te spannen
113daarbij waarmee
114verlakten verrasten
119jonstigst is gebleken het meest heeft behaagd
121met ... spelen de coquette spelen, ons aan 't lijntje houden
123Hoewel ... pinselen hoewel haar geest door Pallas (met wijsheid) versierd is
126zwijken bezwijken d.w.z. onderdoen
127die ... groeten ‘die men erkennen moet dat slim zijn’
141Ik ... gerijven ‘ik wil Icarus niet met zoveel duizenden van dienst zijn’
151u ... verkloeken u verstouten te fuiven
152bruist slempt; sluimt zwelgt
153dunket dunkt 't
161't geschut de pijlen
164ramen vestigen, richten
168moedig fier
170verbaasd ontzet
179t' ontije te kwader ure
184al allen
186Ik houde Ik hou het ervoor
187met ... tocht met het hele leger
195beromen beroemen (zo gespeld om voor 't oog te rijmen) c.f. I, 258 gewoene
196al allen
197verbieden aankondigen
202volstrekken ten uitvoer brengen
206verkrompelde uitgedroogd mannetje
211betonen schenken, vereren
216klappen geklets
217slaan slachten
220vroomste flinkste, voortreffelijkste
230sporen speuren
231Oft ... doen ‘of dat God mij een tijding kan vertellen - dit laatste....’ enz.
235lijk plechtige begrafenis, uitvaart; al voren voor alles, boven mate
239te hand terstond
240secreten geheimen
241kloek knap
245des volks ... bestieren het volksheil te behartigen
246ze de koningen n.l.; lastig zwaar drukkend, tyranniek
250raad overleggingen; geweldige feiten gewelddaden
258schampere beledigende, honende
259mogen kunnen
267plagen plachten
269van ... zeden die de traditie van zijn vader volgen
273varing snel
277teren eten (verteren)
281Zonderling vooral; snode nietswaardige
285anders tenminste
287fijn einde
289vromen baten
291snoder minder goed; verbeteren zijn beter dan
301zelfs zelf
307versnellen haasten
315schout schuw, vermijd
317doen geven
324bet beter
328werdt wordt, d.i.: zal zijn; wille wens
332wrank wrong; met drachten met geweld
340zorge vrees
341noodlijk ellendig (in nood)
347door verder; 't docht ... verdragen 't leek hem een oogenblik om te verdragen (lijdzaam te zijn)
356geduurlijk gedurig (volhardend)
357door deur; zo zuurlijk met zoveel leed en moeite
358opgebracht grootgebracht, opgevoed
363victaliebonnen bakken, manden met levensmiddelen
365af van
366wacht pas op
368met ... vergaart zich aan haar slaap vol zorgen overgeeft
372nokkende snikkende
376nog en toch
379warande ommuurde hof
380Schout schuw vermijd
381kwelen treuren
385drukkigheden smarten
386ontmake ontsiere
388vaten in een vat gieten
400eenmoedelijk eensgezind
403onbehoedelijk zorgeloos
410vertrekken uitstellen
412hem ... strekken zich richten naar, volgen; dapper vlug
419maart dienstmaagd
420gereed terstond
421besteed gelegd
423dee ... weet gaf ook zijn volk daartoe het bevel
427haast spoedig
428gerijven helpen
431bruin donker van kleur
435hoofdtouwen touwen die de mast steunen; stralen schieten
439om ... genieten om van de wind partij te trekken
441kostuime gewoonte
442Zonderlink in 't bijzonder; die ... spoedt die hun begunstigt om met de wind mee te vertrekken.
prepostterug  begin  verder