terug  begin  verderprepost
[p. 101]

Het vijfde boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Iupiter doet anderwerf de goden te rade komen, ende zeindt Mercurium aan Calypso, met bevel dat zij Ulyssem zal laten gaan, 't welk zij gehoorzaamt. Maar als Neptunus hem den achttienden dag daarna ziet zeilen, breekt hij toornig het schip aan stukken. Ino geeft Ulyssi een heilige bande, om daarmede na 't land te zwemmen; hem bevelende die weder in zee te werpen, terstond als hij te lande gekomen zoude zijn. Ten laatsten komt hij, na veel ongevals, behouden in 't Koninkrijk van Pheaca.
 
IN 't rijzen des dageraads, der zonnen huisvrouwe schone,
 
Uit haar vergulden kamer om lichten hemel en aarde,
 
Waren de goden vergaderd in den hemelsen trone.3
 
De donderende Iupiter was daar zelfs in persone,4
5
Denwelken Pallas Ulyssis periculen verklaarde;
 
- Zij droeg zijnre zorge, dewijle hem Calypso bewaarde -:6
 
 
 
‘O vader Iupiter en alle goden die eeuwig blijft,
[p. 102]
 
Geen scepterdragende Konink, die ooit zijn volksken spaarde,8
 
En zij voortsaan goedertieren in 't gene dat hij bedrijft
10
Noch rechtvaardig; maar dat hij, in wreedheid verstijfd,10
 
Ook onrechtvaardig in strengheid regere zeer bloedig!11
 
Want hier is niemand die Ulysses gedenkt noch gerijft,12
 
Die zijn burgers regeerde als een vader zachtmoedig.
 
Dees werdt met kracht gehouden van Calypso behoedig14
15
In een eiland, ende doet hem 't herte treuriglijk kwellen.15
 
Hij kan niet thuis komen, maar blijft daar in klachten onspoedig,16
 
Want hij en heeft noch schip noch roeiers, noch gezellen,
 
Daarmede hij hem op der zee zoude mogen stellen.18
 
Nu is men ook uit om zijn lieve kind te vermoorden,
20
Als die thuiskomt, die uit is om te horen vertellen
 
Van zijns vaders faam, daar hij na spoort zuiden en noorden.’21
 
 
 
Als alle de goden haar stilzwijgende aanhoorden
 
Zo heeft de wolkvergarende Iupiter gesproken:
 
‘Zegt dochter, hoe ontvallen uw wijsheid deze woorden?
25
Hebdi 't niet zelfs geraden? ginkt gij 't niet mede toestoken,25
 
Dat hun boosheid door Ulysses' komst zoud' werden gewroken?
 
Brengt gij Telemachum veilig thuis, gij moget' wel doen.27
 
Laat de vrijers vergeefs varen, heur raad zij gebroken.’ -28
 
Doe sprak hij tot Mercurium, zijn zoon met vliegende schoen:29
 
 
30
‘Mercuri, gij zijt in als mijn bode, wilt nu ook spoên30
 
De schone goddinne der goden raad te verklaren:
[p. 103]
 
Dat ze den geduldigen Ulyssem, veel lijdens gewoen,32
 
- Nu dat het tijd is - eens tot zijnen lande laat varen
 
Zonder god oft mens, alleen door die woedende baren,
35
Met veel druks, in een schip vergaderd van stukken van bomen.35
 
Den twintigsten dag zal hij na veel treurig bezwaren
 
Aan 't land Pheacum geraken tot zijnder vromen,37
 
Daar mensen wonen van den goden gekomen.38
 
Die zullen hem als een god in eren verheven,39
40
Ook in zijn vaderland brengen zonder vrezen of schromen,
 
Ende hem meer gouds, zilvers, ook zijden klederen geven
 
Dan hij ooit met hem had, al waar' hem gants bijgebleven
 
Al den buit, die zijn vroomheid voor Troyen hadde gekregen.43
 
Zo werdt hij deur 't geval tot al zijn vrienden gedreven,44
45
Ten laatsten ook in 't vaderland, daar t' hert is genegen.’45
 
 
 
Mercurius was fluks willig, hij zeid' er niet tegen,46
 
En heeft zijn gepluimde schoens aan zijn voeten gebonden,
 
Die hem dragen over zee, over land, over alle wegen.
 
Hij nam ook zijn roede, daardoor hij met listige vonden49
50
Der mensen ogen doet slapen oft waken t'allen stonden.
 
Zo schoot hij van den hemel ter aarden met snel vermogen
 
Bij Pieriam op zee die men niet en mag gronden.52
 
Daarover is hij luchtig als een meeuwe gevlogen,
 
Die om de schoot van d'onrustige kromme zee gebogen
 
Den vis bespiedt, en doopt zijn wieken in de zoute schuimen.
55
Zo is hij ook over de brede zee getogen,
 
Ende snellijk gedreven op zijn zeilende pluimen
[p. 104]
 
Tot aan 't verde eiland, daar hij na zijn oude kostuimen58
 
De blauwe zee verliet, en gink het land betreden.
60
Hij kwam bij 't grote hol, d'welk Ulysses zoude ruimen,60
 
Daar die schone goddinne woonde lustig van zeden.
 
Hij vand haar voor een groot vier - in de spelonk diep beneden -
 
Van cedrenhout, dat gaf over 't eiland een edele lucht.
 
Zij weefde een web van gouddraad om haar te kleden
65
Al zingende met een wederklinkende lieflijk gerucht.
 
Dit hol was omsingeld met geboomte vol alderlei vrucht,
 
Ook met popeloenen en welriekende cypressen.67
 
Daar nestelden breedwiekige vogelen snel ter vlucht:
 
Sparwers, uilen, kraaien, met nebben breed als messen
70
Die aan de zee gaan laden haar hongerige flessen.70
 
Ook stonden daar gestrekte wijngaards, die vol druiven hingen,71
 
Ondermengd met wildernis, als braam, netels en klessen.72
 
Vier kristallijnige fonteinen zag m'er mee ontspringen,73
 
Die suizelende nederwaarts vloten om te dringen
75
Door de grazige beemden, bezaaid met klein violierkens,
 
Die voedden de bijkens; 't gevogelt raasd' er om zingen,76
 
Al de bomen klonken, het land was vol lustige dierkens:
 
Het scheen een prieel voor Neptunus' kamerierkens.78
 
 
 
Hier stond de godlijke bode door 't lustig aanschouwen
80
Verwonderd, van 't geboomt, beesten en klare rivierkens;
 
't Welk hem daar een wijle met lusten heeft gehouen....
 
Totdat hij vernoegd zijn boodschap gink doen met trouwen82
 
In de diepe spelonk, daar hem Calypso straks heeft gekend;83
[p. 105]
 
Want de goden kennen malkanderen, 't zij mans of vrouwen,
85
Al wonen zij verscheiden, elks op een zonderlink end.85
 
- Mercurius en vand Ulyssem daar niet omtrent:86
 
Die zat aan 't strand, weemoedig, treurig, in zuchten en klagen,
 
Met zijn natte droevige ogen ter zeewaarts gewend. -
 
Calypso stelde Mercurium met goed behagen
90
In een heerlijke stoel, en begonst hem te vragen:
 
 
 
‘Waarom komdi hier, Mercuri, dit doet mij weten,
 
Met uw gulden roede? Gij kwaamt hier niet in lange dagen;
 
Zegt uw believen, ik doe al dat gij mij zult heten93
 
Indien ik 's vermag - maar waarde vriend, gij moet eerst wat eten.’
 
 
95
Doe stelde ze een tafel, daarop zij ambrosiam droeg;
 
Ook gink zij hem nectar overvloedig toemeten.96
 
Mercurius at en drank van als na zijn gevoeg,97
 
Hij werd vrolijk, en hiel' op, doen hij 's hadde genoeg;
 
Hem tot de goddinne kerende heeft hij aldus gezeid:
 
 
100
‘Hoort o goddinne, waarom ik herwaarts op wegen sloeg.100
 
Iupiter zeindt mij mijns ondanks hier, al was ik bereid;
 
Want wie loopt willig over een zoute zee, zo wijd en breid,
 
Daar stad noch volle omtrent en is, die den goden eren?
 
Maar Iupiter's wil moet geschieden, al waar' 't ons ook leid.
105
Wat hij wil, dat wordt; vergeefs wij daartegens begeren.
 
Hij zeit dat gij hier een man bij u houdt in 't verzéren,106
 
Ellendig boven al, die negen jaren streden voor Troyen;
 
Dees wouden na des stads verderfnis weer thuiswaarts keren
[p. 106]
 
In 't tiende jaar, maar zij mosten door Pallas verschooien.109
110
Die hadden ze vergramd, dies gink zij ze weder verstrooien
 
Met een vreselijke storm, die zij dede verwekken;
 
Daar al zijn volk verdrank door veel zout waters te pooien,112
 
Maar 't water en de wind brachten hem tot dezer plekken.
 
Dees beveelt hij u terstond weg te laten trekken,
115
Want hij en mag buitenslands van zijn vrienden niet sterven,115
 
Maar moet zijn vrienden nog zien en hem begeerlijk strekken116
 
Na zijn hoge huis, en na zijn vaderland gaan zwerven.’
 
 
 
Dees boodschap scheen der goddinnen hert te doorkerven;
 
Zij vreesde, en liet nochtans dees woorden vliegende horen:119
 
 
120
‘Gij zijt hatel, o goden ende zoekt het bederven120
 
Van ons goddinnen, die gaarne vreugd met mannen oorboren,121
 
Als wij een vriend beminnen en hebben verkoren.
 
Alzo heeft Aurora Orion's liefd' wat genoten
 
Totdat de kuise Diana dat kwam te besporen:124
125
Die heeft hem terstond met haar snelle pijlen doorschoten.
 
- 't En duurde niet lang, nog heeft het u allen verdroten! -
 
Zo ook, als die schone Ceres Iasonen beminde
 
Dien zij 't lieflijk hert in haar beddeken heeft ontsloten
 
Verenigd in minnen, 't welk Iupiter haast verzinde:129
130
Die sloeg hem met zijn bliksem en donnerende winde.
 
‘Zo spijt u nu mijn liefd' tot een sterflijk creature,
 
Dien ik schipbreukig behouden heb uit 's doods allinde.132
 
Iupiter brandde 't schip mids in zee met hemelsen vure,133
 
Al zijn trouwe gezellen verdronken ter zelver ure;
[p. 107]
135
Dees kwam hier alleen, van water en winde gedreven.
 
Ik minde, ik voedde hem, en loofde in trouwen pure136
 
Hem onsterflijk te maken, en altijd jonk te doen leven.
 
Maar - want men zich tegen Iupiter niet en mag verheven,138
 
Noch zijn gebod verachten oft wrevel overtreden -139
140
Moet het immers dus zijn, ik zal hem ook oorlof geven,140
 
Hij vare dan over de brede zee thuiswaarts in vreden.
 
Ik en hadde hem nemmermeer van mij laten scheden,142
 
Want ik en mocht hem schip noch roeiers meedelen
 
Noch gezelle' om hem over d'onrustige zee te leden.144
145
Maar nu zal ik hem gaarne beraden en geen dink helen,145
 
Dat hem gezond thuis mag helpen, bevrijd van dit kwelen.’146
 
 
 
Doe sprak Mercurius: ‘Dat zoud' ik u zeker raden;
 
Laat hem gaan, schout Iupiter's toorn, dien wilt hem bevelen;148
 
Zo en komt u zijn gramschap namaals tot gene schaden.’
 
 
150
Als dit gezeid was, vloog hij na de hemelse paden.
 
De goddinne gink tot Ulyssem met spoedige benen,
 
Na Iupiter's bevel; dat dorst zij niet versmaden.
 
Zij vand hem op 't strand zitten zuchten, kermen en stenen.
 
Nemmermeer had hij droge ogen door 't stadig wenen
155
Uit verlangen na huis, en bleef dagelijks zitten gapen155
 
Ter zeewaart in; 't verteerde zijn merg en dorde zijn zenen.156
 
's Nachts most hij in de hole spelonk - 't en halp geen wapen -157
 
Bedwongen en onwillig bij een willige slapen.
 
Bij dagen zat hij op de klippen en treurde aan zee,
[p. 108]
160
Troosteloos, weemoedig, geen vreugd konde hij daar rapen;160
 
Met waterige ogen zag hij 't water, 't hert deed hem wee.
 
De goddinne stond bij hem en sprak met troostig belee:162
 
 
 
‘Onzalige mens, slijt hier uw leven niet meer in rouwen;
 
Ik zal u nu haast laten reizen, maakt u maar ree.
165
Gaat fluks met een bijl een deel lange bomen omhouwen;165
 
Daar zuldi een schip met mast en met tafels af bouwen,166
 
Sterk en vast, om u over de duistere zee te dragen.
 
Wijn, brood en water geef ik u overvloedig met trouwen168
 
Voor honger en dorst, ook klederen na uw behagen,
170
Met een spoedige wind, die u ras van hier zal jagen170
 
Opdat gij haast gezond in uw vaderland meugt strijken171
 
Indien u de goden niet en denken te plagen.
 
Want bij hun mag men mijn oordeel oft weten niet gelijken.’
 
 
 
De godlijke Ulysses begonst vreemd toe te kijken174
175
Zeggende: ‘Gij denkt, o goddinne, al ander zaken,
 
Mijn reis en zoekt gij niet; 't zijn, ducht ik, ander praktijken.176
 
Gij beveelt mij onkonstige een schip te maken.
 
Hoe zoud' ik daarmee over die vreselijke zee geraken,
 
Daar dikwijls sterke schepen met goei winde verzinken?
180
Ik en zal doch, tegens uw dank, geen schip genaken,
 
Tenwaar' gij uw dieren eed in mijn oren deedt klinken,
 
Dat gij dit niet en verziert om mij te verdrinken.’182
 
 
 
Zij lachte, en strijkende over zijn wangen mismoedig,
 
Sprak ze: ‘Gij doolt Ulysses, mag gramschap uw wijsheid krinken?184
[p. 109]
185
Uw geluk en ziedi niet, dat toont uw spraak onbehoedig.185
 
Ik betuige u bij al de helse poelen gloedig
 
- 't Welk den hoogsten eed is van de zalige goden -
 
Ook bij hemel, bij aard, bij 't water overvloedig
 
Dat ik u niet en wil brengen in enige noden.
190
Ik en hebbe u niet geraden noch geboden
 
Dan getrouwelijk, zo ik mij zelfs raden zoude mogen.
 
Zo most ik doen, want de deugd en is mij niet ontvloden;
 
Ik heb een rechtvaardig gemoed, dat most ik betogen:193
 
Mijn hert is niet versteend, maar bermhertig vol meedogen.’
 
 
195
Doe trad voor hem henen de goddinne geprezen;
 
Ulysses volgde op 't spoor, dat hield hij voor ogen.
 
Zij kwamen in de spelonk, daar zij hem - om zijn genezen -197
 
Op den stoel zette, daar Mercurius uit was gerezen.
 
De goddinne gink de tafel met drank en spijze verchieren
200
Zulks als de mensen nutten die sterflijk zijn van wezen.
 
Doe zat ze tegens hem over met vriendelijker manieren;
 
Ambrosiam en nectar brachten haar kamerieren.202
 
Doe hebben ze handen aan de spijze gesteken.
 
Als zij verzaad waren, sprak Calypso goedertieren:204
 
 
205
‘Zegt mij o vrome Ulysses vol listige treken:205
 
Wildi zo thuiswaarts reizen? Wat mag u hier doch gebreken?
 
Gij zijt nu blij, maar mocht ik u 't leed en jammer verklaren
 
Dat u nog zal ontmoeten eer gij uw vrienden zult spreken,
 
Het most u verschrikken en ankstelijk vervaren;209
210
Gij zoudt onsterflijk zijn, en dit huis met mij bewaren, -210
[p. 110]
 
Al zijt gij om uw huisvrouwe te zien dus zeer begeerlijk
 
Dat gij nacht en dag spoort om u bij haar te paren.212
 
Want ik ben voorwaar zo schoon als zij, zo machtig, zo eerlijk,213
 
Zo edel, zo vriendelijk, zo verstandig, zo leerlijk.214
215
- Hoewel men de sterflijken mensen in geender wijzen
 
Bij de goden mag gelijken, want die zijn alleen heerlijk.’
 
 
 
Doe sprak Ulysses met listige devijzen:217
 
‘Eerwaardige goddinne, die men niet en mag volprijzen,
 
Werdt toch niet gram dat ik mij thuiswaarts begeerlijken spoede.
220
Uw schoonheid en deugd gaat Penelope verre ontrijzen,220
 
Want gij zijt eeuwig, en zij is van sterflijken bloede.
 
Maar ik begeer en wil altijd met ernstlijke moede222
 
Nog eens thuis zijn, mij verlangt na dien dag gehuldig.223
 
Benijdt mij dat enig god in 't diepste van den vloede,
225
Ik zal 't lijden; mijn borst draagt een herte geduldig.
 
Dat heeft al veel verzocht in periculen menigvuldig,226
 
In 't lange oorlog, ook ter zee met ankstiger kwalen;227
 
Best lijd' ik dit ook, ben ik haar meer te lijdene schuldig.’228
 
 
 
't Werd avond, het schemerde, de zon begonst te dalen.
230
Zij gingen binnen diep in der spelonken zalen,
 
Daar zij hun vriendelijk vermaakten en bleven te zamen,231
 
Totdat den dageraad rees met haar roosverwige stralen.
 
 
 
Ulysses kleedde hem met rok ende mantel na 't betamen,233
 
Zij nam ook een sneeuwwit kleed, groot men mocht 's niet omvamen,
[p. 111]
235
Van fijnen zijde, 't welk zij met een gouden gordele band.
 
Ook gink zij 't hoofdkleed chierlijk en lustig in 't aanzien ramen.236
 
Doe sprak ze Ulyssi van de reis na zijn vaderland.
 
Zij gaf hem een grote behendige bijle in zijn hand238
 
Van blinkenden stale, scherpsnijdig aan beide zijen,
240
Met een sterke olijven stele effen aan elke kant;
 
Ook een brede schaafbijl, om 't gehouwen hout te besnijen.
 
Doe bracht ze hem op 't eilands einde, daar t'allen tijen
 
Veel groot geboomt stond, tot in de lucht toe verheven:
 
Dennen, eiken, populieren, en masten die haast bedijen.244
245
Als zij 't hem getoond hadde, en 't gereedschap gegeven,
 
Gink zij na huis; maar Ulysses is daar gebleven.
 
Die hieuw, die kliefde, die snoeide de takken zonder vertragen.
 
Hope deed' hem d'ongewoonlijke arbeid aankleven,248
 
Zo dat er haast twintig grote balken terneder lagen.
250
Hij effende en wrocht ze in 't lood, na zijn behagen;250
 
Doe boorde hij de gaten, en gink 't al meesterlijk voegen;
 
Daarna heeft hij die klemmende nagels ingeslagen.
 
Gelijk een scheepstimmerman schrijft en schikt na zijn genoegen253
 
De grote kielen, die ooit gierige koopmanschap droegen,254
255
Zo groot een schip maakte Ulysses, diens arbeid verraste255
 
Door begeerte, om daarmee de woeste zee te doorploegen.
 
Hij rechtte 't inhout bijeen, en maakte de planken vaste,257
 
Hij bereidde de tafelen, en besnoeide de maste,
 
Hij maakte spriet, raboom, koker om den mast in te rechten;
260
Ook het nooddruftige roeder, 't welk hij vlijtig aanpaste,260
 
En gink dat om wel te bezorgen aan den schepe hechten
 
Met wissen en banden om tegens 't water te vechten.
[p. 112]
 
Ook droeg hij veel houts in 't schip tot ballast om 't wraken.263
 
Calypso bracht hem doek voor 't blazen van Eolus' knechten:264
265
Daar gingen zij t'zamen een vlak vierkant zeil af maken.
 
't Schip werd getakeld, men zag 't heur hersten en braken,266
 
Zij schoven 't op rollen in zee - het dreef ter zelver stonden.
 
Zo was 't den vierden dag volmaakt in alle zaken.
 
Des anderen daags heeft hem de goddinne gezonden
270
Schoon klederen rein gewassen en t'zamen bewonden,
 
Een lederen fles vol zwarte lekkere wijne
 
Met nog een groter vol water, ook spijze voor vele monden,
 
Ende een ruisend windeken achter in 't scheepsgardijne.273
 
 
 
Ulysses was blij, het docht hem een hemel te zijne;
275
Hij stak af, dreef daarheen, ruimde 't schoot om 't zeil uit te strekken.
 
Doe stierde hij 't schip, 't werd nacht, waken was hem geen pijne.276
 
Hij zag de Pleiades, die d'aardrijk dik vochtig bedekken,277
 
Met den tragen Boöten, die spaai in zee gaat vertrekken,278
 
Ook den beer, 't welk den wagen is in de hemelse paden,
280
Die Orionen belaagt, en draait om hem te bevlekken:280
 
Zij is 't alleen die haar paarden in zee niet mag baden.
 
De goddinne Calypso hadde Ulyssem geraden
 
Dat hij hem op zee altijd ter slinkerhand zoud' houen.
 
Zo zeilde hij zeventien dagen op Gods genaden.
285
Den achttienden dag begonst hij schemerig t'aanschouwen
 
Het rookachtige gebergt in de Phaeaakse landouwen
 
Als een schild op de zwarte zee, want daar was hij omtrent.
[p. 113]
 
Neptunus kwam uit Aethiopiën, 't mocht Ulyssi rouwen;
 
Die heeft hem van verre van den berg Solyma gekend,
290
Daar hij met opgeblazen zeilen na 't land was gewend;
 
Dies hij vergramd met schuddenden hoofde aldus heeft gesproken:
 
 
 
‘Waarlijk daar is een ander aanslag in 's hemels tent!
 
Dat ik in Aethiopiën was, is daar geroken.
 
Laat ik mijn leed op Ulyssem dan ongewroken?
295
Hij is bij 't land Phaeaca, bij 't einde van al zijn verdriet.
 
Kwaam hij daar eens op, al mijn voornemen waar' gebroken:
 
De Parcae laten hem daartoe kwellen, maar verder niet.
 
O, hij krijgt nog plagen genoeg, eer hij mij zo ontvliedt!’
 
 
 
Doe beweegde hij de zee van boven van onderen
300
Met zijn drietandige vork, die hij in 't water stiet.
 
De wolken vergaarde hij, al de stormen deed' hij donderen:
 
Men mocht geen golven van den zwarten hemel uitzonderen,302
 
De verschrikkelijke nacht bedekte de zee vervaarlijk.303
 
Al de vier winden ruisten tseffens, 't was om verwonderen:304
305
Oost, west, zuid en noord worstelden in een dwerlink eenpaarlijk.305
 
 
 
Ulyssis leden bezweken, zijn borst zuchtte zeer zwaarlijk
 
En sprak bedrukt: ‘Ach onzalige, hoe zal 't met u enden?
 
Ik ducht, de goddin waar heeft gezeid, 't blijkt nu klaarlijk
 
Dat ik nog, eer mij God in 't vaderland zoude zenden,
310
Veel jammers en druks most lijden in groter ellenden.
 
Och dit 's nu voorhanden, nu moet ik 's al gedogen.
 
Hoe vliegen dees vreselijke stormen om mij te schenden,312
 
Hoe dik heeft Iupiter den hemel met wolken betogen!
[p. 114]
 
Hier is mijn sterfdag, nu zie ik den dood voor mijn ogen.
315
O zalige Grieken die voor Troyen zijt gebleven,
 
Hoe gelukkig waar' ik, had ik daar ook sterven mogen,
 
Als de Trojanen mijn schild met stalen pieken beschreven,
 
Daar ik den doden Achillem niet wilde begeven.318
 
Men hadde mij mogen in een uitvaart beklagen,
320
Mijn name waar' ook eerlijk bij den Grieken verheven;
 
Nu moet ik hier sterven in deze ellendige plagen.’
 
 
 
Zulks klagende werd hij uit den schepe geslagen
 
Van een grouwelijke golve, die 't schip ook omkeerde.
 
De bodem dreef opwaarts, hij werd daar ver af gedragen,
325
Met een stuk van 't stuur in de hand, daarmee hij 't eerst regeerde.
 
De winden staken op, de storm wakkerde en vermeerde,
 
't Zeil zwam aan sleters op 't water, mast en ree lag overboord.327
 
Lang bleef hij onder de zee dat hij hem niet en weerde,
 
Want hij mocht niet opdrijven, maar scheen ganselijk versmoord
330
Onder die hoge golve; zijn kleedren van Calypso bespoord330
 
Die bezwaarden en klemden hem als wichtige banden.
 
Ten laatsten kwam hij als een eende uit den watere voort,
 
Hij schudde 't hoofd en blies de zoute zee door zijn tanden,
 
Die over zijn hoofd spoelde, zo zij doet aan de stranden.
335
In deze nood en heeft hij zijn schip ook niet vergeten,
 
Maar hem derwaarts schuivende greep hij 't met zijnen handen336
 
Daar 't stolpelink dreef, ende is er mids op gezeten337
 
Om de dood te ontvlien, maar dat werd ginds en weer gesmeten.
 
Recht als de Noordenwind in den herfst droge distelen jaagt,
340
Die t'zamen klemmen, en 't land al drijvende meten,340
[p. 115]
 
Alzo heeft hem nu een Wester-, dan een Zuiderwind belaagd.
 
Hij werd ook uit den Noorden en uit den Oosten geplaagd:
 
Elk blies zijn uiterste macht om een mens te bestrijen.
 
 
 
Dit zag Cadmus' dochter Ino de zuiverlijke maagd,
345
- Die eertijds sterflijk was, maar mocht haar tot deze tijen
 
Ook als een zeegoddinne bij d'andere verblijen -,
 
Daar zij in 't diepe lag onder de zwellende vloeden,
 
En was met den ankstigen drijvende man te lijen.348
 
Zij kwam haar in schijn van een duiker bij hem spoeden;349
350
Nevens hem staande sprak ze om zijn lijf te behoeden:350
 
 
 
‘Onzalige mens, wat hebdi Neptuno misdaan,
 
Dat hij dus verbitterd op u gaat verwoeden?352
 
Nochtans mag hij u niet doden, hoezeer hij 't gaat bestaan.353
 
Doet dan als ik zegge - gij zijt verstandig, zo ik waan -
355
Trekt uit uw kleedren, beveelt het schip wind en stromen.
 
Zwemt fluks na 't strand: dit pericule zuldi ontgaan;
 
Gij moet nog levendig in 't land van Pheaca komen.
 
Neemt deez' heilige band onder uw borst, 't zal u vromen.358
 
Maar als gij met uw handen den grond meugt genaken,
360
Zo werpt ze weer t'zeewaarts in, wilt dan niet meer schromen,
 
Vreest geen pericule: dus zuldi te lande geraken.’
 
 
 
Voorts gaf zij hem den band, in 't laatst van haarder spraken,
 
En dook weder in de ruisende ongestadige baren.363
 
Doe dacht de lijdzame Ulysses op deze zaken,
365
Zeggende tot zijn manlijk gemoed in zulk bezwaren:365
[p. 116]
 
‘Wee mijns, wat god belaagt mij nu weer met bedrieglijk garen,366
 
Die mij den rug van dit schip nog beveelt te verlaten?
 
Ik zal 's mijn wachten, 't land most hem al naarder verklaren,368
 
Daar zij mijn toevlucht zeit te zijn; och oft wij daar zaten!
370
Maar ik zal dus doen, dit dunkt mij best om 't leven te baten:370
 
Zolang als dit schip nog heel is, wil ik daarop blijven
 
En gedogen 't geweld van Neptunus' soldaten,
 
Totdat het vaneen scheurt; dan wil ik 't laten drijven,
 
Dan wil ik zwemmen, als 't schip mij niet meer en mag gerijven.’374
 
 
375
Meteen onttrok hem Neptunus 't water tot bij de gronden
 
En heeft hem in 't diepe, door 't tempeestig verstijven,376
 
Een ijselijke golf, als een berge, op 't lijf gezonden.
 
Die sloeg Ulyssem van 't schip, en heeft de planken ontbonden.
 
Gelijk een dwerlwind een drogen hoop zands drijft in der luchten
380
Zo strooide hij de berders, en had hem gaarne verslonden.380
 
Ulysses greep een plank, daarover schreed hij met duchten381
 
Als een ruiter op zijn paard, om de zee te ontvluchten,
 
En bestond de klederen van Calypso uit te trekken.383
 
Ook leide hij den band onder zijn borst vol ankstig zuchten:
385
Doe gink hij begeerlijk om zwemmen zijn handen strekken.
 
Neptunus zag dit en schudde 't hoofd ter zelver plekken
 
Zeggende bij hem zelfs: ‘Gij hebt nu veel op zee geleden;
 
Zuldi mij ook namaals meer tot gramschap verwekken?
 
Gij zult wijzer zijn, gaat nu bij 't godlijke volk in vreden.’
[p. 117]
390
Daarmee wendde hij zijn schoon paarden ende is gereden
 
Tot Aegas in zijn heerlijk hof, daar is hij op gesprongen.391
 
 
 
Hierentussen is Pallas tot de winden getreden,
 
Wiens wegen zij al besloot, zij heeft ze gedrongen393
 
In 't diepste van haar hol, en daar stillekens bedwongen.
395
Zij liet den Noordenwind, om breken der vloeden krachten,
 
Totdat Ulysses op 't land kwam, daar de vogelkens zongen,
 
Bij de Pheacensers, bevrijd voor 't water's versmachten.397
 
 
 
Die dreef in de zwarte zee twee dagen en twee nachten
 
Over berg over dal, daar mistroost zijn moed bezwaarde.399
400
Des derden daags begonst het onweer wat te verzachten,
 
Als de dageraad den halven hemel verklaarde.
 
De winden lagen, 't werd schoon weer, hij zag van bij d'aarde402
 
Met een blij scherp gezichte en begeerlijk verlangen,
 
Verheven op een hoge golve, die 't hem openbaarde.
405
Recht als goei kindren 't genezen zien met blijde wangen
 
In heur lieve vader, die lank met ziekten was behangen,406
 
Ook in 't pijnlijk kwelen nooit verachtinge vand,407
 
En zijn gezondheid vrolijk van den goden ontvangen;
 
Zo blijdelijk zag Ulysses dit gewenste land.
410
Hij zwam, hij woelde, hij plaste met voet en met hand
 
En kwam zo na als men een roepende stem mag horen.
 
Doe hoorde hij d'overwentelende baren op de strand
 
Aan die klippen ruisen en breken met ijslijke oren: -413
 
Die hole rootsen steenden, daar de zee door kwam boren,414
415
Die zij dan met een bortelende weerklank weer uitspogen;415
[p. 118]
 
De brandende vloeden dekten 't strand achter en voren,
 
Daar was geen haven, daar schepen in komen mogen:
 
Al de zeekant was met stenen bergen hoog betogen; -418
 
Dit zag Ulysses, dies begonst zijn hert te verflauwen,
420
En sprak deerlijk, als in zijn hope bedrogen:420
 
 
 
‘Helaas, nu mij Iupiter 't begeerde land doet aanschouwen
 
Nadat de zee van mijn borst doorkliefd is, mijn borst van rouwen,
 
En zie ik nergens vlak, om die wrede zee te ontkomen!423
 
't Land is bezet met klippen, te scherp om aan te houen,
425
Wit en glad van schuim door die bruisende aanslaande stromen.
 
Dies is 't daar steil en diep als hoge weeldige bomen,426
 
'k En zal 's niet mogen gronden, noch staan op mijn benen.427
 
Dus mag ik mij niet bergen, ach dien hoop is mij benomen.
 
Koom ik daarbij, 't water mortert mij aan de scherpe stenen.429
430
Zij zijn zo glad, al hield ik ze met handen met tenen,
 
Den aftocht van 't water zoud' er mij geweldig aftrekken.
 
Zo is 't al vergeefs; o, dit verschrikt mij aders en zenen.
 
Zwem ik voorts zoeken oft ik ergens strand zie ontdekken,433
 
Zo mag Neptunus weder een nieuwe storme verwekken
435
Om mij van 't land in 't vreselijke diepe te rokken435
 
En mij zeedronken gezwollen onder 't water doen strekken;
 
Oft hij mag mij van een grote walvis op doen slokken,
 
Die hier veel zijn, - ik waar' maar een van haar minste brokken -,
 
Want hij is vergramd, al heeft hij 't zwaarlijk genoeg gewroken.’
 
 
440
Dus denkende dreef hem een vlage vol schuimige vlokken
 
Met een overvallend gedruis dat wederom kwam gezoken,441
[p. 119]
 
En zou zijn vlees verscheurd hebben, zijn gebeent gebroken
 
Aan een scherpe klip, had Pallas hem niet onderwezen,
 
Dat hij zijn handen daaraan sloeg, en onder waar' gedoken:
445
Benauwd van herten en van water is hij weer gerezen,
 
Als die bare met grilling door aders en pezen446
 
Haar al ruisende spreidde over die roots verheven;
 
Doe zeeg zij wederomme en heeft hem vol nieuwe vrezen
 
Van de steenklip scheurende ver in de zee gedreven,
450
Zijn handen vol bloedige stenen door 't rootsig aankleven.450
 
 
 
Daar lag hij weer diep bedekt onder die grote vlagen
 
En waar' verdronken, maar Minerva heeft hem moed gegeven.
 
Die bracht hem boven, doe werd hij weer na 't land geslagen.
 
De vloeden hebben hem lanks de strand hene gedragen,
455
Zwemmende zag hij na 't land om een haven te bespien,455
 
Oft na een vlakke oever, om stranden na zijn behagen.
 
Ten laatsten heeft hij een schiprijke haven gezien
 
Met klein rootsen bedekt, bekwaam om wind en water t'ontvlien.458
 
Hij zag een rivier, en bad door nood met herten gloedig:
 
 
460
‘O Konink, wie gij zijt, ik koom nu kussen uw knien,
 
Verlost mij van Neptunus' gramschap verwoedig,
 
Bergt mij ellendige 't leven, ik bid 's u ootmoedig;
 
Want den mensen te helpen is den goden een ere.
 
Ik koom hier schipbrekig, door vreeslijke stormen onspoedig;464
465
Ontbermt mijns o Konink, want ik 's ellendig begere.’
 
 
 
De rivier nam terstond met haar vloeden een kere,
 
Hem inwaarts trekkende, gink zij daarmee te landwaarts lopen.
[p. 120]
 
Ulysses was ten einden zijns krachts, hij mocht niet mere;468
 
Nauwelijk kwam hij met hand, met voet op 't land gekropen.
470
Doe is hem de zee uit neus en uit oren gedropen,
 
Zijn hert, atem, stem en leden zijn hem voorts bezweken:471
 
Hij lag in onmacht, vol waters dat hij hadde gezopen.
 
Maar als hij bekwam, en zijn krachten weder bleken,473
 
Loste hij den band, en heeft ze met dankbaar spreken
475
Ter zeewaarts inne na al zijn vermogen geschoven.475
 
Daar was Ino omtrent, die heeft ze na haar gestreken.476
 
Doe gink hij zo naakt zitten in de biezen bedoven477
 
En kuste 'd blijde aardrijk met groente bestoven.478
 
Hij zuchtte en sprak: ‘O ellendigste der katijven479
480
Hoe zal 't mij nog gaan? Wat lijd' ik al, o goden van boven?
 
Wil ik dees lange nacht ook bij de riviere blijven?481
 
De koude lucht zou 't bloed in mijn zwakke leden verstijven,
 
Die zijn nu al vol zucht, gezwollen en ongeschapen;483
 
Wat zal 't dan zijn als de koele dauwe opwaarts zal drijven?484
485
Ga ik dan ook in 't schaduwachtige bos om te slapen
 
En beginne vermoeid een zoete ruste te rapen,
 
Zo werd' ik van den wilde dieren verslonden.’
 
 
 
Dit docht hem nog best, en gink zo, zonder kleed zonder wapen,
 
Na 't zwarte foreest, daar veel bomen aan 't water stonden.
490
Hier heeft hij twee volbladige takken gevonden,
 
D'een was van een wilde; olijfboom, maar d'ander was tam.
 
Dees waren ineen gewassen, daar tot genen stonden
 
De vochtigheid van de ruisende winden blad af nam,
 
Daar nemmermeer hagel noch sneeuw, noch zonne en kwam,
[p. 121]
495
Zo dicht was 't daar rondsomme bedekt met bladen.
 
Hieronder spreidde hij 't bedde voor zijn leden stram
 
Van droog lof dat daar bij hopen lag op alle paden,
 
Genoeg voor drie mans deksel en wermt beraden,498
 
Al waar' 't ook als de wateren met spiegels betrekken.
500
Hij zag 't aan, 't verheugde hem nog mids in dees kwaden,
 
En gink hem daarinne doe zoetelijk strekken,
 
Ook met menigte van bladen zijn lichaam bedekken
 
Om daar, als een koekoek in haar pluimen, te kuren.503
 
Oft gelijk een vrouw op verre eenzame plekken
505
D'asse ontspreidt, een kolk maakt, in de donkere uren,505
 
Het glimmende vier daarinne leit om dat te doen duren,
 
En bestrooiet' dan dik met assen - men ziet geen kolen -
 
Om geen vier te gaan lenen van haar verre geburen,
 
Zo lag Ulysses onder de bladers verholen.
510
Pallas zand hem den slaap, die hem lang was ontstolen
 
Door Neptunus, welk' hem twee nachten hadde doen dolen;
 
Hij sloot zijn ogen, en heeft hem ter rusten bevolen.

EINDE VAN 'T VIJFDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

3den hemelsen trone ongeveer: het hemelpaleis
4zelfs zelf
6Zij ... zorge was bezorgd over hem, omdat....; bewaarde in haar macht had
8ooit altijd
10verstijfd verhard, verstokt
11Ook zelfs
12gerijft helpt
14gehouden ... behoedig bewaakt, gevangen gehouden; van door
15doet ... kwellen kwelt zich het hart, pijnigt zijn hart
16onspoedig ongelukkig
18hem ... stellen zich begeven
21spoort speurt, zoekt
25toestoken ertoe aanstoken
27moget' kunt het
28raad plan, aanslag
29vliegende schoen gevleugelde schoenen
30als alles
32gewoen gewoon, ondervonden hebbend
35druk verdriet, leed; vergaderd van samengesteld uit
37tot zijnder vromen tot zijn geluk
38gekomen afstammend
39verheven verheffen
43vroomheid dapperheid
44deur 't geval door het lot
45genegen geneigd, verlangend
46fluks terstond
49vonden kunstgrepen
52gronden peilen.
58verde Alle drukken: vierde. Blijkens 't Latijn zeker een drukfout, verde = verre; kostuimen gewoonten
60d'welk 't welk; ruimen ‘ontruimen’, verlaten
67popeloenen populieren
70flessen magen
71wijngaards wijnstokken, wingerds
72klessen klissen, klitten
73mee ook, verder
76om zingen van het zingen, ‘zongen uitgelaten’