terug  begin  verderprepost
[p. 122]

Het zeste boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Minerva verschijnt in drome Nausicaä de dochter Alcinoi, ende zendt haar aan de riviere om klederen te wassen, zeggende dat haar bruiloft voorhanden was. Zij doet zo Pallas beveelt, ende speelt daarna met haar maagden. Ulysses haar horende ontwaakt, ende door zijn begeerte* een kleed ende spijze van haar ontvangen hebbende, is hij haar ter stadwaarts nagevolgd.
 
KLEED noch spijze hebbende is Ulysses zo gelegen
 
In vreemde landen, daar hij sliep met vermoeide leden.
 
Daarentussen is Pallas uit den hemel gestegen;3
 
Die voegt haar na der stad op de Pheacensers' wegen,4
5
Die eertijds in Hyperia woonden met onvreden
 
Door de Cyclopas, geburen hovaardig van zeden
 
Die heur dik beroofden, want zij waren ze te machtig.7
 
Vandaar trok Nausithoüs ende kwam tot dezer steden
 
In Sceria wonen, met al zijn burgers eendrachtig,
10
Verre van dat listige volk, zijn vijanden krachtig.
[p. 123]
 
Daar bouwde hij huizen, en heeft ze met muren besloten,
 
Hij deilde 't land, en was de goden met tempels gedachtig.
 
Daarna sterf hij; Alcinous de Prins uit hem gesproten,13
 
Van den goden geleerd, heeft dit rijk na hem genoten.14
 
 
15
Pallas is gegaan onder zijn koninklijke daken
 
Ulyssem thuis te helpen, zijn jammer had haar verdroten.
 
Zij kwam tot de kamer behangen met zijden laken.
 
Daar lag des Koninks dochter tussen slapen en waken,
 
Nausicaa, schoon als een goddin van gedaant en van wezen;19
20
Bij haar waakten twee maagden eerbaar van heuser spraken;
 
Die deure stond open, men was er zonder vrezen.
 
Pallas kwam in schijn van haar vriendinne uitgelezen,22
 
Dynantis dochter, die zij van herten beminde
 
- Zij waren van eender tijd, beid' ook deugdelijk geprezen -.
25
Minerva sloop binnen als 't gedruis van enen winde.25
 
Zij stond bij 't hoofd van de maagd, en sprak (zo 't die verzinde):26
 
 
 
‘Nausicaa, hoe zijdi dus verzuimel geboren?
 
Hoe komt dat ik uw schoon kleedren dus vergeten vinde?
 
Is't u verborgen dat gij tot een bruid zijt verkoren?
30
Gij moet u verchieren, al 't schoon gewaad haalt nu voren;
 
Uw bruigom moet gij er ook schenken van zachten zije.
 
Goed huwelijk maakt goede fame in allemans oren,
 
Het maakt ook de vader en waarde moeder blije.
 
Maar laat ons t'zamen gaan wassen, 't is nu rechts te tije,
35
De dageraad rijst, ik help u met kloeken bedrijve.35
 
Gij blijft niet lange maagd, al acht gij 't nu gekkernije,
[p. 124]
 
- Want de beste van 't land begeren u t'enen wijve -
 
En zult ook zelfs de geslachten zien van uwen lijve.
 
Gaat daaromme vroeg en begeert aan uwen vader
40
Dat hij u met muilen en wagen gerijve,40
 
Om uw mantel, rok, gordels, doeken en kleedren te gader
 
Daarop te voeren; 't is ver, gij komt anders veel spader.42
 
Ook betaamt u bet te rijden dan vermoeid te voetéren.’43
 
 
 
Dit was gesproken; doe vervloog des wijsheids ader44
45
Ten hemelwaarts, daar de goden eeuwig verkeren.
 
Daar is 't volkomen einde van alle begeren.
 
Wind, hagel, regen, vorste noch sneeuw en komt daar omtrent,
 
Een schone heldere klaarheid doet daar vreugd vermeren;
 
De goden verblijden eeuwig in dit hemelse firmament.
50
Derwaarts heeft haar de welsprekende Pallas gewend.
 
 
 
Meteen kwam haar de blinkende dageraad openbaren.51
 
De maagd ontwaakte, en heeft dien droom in haar herte geprent
 
Met verwonderen. Zij gink daar haar ouders waren,
 
Om dit haar waarde vader ende moeder te verklaren.
55
Haar moeder zat bij 't vier in der kameren binnen;
 
Daar kwamen ook alle haar jonkvrouwen vergaren
 
Om de purpuren zijde met haar handen te spinnen.
 
Zij gemoette haar vader, die met zorgvuldige zinnen58
 
Omsingeld van veel grote heren gink na den rade,59
60
Van den Pheacensers beroepen, om hem daar te vinnen.60
 
Hem eerwaardelijk groetende, sprak ze tot Zijn Genade:61
[p. 125]
 
‘Ik wilde, heer, dat gij mijn bede niet en versmaadde,
 
Dat men mij deed' hebben een heerlijke ronde wagen,
 
Opdat ik ter rivieren ga wassen en daarop lade
65
Ons fijne lijnwaad, dat vuil leit; zwaar is 't daar om dragen.
 
Gij verkeert onder de Prinsen: elk zoud' mij beklagen,66
 
Ververste ik u niet met linnen zuiver en rein.
 
Ook hebdi vijf zonen in 't hof na uw behagen,68
 
De twee zijn gehouwd, d'ander zijn nog vrijers gemein;69
70
Die heisen mij alle dage schoon lijnwaad certein70
 
Om ter dans te gaan: dees dingen moet ik al bestellen.’71
 
Van haar huwelijk zweeg ze, dat zeggen hield ze vilein,72
 
Ende dorst het uit schaamt den Konink niet vertellen.
 
Die verstond het alt'zamen: ‘Wilt u’ sprak hij ‘niet kwellen74
75
Waarde dochter; heist maar, gij krijgt al wat gij begeert.
 
Men zal u een wagen inspannen gedekt met vellen
 
Heerlijk en schoon.’ - Voorts heeft hij hem tot den knechten gekeerd
 
En beval 't hun te doen. Die hebben hem dienstbaar geëerd:78
 
D'een liep fluks om de muilen, d'ander heeft niet gewacht,
80
Maar de wagen ontsloopt, en de wielen wel vet besmeerd.80
 
De dochter kwam uit de slaapkamer met een grote dracht81
 
Van dierbaar lijnwaad, en schikte 't op de wagen zacht.82
 
Die werd ingeslagen, zij is erop gezeten.83
 
De Koninginne heeft haar brood ende wijn gebracht,
85
Ook lekker spijzen om met haar maagden te eten,
 
Zij en heeft ook geen olie om baden vergeten,
[p. 126]
 
In een zilveren kruiksken tegens 't verdrogen bedekt.
 
Doe nam ze toom en zweep, en heeft de muilen voortgesmeten;88
 
Die hebben zich al stenende traaglijk voorwaarts gestrekt,
90
Want zij trokken haar met nog veel maagden onbevlekt,
 
Ook al 't lijnwaad, ende zijn aan de riviere gekomen,
 
Daar baden waren, daar de riviere altijd in kwam gelekt:
 
't Vuil water vloot neerwaarts, 't schoon kwam weer vers uit de stromen.
 
Hier sloegen ze de muilen uit de dwingende tomen;94
95
Die gingen daar grazen en haar met wentelen verkoelen.
 
Doe hebben de maagden de kleedren in handen genomen,
 
En begonden te natten te trappen te woelen.97
 
Dees wreef ze, die stampte ze, d'ander gink ze spoelen,
 
Men hoord' er wakkerlijk kloppen wassen en plassen.
100
Echo bootste het haar na uit de omleggende poelen
 
En scheen met haar weerklank dit gedruis te verrassen.101
 
Als nu de kleedren wit als sneeuw waren gewassen
 
Zo gingen zij die op 't gras in de zonne verspreien,
 
Om de lucht te doen ruimen van zeep en van der assen.
105
Zij wiesen haar ook, bruikten d'olie, voorts zonder beien105
 
Stelden zij haar spijs, ende aten in de groene valleien;
 
Terwijl droogde de zon de kleedren: men dorst ze niet wringen.
 
 
 
Verzaad zijnde zag men de maagden haar bereien
 
Om kaatsen, om spelen, om dansen en om springen.
110
Nausicaa begonst haar een lieflijk lied te zingen,
 
Wiens schone gedaant haar uitstak buiten al d'ander jeugd.111
 
Recht als Diana die door het gebergt, om 't wild te dwingen,
 
Haar op der jacht van geitjens oft snelle herten verheugt,
 
En blij werdt als zij haar maagden vindt in eerlijke vreugd,114
[p. 127]
115
't Welk Iupiter's dochters zijn, goddinnekens van 't woud
 
- Daar gij ze licht als haar Prinsesse uit kennen meugt
 
Door haar heerlijke frisheid en schoonheiden menigvoud -:
 
Alzo was dees edel maged met gratiën bedauwd,
 
Dat men ze licht uit alle haar maagden mocht kennen.
 
 
120
Als de kleedren droog waren bereidden haar jonk en oud.
 
D'een sloeg de muilen in, en gink de wagen wennen,121
 
D'ander vouwde de kleedren en bedekte ze voor 't schennen.122
 
Doe dacht Pallas hoe zij Ulyssem best wekken zoud' mogen
 
Opdat hij de maagd, die hem ter stadwaarts moste mennen,
125
Mocht aanschouwen met wakkere vrolijke ogen.
 
De Prinses wierp een bal na haar maagd, die is mis gevlogen
 
Verre in 't water: - zij lachten en riepen met open monden.
 
Ulysses werd wakker; die gink hem om zitten pogen.128
 
Hij begost te bedaren en dacht ter zelver stonden:129
 
 
130
‘Wee mijns! o God in wat land hebdi mij nu gezonden?
 
Zal ik hier ook kwaad volk, wild, en onrechtvaardig besporen,131
 
Oft zijn ze gastvrij en van godvrezende gronden?132
 
Wat vrouwelijker geluid kwam mij daar ter oren?
 
't Schijnt van goddinnekens, die 't gebergte hebben verkoren
135
Om wonen, met dees rivier en dit bos vol graziger broeken.135
 
Oft 't zijn mans die met hun stemmen mijn slape verstoren.
 
Ik wil opstaan, en wat dat zijn mag spoedig bezoeken.’
 
 
 
Alzo kwam hij stillekens uit die bossige hoeken;137
 
Hij scheurde een tak, dicht van bladeren overvloedig,138
[p. 128]
140
Zijn schamelheid te dekken, en gink hem doen verkloeken140
 
Uit den bosse te treden, recht als een leeuwe moedig
 
Die op zijn krachten betrouwt, briesende verwoedig
 
Met verspreide klauwen uit het woud komt geschreden:
 
- 't Hoofd recht hij op en ziet met zijn vierige ogen gloedig
145
Na ossen schapen oft herten om die te ontleden;
 
Die spoort hij onversaagd te verscheuren tot allen steden146
 
Door d'onschamele honger, dwingende tegens 't betamen -:147
 
Zo kwam Ulysses na die eerbare maagden treden
 
Al was hij naakt; den nood verbood hem te schamen.
150
Zij werden hem gewaar, bestoven met bladers met bramen,150
 
Gezwollen van der zee, en vreeslijk in haar aanschouwen.
 
Dies vloden zij verschrikt ginds en herwaarts al te zamen,
 
Behalven Nausicaa: die heeft alleen voet gehouen,153
 
Door Pallas die haar gesterkt had met goed betrouwen;
155
Dies bleef zij moedig staan om Ulyssem te verwachten.
 
Die peinsde oft hij dicht bij haar zijn knien zoude vouwen,
 
Dan van verre bidden met smekelijke klachten157
 
Hem een stad te wijzen en zijn leed te verzachten
 
Met kledinge, door een bermhertige zinne.159
160
Daar docht hem best, om troost in zijn lijden te verpachten,160
 
Van verre te verwekken tot meedogende minne,
 
Om haar niet te vertoornen t'zijnen ongewinne,162
 
En begonst aldus met zijn listige tonge te smeken:163
 
 
 
‘Ik bid u ootmoedelijk, o waarde Koninginne.
[p. 129]
165
Weer gij een god oft een mens zijt, is mij niet gebleken,165
 
Maar zijdi een goddinne, zo werdi van mij geleken
 
Bij Diana, Iupiter's dochter kuis van moede;167
 
Uw frisse schoonheid dunkt mij daaraf een zeker teken.168
 
Maar zijdi een mense, onder menselijke hoede,169
170
Zo zaligt gij uw ouders met drievuldigen voorspoede,170
 
Ook uw broeders: want zij hun al door u mogen verblijen
 
Als gij ter danse gaat, o spruit van edelen bloede.
 
Maar die werdt bovenal gelukkig tot allen tijen
 
Die u te wijve gekrijgt na veel minlijk vrijen.
175
Want mijn ogen nooit mens zo volmaakt in schoonheid zagen,
 
Noch man noch vrouw, die zo eerwaardig scheen aan alle zijen.
 
Zulk een palmentaksken zag ik met groot behagen
 
Neffens Apollo's outaar spruiten in korte dagen,178
 
- Daar ik gereisd was, en vand veel volks op alle wegen -
180
Die mij nog namaals met veel ongeval zouden plagen.180
 
Dat zag ik, en werd door verwondering verslegen,181
 
Want zulk een spruit en was nooit uit der aarden gestegen.
 
Zó ben ik nu ook verbaasd door uw godlijk wezen,183
 
Dat ik beschroomd mij voor uw knien niet en heb gezegen;
185
Want ik ben bedroefd, o Prinsesse uitgelezen.
 
Gister was 't den twintigsten dag dat ik met ankstig vrezen
 
Schipbreukig de toornige zee dus ben ontvloden.
 
Ik voer van 't eiland Ogygia; vloeden en stormen rezen:
 
Die hebben mij hier geworpen, door schikkinge der goden,
190
Die mij mogelijk weder tot nieuw ongeluk noden190
 
Om meer te doen lijden: ik ducht, 't en zal nog niet enden.191
[p. 130]
 
Dus ontbermt doch mijnre, doet bijstand door uw boden,192
 
O Koninginne, daar ik mij eerst toe moet wenden;
 
Ik heb veel geleden, en koom hier bij onbekenden.
195
Wijst mij doch de stad, zo mag ik daarhenen trekken.
 
Schenkt mij ook een gescheurd lakens kleed in mijn ellenden
 
Om mijn vermoeide naakte leden te bedekken.
 
God zal 't lonen, die zal al uw begeerte volstrekken198
 
Met een goed man, gehoorzame kinders, en vreedzaam leven.
200
Men vindt niet beters in dees vergankelijke plekken,
 
Dan daar liefde 't huisgezind godlijke eendracht mag geven
 
En van twee herten een enige wille gaat weven.
 
Zo werdt uw jonstige liefd den nijders kwellende pijne,203
 
Ook aangename vreugd voor die u jonstig aankleven.’204
 
 
205
Nausicaa sprak: ‘Vriend, dien ik hier wonderlijk vijne,205
 
Ende niet zot noch onvernuftig en zijt in den schijne -206
 
Gij weet dat Iupiter deilt onder goeden en kwaden,
 
Zo 't hem belieft, spoed oft onspoed, ziekt' of medecijne.208
 
Hij geeft u mogelijk dit tot behoedsel voor kwaden.209
210
Dus lijdt het willig, oft onwil zoud' u dubbel laden.210
 
Geen lijden werdt verlicht, maar 't bezwaart, door 't bedroeven.211
 
Maar want gij komt bij 't volk, die geen ellendige versmaden,
 
Zo krijgdi kleedren en al dat gij zult behoeven.
 
De stad zal ik u noemen en wijzen zonder toeven:
215
't Zijn Pheacensers die dit land en dees stad bewonen.
 
Alcinous is mijn vader, - zijn weldaad zuldi proeven -216
 
Dien God hier geëerd heeft met koninklijker kronen.’
[p. 131]
 
Dit was gezeid, doe riep ze die vluchtige personen:
 
‘Blijft staan maagden, hoe meugdi voor een mense dus vluchten?
220
Waant gij 't een vijand, die ons enig leed zoud' betonen?220
 
In dit land komen geen vijanden, wilt daar niet voor duchten.
 
God bemint ons, wij genieten vreedzame vruchten,
 
Ook houdt ons een wijde zee van ander landen verscheien;
 
Niemand handelt met ons, men hoort van ons geen geruchten.
225
Maar dees onzalige komt hier verdoold hulpe verbeien,225
 
Dus wilt u alt'zamen om hem te dienen bereien,
 
Trakteert hem wel, want de behoeftige van Gode komen;227
 
Die zeindt dees ellendige man in ons kontreien.
 
Een kleine deugd werdt van God in groter waarden genomen.229
230
Geeft hem spijs en drank, treedt aan, wilt nu niet meer schromen;
 
Gaat, wast hem in de rivier, daar hem geen winden en deren.’
 
 
 
Dees riepen voorts malkandren uit de donkere bomen,
 
En kwamen bij Ulyssem; dien reikten zij kleren.
 
Zij wezen hem waar 't gladde water den wind most ontberen,
235
Gaven hem ook olie, en al dat haar was bevolen.
 
Doe wilde hem Ulysses wassen na zijn begeren
 
En sprak tot haar, huikende onder zijn tak verholen:237
 
 
 
‘Verspreidt u doch, maagden, wilt nu wat van mij dolen,
 
Zo zal ik mij van 't zoute water reinigen mogen,
240
En met olie strijken uit die zilvere fiolen,240
 
Zonder 't welk ik mij nu lang heb moeten dogen.241
 
Want ik en zal mij niet baden voor uwen ogen,
 
Veel te zeer schame ik voor maagden mijn naakte leden.’
 
 
 
Die maagden gingen weg om zulks haar vrouw te betogen.244
[p. 132]
245
Hij sprank in 't water; daar gink hij zijn vinnen verspreden,245
 
En wies zijn schouders, met zijn borst vol godlijkheden,
 
Ook spoelde hij 't zout van zijn hoofd met die zoete riviere.
 
Na 't wassen bruikte hij d'olie en bestond hem te kleden248
 
Met de ontvangen kleren, van die maged goedertiere.
250
Doe scheen hij te heerlijker en schoonder van bestiere250
 
Door Pallas die haar gratie en jonst op hem liet dalen.251
 
Die spreidde zijn haar, zo 't goudbloemken heeft voor maniere
 
Als d'oosterzon op haar lieflijke dauwe komt stralen,
 
Oft als Vulcanus' dienaars om de zilvere schalen
255
Konstelijk werken een gulden blinkenden band.
 
Zo verchierde zij Ulyssem van listiger talen
 
Aangenaam van hoofd en van schouderen tot elken kant.
 
Alzo kwam hij na de maagden van de vochtige strand
 
Verchierd met een manlijk gelaat eerwaardelijk strijken.259
260
De maagd zag hem komen en sprak verwonderd in 't verstand:260
 
 
 
‘Hoort maagden, al de goden in de hemelse wijken261
 
En zijn dees man niet tegens, dat doet zich hier blijken.262
 
Ziet doch wat hij nu is, bij dat hij eerst scheen te wezen:
 
Dunkt hem u niet bij een van den goden te gelijken?
265
O hadden mij de goden zulk een man uitgelezen
 
En die dan hier wilde wonen, wat mocht ik doch vrezen? -
 
Maar spoedt u vriendinnen, stelt spijs en wilt hem drank uitmeten.’267
 
Die deden's, en gaven hem haar kost, ook wijn geprezen.
 
Ulysses heeft terstond hongerig in 't brood gebeten,
270
Want hij was nuchteren, en had in lang niet gegeten.
[p. 133]
 
Nausicaa gink terwijl de kleedren helpen vouwen,
 
En leid' ze op de wagen, daarop zij ook is gezeten.
 
Nadat de muilen geslagen waren in heur touwen,
 
Sprak zij tot Ulyssem met vriendelijker trouwen:274
 
 
275
‘Nu zuldi opstaan vriend, en u ter stadwaart spoeden
 
Om in mijn vaders huis te komen; daar zuldi aanschouwen
 
De Prinsen van den lande, grauwe raadwijze vroeden.
 
Maar doet dus - want gij zijt vernuftig na mijn vermoeden -:
 
Zolang ik door beemden en door akkers zal draven
280
Volgt met de maagden de wagen: ik zal u behoeden
 
Voor dolen, en recht leden met dees langoorde slaven,281
 
Totdat wij bij der stad komen met wallen omgraven.
 
Daar sluit een hoge toorn met een enge poort bei de muren,283
 
Ter zijden leggen veel schepen in een veilige haven
285
Neffens de gerieflijke merkt voor al de geburen.285
 
Hierbij staat Neptunus' tempel van godlijker naturen
 
Groot en heerlijk met gladde vierkante stenen begrepen287
 
Sterk en geweldig om eeuwig te duren,
 
Daar de schippers des winters hun gereedschap in slepen:
290
Ankers, masten, zeilen, riemen, kabels en repen;290
 
Want ons volk en gebruikt geen bogen, noch ouden noch jongen,
 
Maar generen hem ál met haar vliegende schepen;292
 
Daarmee klieven zij den schuimende zee onbedwongen.
 
Dit volksken vrees ik, door haar achterklappige tongen,294
295
Omdat zij hovaardig zijn; want dat zij 't zagen,
 
Iemand zoude zeggen door spijtigheid gedrongen:
 
‘Wat schoonder heerlijker man gink daar achter de wagen?
[p. 134]
 
Waar heeft ze hem gekregen? Is 't haar man? Zal haar dees behagen?
 
Oft zij dees vreemdeling dus vriendelijk heeft ontvangen
300
Uit een vreemd schip - want men hier omtrent geen mag bejagen -300
 
Oft neemt enig god uit den hemel tot haar zijn gangen?
 
Zo mag ze hem eeuwig houen, na haar begeerlijk verlangen.
 
't Is dan fijn dat ze weigerende dus lang heeft gewacht,
 
Om een vreemde te zoeken, en haar daaraan te verhangen!304
305
Nu heeft ze terecht de Pheacenser vrijers veracht,305
 
Die haar te wijf begeerden, de besten en grootsten van macht.’
 
‘Dit zoud' men zeggen, 't waar' een smettinge mijnre namen.
 
Ik zoude zelfs een ander schelden, die onbedacht308
 
Buiten haar ouders weten met een man gink verzamen309
310
Vóór die openbaar bruiloft; het waar' tegens 't betamen.
 
‘Hoort dan vriend, opdat gij u thuiswaart zijt spoeiende311
 
Door mijn vaders hulpe, die hem uwer niet en zal schamen.
 
Bij de weg staat Pallas' bos lustig van bomen bloeiende,
 
Met een doorschijnige fontein in 't rond daarom vloeiende:
315
Daar is mijns vaders tempel, paleis ende hoven,
 
Bezijden een groene beemde vol bloemkens groeiende,
 
Zo ver van der stad, als een stemme de lucht mag kloven.317
 
Daar zuldi blijven wachten, totdat gij meugt geloven
 
Dat ik door de stad na mijns vaders hof mag rijzen.319
320
Als u dan dunken zal, zij zijn nu al boven,
 
Dan gaat in de stad, vraagt na 't hof jongen en grijzen:
 
Het is licht om kennen, een kind zal d'r u wijzen,
 
Want geen Pheacenser, hoe rijk ook, zulk een hof bewoont
 
Als mijn vader Alcinous, dat's boven al te prijzen.
325
Als men n dan de koninklijke woning' heeft getoond,
[p. 135]
 
Treedt vrij door de zale - ziet dat schaamte u niet en hoont -326
 
Tot mijn moeders kamer, die zit bij de glimmende vieren.
 
Daar spint ze purpuren kleedren, 't welk mijn vader verschoont,328
 
Aan een hoge pilare bij haar kuise kamerieren.
330
Daarboven staat de kamer van den Konink goedertieren;
 
Die waarschapt daar als een god vrolijk en heerlijk.331
 
Valt mijn moeder te voet, bidt met droevige manieren
 
Dat ze u doch thuis helpe, klaagt haar uw lijden deerlijk.
 
Al zijdi nog verre, gij komt schier t' uwen lande begeerlijk,334
335
Krijgdi haar jonste; die zal u van als gerijven,335
 
Dat gij haast bij uw vrienden geraakt, rijkelijk en eerlijk.’336
 
 
 
Dit was gesproken, doe gink ze de muilen aandrijven;
 
Zij verliet de rivier, en dede den tred verstijven338
 
Van den beesten, die zij mende dat ze zoetelijk wrachten,339
340
Opdat ze bij Ulysse en haar maagden zoude blijven;
 
Dies zij bij Pallas' bos komende den avond aanbrachten.341
 
 
 
De zon gink onder, Ulysses bleef daar zitten wachten;
 
Die dede zijn gebed tot Minervam rechtevoort.343
 
‘O Jupiter's dochter wilt mijn leed doch verzachten.
345
Hoort mij nu eens, dien gij schipbreukig nooit en hebt verhoord
 
Als mij Neptunus in zee bijna hadde versmoord;
 
Geeft mij dat ik in dès volks jonste mag komen.’
 
 
 
Pallas verhoorde terstond dit begeerlijk woord,
 
Hoewel hij haar nergens bij hem en heeft vernomen.
[p. 136]
350
Want zij ontzag haar oom's gramschap - dat deed haar schromen -350
 
Die was Ulyssis vijand, en dacht hem te betomen351
 
Eer hij nog thuiskwam: 't was Neptunus, god van de stromen.

EINDE VAN 'T ZESTE BOEK ODYSSEAE HOMERI

*op zijn verzoek
3gestegen gedaald
4voegt haar begeeft zich
7heur hen; dik dikwijls
13sterf stierf
14Van door; genoten ontvangen, onder zijn heerschappij gekregen
19van ... wezen in voorkomen en karakter
22schijn gedaante, gestalte
25gedruis suizen
26zo 't die verzinde zoals die zich verbeeldde, zoals 't haar toescheen
35met ... bedrijve met ijverig werken
40muilen muildieren, muilezels; gerijve gerieve, van dienst zij
42spader later
43bet beter, meer
44ader bron
51haar zich
58met zorgvuldige zinnen met gedachten vol zorg
59Omsingeld van omringd door
60Van ... beroepen door de Phaeaken bijeengeroepen; hem ... vinnen zich daar te bevinden, aanwezig te zijn
61eerwaardelijk eerbiedig
66beklagen de schuld geven
68na uw behagen waarin ge plezier hebt, waar ge trots op zijt
69gehouwd gehuwd; vrijers vrijgezellen; gemein allemaal
70heisen ‘eisen’, d.w.z.: vragen, verzoeken: certein voorwaar
71bestellen ervoor zorgen
72vilein onkies, niet zedig
74Wilt u niet kwellen maak u maar niet bezorgd
78dienstbaar dienstvaardig, door dienstvaardigheid
80ontsloopt uit elkaar genomen
81dracht vracht
82dierbaar kostbaar, kostelijk
83ingeslagen in elkaar gezet
88voortgesmeten voortgezweept
94sloegen spanden
97woelen erin te roeren
101verrassen rasser maken
105beien beiden, treuzelen
111haar uitstak buiten uitmuntte boven
114eerlijke gepaste
121wennen wenden
122schennen schenden, d.i. beschadigen, bederven
128hem pogen zich inspannen
129bedaren tot besef komen
131besporen bespeuren, d.i.: zien, vinden
132gronden gemoed, aard
135broeken moerassen
137bezoeken onderzoeken
138hoeken plekken
140Zijn ... verkloeken Zijn schaamdelen te dekken, en ging zich toen verstouten
146spoort tracht; tot allen steden op alle plaatsen
147onschamele bovenmatige (letterlijk: ‘schandelijke’, ‘onbeschaamde’: d.w.z. honger zo hevig dat hij geen schaamte meer kent)
150bestoven bedekt
153heeft ... voetgehouen is blijven staan
157smekelijke vleiende
159door ... zinne uit een barmhartig gemoed
160om ... verpachten om troost ... te verwerven
162t'zijnen ongewinne tot zijn schade
163smeken vleien
165Weer of
167moed gemoed
168daaraf daarvan
169onder ... hoede in menselijke omstandigheden
170voorspoed zegen
178in korte dagen onlangs
180verkeerd vertaald. In 't Latijn heeft die (quae) betrekking op de reis. Hier wrschl. op Apollo
181door verwondering verslegen ‘met bewondering geslagen’
183verbaasd ontzet, ‘stil’ van
190noden roepen
191om meer Zowel rythme als syntaxis doen vermoeden dat mij hier door 'n drukfout uitgevallen is.
192ontbermt ontferm u; boden dienaressen (‘dienstboden’)
198volstrekken vervullen
203jonstige gelukkige, gezegende
204jonstig aankleven in vriendschap verbonden zijn
205wonderlijk vijne op wonderbaarlijke wijze vind
206onvernuftig onverstandig; in den schijne naar uw voorkomen te oordelen
208spoed voorspoed
209kwaden rampen
210laden beladen, bezwaren
211bezwaart wordt zwaarder
216proeven ondervinden, leren kennen
220betonen aandoen
225verbeien verlangend uitzien naar
227trakteert behandelt
229deugd goede daad, weldaad
237huikende hurkende
240fiolen flesje
241dogen behelpen
244betogen verklaren
245verspreden uitspreiden
248bestond begon
250bestier wijze van doen. Hier (door rijmnood?): voorkomen
251jonst gunst
259gelaat uiterlijk; eerwaardelijk eerbiedig; strijken gaan
260't verstand de geest
261wijken streken
262tegens tegen, vijandig
267uitmeten toemeten
274trouwe trouwhartigheid
281leden leiden
283toorn toren
285Neffens naast, dichtbij; gerieflijke voordeel brengende; geburen burgers
287begrepen gesticht, gebouwd
290repen touwen
292generen hem verdienen hun brood
294door om; achterklappige kwaadsprekende
300bejagen bemachtigen, krijgen
304verhangen vergooien
305terecht met recht
308schelden laken
309verzamen omgaan
311spoeiende spoedende
317kloven doorklieven
319rijzen stijgen
326hoont benadeelt
328verschoont tot voordeel strekt
331waarschapt houdt feestmalen
334schier weldra
335jonste gunst; van als gerijven in alles gerieven (van dienst zijn)
336haast spoedig; rijkelijk en eerlijk rijk en geëerd
338verstijven krachtig worden
339zoetelijk wrachten zachtjes trokken
341aanbrachten bereikten? of: ‘meebrachten’?
343rechtevoort terstond
350ontzag vreesde
351betomen bedwingen
prepostterug  begin  verder