[p. 66]
Het vierde boek
Odysseae Homeri
*
Inhoud
:
Menelaus ontvangt Pisistratum, Telemachum mede;
Dees vertelt hem wat in Ithaca van den vrijers geschiedt
.
Menelaus meldt weer der Grieken weerkomst, ook de zede
*
Van Protheo, door wiens profetie hij wist in waarhede
Agamemnon's dood
;
ook hoe Ulysses bleef in zwaar verdriet
Bij Calipso, die hem geenszins thuiswaarts trekken en liet
.
De vrijers houden raad om Telemachum te doden
.
Pallas troost Penelope, die zij voor haar zuster aanziet
In een droom, als zij treurt om haar zoon, die van haar was gevloden
.
R
ECHT als zij tot Spartam kwamen onder hun beiden
In 't hof van Konink Menelao heerlijk verheven,
Vonden zij hem bruiloften voor zijn burgers bereiden
Van een zoon ende dochter, die een eerbaar leven leidden
5
In 't koninklijke huis, onschuldig boven schreven.
5
Zijn dochter zoud' hij des vromen Achilles' zone geven,
Met wien hij voor Troyen dit huwelijk had gesloten,
'tWerd door de goden eerst gemaakt, nu door hem voortgedreven.
8
[p. 67]
Hij schikt' ze met wagen, met paarden en met speelgenoten
9
10
Tot Mirmidonium, daar Pirrhus, van Achilles gesproten,
Als Prinse over 't gehele landschap regeerde.
Zijn zoon gaf hij Alectoris dochter om zijn vergroten
12
Tot Sparta, daar hem de moeder in zijn oudheid mee eerde,
't Was de vrome Megapentis, de wel-begeerde,
15
Gewonnen bij een slavinne, als Helena niet meer teelde,
Nadat ze 't geslacht met zijn dochter Hermio vermeerde,
Zo schoon en vriendelijk, dat het een Venus geleek, een beelde.
Alzo was 's Koninks hof vol waarschappen en vol weelde,
18
't Was er al vol vreugden onder burgers en geburen:
20
De speelman zank in de harp, daar hij konstelijk op speelde;
Twee dansers dansten, die haar spronk op 't geluid konden sturen.
Hier kwamen voor 't hof met wagen en paard ter zelver uren
De Prins Telemachus ende Pysistratus gevaren.
Dit zag Eteoneus van die hoge muren,
25
Een naarstig dienaar; die gink doe den Konink verklaren,
Den Herder des volks, dat er vreemde gasten waren:
‘Daar zijn twee mannen, die schijnen van godlijken geslachte,
Beveelt, o Konink, dat wij heur paarden in 't stal bij d'onz' vergaren,
Oft zenden wij die elders te logeren dees nachte.’
30
Menelaus verzuchtende sprak met droeven gedachte:
‘Voormaals hebdi, Eteoneë, wel bet geweten;
31
Nu zegdi als een kind, kindselijk. Betaamt dat mijnen machte?
Wij hebben voorwaar thuiskomende dikwijls gezeten
Aan ander luider tafel, en heur spijzen gegeten;
35
Bezochte nood maakt mij mild in der behoeftiger zaken.
35
[p. 68]
Of 't God ook eens beliefde 't eind van ons jammer te meten! -
36
Slaat de paarden uit, brengt heur binnen om goed chier te maken.’
37
Terstond liep hij heen, en riep ander knechts met snelder spraken,
Die hij op te staan en hem ras te volgen beval.
40
Zij losten de paarden, die zwetig in de garelen staken,
En bonden die bij 's Koninks paarden aan de krebbe in 't stal,
Zij gaven ze grove witte garst met de haver smal,
En stelden de wagen onder 't dak in 't droge.
De jongelingen brachten ze op 't hof vol vrolijk geschal.
45
Daar was 't zo heerlijk dat het wonder scheen in 't oge;
Het blinkte als de glants van zon en maan in 't hoge,
In zalen, kameren, ende in de gehele woning. -
Haar ogen waren verzaad, de knecht bracht ze bij gedoge
48
In 't stove om baden; zij wiesen, 't was hun een verschoning,
49
50
De maagden brachten olie, elk dee tot dienst vertoning;
50
Men kleedd' ze met bont en zijd', dat zij hun al toelieten.
Doe steld' men ze in prinselijke stoelen bij den Koning.
Een jonkvrouw kwam uit een gulden lampet rooswater gieten,
Op een zilveren bekken zag men 't kristallijnig vlieten,
55
Zij wiesen hun handen; daar werd een schoon tafel gedekt,
De spijswaarderse bracht gerechten lustig om genieten,
56
De kok rechte spijs, die zatte magen tot honger verwekt,
De wijn werd van den boutellier in een gouden beker gelekt.
58
Menelaus, zijn rechterhand biedende, heeft heur gezeid:
[p. 69]
60
‘Eet, drinkt en weest vrolijk, daarna mij doch vertrekt
Verzaad zijnde, wie gij zijt, ook uw geslacht met goed bescheid.
61
Gij schijnt van koninklijk bloed, gevoed door de godlijkheid,
62
Geen slechte luiden en mogen uw ouders wezen.’
63
Doe heeft hij heur de rugge van een vetten os voorgeleid
65
Lekker gebraden, 't welk t'zijnder eren was uitgelezen.
Zij grepen 't aan en hebben 't met hertig eten geprezen,
66
Totdat hun de lust na spijs en drank heel was vergaan.
Doe bukte Telemachus en sprak stillekens, uit vrezen
Van ander's oren, tot Nestor's zone zijn trouwe kompaan:
69
70
‘Aldervriendelijkste Pisistrate, ziet doch eens aan
Hoe alle dingen hier van zilver en goude blinken.
Ik denk dat het in Iupiter's hof dus te werk zal gaan.
72
't Schijnt hier ook een hemel, hoort al 't huis van snaarspel klinken!
't Is hier alzo vol, 'k en kan 't verwonderd niet voldinken.’
75
Dit verstond Menelaus - 't kwam zacht in zijn oren strijken -
Die sprak: ‘Lieve kinders, laat zulke redenen zinken.
Men behoort geen sterflijk mense bij Gode te gelijken,
Want heilig en goed zijn diens eeuwige rijken.
78
Nochtans zoud' ik geen mensen, hoe rijk op aardrijk beneden,
80
In heerlijke huizinge oft rijkdom willen wijken;
Want ik hebbe al dolende veel ter zee geleden,
In 't achste jaar kwam ik in de Ciperse steden,
In Phenicen, in Aegypten, in Aethiopen,
[p. 70]
Ik doolde ook bij de Sidoniërs vreemd van zeden,
85
In Erembo, in Libiën, daar lammerkens met hopen
Gehorend ter wereld komen, terstond als zij lopen,
Daar elk schaap driemaal lamt eer de zon komt in den were;
87
De herders noch heren en behoeven daar niet te kopen
Vlees, kaas, noch zoet melk, zij hebben 's tot heuren begere:
90
De schapen geven 's een heel jaar genoeg voor herder en here.
Hier doolde ik en zocht spijs om eens thuis te komen.
Daarentussen werd mijn broeder vermoord, die ik nu ontbere,
Door 't valse bedrog van zijn snode wijf, waard om verdomen.
Dus bezit ik dees rijkdommen niet vrolijk t' mijnder vromen,
94
95
Al schijnt mijn hof vol vreugden, het heeft ook zijn kruis;
Leven uw ouders, zo hebdi dit van heur wel vernomen.
Ik heb veel geleden, ik verloor een welbewoond huis
Vol van alderlei goeden, vol chierlijkheiden kuis.
98
Och mocht ik nu het derde paart daaraf maar bewonen,
99
100
En dat de mannen voor Troyen gebleven in 't oorlogsgedruis
Gezond thuis waren bij haar wijfs, dochters ende zonen!
Dikwijls zit ik thuis en beween die heerlijke personen,
Ja ik heb somtijds uit mijn treuren luste geschapen;
Dan rust ik weer, want kort is de lust die 't verdriet mag tonen.
104
105
‘Maar bovenal doet er mij één treuren, kloek en vroom ter wapen,
105
Wiens gedenken mijn honger verdrijft, en beneemt mijn slapen:
Dat's Ulysses, die meer dan wij alle heeft moeten lijden.
Hij zal d'r nog ere, maar ik eeuwig verdriet uit rapen
108
Om zijnen wille, want wij missen hem lange tijden,
110
Men hoort van zijn leven noch dood aan genen zijden.
[p. 71]
Thuis bewenen hem treurig met twijfellijk wanen
111
Zijn vader, zijn wijf, zijn zoon: die mogen haar niet verblijden.’
Des jongelinks hert brandde, den wasem gaf tranen
In zijn klaaglijke ogen om zijns vaders vermanen;
114
115
Gedistilleerd door 't vier der liefden stortten die op d'aarde.
Hij dekte d'ogen met zijn kleed, dat nam hij niet van danen;
116
Daaronder weend' hij zo deerlijk dat het den Konink bezwaarde,
Dies hij twijfelde oft beste waar' dat hij 's hem voorts verklaarde
118
Dan oft hij zoude vragen en den jongelink doen spreken.
120
Dus stond hij in gepeins, maar eer hij zijn zin openbaarde,
120
Kwam Helena uit de koninklijke slaapkamer gestreken
121
Waard om bij Diana met den gouden boog te zijn geleken.
Van Adestra werd haar een chierlijke stoele gezet,
Alcippe droeg een schone tapijt, een zijden deken,
124
125
Phylo bracht een schale om offeren van zilver net,
Die haar was gegeven van Alcandre in een banket.
Dit was Polibius' huisvrouw, die tot Thebis woont,
Wiens huis overvloeide van goeden rein onbesmet.
128
Dees gaf Menelao twee zilveren bekkens, en heeft betoond
130
Nog groter mildheid met twee potten die men niet en verschoont,
130
Ook hierenboven tien talenten gouds, uit goeder minnen.
Nog schenkte hij Helena, de Koninginne gekroond,
Een gouden spinrokken, daar zij aan zoude spinnen,
Ook een zilveren korfken gemaakt door kloeke zinnen
134
135
Met vergulden boorden konstig ende rijkelijk.
[p. 72]
Dit stelde Phylo een jonkvrouw voor haar, daar lag binnen
Gouddraad, zijde, ende al haar naaisel gelijkelijk,
Zij stelde daar ook den spinrokken zeer praktijkelijk
138
Die haar met purpuren wolle drijvende uitspreidde.
139
140
Helena gink zitten, een schabel stond onbezwijkelijk
140
Onder haar voeten, daar zij niet lank na en beidde
Oft zij vraagde 't haar man alt'zamen ende zeide:
‘Zegt mij doch Heer, wie zijn dees? waan komen ze? uit wat wijken?
143
Is 't recht, 'k en weet 's niet; maar mij dunkt met goeden bescheide
144
145
Dat ik nooit vrouw oft man ooit mens zo wel zag gelijken,
Als dees jongelink Ulysses' zoon gelijkt vol praktijken -
146
Telemachum mein ik, die hij liet bij zijn voormonderen
147
Nog jonk zijnde thuis, als hij met d'ander Grieken gink strijken
148
Door mijnen willen voor Troyen, om dat te plonderen. -
149
150
Hij gelijkt hem zozeer dat het mij doet verwonderen.’
De Konink sprak: ‘Wijf, nu gij 't zegt, zie ik 't voor mijnen ogen.
Hij gelijkt hem van hand en voet, van boven van onderen.
Ik sprak schier van Ulysse, wat hij door mij most gedogen:
153
Dit gink ik den jongelink treuriglijk vertogen.
155
Die weende bitterlijk en scheen in tranen te baden,
Die hij met den scharlakens mantel af heeft gedwogen.’
156
Hierop zeide Pysistratus de Prins vroom van daden:
157
[p. 73]
‘Gij hebbet, mogende Konink, te rechte geraden:
't Is Ulyssis zoon die gij meent met uwe devijzen.
159
160
Hij weet bet, dan hij voor Uwe Koninklijke Genaden
160
In 't eerste aankomen hem zelfs zou verheffen oft rijzen;
161
Wij kennen hem, en mogen zijn welsprekendheid prijzen.
Mijn vader Nestor heeft mij, hem tot gezel, hier gezonden
Aan u, oft gij hem met raad oft daad weet te onderwijzen
165
In zijn begeerte. Hij treurt tot allen stonden
164-165
Om zijn verloren vader, want zijn huis werdt verslonden.
Zijn vader derft hij, niemand wil zijn verdrukkers verjagen.’
‘O wat waarder vriends zoon heb ik in mijn huis gevonden’
Riep Menelaus ‘'k en had geen getrouwer van mijn dagen.
170
Hoe menig zorglijke kamp heeft hij voor mij geslagen!
170
Hem wens ik, vóór al de Grieken, eens thuis t'aanschouwen.
Hadden wij t'zamen thuis mogen komen na ons behagen,
Hij waar' hier gekomen uit de Ithaakse landouwen:
Met wijf, met kind, met kist, met bed, met mannen en vrouwen
175
Om hier te wonen dacht hij zijn stad te verlaten.
Ik meinde hem in Argos een stad en paleis te bouwen
176
Of hem een te doen kiezen, de heerlijkst van huizen en straten;
Hij zoude heer zijn over de mijn', ik van zijn onderzaten,
Wij dachten 's al gemeen te hebben klein ende groot,
180
En gelijk met vreugden te genieten t'onzer baten,
Totdat ons gemeinschap gedeild werd door de gemene dood.
181
Maar dit heeft God niet gewild; die houdt hem ellendig in nood,
En wil hem alleen de begeerlijke weerkomst niet verlenen.’
[p. 74]
Het deerde hun allen, 't verdriet de natte ogen ontsloot,
185
De hoofden hingen, men zag ze al droeflijk wenen,
De schone Helena schreide met zuchten en stenen,
Ook Menelaus en Telemachus, dien 't hert woud' scheuren,
Pysistrato ontzegen ook tranen, die paarlen schenen,
Zijns broeders Antilochi dood deed hem bitterlijk treuren,
190
Die door den vromen Mennon kwam in doods doleuren.
190
Dit viel hem nu in, dies sprak hij met woorden klachtig:
‘'t Hoogste lof van wijsheid mag U, o Konink, gebeuren,
192
Als die oude Nestor, mijn vader, uwer werdt gedachtig
Binnen onzen huize, daar wij dik spreken eendrachtig;
194
195
Daarom zuldi, na uw wijsheid, mijn reden verbeien.
195
Na den avondmaal lust mij geen schreiens, dit's waarachtig,
Maar in den dageraad wil ik wel deerlijk beschreien
De mannen die vromelijk van hier zijn verscheien,
Want dit's den ellendigen mensen heur enige ere:
200
't Haar te scheren, en tranen over de wangen te spreien.
Mijn broeder is ook dood, de slechste niet van 't Griekse here;
Dit weet gij bat dan ik, die hem zo treurig ontbere.
Ik zag hem daar nooit; men zeit hij gink andren te boven
In snel lopen, ook in vroom strijden met allen gewere.’
204
205
‘Gij spreekt reden, lief zoon, die men in grijsaards zou loven’
Sprak Menelaus ‘zulk een vaders kind werdt niet verschoven,
206
Maar moet edel werden, vroom, ende in deugden vermaard;
Dien wijsheid, macht en eer gebeurt, uit de hemelse hoven,
208
Als hij een wijf neemt, ja als hem zijn moeder eerst baart
210
- Zo Iupiter betoond heeft aan Nestor uw vader bedaard,
[p. 75]
Die zoetelijk oud werdt en rust binnen zijnen daken,
211
Daar hij zijn vroede, ook strijdbaarste zoons om hem ziet vergaard. -
Maar laat ons het wenen verlaten, de tafels genaken,
De zorgen afwassen, en den zin wat vermaken.
214
215
Komt, gaan wij zitten; morgen, als haar de zon zal verheven
215
Wil ik met Telemacho spreken van alle zijn zaken.’
Zij gingen zittten, de dienaar heeft handwater gegeven;
Men sloeg hand aan de spijs, elk at dat hem stond beneven.
Daar bedocht de schone Helena, van Iupiter geboren,
220
Dat zij de wijn confijten zou, om vrolijker te leven:
220
Dan verdrijft ze leed, kan gramschap en druk versmoren.
221
Wie van die gemengde wijn drinkt mag hem niet verstoren,
Noch en kan zo een gantsen dag niet wenen klagelijk;
Al hadde hij ook zijn moeder ende vader verloren,
225
Ja al zaag' hij zijn broeder oft waarde kind behagelijk
225
Voor zijn ogen vermoorden - nog viel 't hem verdragelijk.
Zulk een nutten medecijn hield zij bij haar als nood'lijk,
227
Die haar geschonken was om te gebruiken dagelijk
Van Polidama Iupiter's wijf, die minde ze grotelijk.
230
- In Egypten daar wast veel medecijns blotelijk,
230
Veel geneselijke kruiden, ook vele die krenken,
231
Enige zijn gemengd, maar sommige heel dood'lijk.
Daar zijn ook geleerde medecijns konstig van zwenken
233
Van Paeönis geslacht, die konnen tot als raad bedenken. -
234
235
Maar als Helena dat in den wijn hadde doen mingen
[p. 76]
Ende den dienaren bevolen die in te schenken,
Sprak zij: ‘Mijn Heer Menelaë, en gij jongelingen,
Alzo geeft ons God somtijds goede, somtijds kwade dingen,
Die vermag 't alleen al, altijd ende aan allen zijen.
240
Laat zorge varen, wilt malkanderen een baksken uitbringen,
240
Verheugt u, laat ons met vrolijke reden verblijen.
241
Ik zal u voorgaan, en vertellen van d'eerste tijen
Bij goeder ordene - nochtans kan ik 's al niet verhalen -:
243
Hoe dikmaals die lijdzaam' Ulysses heeft moeten strijen,
245
Maar hoe kloekelijk hij 's gedaan heeft zal ik u vertalen,
245
- Hij leed veel, ook d'ander Grieken in de Trojaanse palen -.
‘Ulysses gink hemzelven zeer deerlijk wonden,
En nam verscheurde klederen als een slave vol kwalen:
In schijn van een bedelaar met sleters verbonden,
249
250
Die in 't Griekse heer bedelde t' alder stonden,
Zo kwam hij binnen Troyen al zijn vijanden omtrent.
251
Hij gink 't al bespien, om zulks in 't leger te verkonden;
252
Niemand docht op hem, maar ik heb hem terstond gekend;
253
Ik sprak hem aan, hij hevet looslijk van hem gewend,
254
255
Nochtans wies ik hem, en zalfde zijn smertig bezwaren.
255
Daar zwoer ik hem te zwijgen, totdat hij waar' in zijn tent
Veilig en zeker onder de Griekse scharen.
Na dien eed gink hij 't mij ten laatsten openbaren. -
‘Hij gink weg, en zand veel Trojanen bloedig ter hellen;
259
260
Daar wracht hij grote moord, men zag hem niemand sparen;
Zo kwam die onversaagde verwinner bij zijn gezellen.
‘Doe hoord' ik de Trojaanse vrouwen haar zelven kwellen
[p. 77]
Met wenen, klagen, roepen ende jammerlijk gedruis.
Maar ik was blij in mijn herte, al dorst ik 's niet mellen,
264
265
Want mijn verlangen ende hope strekte na huis.
Ik betreurde het leed, ontvangen door Venus' abuis,
266
Die mij daar gebrocht hadde, ver van mijns vaders land,
Van mijn enige kind, mijn lieve dochter kuis,
Van mijn waarde man, rijk, schoon, en edel van verstand.’
270
‘Dat 's al recht gezeid, lief wijf,’ sprak Menelaus te hand.
270
‘Ik heb ook veel heerlijke mannen gekend en bezocht,
Die verstandig waren, ook onversaagd tegens haar vijand;
Maar nooit zag ik lozer noch vromer op enige tocht
Dan die stoutmoedige Ulysses wijslijk bedocht.
274
275
Dat zag men best als wij ál in 't paard zaten verborgen,
Wij Prinsen der Grieken die men binnen Troyen brocht
Om de stad te branden en d'inwoonders te verworgen.
Gij kwaamt daar ook, wijf, t'onzen perijkel op die morgen,
Gepord door enig Trojaans god tot zulk vermeten.
279
280
Deïphebus volgde u, het bracht ons al in zorgen,
Want gij bezaagt en tastte driemaal de hole spleten,
Gij noemde al ons namen zo wij waren geheten,
Conterfeitende de stemmen van ons alder vrouwen.
283
Diomedes, Ulysses en ik bijeen gezeten
285
Kenden uw stemme wel, maar Ulysses woud' 's niet betrouwen.
285
Als hij ons beide gereed zag, zo wij uitgaan zouen
Ende wij begeerlijk bij u te komen spoorden,
287
Doe verbood hij 't wijslijk ende heeft ons binnen gehouen,
Zodat de Trojanen niemands stemme en hoorden.
290
Doe bestond Anticlus alleen met weerklinkende woorden
[p. 78]
Tot u te spreken; maar Ulysses hiel' de hand voor zijn mond,
En dwang hem tot zwijgen met vuisten die de stem versmoorden:
Zo behield zijn wijsheid de fleur van den Grieken gezond
Die in dood's ankste lagen, totdat Pallas met een vond
294
295
U allen van 't hoge verderflijke paard gink leien.’
‘'t Was zorgelijk, o Konink’ sprak Telemachus terstond.
296
‘Maar al most uw dood door zijn kloekheid nog langer beien,
297
Hij konst daarna haar bitterheid van hem niet scheien,
298
Al hadde hij een stalen hert gehad tot zijn wapen.
300
Maar wij zijn vermoeid, dus doet doch ons bedding bereien,
Zo mogen wij ons rusten, ende zoetelijk slapen.’
Doe beval Helena haar maarten ende knapen,
302
Dat zij onder de gaalderij een bedde zouden dekken
303
Met purpure dekens van 't zachste en fijnste der schapen,
305
Ook de kamer met zijden tapijten overstrekken.
Zij gingen met toortsen in de hand ter zelver plekken
De kamer bereiden, daar hem de hofmeester in bracht.
307
Daar sliepen de twee jongelingen zonder iemands wekken
Gemaklijk en zorgeloos: dit maakte een korte nacht.
310
Menelaus gink mede slapen op zijn beddeken zacht,
In de koninklijke kamer, met zijn schone wijf.
***
Als de schaduw week voor des blinkende dageraads macht
En maakte Menelaus op 't bed geen langer geblijf.
Hij kleedde hem, en hink zijn scherp snedig zwaard op 't lijf,
315
Ook band hij chierlijke zolen aan zijn zachte voeten;
[p. 79]
Zo trad hij uit zijn slaapkamer als een god in 't bedrijf.
Daar vand hij de jonge Prinsen, die hem waardiglijk groetten.
317
Hij zat bij Telemachum, en sprak, om druks verzoeten:
318
‘Zegt jongelink, wat port u over zee herwaarts te komen?
319
320
Wildi iet van mij? spreekt vrij; mag ik, uw leed zal ik boeten.’
320
‘Ik koom, o mogende heer, over de zorglijke stromen,
321
Om horen oft gij iet van mijn vader hebt vernomen.
Mijn huis verderft, al mijn bouwerije vergaat;
323
Mijn hof is vol vijandlijke vrijers die zonder schromen
325
Mijn vette ossen en schapen verslinden vroeg en laat.
Zij beminnen mijn moeder, die heur hovaardigheid haat.
Nu koom ik u bidden dat gij mij wilt doen bevroeden
327
Van mijns vaders wrede dood, oft zijn ellendige staat,
Dat gij zelfs zaagt, oft door horen zeggen kont vermoeden;
330
Hij is onzalig geboren vol tegenspoeden.
Schroomt doch niet, noch paait mij uit meedogen niet met smeken,
331
Maar zegt mij de waarheid, ik neem 't van u ál ten goeden.
332
Dit bid ik: indien u mijn vader ooit vriend is gebleken,
Oft is hij u nooit van zijn beloften ontweken
334
335
Voor Troyen, daar gij veel met malkanderen hebt geleden:
Zo zegt mij dat gij weet, maar wilt doch de waarheid spreken.’
Menelaus zuchtte, en sprak met treurige reden:
‘Helaas, in wat vromer mans slaapkamer willen zij treden
Om op 't hoge bed te slapen, zij die sno zijn en teder!
339
[p. 80]
340
Gelijk een hinde, die haar nest komt verspreden
In eens leeuwen spelonk, daar zij haar kalfkens leit neder,
Die zij zuigt en verlaat ze dan al likkende weder,
Om over berg over dal in de bossen te grazen;
Dan komt de stoute leeuw in zijn oude hol gereder
344
345
Dan zij 't waanden: die begint te briesen en te razen;
Hij bespringt dees hindekalfs en begint daaraf te azen,
346
Hij scheurt ze met de klauwen en kraakt ze met tanden verwoedig;
Haar leden beven in zijn kaken, zijn neusgaten blazen
Den roden schuim uit; borst, baard en klauwen bruisen bloedig;
349
350
't Verslinden vermoeit hem, de prooi verzaadt hem overvloedig;
Hij lekt zijn granen, (de rest leit voor hem nog ongekloven)
351
Ende aanschouwt zijn daad met toorniger herten moedig -
352
‘Alzo zoude Ulysses dees' vrijers 't leven beroven,
Kwaam hij eens thuis - o gaven 't de goden van boven! -
355
En hij dan nog zo sterk waar' zo hij was ten tijden
Als men hem in Lesbos worstelende zag bestrijden
Den sterken Philomelidem, dien hij wierp ter aarden
Daar alle de Grieken met verwondering verblijdden -
Kwaam hij zo nog bij de vrijers, (dat hem de goden spaarden!)
360
Hij leerd' ze zijn huisvrouw vrijen, met bloedige zwaarden!
‘Maar dat gij vraagt, zal ik u zeggen als 't is, onverholen,
Zo mij een oud zeeman zeide, daar wij bij vergaarden,
Als de goden ons nog in Egypten lieten dolen
Omdat ik mij haar met geen offerand hadde bevolen -
364
365
Want de goden van ons geëerd willen zijn, zo 't betaamt.
‘Daar leit een eiland in zee verborgen en gescholen
Benevens Egypten, dat Pharum is genaamd.
[p. 81]
Zo wijd van daar, als men een helen dag zeilens raamt
Met een ruisende stoker vóór wind vóór wage,
369
370
Is een haven, die dik in storm veel schepen verzaamt,
370
Bekwaam om in en uit te zeilen t'elken vlage.
371
Hier pompten wij 't zwerte water uit, wij kregen een plage
372
Die geen weg doet vorderen, 't werd stil en in-de-wind.
373
Daar wachtten wij twintig etmaal, bij nacht en bij dage,
375
Na 't waaien; totdat de spijze meest was verslind
375
Van 't scheepsvolk: haar krachten verdwenen, een man scheen een kind.
376
Had mijns geen goddinne ontbermd, wij waren d'r gebleven.
Dit was Proteus' dochter, gonstig tot mijwaarts gezind,
De trouwe Idothea: die baatte ons 't leven.
379
380
Zij vand mij alleen gaande, en kwam mij beneven
380
Als mijn volk om 't eiland doolden om vissen te vangen.
- Want nood zoekt brood, de honger had hun daartoe gedreven -
Dees bleef bij mij staan, en sprak met lieflijke wangen:
‘Zijdi dwaas vriend? vertoefdi al willens uw gangen?
384
385
Oft is 't uit dwank, en verlustigt gij in uw rouwe?
Zo lange gij hier blijft, zuldi vergeefs na huis verlangen;
Uw land komt hier niet, en den moed begeeft uw volk getrouwe.’
‘Zij zweeg, doe sprak ik: ‘Gelooft vrij o waarde vrouwe,
Oft wie gij anders zijt van den goddinnen geprezen,
390
Dat ik dit eiland niet willig dus lange en aanschouwe;
Maar ik mag enig god vergramd hebben: dit 's mijn vrezen.
Zegt mij doch - want den goden mag niet verborgen wezen -:
[p. 82]
Wat god mag 't zijn, die mij hindert vanhier te varen
Om eens thuis te komen en van mijn druk te genezen?’
394
395
‘Doe zei die goddinne: ‘Ik zal u de waarheid verklaren.
Hier woont Neptunus' stadhouder over de baren,
396
Die kent vloeden, stromen, diepten en gronden:
Dit 's d'Egiptse Proteus, die elk voor lange jaren
Als een profeet zijn spoed oft onspoed kan vermonden;
399
400
Een oud zeeman is 't, ook mijn vader na elks verkonden.
Konst gij hem eens zo listelijke lagen stellen,
Dat gij hem vingt, en hieldt hem dan vast gebonden
Totdat hij u middel om thuiskomen wilde vertellen -
Ja hij zou 't u zeggen, wilde gij hem daarom kwellen
405
Wat u, uit zijnde, goeds of kwaads binnenshuis is geschied.’
405
‘Maar gij zoudt mij o goddinne meteen vertellen
406
Die lagen te leggen, opdat hij ze niet en ontvliedt.
Zwaar is 't den mensen een god te dwingen die 't al voorziet.’
‘Hoort mij dan,’ sprak zij, ‘opdat gij al de maniere weet.
410
Als de zonne haar hitten van 't midden des hemels biedt,
410
Zo bortelt op uit den water dees oude zeeprofeet
411
Met de zwarte wolken van de westerstormen bekleed,
En gaat na hole spelonken om daar te dromen.
Met hem zijn de Phocae kort van voeten om zwemmen gereed,
414
415
Dees slapen om hem, heur atem stinkt van 't diepste der stromen.
415
Daar zal ik u, als de dageraad op zal komen,
[p. 83]
Bij ordene stellen; drie zullen daar met u gaan,
417
De vroomste van uw volk, die geen perijkel en schromen;
418
Want ik wil u de liste van dees grijsaard doen verstaan.
420
Eerst zal hij de Phocas tellen ende zien ze ál aan,
Dan leit hij hem - zo de herders van den kudde plegen -
Mids tussen haar. Als gij hem dan ziet met slaap bevaan,
422
Zo grijpt hem fluks aan, bruikt dan uw kracht, houdt hem te degen:
423
Want hij zal u bestaan te ontsluipen in alle wegen,
424
425
Daar hij alle zijne listen dan meesterlijk toont.
Hij zal hem verscheppen, om uw handen te legen,
426
In al 't gediert dat in 't vier, lucht, water en aardrijk woont.
Houdt gij hem al vast, drukt, perst, en hem geenszins verschoont,
428
Totdat hij u uit hem zelven met woorden vraagt;
430
Dan ontbindt den ouden, opdat hij 't u met waarheid loont,
Als gij hem zodanig ziet, zo gij hem slapen zaagt.
Laat hem dan zeggen wie van den goden u dus plaagt,
Wie u de weerkoomst behindert in uws vaders land.’
‘Meteen verdween zij in zee, recht als 't leven den droom verjaagt.
435
Ik gink na mijn schepen, daar stond mijn volksken op 't strand;
Al gaande peinsde mijn herte menigerhand.
Ik kwam t'scheep; men bereidde 't avondmaal, doe werd het nacht.
Na den maaltijd leiden wij ons slapen in 't zand.
‘Als den dageraad aankwam, die den gulden hemel bracht,
440
Gink ik langs 't strand, en bad de goden met hert, zin en gedacht;
440
[p. 84]
Doe nam ik er drie, daar ik mij ter nood op mocht verlaten.
441
Hierentussen kwam Idothea met een zware dracht
442
Uit den diepen schoot der zee, brengende t'onzer baten
443
Vier Phocase huiden gevild, bekwaam uitermaten
444
445
Om haar vader te bedriegen, wiens bedd' zij bereidde.
Zij groef een hol in 't zand, dat haar vader mocht bevaten,
Daar zij bij gink zitten, als die zijn komst verbeidde.
Wij gingen tot haar, daar zij ons in ordene spreidde
En bestond ons met stinkende huiden te bedekken;
449
450
't Waren verdrietige lagen waarin zij ons leide,
Het stank vuillijk doen wij ons begonsten te bespekken.
- Wie zoud' hem doch bij een stinkende rob willen strekken? -
Maar zij liet ons in de benauwde lucht niet lank;
't Was ál voorzien, zij kwam ons zwakke geest verwekken,
454
455
En streek ambrosiam aan ons neuzen, der goden drank;
Dees edel lucht verdreef die vissige lelijke stank.
‘Zo wachtten wij den helen morgen met een stoute moed.
457
Veel Phocae namen uit der zee op 't strand heuren gank,
Daar hem elks om slapen verspreidde metterspoed.
459
460
's Middaags komt den ouden ook uit het diepste van der vloed;
Hij vindt de vette Phocas, en gaat bij hun allen.
Hij telt ze al, ons mede - die hij ook robben vermoedt -
Hij merkt geen bedrog, gaat leggen, en is in 't slaap gevallen.
Wij sprongen d'r met een gedruis op, hij was ter pallen;
464
465
En grepen zijn handen, maar 't verstand toonde daar zijn aard.
Eerst werd hij een wrede leeuw, om ons moed te smallen;
466
Doe maakte hij ons als een vreeslijke drake vervaard.
467
[p. 85]
Daarna werd hij een panter, een groot zwijn met tanden gebaard,
Ook vlietend water, ja een grote boom wijd ontloken.
470
Wij luisterden naarstig, en hebben hem vast bewaard.
470
Als hij zo benauwd was, ook al zijn listen gebroken,
471
Heeft hij mij vragende aldus aangesproken:
‘Wat port u Menelaë hiertoe? wie heeft 's u geraden
Dat gij mij belagen zoudt in dees huiden gedoken?’
475
‘Gij weet dat wel grijsaard, waarom stadi mij niet in staden?
475
Waarom tergt gij mij nog? ben ik niet genoeg beladen?
Wat ik doe, 'k en weet uit dit eiland niet te geraken,
Daar komt geen eind af, 't hert verdwijnt mij door dit verspaden.
478
Dus zegt mij nu - want de goden weten alle zaken -
480
Wie houdt mij hier? Wie belet mij mijn huis te genaken?
480
Wie hindert mij den weg over zee tot mijnen lande?’
481
‘Gij zult na huis te vergeefs' sprak hij, zo lange haken
Totdat gij Iupiter doet uw offerande.
Zeilt dan fluks heen, gij komt haast binnen uwen warande;
484
485
Maar eer zuldi uw vrienden noch uw hof niet aanschouwen.
Dus offert in Egypten met welriekende brande,
't Zal spoeden na uw wens, Gods gonst zal u bedauwen.’
487
‘Doe werd mijn herte bedrukt, ik zuchtte van rouwen,
Omdat hij mij weer na Egypten beval te varen
490
Over de verdrietige zee: het dede mij grouwen.
490
[p. 86]
‘Wel’ zeid' ik ‘men zal offeren en geen kosten sparen.
Maar wilt mij doch in goeder ordene verklaren,
492
Oft al de Grieken met hun schepen nu thuis zijn gezond,
493
Die Nestor en ik tot Troyen lieten bij heur scharen.
495
Is iemand van henlui op zee van der dood doorwond
Oft thuis bij zijn vrienden gestorven na d'oorlog terstond?’
‘Hij sprak: ‘Atride, wilt daaraf niet vermanen;
497
Best weet gij 't niet, laat dat verborgen in mijns herten grond.
Want als gij 't gehoord zult hebben, zoud' ik vast wanen,
500
En zuldi u niet onthouden van droevige tranen.
Veel zijn d'r gestorven, maar overgeblevene meest.
Twee Prinsen zijn d'r dood van al uw kompanen.
Wie al verslagen zijn weet gij, want daar zijdi geweest.
503
Eén zwerft er nog bij der zee, die gij ooit hooglijk preest.
504
505
De stoute Aiax is vermetellijk ter zee gebleven.
505
Nochtans stond hem Neptunus bij in een zware tempeest,
Die bergde aan de woeste klippen Gyras zijn leven.
Hij waar' 't ook ontkomen, al bracht hem Pallas in sneven,
508
Hadde hij een godloos schadelijk woord gezwegen.
509
510
‘Ik zal 't ontgaan' sprak hij, in spijt van al de goden verheven.’
Door dees roem heeft hij Neptunum te vijand gekregen;
511
Die nam zijn drietandige gaffel, tot toorn genegen,
En heeft den groten roots Gyream aan tween gekloven:
Het één stuk bleef staan, 't ander is na 't water gezegen,
515
Daar Aiax op zat; dat heeft hij geweldig geschoven
515
In 't diep van der zee; daarin viel Ajax bedoven,
516
Die spoog de ziel als hij veel zout waters had gedronken.
[p. 87]
Maar uw broeder ontkwam den dood, die mocht 's hem beloven;
518
Iuno stond hem bij, dat zijn schepen niet en verzonken.
520
Als hij 't Maleense gebergt zag vol zwarte spelonken,
Verhief daar een vliegende storm; dees deed' hem drijven
Al zuchtende over zee, daar de deiningen blonken,
Totdat zij aan 't land raakten daar hem heer plag te schrijven
523
Thiëstes, vader van Aegisthus snood in 't beklijven,
524
525
Die heer van den lande was, als zij daar kwamen.
Doe kreeg hij goede wind, 't en was geen tijd van blijven;
Zij spoedden na huis, en kwamen d'r gezond alt'zamen.
Hij trad vrolijk op 't land, en dankte de goden bij namen;
Voorts viel hij neder en kuste blijdelijk de aarde,
530
Die hij met tranen bedauwde, na 't geluks betamen.
530
‘Dit zag een verspieder van verre, die de zee bewaarde,
531
Opdat hij wanneer hem Agamemnon openbaarde
532
Aegisthum zoude waarschouwen. Hij was door hem daar besteld,
533
Daar hij zo lank hadde gewacht dat het nu verjaarde.
535
Hem waren twee gouden talenten beloofd aan geld,
Opdat de Konink niet binnen kwaam en merkte 't geweld
536
Van dien valsen Aegistho, die na zijn lust gink weien.
537
Dees liep fluks tot Aegisthum, dien hij 't gezien'