[p. 46]
Het derde boek
Odysseae Homeri
*
Inhoud:
Nestor heeft Telemachum met Pallade ontvangen
.
Hij vertelt hun der Grieken doen in den Trojaansen lande
,
Ook haar geval
*
thuiswaart zeilende met verlangen
.
Maar als hij van den vrijers hoort en Pallas nam haar gangen
Ten hemelwaart, zo dede hij haar een offerande
,
Beval ook dat men Telemacho een wagen inspande
,
En gaf hem zijn zoon mede, zij reisden na Sparten
,
De nacht kwam aan, Diocles ontvink ze met blijder herten
.
E
ER de zon ten hemel steeg, en de zee mocht verlaten
Om den goden te lichten, ook den mensen op aarden,
Kwamen zij tot Pylum bewoond van Nestors onderzaten,
Een zeer vermaarde stad, heerlijk van huizen en straten.
5
Daar vonden ze de borgers die op de strand vergaarden,
Om den blauwgehelmden Neptuno met groter waarden
6
Te offeren vette stieren, glad, zwert en wel bedegen.
7
Op negen banken zij hun daar bij vijftigen paarden.
8
[p. 47]
Men sloeg der verchierde verren voor elke zetel negen,
9
10
Zij brasten 't vlees en braadden 't gebeent, zo men eertijds plegen
10
In zulke feesten te doen, op heilige dagen.
Hier arriverende hebben zij 't zeil nedergezegen,
12
't Schip op 't land getrokken, haar dingen daaruit gedragen.
Telemachus springt op 't gewenste land, na 't welbehagen
15
Van Pallas zijn leidsman, die aldus tot hem gink spreken:
‘Trekt de schaamschoe nu uit, jongelink, vraagt zonder versagen
16
Al 't geen, daar gij de woeste zee om zijt overgestreken:
17
Hoe 't uw vader gaat, waar hij ergens in een gat mag steken.
Gaat nu straks tot den Konink Nestor, der paarden berijder,
19
20
Hoort wat hij u raadt, nooit zag men hem wijsheid ontbreken:
Bidt hem dat hij de waarheid zegge, hij gaat ook niet wijder,
21
Want hij is zeer vroed; hoort hem, gij werdt een verblijder.’
22
Telemachus sprak: ‘O Mentor, hoe zoud' ik mij niet schamen?
Oft hoe zal ik groeten dees oude Prins, dees vrome strijder?
24
25
Ik ben onbezocht, nooit zag men mij met wijzen verzamen;
25
Mijn jonkheid schroomt voor dien grijsaard van groter famen.’
‘Zijt onbevreesd,’ sprak Pallas, ‘edel Prinse verkoren,
27
Een goed vernuft vindt haast goei woorden die wel betamen,
28
God zal 't u ingeven, 't koomt u ál vanzelfs te voren.
29
30
Zijt wel getroost, gij zijt den goden jonstig geboren.’
30
Dit gezeid zijnde trad hij fluks voor hem henen.
[p. 48]
Telemachus gink zijn leidsman ook ras nasporen.
32
Zij kwamen daar al 't volk vergaard stonden op haar benen;
Nestor zat in 't midden met zijn zoons op grote stenen.
35
Daar zag men d'een de beesten doden, d' ander 't vel afstropen,
Dees stak 't aan 't spit, die keerde 't met de bevende zenen.
36
Maar als zij de gasten zagen, kwamen ze al gelopen,
Zij boden ze de hand, en vergaarden bij grote hopen.
Pysistratus, Nestor's zoon, heeft ze beid' met der hand genomen
40
En steld' ze bij de spijzen, die van vettigheden dropen,
In zachte vellen op 't vochtige zand, zout van der stromen,
Bij zijn vader en broeder - 't halp weigeren noch schromen.
42
Hij diende hun gebraad, hij schenkte wijn in gulden schalen,
Hij bracht zijn gast een dronk, die hij met en konste nomen:
44
45
('t Was Pallas van een geitjen gezoogd in Jupiter's zalen) -
45
‘Vriend’ sprak hij ‘aanbidt Neptunum met ootmoediger talen,
Want gij komt in zijn waarschap, hem geschiedt dit ter eren.
47
Als gij gebeden hebt, zo laat het wijnken inwaarts dalen,
En geeft ze uw gezelle, zo paait haar zoetheid zijn begeren.
49
50
Ende want geen mensen der goden hulpe mogen ontberen
50
Zal hij ook bidden; hij is jonger, van mijn tijdsgenoten,
Daarom zal ik u den gulden beker eerst toekeren.’
Doe gaf hij hem den gouden kop vol zoet wijns gegoten.
Pallas verblijdde door 't verstand in dat hert gesloten:
55
Dat hij 't haar eerst bood, rechtvaardig na eerbaar zeden,
Dies bad zij terstond begeerlijk en onverdroten:
56
[p. 49]
‘O Neptune, die uw macht om al 't aardrijk doet verbreden,
57
Volbrengt nu willig ons hertelijke gebeden,
Wilt doch Nestor met zijn zonen in eren vermaren,
60
Maakt al d'ander ook eerlijk na heur waardigheden;
60
Geeft dat al dees borgers wèl door dit offer mogen varen.
Wilt mij met Telemachum ook wel bewaren
Totdat al onze zaken te wille zijn vergaan
63
Daarom wij gereisd zijn over dees wilde baren.’
65
Zo bad ze, en heeft voorts alle dingen na ordene gedaan.
Zij gaf Telemacho den ronden beker met d'edele traan,
66
Die ook zo dede, en bad met een begeerlijke geest.
D'ander deilden 't vlees in stukken als 't wel was doorbraân,
Zij aten, zij dronken en hielden een vrolijke feest.
70
Daarna, als den honger en dorst verdreven is geweest,
En heeft de Prinse Nestor niet langer gezwegen.
‘Nu’ sprak hij ‘is 't tijd mijn gasten te vragen, aldermeest,
Want zij verzaad zijn. - Zegt vrienden - is 't u gelegen -
Wie zijdi? wanen koomdi over dees vochtige wegen?
74
75
Hebdi hier iet te doen? dat meugdi mij nu vertellen.
Oft dooldi en zoekt avontuur als zeerovers plegen,
Die haar lijf en leven wagen om anderen te kwellen?’
Doe sprak Telemachus moedig voor al zijn gezellen,
- Want Pallas had hem vroomheid en verstand in 't hert gegeven -
79
80
Om na zijn vader te vragen, en dat Nestor zoud' mellen:
80
[p. 50]
‘O Konink, fleur ende glorie van den Grieken verheven,
81
Wij komen uit Ithaca over de zee gedreven.
Dat ik nu zeggen zal roert mijn zelfs, geen gemene zaken.
83
Ik zoek mijn vader Ulyssem, hoog vermaard in zijn leven,
85
En koom hier, oft gij mij iet wijzer van hem mocht maken.
Hij trak met u - om wreken dat vervloekte ontschaken -
Voor Troyen, daar veel Grieken doorhouwen zijn en doorkorven.
Dit weet ik al, en ook waar elk den wreden dood most smaken;
Maar mijns vaders dood heb ik nooit tijding af verworven,
89
90
Noch niemand weet recht te zeggen waar hij is gestorven:
Iupiter heelt ons zijn dood, ook weer hij ergens zit gevangen,
91
Oft dat hij tot nu toe in de wilde zee heeft gezworven.
Dit verdriet mij, hierom koom ik bij u met verlangen:
Oft gij van zijn dood enig nieuwmaar hebt ontvangen,
95
Dan oft gij hem zelfs zaagt sterven met uw doorzichtige ogen.
95
Ellendig is hij geboren, onzalig in zijn gangen.
Ik bid u, Heer, verbergt noch en verschoont niet uit meedogen,
97
Maar dat gij zelfs gezien hebt wilt mij waarachtig betogen.
Indien u mijn vader ooit jonst voor Troyen heeft bewezen,
99
100
Daar gij alle veel most lijden, dit zegt mij ongelogen
Met uw gewoonlijke waarheid, zonder mijn jeugd te vrezen.’
Nestor sprak: ‘O vriendelijke jongelink uitgelezen,
Nu gij mij doet herdenken die zware ellenden
Aldaar gedoogd van d'onverwinlijke Grieken geprezen:
104
105
- Zoud' ik 's u al vertellen, nemmermeer mocht ik enden: -
Van dat wij overzee voeren om Troyen te schenden
Na den groten roof, onder den hertog Achilles moedig,
[p. 51]
Hoe dikwijls wij daar streden tegen de Trojaanse benden
Daar de vroomste Grieken worden verslagen bloedig;
109
110
- Daar bleef de strijdbare Achilles, Ajax verwoedig,
Patroclus in vroomheid bij den goden te gelijken;
Mijn lieve zoon Antilochus bleef daar ook onspoedig,
112
Die zo wel te paarde was dat men 's nooit ridder zag wijken,
113
Ook zijn ongelooflijke snelheid en vroomheid dee blijken
115
Met ontallijke anderen die daar den dood moesten lijden -
Wie zou 't al verhalen oft beschrijven in kronijken?
Ja al bleefdi hier zes jaren - dat zijn lange tijden -
Vragende wat de Grieken daar al leden in 't strijden,
Gij zoudt eer bedroefd na huis varen dan 't einde mogen horen:
120
Want wij die stad negen jaren bevochten aan allen zijden.
In 't laatst liet ons Iupiter die machtige stad verstoren.
‘Daar was geen Griek daar men die wijsheid en list in mocht sporen
122
Die in Ulysse was, die kloeke doorgrondere,
123
't Welk gij uw vader noemt: hij gink ze al verre te voren -
124
125
- Zijdi anders recht zijn zoon - hoewel ik mij verwondere
125
Dat gij hem zo gelijk zijt, maar in de spraak bizondere;
Noch gij zelfs zoudt niet wanen, dat een jonk man in 't spreken
127
Hem zo heel gelijk waar', zo gelijk een vermondere.
128
‘Nooit heb ik daar den godlijken Ulyssem bezweken.
129
130
Nooit zag men dat hij en ik in 't raden contrarie bleken,
Maar waren gelijk eens zins den Grieken wijslijk te raden
Om listig, met het minste verlies, ons leed te wreken.
Maar na wij die hovaardige stad ter aarden vertraden,
Gingen wij 't scheep zwaarlijk met buit en roof beladen....
[p. 52]
135
Daar Iuppiter alle de Grieken dede verstrooien,
135
En bereidd' ze een treurige thuisvaart door haar misdaden,
136
Want zij ál niet wijslijk noch recht en deden voor Troyen.
Hij maakte ze twistig om haar ongeluk te voltooien:
Door Pallas' schadelijke toorn dee dit haar machtige vader,
139
140
Die door tweedracht die twee gebroeders dede verschooien.
140
Dees riepen te rade de Griekse Prinsen allegader;
Die kwamen ongelijk, d'een vroeger d'ander spader.
De zon gink onder, zij vergaarden daar meest dronken en zat.
Men deed hun 't relaas, de twist werd zo langer zo kwader.
144
145
Menelaus gebood hun van d'oorlogen moed' en mat,
Dat zij t' scheep zouden gaan, en nemen na huis het rechte pad.
Dit mesviel Agamemnon en was hem een afgrijzen,
147
Die woud' 't volk nog houden om Pallas toorn te stillen wat
Met offer van ossen, schapen, van alderlei spijzen.
150
O dwaas, hij verstond niet dat men 's elk niet mocht onderwijzen,
150
Want geens mensen raad Gods voornemen mag verwinnen.
151
De broeders keven, de Prinsen zag men twistig rijzen
Met groot gerucht, elk hield met de zijn', gedeild waren de zinnen.
153
‘'t Was een droevige nacht, elk vreesde in 't herte binnen
155
Voor 't aanstaande verdriet, dat ons de goden bereidden.
's Morgens maakten wij ons ree om de vaart te beginnen.
Men trok de schepen in zee, daar wij ons dingen in leiden.
't Halve volk bleef bij Agamemnon, die wilde niet scheiden,
Maar als der gemeenten harder elks ongeluk voorhoeden.
159
160
D'ander helft gink t'scheep, wij roeiden met snelder naarstigheiden,
Want God slechtte voor ons de schuimende vloeden.
161
[p. 53]
Wij kwamen tot Tenedon, en om thuiswaart te spoeden
Deden wij ons offerand den onsterflijken goden.
Maar Iuppiter, vergramd, schikte ons reis nog niet ten goeden,
165
En bracht ons door een nieuwe twist in groter noden,
Want sommige volgden des wijzen Ulyssis geboden
En zijn weder achterwaarts na Agamemnon gevaren.
Maar ik ben met de schepen die mij volgden gevloden,
Want ik zag dat de goden op ons verbitterd waren;
170
De strijdbare Diomedes vlood mede zulk bezwaren,
Daar hij d'ander gezellen ook toe vermaande;
Ten laatsten kwam Menelaus ook bij ons vergaren,
Die ons vand tot Lesbos een lange reize bestaande.
Daar baden wij God om een teken, onder ons raadslaande,
175
Oft wij door Chium oft door Pysirien zouden trekken
Dat ter zijden lag; oft dat wij door Mimanta voortgaande
Onder Chio ons reize na huiswaart zouden strekken.
Maar God gink ons den weg na Euboea ontdekken
Door 't midden van der zee, om 't ongeluk te ontkomen.
180
Alzo begonst daar een vliegende wind te verwekken;
180
Die dreef ons zeer snellijk door de vissige stromen.
's Nachts hebben wij ons aan 't eiland Gerestum vernomen;
182
Daar offerden wij Neptuno veel gehoornde dieren,
Want wij zo veel wegs gezeild hadden, dat men 's nauw zou dromen.
185
Des vierden daags gink Diomedes zijn schepen ook stieren
Na 't paardrijke Argos in de zoete rivieren;
Ik nam mijn koers na Pilum, daar mij de winden dreven;
Die geleidden mij thuis, door Gods wille goedertieren.
‘Dus en weet ik niet, zoon, van die daar achterbleven
190
Wie dat er dood zijn oft wie daar nog af leven,
190
Dan dat ik hieraf gehoord heb uit anderlui monden.
[p. 54]
Dit wil ik u, zoveel 't geoorloofd is, te kennen geven.
Al de Myrmidones zijn thuis, hoor ik verkonden,
Die onder den zoon van den vromen Achille stonden;
195
Men zeit ook Philocteten Paeantis zoon thuis te wezen;
Idomeneus heeft ook zijn volk tot Eretam gezonden,
Die d'oorlog ontkwamen en van der zee ook zijn genezen.
197
Van Agamemnon hebdi zelfs wel gehoord oft gelezen
198
Hoe hij thuiskwam en werd van Aegisthum deerlijk vermoord.
200
Dees kreeg weer zijn loon van 's Konink's zoon, die dies werdt geprezen.
Zo nut is 't in 't leven te laten der doden geboort,
201
Want hij dien valsen moorder weder in zijn bloed heeft versmoord,
Die zijn waarde vader verradelijk had verslagen.
Ik zie u ook, zoon, vroom, sterk en welgemaakt, zo 't behoort:
Leeft manlijk, opdat ze ook namaals uw lof gewagen.’
205
Telemachus sprak: ‘O glorie der Grieken, t'allen dagen,
Edel Konink Nestor, werdt hem lof gesproken
Van alle vrome Grieken; elk moet dit feit behagen
Dat hij zijns vaders dood zo manlijk heeft gewroken.
Och, waar' 't mij van God gegond, oft waar' mij geen macht ontbroken,
210
Ik hadde lank 't geweld der vrijers te wreken gaan pogen
Die 't mijn verteren, en daarboven veel schamperheids koken.
211
Maar met dees ere willen de goden ons huis niet verhogen,
212
Dus moet ik 's mijns ondanks dulden, lijden en gedogen.’
Hierop werd van den wijzen Nestor rijpelijk gezeid:
215
‘Nu gij daaraf vermaant, vriend, komt mij dit ook voor ogen:
215
Men spreekt dat er een hoop vrijers t' uwen huize leit
[p. 55]
Om uw moeder, die uw goed verteren met onbescheid.
217
Zegt mij, zijdi willig verwonnen, oft mag 't volk u haten,
Het zotte volk, dat enige profetie verbeidt?
220
Wie weet oft uw vader dit nog komt wreken t' uwer baten,
Alleen zijnde, oft met al der Grieken onderzaten?
Want wilde Minerva haar jonst alzo t' uwaarts keren
222
Als zij uw vader minde, dien zij nooit en mocht verlaten,
Maar droeg zijnder zorge en bracht hem tot groter eren
225
Voor Troyen, daar wij Grieken alle vreugd mosten ontberen,
- Nooit zag ik mens zo opentlijk van den goden bemind
226
Als Pallas hem minde, die hem bijstond na zijn begeren -
Wilde zij u zo minnen en bezorgen, mijn lieve kind,
Zij verlieten uw moeder, ende worden haast anders gezind.’
230
Doe sprak de jongelink: ‘O vader, dat valt niet geringen,
230
Ja nemmermeer; 't is te groot, en waar' te zeer voor de wind.
Ik werd' eraf ontzet, want al hoopte ik deze dingen,
't Mag mij niet geschien, al wilden 't de goden ook volbringen.’
Pallas zeide daarop: ‘Zegt, jongelink krank van betrouwen,
234
235
Wat laat gij daar over de wallen uwer tanden springen?
Lichtelijk mag God een man in verre landen behouen.
236
Ik bleef veel liever buitenslands lange in rouwen
Als ik nog eens thuis mochte komen na moeilijk zwerven,
Dan als Agamemnon mijn land eens komen aanschouwen,
240
Die terstond door Aegisthum en zijns wijfs bedrog most sterven.
Maar als 't onmijdelijk geval iemand wil bederven
241
Met zo ellendig een dood, allen vromen mishagelijk,
Al minden hem de goden, hij zal 't niet anders verwerven.’
[p. 56]
‘Laat dat drijven, Mentor, al meert het ons treuren klagelijk,’
245
Sprak Telemachus ‘mijns vaders koomst valt doch tragelijk,
245
Ja nemmermeer; want hij heeft den zwerten dood al geleden.
Nu zoud' ik den Konink wat vragen - waar' 't hem verdragelijk -
Wiens hert van wijsheid overvloeit en van rechtvaardigheden,
Die men zeit in eens derden mensen oudheid nu te treden,
249
250
Wiens eerwaardig gelaat te gelijken is bij den goden. -
250
‘Verklaart mij doch, o Nestor, met uw godlijke reden:
251
Hoe gink 't te werk dat die moorder Agamemnon dorst doden?
Waar was Menelaus? hoe liet hem die in zulke noden?
Als die valse Aegisthus zijn broeder gink vermoorden
255
Was hij buiten lands? Anders had dees schelm dit feit gevloden.
Werd dees bloedhond stout door 't dolen van d'ander zuid oft noorden?’
Hierop antwoordde Nestor met welbedachte woorden:
‘Ik zal 't u ál zeggen, jongelink, zo 't is geschied.
Gij hebbet recht gegist: zo gink 't ook als zij hem versmoorden.
260
Want hadde Menelaus Aegysthum levendig bespied
In zijn broeder's huis, als hij kwam van 't Trojaanse verdriet,
Hem hadde na zijn dood geen begraafnis mogen gebeuren;
Maar men zoude hem gesleipt hebben buiten 't Griekse gebied
Om van vogelen en honden te doen verscheuren;
265
Men hadd' er ook geen Griekse vrouwen over zien treuren,
Want hij heeft een lelijk, schandlijk en godloos feit gewracht.
‘Wij streden voor Troyen, vol onrusts vol strijds vol versteuren;
Hij was ledig thuis, hij vrijde, hij smeekte dag en nacht
268
Agamemnon's wijf, die haar lank voor boosheid heeft gewacht.
270
Dees eerbaar Clitemnestra weerstond hem, want zij had goed verstand.
[p. 57]
Agamemnon had ook een Filosoof gelaten macht
Om zijn wijf te behoeden voor oneer laster en schand.
Maar als 't glas verlopen was, de kaars ten einde verbrand,
En die tijd kwam dat Clitemnestra zou vallen schendelijk,
275
Zo verzeindden zij den Filosoof in een woest eiland
Den beesten tot een roof en verscheuringe ellendelijk.
Aegisthus nam ze te wijf, en voerde ze thuiswaarts behendelijk,
Hij offerde veel beesten en dede d'outaars behangen,
Hij verchierde de beelden met goud en zijde blendelijk,
279
280
Als die wat groots volbracht had, en boven zijn hope ontvangen.
‘Als wij nu van Troyen thuiswaarts zeilden met verlangen,
Menelaus en ik, die eensgezind, ook vrienden waren,
Ende bij Sunium, d'Atheensen hoek, namen ons gangen,
Zo gink Apollo Phronten Oenotoridem bezwaren
284
285
Door zijn doodlijke pijlen, staande aan 't roer om recht te varen
285
Met zijnen Konink Menelaum, wiens schip hij stuurde.
Men wist geen kloeker stierman in stormen en zorglijke baren,
287
Wiens dood zijn heer met treurig toeven bezuurde,
288
Want hij daar een wijle om 't begraven en uitvaart geduurde.
290
Van daar zeilde hij door de diepe zee met goeder hoeden
Bij 't Maliensers-hoofd, daar hij 't gelukkig avontuurde.
291
Maar hier wilde Iupiter zijn reize niet weer spoeden.
292
Die verhief een storm, de wind begost vreeslijk te verwoeden,
De schepen dansten, de koorden floten zeer ijselijk,
295
De zeilen scheurden, als bergen verhieven haar de vloeden;
Hij wraakte verstrooid na Creten door dees tempeest afgrijselijk.
296
Daar ziet men een grote steenroots, ver in zee bewijselijk;
297
('t Land is bewoond van de Iardiners, vol kerken en kluizen),
[p. 58]
Bij dees klip, in 't diepe water voor monstren spijselijk,
300
Stonden de deiningen uit der zee als walvissen huizen;
300
Bij de kleine klippen gink een tocht als van diepe sluizen;
Dees breken de grote baren, de aanwellende stromen,
Wit zijnde van 't vliegende schuim, dat daar op komt bruizen.
Hierop werp haar een dweerlink, 't was er al vol ankstig schromen;
304
305
De schepen kraakten aan sleters, elk heeft een berd genomen
305
Daar hij op zwam, onder duizend dingen die om hem dreven.
Daar werd niet gebergd dan 't volk, dat is te lande gekomen.
D'ander vijf schepen, die nog over waren gebleven,
Wraakten in Aegypten, door wind en water verheven.
309
310
Zo doolde hij met zijn schepen bij volk van vreemder spraken,
Daar hem overvloed van spijs, ook van goude werd gegeven.
‘Hierentussen bestond Aegisthus thuis treurige zaken.
Hij doodde Agamemnon, en gink hem 't land gehoorzaam maken,
313
Daar hij zeven jaar regeerde, door zulk moedig belagen.
314
315
In 't achtste jaar kwam Orestes van Athenen, t'zijnder wraken;
Die heeft zijns vaders moorder weder manlijk verslagen,
Dien valsen Aegisthum, dien de goden wilden plagen.
317
Bij 't graf hield hij een doodmaal t'zijnder eren, ook tot schande
Van zijn haatlijke moeder en Aegistho, zonder klagen.
320
Op dien dag kwam de goede Menelaus te lande
Met zijn schepen beladen vol gaven menigerhande.
‘Maar gij, jongelink, - om niet lang van uw huis te dolen
Uw goeden verlatende, ook mans in uwen warande
323
Die 't uw versluimen, daar de kat de zoet melk is bevolen,
324
325
Die 't goed deilen en buiten, al waar' 't geroofd oft gestolen -
325
[p. 59]
Wildi geen verloren reis doen, zo hoort mijn vermanen:
Reist tot Menelaum; weet iemand wat, hem is niet verholen
327
Van uw lieve vader's komst, want hij komt vers van danen
328
Vanwaar niemand weerkomst zoud' hopen, noch mogelijk wanen,
330
Daar hij versteken was, door stormen zwaar om gedogen,
330
Bij vreemde natiën, in een zee van zo ruimer banen
Dat ze nooit vogel in een jaar heeft overgevlogen,
Zo oneindlijk groot, woest en breed is ze, dit 's ongelogen.
Dus scheept morgen met uw gezelschap zonder beien,
334
335
Oft wildi te land: hier zuldi een wagen nemen mogen
Met mijn paarden, ook zullen mijn zonen u geleien
Tot Menelaum in die Spartaanse kontreien.
Bidt hem dat hij 't al vertel, al kwaam u 't horen tot klacht.
Hij is verstandig en zal van de waarheid niet scheien.’
340
Dit zeggende daalde de zon en week de donkere nacht.
340
Doe sprak Minerva, die had zo lank zwijgende gewacht:
‘Gij hebt hem, vader, in als recht gezeid en wel geboden.
342
Maar deilt nu de tongen, mengt de wijn met een vrolijk gedacht,
343
Offert Neptuno en al d'onsterflijke goden.
345
Laat ons gaan slapen, 't is tijd, het licht is gevloden;
Lank zitten in der goden waarschap is tegens 't betamen.’
346
Zij had volzeid, de dienaars kwamen tot het wassen noden;
Zij volgden 't vermaan van Minerva al te zamen.
De jonge mans deden den wijn in de bekers kramen,
349
350
Zij dronken eerst, daarna deilden zij de tongen,
Die zij opstaande in 't vier wierpen, in der goden namen.
Voorts, als zij al geofferd hadden, ouden en jongen,
En elks zijn lust gedronken hebbende op is gesprongen,
[p. 60]
Zo wilden Pallas en Telemachus weder scheepwaarts keren.
355
Maar Nestor strafte ze en heeft ze te blijven gedwongen,
355
Zeggende: ‘Die schande moet Iuppiter van mij weren,
356
Dat gij zo van hier t'scheep zoudt gaan, en mij onteren,
Recht oft ik een bedelaar waar', arm en berooid,
Die noch spijze in mijn huis hadde, noch deksel noch kleren,
359
360
Noch zachte bedding die mij oft mijn gasten vervrooit.
360
Ik heb schoon kleren en dekens genoeg, die men op vrienden strooit;
Zou 't herde schip dan, o jongelink, uw leger wezen?
U die een zoon zijt van Ulysses? Waarder vriend en kwam mij nooit.
Zo lank als ik leef, en mijn kinderen mij eren en vrezen,
365
Zal men vreemden hier eren; hoeveel meer u, vriend uitgelezen!’
Daarop antwoordde Minerva ter zelver uren:
‘Dat's wel, vriendlijke vader, gij werdt dies nog geprezen.
Herbergt Telemachum dees nacht binnen uwe muren,
't Is hem ook beter dan zonder nood onrust te bezuren.
369
370
Ik moet t' scheep bij ons volk om alle dink te bestellen,
370
Want ik ben d'alderoudste, dus moet ik wat besturen;
371
Zij zijn hem uit jonsten gevolgd, 't zijn jonge gezellen,
372
Die meest haar jaren gelijk met Telemacho tellen;
Dus ga ik na 't schip, om met hun na ons kooien te dalen.
375
Morgen wil ik mijn gang na die Caucamers versnellen
Om mij daar schuld, die nieuw noch klein is, te doen betalen.
Morgen zendt dees jongelink uit uw heerlijke zalen,
Geeft hem uw zoon mee, ook een wagen met snelle paarden.’
Dit was gezeid, zij verdween schielijk als des bliksems stralen
379
380
Daar zij 't alle zagen, dies zij verschrikten en vervaarden.
[p. 61]
Elk was verwonderd, ook Nestor; maar als zij hun bedaarden,
Nam hij Telemachum met der hand en begonst te spreken:
‘Gij werdt snode noch blode, o jongelink van waarden;
383
Nu de goden uw leidslui zijn, wat mag u gebreken?
385
Dit 's geen ander god dan Pallas - ik merk 't aan dit teken -
Die uw vader, boven alle Grieken, veel eren dede. -
Hierom zijt ons jonstig, o Koninginne, hoort mijn smeken:
387
Geeft mij enen goeden naam, mij, mijn wijf en kinderen mede.
Ik zal u een vetten os offeren hier ter stede,
390
Breed van hoofd, onbetemd, die nooit juk aan hals en droeg;
Dees offer ik u met gulden hoornen, hoort doch mijn bede.’
Alzo bad hij, Pallas verhoorde 't, en gaf 's hem genoeg.
Nestor de strand verlatende op wegen na huiswaart sloeg.
Hij trad voor na 't heerlijke hof, men zag 't hem al nawoelen.
395
Als zij in de zale kwamen steld' men elk na zijn gevoeg
395
Bij ordene op rijkelijke banken en stoelen.
Een oude maart schenkte den besten wijn in fioelen
397
Daar in elf jaren nooit drop uit was geschonken,
Zij bracht ze den Konink om zijn dorst te verkoelen;
400
Die offerde 't Pallas en heeft ze ter aarden gezonken.
400
Ook deed hij zijn gebed, uit 's herten vierige vonken,
Aan Minerva, wijs, kuis, ende machtig in wapen.
Als zij al geofferd hadden, gebeden en gedronken,
Zijn ze elks in heur huizen gegaan om te slapen.
405
Maar Nestor geleidde Telemachum, om rust te rapen,
405
In een schoon kamer onder een ruisende gaalderije
406
Op een zacht pluimbed, met den hertoog van ridders en schildknapen
407
[p. 62]
Pysistratum zijn zoon, die leide hij hem aan zijn zije;
Dees was vermaard boven al 's Koninks kinderen ver en bije.
410
Die Konink gink ook te rust in zijn slaapkamer verheven,
Daar hem 't bed van zijn Prinses bereid werd ten zelven tije.
411
Maar als de gouden dageraad de sterren hadde verdreven,
En is Nestor niet langer bij 't bedde gebleven;
Hij kwam voor 't hof zitten, op grote marmeren stenen
415
Wit als spiegels gepolijst, welriekende daarbeneven,
Daar Meleus eertijds op zat ende aan plag te lenen,
416
Een Prinse zo raadwijs dat men hem een god mocht menen,
Maar na zijn dood zat daar Nestor, die de Grieken behoedde,
Dees droeg de scepter, en beschermde de goeden voor wenen.
420
Zijn zoons vergaarden uit haar kamers met gelijken moede:
Echephorum, Stratius, Perseus van edelen bloede,
Atritus ende Thrasymedes in deugden vermaard,
Pisistratus de zeste prins hem daar ook bij spoedde
Beneven Telemachum van godlijker aard.
425
Nestor sprak, als hij ze daar ál zag bijeen vergaard:
‘Lief kinders, volbrengt nu alt'zamen uws vaders zinne.
426
Maakt dat ik terstond offere Pallas, goddinne waard,
Die gister tot ons waarschap van Neptuno kwam uit minne.
428
D'een loop rasselijk om een osse te weiwaarts inne,
430
En beveel de koeiherder terstond de vetste te bringen;
D'ander loop t'scheep, en maak dat ik al 't volk hier vinne
431
Van Telemacho, behalven twee, hoeders zijnder dingen;
De derde haal den goudsmid Laërtium geringen:
433
Die zal 't goud om der ossen hoornen dan spreien;
435
D'ander drie blijven hier om bezorgen, zonderlingen
435
Dat de maarten een heerlijke waarschap bereien.
[p. 63]
Laatzestoelen brengen, hout, schoon water, ende groene meien.’
Dit sprak hij; elk dede 't zijn, d'os werd daar terstond gebrocht,
De gezellen kwamen uit den schepen, zonder beien,
440
De goudsmid kwam met al zijn gereedschap wel bedocht,
440
Hij bracht aambeeld, tang' en hamer, daar hij 't goud mee wrocht.
Pallas zelve kwam ook gonstig tot naarder feesten.
442
Nestor heeft den goudsmid het goud uit der kisten gezocht;
Die verguldde de hoornen van 't vetste in 's Koninks beesten,
444
445
Opdat het Pallas aanschouwen mocht met blijder geesten;
Stratius met Echephron hebben d'os bij de hoornen geleed,
446
Aristus bracht uit de slaapkamer voor minst' en meesten
447
't Handwater, in een gulden watervat om wassen gereed,
D'ander hand droeg 't meel, besloten in een korfken secreet.
450
De strijdbare Trasimedes had een scharpe bijl in de hand
Staande om slaan gereed bij 't beest, daar hij hem wel aan kweet;
Perseus hield het bekken, maar Nestor grauw van verstand
Nam water met meel, ende biddende Pallas in 't herte geplant
453
Werp hij de tophaarkens van den os in den brande gloedig.
454
455
Nadat hij gebeden had, en 't gezouten meel verbrand,
Verhief de strijdbare Trasymedes zijn bijle spoedig,
En sloeg den os in zijn nek, door al de zenuwen bloedig;
Die stortte ter aarden, want hem zijn krachten bezweken.
Des Koninks dochters en snaren weenden mismoedig,
459
460
Ook Euridice zijn huisvrouwe, ooit kuis gebleken,
460
Uit meedogen van 't beest, tot een goedertieren teken.
461
Haar zonen keerden d'os, en gingen de benen bijeenknopen.
De strijdbare Pysistratus heeft hem den strot afgesteken,
[p. 64]
Ende 't zwerte bloed daar reutelende uit doen lopen.
465
Als de bevende ziel door 't geronnen gat was gedropen,
Ook mede het rokende bloed in 't bekken ontvangen,
Zo deilden ze de os, zijn benen begonsten te stropen,
En sneden 't vlees aan stukken en hebben 't met vet behangen;
Daarop leiden zij de benen, beroofd van haar gangen.
469
470
't Vlees beefde aan de speten, die Nestor ook zelfs gink keren,
Daar hij de zwerte wijn offerde met groot verlangen.
Vijf jongelingen draaiden de speten, tot haarder eren,
Andere deden 't gebeent in 't krakende vier verteren,
Andere sneden 't vlees, en staken 't aan 't spit nog trekkende:
475
Elk wendde die vette speten lustig met begeren.
Hierentussen, dat hem elk tot zijn werk was strekkende,
476
Kwam 's Koninks jonkste dochter Telemachum verwekkende
477
Hem in de stove te baden, dit was Policaste schone.
478
Daar wies hij af al dat hem was bevlekkende;
480
Zij bracht welriekende olie voor zijn persone
Daarmee hij hem bestreek, zo hij wel was gewone.
Doe gink hij zijn klederen weder om hem slaan,
En is zo, als een van den kinderen uit 's hemels trone,
Bij Nestor den herder der mensen zitten gegaan.
485
Al 't vlees was genoeg ende natuurlijk gebraân,
485
Zij begonsten te eten, men schenkt' er den wijn in schalen.
Als elk nu zijn honger en dorst te vollen had voldaan,
Sprak de zorgvuldige Nestor met vriendelijker talen:
‘Kinderen, gaat nu mijn aldersnelste paarden halen,
490
Zo volbrengt Telemachus zijn reis, spant ze in de wagen.’
Elk liep fluks heen; d'een haalde tomen, d'ander de zâlen,
491
[p. 65]
Terstond waren de paarden in 't touwe geslagen.
De spijswaarderse kwam haar wijn, brood ende spijzen dragen
493
Zo de Koningen, van God gespijsd, te eten plegen.
495
Telemachus klam eerst op, en zat na zijn behagen;
Bezijden hem is de Prinse Pysistratus gestegen,
Dees nam den toom in der hand, zij sloegen op wegen:
497
Hij dreigde de paarden, die zijn als herten gevlogen
Te veldewaarts in, 't hoofd neerwaarts tot lopen genegen,
500
Zij lieten de stad, die draaide achterwaarts uit den ogen.
't Gareel schuddende hebben ze den gantsen dag getogen:
501
De weg liep door de wagen, die schuim van den paarden,
De zon onder 't aardrijk, en de schaduw kwam haar vertogen.
503
Alzo kwamen zij te Pheras met snelder vaarden
505
Tot Diocles, die ze ontving in groter waarden,
505
Orchilochus' zone die van Alpheo was geboren.
Die trakteerd' ze die nacht zo dat m' er geen kosten spaarden.
Maar als de roosverwige dageraad den nacht gink schoren
508
Spanden zij de paarden, zaten op, en reden als voren.
510
De zweep werd geroerd, dies de beesten willig voorwaarts sprongen.
Zij rolden deur vruchtbaar landen, door gras door koren,
En spoedden fluks weg, de paarden liepen onbedwongen;
De zon daalde, de zwarte nacht kwam op gedrongen.
EINDE VAN 'T DERDE BOEK ODYSSEAE HOMERI
*
hun lot
6
met ... waarden
met veel eerbewijzen
7
wel bedegen
mooi uitgegroeid
8
hun ... paarden
zich bijeen voegden
9
sloeg
slachtte;
der verchierde verren
van die versierde stieren
10
brasten
smulden van;
plegen
placht
12
nedergezegen
neergelaten
16
schaamschoe
de schoen der schaamte
17
overgestreken
overgestoken
19
straks
dadelijk
21
niet wijder
niet verder (dan de waarheid)
22
werdt
wordt;
een verblijder
verblijd
24
vrome
dappere
25
onbezocht
onervaren
27
verkoren
bemind
28
haast
al gauw
29
koomt ... voren
schiet te binnen
30
jonstig
welgevallig
32
nasporen
op zijn schreden volgen
36
keerde 't
draaide 't (aan 't spit), dus: braadde 't
42
halp
hielp
44
nomen
bij zijn naam noemen
45
(
't Was ... zalen
) Fout vertaald naar de Latijnse vertaling: filiam Iovis a capra nutriti
47
waarschap
feestmaal
49
ze
de wijn;
paait
bevredigt
50
mogen
kunnen
56
begeerlijk
vurig
57
doet verbreden
verbreidt
60
eerlijk ... waardigheden
geëerd, zoals ze dit waardig zijn
63
te ... vergaan
naar onze zin volbracht zijn
66
d'edele traan
't edele vocht
74
wanen
waarvandaan
79
vroomheid
moed
80
en ... mellen
en naar wat Nestor zou meedelen (melden)
81
glorie ... verheven
verheven glorie der Grieken
83
roert
betreft
gemene zaken
zaken von algemeen belang
89
mijns ... dood
van mijn vaders dood
91
heelt
verbergt;
weer
of
95
zelfs
zelf;
doorzichtige
scherpziende
97
verbergt ...niet
verberg of verbloem niets
99
jonst
vriendendienst
104
gedoogd
geleden
109
worden
werden
112
onspoedig
rampzalig
113
dat ... wijken
‘dat men hem daarin voor geen ridder zag onderd