terug  begin  verderprepost
[p. 137]

Het zevende boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Nausicaa komt in de stad, ende Ulysses een wijle daarna. Die welke Areten des Koninks Alcinous' huisvrouw om hulpe bidt; ende als zij hem na de maaltijd vraagt hoe dat hij aan die klederen gekomen was, vertelt hij haar alledat hem op zee, van Ogygia tot het land van Pheaca toe, gebeurd was.
 
ULYSSES heeft daar alzo de goddinne gebeden.
 
Terwijl bracht der muilen krachte de maged in der stad;
 
Als zij voor haar vaders heerlijke hof kwam gereden,
 
Hield zij stille; haar broeders kwamen daar getreden
5
Als goden, dees verlosten de muilen moede en mat.
 
Men droeg de kleedren boven, de maagd na haar slaapkamer trad;
 
Een oud kamerwijf deed een krakend vier lichtelijk branden,
 
Euremedusa genaamd, uit Egypten: dees bestelde dat;8
 
- Die eertijds van Pyro t' scheep gebracht was aan deze stranden,
10
Alcinoö tot een geschenk die als Prins van die landen
[p. 138]
 
Gelijk een god over zijn volk vreedzamig regeerde;
 
Dees maart had Nausicaam gevoed van haar kindse banden -12
 
Die 't vier ontstak, en haar na de tafel om dekken keerde.
 
 
 
Ten laatsten rees Ulysses, die na 't stad te gaan begeerde;
15
De gonstige Pallas gink hem met een nevel bedekken,
 
Opdat hem geen Pheacensers' moedwille en deerde,
 
Die hem mochten gemoeten bespotten en begekken,
 
Oft hem vragen wie hij waar', en waar hij wilde trekken.
 
Maar als hij nu in de stad zal gaan, die hem wel behaagt,
20
Zo komt hem de trouwe Pallas tegemoete strekken20
 
Met een emmer op 't hoofd, in schijn van een jonge maagd.21
 
Zij stond voor hem, dies heeft hij haar begeerlijk gevraagd:22
 
 
 
‘Zegt dochter, weet gij Alcinous' hof? Wilt mij verblijden,
 
Ei wijzet' mij - ik mein den Konink die hier scepter draagt.
25
Want ik ben hier vreemd, en heb veel moeten lijden,
 
Eer ik van verren hier kwam; ik ken tot deze tijden
 
Niet een mens in dees stad van al die hier wonen mogen.’
 
 
 
Minerva sprak: ‘Gaarne vader, zoud' ik dat mijden?
 
Gaat met mij, 't hof dat gij begeert zal ik u togen,29
30
Want mijn vader woont daarbij, die nooit mens heeft bedrogen.
 
Maar gaat al zwijgende, ik zal u den weg wel vinnen,31
 
Spreekt geen mensen aan, noch wilt niet meer vragens pogen;
 
Zij zien niet gaarne vreemden, als die geen gasten beminnen.
 
Zij moeien's hun niet, komt hier een uitlandige binnen;34
35
Heur schepen zwemmen door zee, daar zijn ze toe genegen;
 
Die zijn onstadig: zo zijn ook heur lichtvaardige zinnen.’36
[p. 139]
 
Als dat gezeid was, sloegen zij t'zamen op wegen;37
 
Pallas gink voor, zij heeft hem tot een volger gekregen;
 
De Pheacensers en werden Ulyssem niet gewaar,
40
Want hij gink in een dampe, die om hem was gestegen40
 
Door der goddinnen list, dies werd hij niemand openbaar.
 
Ulysses verwonderde hem, ziende met ogen klaar
 
De schoon haven, de ruime merkt, en de lange muren,
 
Ook die wonderlijke wallen, hoog dik ende zwaar.
45
Als zij voor 's Koninks hof kwamen sprak zij ter zelver uren:
 
 
 
‘Vader, nu zijdi daar gij mij bevaalt u te sturen:
 
Dat's 't hof, daar woont die godlijke Prins onder aardse daken,
 
Die zit aan de tafel om 't voedsel zijnder naturen.48
 
Treedt binnen, vreest niet, stoutmoedigheid baat in alle zaken;
50
't Geluk helpt den stouten, uw vroomheid zal 't al wèl maken:50
 
Een vroom man, al is hij vreemd, doet alderbest na 't betamen.
 
Op 't hof zuldi vóór ál de Koninginne genaken,
 
Die ook van 's Koninks geslacht is, Arete met namen.
 
Want Neptunus wan Nausithoum van heerlijker famen
55
Bij Peribea boven alle vrouwen schone
 
De jonkste van Eurimedontis dochters alt'zamen,
 
Die over de hovaardige reuzen droeg de krone.
 
Hij verloor zijn godloos volk, en sterf ook zelfs in persone.58
 
Van deze maagd heeft Neptunus de fleur genoten.
60
Die baarde Nausithoum, Konink tot Pheaca, zijn zone
 
Uit denwelken Rexenor met Alcinous zijn gesproten.
 
Maar Rexenor werd nog jonk van Apollo doorschoten;
 
Die liet achter Aretam een dochter, zijn enige kind.
 
Met dees heeft Alcinous zijn huwelijk gesloten,
65
Die hij boven alle de wereld eert en bemint;
[p. 140]
 
Zodat men geen vrouwe zo waard in 's mans herte en vindt66
 
Dien meer vriendschaps van man en van kinderen geschiedt,67
 
Ook van den burgers, die ze als goddinne hebben gezind,68
 
Want haar elk, als zij in de stad komt, jonst en ere biedt.69
70
Zij is ook deugdlijk, en verlost menig uit verdriet,
 
Ook eindt zij veel twisten, door haar edel verstand.
 
Verkrijgdi haar jonste, al uw treuren is te niet.72
 
Zo werdt den hoop van uw vrienden te zien vaste geplant,
 
Gij komt ook bij wijf en kind gezond in uw vaderland.’
 
 
75
Terstond hierna is Pallas uit zijn ogen verdwenen,
 
Vliegende over zee verliet zij Sceriam te hand,
 
En kwam tot Marathona, ook in 't bewoonde Athenen
 
In Erechteis rijke hof, eer men 't zoude menen,
 
Ja zij dreef daar binnen snelder dan men een oog mag winken.79
 
 
80
Maar Ulysses trad na Alcinous' hof met rasse benen;
 
Daar stond hij stil om met verwondering te bedinken
 
't Gene dat hij daar zag en dat hij hoorde klinken.
 
Want der zalen vloer ende muur was van koper eenpaarlijk:83
 
Den weerglans van dat gladde metaal docht hem te blinken
85
Als de bevende stralen van 't schijnsel der zonnen klaarlijk.
 
Ten einden de zale stond een door, die was niet spaarlijk86
 
Maar rijkelijk en konstig gesmeed van louteren goude,
 
Bezet met twee zilveren posten heerlijk en zwaarlijk,88
 
Ook met zilveren lijsten daar hem een kornijs in vouwde89
90
Van hemelsen lazure: 't verheugden die 't aanschouwde.
 
Een grote zilveren dorpel hield de posten gebonden,
[p. 141]
 
Den rink was zilver, die de klink omdraaien zoude.92
 
Aan elke zijde lagen twee welgemaakte honden,
 
Een van zilver, een van goud, die t'allen stonden
95
De deure zouden wachten met bassen oft janken.
 
Vulcanus had ze zelfs gemaakt en den Konink gezonden
 
Zo konstig dat haar geen oudheid en mochte kranken.97
 
Zij konden bassen en met haar roerende staarten danken
 
Uit list van inwendige wind door verholen gaten.99
100
Die ruime kamer was omzet met heerlijke banken,
 
Daarop lagen zijden tapijten chierlijk boven maten
 
Door jonkvrouwen gewracht, daar de Prinsen op zaten.
 
Die aten en dronken spijs en drank na haar behagen.
 
Daar stonden gulden jongers aan 't outaar, die zag men vaten104
105
Vlammige toortsen om den donker te verjagen,
 
Dies de gasten verlicht door 't grote licht, lichtelijk zagen.
 
Alcinous had ook in zijnen hove vijftig vrouwen.
 
Sommige maalden gele tarwe zonder vertragen,
 
Enige sponnen, andere weefden op haar touwen:
110
Recht als een populiere lustig in 't aanschouwen
 
Haar dichtbladige takken aan allen kanten ontspreidt,
 
Zo zaten ze verspreid; men zag d'olie dauwen
 
Van de fijn webbekens door elk hand die de spoel verbeidt.113
 
Recht als de Pheacensers in 't zeevaardig bescheid114
115
Alle volken ter wereld verre te boven gaan,
 
Zo gaan deze alle vrouwen te boven met abelheid;116
 
Pallas geeft ze vernuft en doet haar handen ter konsten slaan.117
 
Achter aan 't paleis zag men een lustige boomgaard staan
 
Zo groot als twee ossen in vier dagen konnen ploegen,
[p. 142]
120
Ende was met een hoge mure rondsomme bevaan.120
 
Dees had hij vol lustig geboomts bij oorden doen voegen,121
 
Die peren, appels, granaten, en lekkere vruchten droegen,
 
Vijgen en olijven, die haar aders nemmermeer sluiten,
 
Ook winters en zomers haar meester met vruchten genoegen.
125
De westewind blaast daar altijd uit warme konduiten;125
 
Hier doet ze wassen, daar rijpt ze d'overvloedige fruiten,
 
Vrucht volgt bloem, daar weer verse vruchten uit groeien.
 
Men ziet daar ook peer na peer, appel na appel spruiten;
 
D'een vijge jaagt d'ander; de druiven haar ook spoeien
130
Om altijd vol wijns de ranke lastig te vermoeien130
 
Aan veel purpure wijngaards, staande in 't heetste der zonnen,131
 
Die vol druiven hangende van nieuws altijd weer bloeien.132
 
Hier droogt men razijnen, daar werdt de vrolijke wijn gewonnen:133
 
Men treedt ze, men perst ze, men slaat ze in de tonnen.
135
Ter zijden staat een chierlijke tuin vol beddekens kleine
 
Met eeuwige groente, men zoud' 's niet al noemen konnen.136
 
Het een draagt isop, 't ander balsem, 't derde mageleine,137
 
Andren wat anders; elk heeft een schoon rozemarijne
 
Mids in zijn vierkant: die spreien hem elks om breder.139
140
Aan elken zijde vliet een zuiver fonteine;
 
D'een bevochtigt de boomgaard door haar dauwe teder,
 
D'ander straalt onder 't paleis ter stadwaarts neder,142
 
Daar de burgers alt'zamen hun water uit halen. -
 
Dus hadde Iupiter, d' enige giftenbesteder,144
145
Alcinous begaafd, en zijn jonst op hem laten dalen.
 
 
 
De lijdzame Ulysses stond buiten der zalen
[p. 143]
 
Vol verwondering, want dat hij zag scheen boven reden.
 
Maar als dat ophield, vermaande de smert zijnder kwalen;148
 
Die deed hem met verlangen over den dorpel treden.
150
Daar vand hij de grote heren vol vrolijkheden,
 
Die offerden Mercurio met lekkere fiolen151
 
Als zij wilden te bedden gaan, na oude zeden.
 
Ulysses trad door 't huis, en had hem Pallas bevolen;
 
Die heeft hem in een donkere wolke verholen,
155
Totdat hij stond bij Aretem en Alcinoum van hoger aard.155
 
Hij viel Aretem te voet, nu mocht hij niet meer dolen;156
 
Die godlijke wolke verdween: hij werd geopenbaard.
 
Zij verwonderden alle ende waren vervaard,
 
Dat zij een man zagen zo schielijk voor haren ogen.159
160
Ulysses bad Arete, Rhexenor's dochter vermaard:
 
 
 
‘Tot uw en uws mans voeten koom ik ellendig gevlogen
 
Uit vele lijdens dat ik heb moeten gedogen,
 
Ook tot dees gasten; God jon u een zalig leven163
 
Met uw kinderen, en wil uw huizen in voorspoed verhogen,164
165
Ook in eeuwiger eren bij de luiden verheven.165
 
Wilt mij doch hulpe om thuiswaarts te komen geven,
 
Want ik veel lijde ver van mijn vrienden op vreemde wegen.’ -
 
Meteen zat hij in der assen, het vier beneven.168
 
 
 
Zij verstomden al, en hebben een wijle gezwegen.
170
In 't laatst is de Prins Echineus om spreken gestegen.170
 
Dit was onder de Pheacensers d'oudste geboren
 
Ook d'alderwelsprekendste, en wist, zo d'ouders plegen,
[p. 144]
 
Alle oude dingen; dees sprak voor hun alder oren:
 
‘Alcinoe 't betaamt u niet, en 't is tegens 't behoren
175
Dat hier een gast op d'aarde in 't stof zit bij den viere.
 
Elk wacht hier op u, dus stelt hem, o Prinse verkoren,176
 
In een zilveren stoel, recht hem op, naar uw oude maniere.
 
Dan gebiedt den dienaars wijn te schenken met blijden chiere178
 
Zo mogen wij Iupiter met offer danken en prijzen,
180
Die d'eerbare bidders troost, jonstig van bestiere.180
 
Doet hem ook weeldelijk door uw spijswaarderse spijzen.’
 
 
 
Alcinous dit horende deed hem terstond oprijzen.
 
Hij greep Ulyssem met zijn behulpelijke hand
 
En stelde hem in een schone stoel, om eer te bewijzen,
185
Bezijden zijn liefste zone, den vromen Adomant.
 
De maart bracht een gulden lampet vol waters, geplant
 
Op een zilveren bekken: hij wies, zij heeft gegoten.
 
Een ander dekte de tafel lustig en plaisant,
 
De spijswaarderse heeft de spijskamer ontsloten,
190
Die bracht brood en spijs: Ulysses heeft ze lustig genoten.
 
Alcinous sprak tot den schenker: ‘Geeft alle deze heren
 
Elks een beker wijns, uit den alderbesten gevloten,192
 
Tot offer, den dominerende Iupiter ter eren.
 
Hij troost ze al, die 't ootmoedelijk op hem begeren.’
 
 
195
De schenker Pontonoüs heeft de zoete wijn geschonken,
 
Dien bracht hij rondsomme en liet ze niemand ontberen.
 
Als nu elks geofferd had en zijn luste gedronken
 
Zo sprak Alcinous dees woorden, die eerwaardig klonken:
[p. 145]
 
‘Hoort, gij Prinsen en raadsheren, mijns herten gedachten.
200
Elk ga nu slapen, den honger en dorst is gezonken.200
 
Komt morgen weder gij ouders, ik zal u vroeg verwachten,201
 
Om mijn gast vriendelijk te trakteren, tot zijn leeds verzachten.202
 
Zo willen wij ook den goden doen offerande,
 
En op dees mans weerkomste denken, dat hij zonder klachten,
205
Zonder arbeid oft moeite met blijden verstande205
 
Door onzen bijstand mag geraken in zijnen lande,
 
Al waar 't ook verde gelegen, zonder enig verdriet207
 
Meer te lijden, totdat hij komt binnen zijnen warande.208
 
Dan moet hij voorts lijden wat door de Parcas geschiedt,
210
Den draad die zij in zijn geboort sponnen verlangt hij niet.210
 
Maar komt hier een god uit heur luchtige gordijnen,211
 
Dat heeft wat anders inne, zo men dagelijks ziet,212
 
Wanneer zij hun openbaarlijk bij ons verschijnen213
 
Als wij hecatombas offeren uit onze schrijnen,
215
Daar zij bij ons zijn, als wij de waarschappen eten.
 
Maar is 't dat wij ergens een eenzaam wandelaar vijnen,216
 
Men zal 't geenszins zwijgen, want dat hoort men te weten,
 
Omdat wij zo na bij de Ciclopes zijn gezeten,
 
Die wrede reuzen, die zo wildelijk verwoeden.’
 
 
220
Ulysses sprak: ‘Een god te zijn mag ik mij niet vermeten.
 
'k En ben's niet, o Konink, wilt zulks doch geenszins vermoeden.
 
Ik ben hun nergens gelijk: zij zijn vol hemelse goeden,222
 
Maar ik gelijk de sterflijke mensen ellendelijk
 
In jammer en verdriet, in alle tegenspoeden.
[p. 146]
225
Ik zoude veel ongevals verhalen, dat mij schendelijk225
 
Geplaagd heeft, door der goden wille behendelijk;226
 
Maar laat mij eerst, al treur ik, den honger beraden,227
 
Want de klappende tong' kwetst d'ijdele buik inwendelijk.228
 
Niet argers dan spreken, als men den mage zou laden;
230
Die behoort men vóór eens anders ore te verzaden,
 
Al is men ál treurig en van herten zeer bedroefd,
 
Zo ik nu bedrukt ben door mijn oneindlijke kwaden.232
 
Maar den honger vergeet het al, behalven spijs die zij behoeft;
 
Die gedenkt zij altijd, daar lijdt ze niet dat men mede toeft.
235
Gij heren gaat alt'zamen rusten tot den dageraad,
 
Om dan mij ellendige, die zoveel leeds heb geproefd,236
 
In mijn vaderland te brengen, daar 't herte nu al gaat:
 
Bij mijn wijf, bij mijn kind, bij mijn vader, die vroeg en laat
 
Na mijn verlangen, die dus lang heb moeten zwerven.
240
O, mag ik mij bij heur eens thuis zien komen in mijn eerste staat,240
 
Zo wil ik, als 't den goden belieft, vredelijk sterven.’
 
 
 
Elk prees zijn zeggen, zij wensten zijn begeerts verwerven,242
 
En rieden, men zoud' hem thuis voeren om zijn eerbaar spreken.243
 
Zij hadden gedronken, doe zijn ze al na hun erven
245
Thuiswaarts om slapen gaande, uit den hove geweken.
 
Ulysses bleef daar, die heeft hand aan spijze gesteken;
 
Arete met Alcinous bleven hem mede omtrent,
 
Totdat zij hem, verzaad, niet meer en zagen ontbreken.248
 
De maagden droegen de tafel weg, de maaltijd nam end.
[p. 147]
250
Arete zag zijn rok ende mantel, die heeft ze gekend;250
 
Want zij had ze zelfs met haar maagden chierlijk gemaakt.
 
Dies heeft ze haar sprake tot Ulyssem gewend
 
Zeggende: ‘Verklaart mij doch vriend, ik hoor u wèl bespraakt:
 
Wie zijdi? Waan komdi? Hoe zijdi aan dat kleed geraakt?254
255
Zegdi niet dat gij door zee dolende hier zijt gekomen?’
 
 
 
‘O, vertelde ik 's al, Prinsesse, totdat het einde genaakt’
 
Sprak Ulysses ‘'t mocht u verdrieten, ik zoud' ervoor schromen.
 
De goden hebben mij lang gekweld, och, ik heb 's vernomen!258
 
Maar ik zal u antwoorden, al is 't met treurige zinnen.259
260
‘Een eiland, Ogygia, leit verre in de stromen.
 
Daar woont Calypso Atlas' dochter binnen.
 
Dit 's een schone maar listige goddin; in 't spel van minnen
 
En mengt zij haar met goden noch mensen bizondere.263
 
Daar bracht mij Fortuin alleen, tot dienaar dezer goddinne.
265
Iupiter brak mijn snelle schip met blinkende dondere;
 
Dat scheurde mids in zee van boven tot ondere,
 
Daar alle mijn goede gezellen deerlijken bleven.267
 
Maar ik kwam op een wrak - dies ben ik 's nog verkondere -;268
 
Daarop lag ik negen dagen in ankst van mijn leven.
270
Den tienden hebben mij de goden aan 't eiland gedreven,
 
Daar woont de goddinne Calypso, een schone vrouwe.
 
Dees ontvink mij vriendelijk, en heeft mij voedsel gegeven;
 
Zij loofde mij onsterflijkheid, bleef ik in haar landouwe.273
 
Maar 't was al vergeefs, 't hert bleef mijn huisvrouw getrouwe.
275
Zeven jaren lank leefd' ik daar in troosteloos hopen,
[p. 148]
 
En bedauwde met tranen door ellendigen rouwe276
 
De kleedren die zij mij gaf, daar d'ogen stadig op dropen.
 
Maar als 't achtste jaar kwam, en d'ander waren verlopen,
 
Vermaande zij mij vanzelfs om weder thuiswaarts te keren,279
280
Door Gods bevel, oft door haar meedogen's nopen.280
 
Zij stelde mij in 't schip, en gaf mij godlijke kleren
 
Met brood, water en zoet wijn, om lang op te teren;
 
Ook zand zij een gewenste wind tot mijn behagen.
 
‘Alzo zeild' ik zeventien dagen na mijn begeren.
285
Maar als mijn ogen op d'achttiende dag eerst zagen
 
De schaûwachtige bergen van uw land, die verre lagen,
 
Mijn onzalige hert verblijdde ter zelver uren.
 
Och, ik en wist niet van mijn toekomende plagen,288
 
Die mij Neptunus nog zo jammerlijk deed bezuren.289
290
Dees belette mijn weg, en gink mij een storm toesturen,
 
Die ontstelde de zee, en deed vreeslijke golven drijven.291
 
't Schip werd gewenteld, ik konst op mijn benen niet geduren;
 
Het verstrooide aan planken door des winds verstijven.293
 
Ik zwam op de baren, daarin ik vreesde te blijven,
295
Water en wind deed mij 't begeerlijk land genaken.
 
Maar uitgaande docht mij een golf aan morters te wrijven296
 
Tegens een scherpe roots, daar de baren op braken,
 
Die mij diep bedekten: haar zoutheid most ik smaken,
 
Totdat ik weder opkwam; ik week in zee en dreef lanks strand
300
Bij een riviere veilig om in te geraken;
 
Daar kwam ik in, en trad met een vrolijk hert op 't land.
 
Ik werd weder beankst, want de zwarte nacht kwam op hand;302
 
Zo trad ik naakt na 't bos en heb mij om slapen gebogen,
[p. 149]
 
Onder bladen bedekt, die ik daar bij hopen vand.
305
God zendde een rustige slaap in mijn smertende ogen.
 
Vermoeid sliep ik totdat haar Aurora kwam vertogen;306
 
Ja Phebus reed al naar zee om daar zijn paarden te helen,307
 
Doe is de slaap eerst tragelijk van mij gevlogen.
 
Ik werd uw dochter gewaar, die zag haar maagden spelen,
310
Schoon als een goddinne: haar gink ik mijzelfs bevelen.
 
Daar vand ik dat hem zelden in jonkheid openbaart,311
 
Dat's verstand; want jeugd kan niet dan zotternije telen.
 
'k En had's niet verhoopt - zij toonde haar van edelder aard,
 
Gaf mij brood en wijn, ook deed mij die Prinsesse bedaard314
315
In de riviere baden; doe schenkte zij mij dit kleed. -
 
Al dit heb ik u, al ben ik bedrukt, waarachtig verklaard.’
 
 
 
Alcinous sprak: ‘Mijn dochter, vriend, haar niet wel kweet,
 
Dat ze u, die 't haar badt, met de maagden niet hier heeft geleed.’318
 
 
 
‘Beschuldigt doch niet, mijn here, d'onschuldige maagd’
320
Sprak Ulysses ‘zij beval mij haar te volgen gereed320
 
Met haar maagden; mer ik duchtte, 't en heeft mij niet behaagd:321
 
't Zoud' u mogelijk kwetsen dat gij mij zo komen zaagt,
 
Want wij mensen gemeenlijk het kwaad eerst vermoeden.’
 
 
 
Alcinous zeide: ‘Vriend, daarmee is mijn hert niet geplaagd,324
325
't En placht niet lichtelijk in gramschap te verwoeden.
 
Eerlijke zaken scheid' ik nemmermeer van de goeden.326
 
O, gave Iupiter, Pallas, en Apollo mede
[p. 150]
 
Dat gij, zulks als gij zijt, één dink met mij konst bevroeden:328
 
Wilde gij mijn zwager zijn, en ik u mijn dochter dede,329
330
Ik zoud' u huis en goed geven, bleefdi hier ter stede,
 
Waar' 't uw wille; maar niemand zal u hier onwillig dwingen,
 
Want dat verbiedt Iupiter, dien ik dagelijks aanbede.332
 
Tot uw huisvaart zal ik u helpen in alle dingen:
 
Morgen als gij nog slaapt zullen mijn jongelingen
335
Aan strand sporen, oft de zee tot rusten is genegen.335
 
Dan zullen zij u thuis, oft daar 't u believen zal, bringen,
 
Al zijn wij zeer verre van Euboëa gelegen,
 
- Zo ons volk zeit, die 't vonden als zij door de natte wegen
 
Met Radamanthum herwaarts zeilden, en zagen met schromen339
340
Den vreeslijken Tytium uit der aarden gestegen,340
 
't Welk zijn moeder is, ende zijn hier zonder arbeid gekomen,
 
Zodat ze hem op dien dag wederom voerden door de stromen. -
 
Mijn snelle schepen en mijns volks zeekondige praktijken343
 
Zuldi morgen zelfs bevinden tot uwer vromen.’344
 
 
345
De veelwetende Ulysses verblijdde hertelijken
 
En liet zijn begeerlijk gebed ten hemelwaarts strijken.346
 
‘O Iupiter’ sprak hij ‘alderhoogste gerezen,
 
Geeft dat Alcinous al zijn beloften doe blijken!348
 
Zo werdt hij met een eeuwig lof op aarden geprezen,
350
En ik koom in 't gewenste vaderland zonder vrezen.’
 
 
 
Dewijle dees twee aldus nog tezamen spraken,
 
Had Arete haar willige maarten onderwezen352
[p. 151]
 
Op de gaalderij Ulyssis bedde gereed te maken,
 
Te bedekken met tapijten, met schoon zijden laken;354
355
Daaronder zouden ze eerst bonte dekenen spreiden.
 
Die waren met toortsen gegaan volbrengen haar zaken
 
En al wederom gekomen van 't bedde te bereiden.
 
Zij stonden benevens Ulyssem, dien zij zeiden:
 
‘Staat op vriend om slapen, 't bedde is gereed dat na u wacht.’
 
 
360
De rust was hem lust, hij is van den Konink gescheiden,
 
En gink in zijn kamer; daar sliep hij al de nacht.
 
Alcinous werd ook in zijn hoge slaapkamer gebracht.
 
De Koninginne spreidde nevens hem haar beddeken zacht.

EINDE VAN 'T ZEVENDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

8bestelde dat zorgde daarvoor
12maart dienstmaagd; kindse banden windsels ‘van kindsbeen af’
20strekken zich begeven
21schijn gedaante
22dies dus
29togen tonen
31vinnen vinden
34moeien's hun niet bemoeien zich er niet mee, bekommeren zich er niet om
36onstadig veranderlijk, ongestadig, wuft
37sloegen ... wegen gingen zij samen op weg
40gestegen gedaald
48zijnder naturen van zijn lichaam
50vroomheid moed
58sterf stierf
66waard dierbaar, geliefd
67vriendschap genegenheid
68hebben gezind beminnen
69jonst liefde
72jonste gunst
79dreef zweefde
83eenpaarlijk evenzeer, het een zoowel als het ander
86door deur
88Bezet met voorzien van
89kornijs kroonlijst
92zoude moest
97kranken schaden
99Uit list van door een vernuftige vondst, bestaande uit...
104jongers jongelingen; vaten vatten, grijpen
113Van ... webbekens van de fijne weefsels af
114zeevaardig bescheid verstand van de zeevaart
116met abelheid in bekwaamheid
117doet ... slaan doet ze de kunst ter hand nemen
120bevaan bevangen, d.i.: omringd
121bij oorden in rijen; voegen planten
125konduiten buizen, kokers
130lastig met hun last
131wijngaards wijnstokken
132van nieuws opnieuw
133razijnen rozijnen
136groente kruiden
137isop hyssop; balsem kruizemunt; mageleine marjolein
139elks om breder de een al breder dan de ander
142straalt schiet
144giftenbesteder gavenschenker
148vermaande spoorde ... aan; kwale ellende
151fiolen (wijn)-kruiken
155aard afkomst, geslacht
156mocht kon
159schielijk plotseling
163jon gunne
164wil moge
165verheven verheffen
168het vier beneven bij 't vuur
170is ... gestegen heeft zich opgericht
176wacht hier op u wacht op uw bevel, is u onderdanig
178met blijden chiere met blijde feestelijkheid, met feestelijk onthaal
180eerbare bidders achtenswaardige, fatsoenlijke smekelingen; troost helpt, steunt; jonstig van bestiere genadig in zijn handelingen
192Elks elk; uit den alderbesten uit het allerbeste vat
200gezonken bedaard
201ouders oudsten (en dus voornaamsten)
202trakteren ontvangen
205verstand geest
207verde, verre, veraf
208binnen zijnen warande op zijn landgoed
210verlangt verlengt
211luchtige gordijnen hemeltent
212Dat ... inne dat heeft wat anders te betekenen
213hun zich; verschijnen vertonen
216vijnen vinden
222goeden zegeningen
225zoude zou kunnen; schendelijk op ellendige wijze
226Geplaagd bezocht, gekweld; wille behendelijk geheime wil, verborgen beschikking
227beraden verzorgen, van 't nodige voorzien
228kwetst hindert; ijdele lege
232kwaden rampen
236geproefd ondervonden.
240in ... staat in mijn oorspronkelijke omstandigheden
242zijn begeerts verwerven dat hij zou verwerven wat hij begeerde
243zijn eerbaar spreken zijn gepaste woorden
248niet niets
250gekend herkend
254Waan vanwaar
258vernomen ondervonden, ervaren
259zinnen gemoed
263mengt zij haar verenigt zij zich; bizondere vooral (misschien een stoplap om 't rijm)
267bleven omkwamen
268dies ... verkondere daardoor ben ik er nu de verhaler van
273loofde beloofde
276rouwe smart
279Vermaande ... vanzelfs spoorde zij mij aan uit eigen beweging
280nopen aandrift, drang
288plagen bezoekingen, rampen
289bezuren lijden
291ontstelde bracht in beroering
293door ... verstijven door de kracht van de wind
296morters gruis, puin; wrijven beuken
302kwam op hand naderde snel
306vertogen vertonen
307helen bergen, vandaar hier: stallen
311dat hem wat zich
314bedaard zelfbeheerst
318geleed geleid
320gereed dadelijk, zonder aarzelen
321mer maar
324daarmee ... geplaagd daardoor (door argwaan) wordt mijn hart niet gekweld, ‘daar heb ik geen last van.’
326Eerlijke ... goeden ‘van de goeden verwacht ik nooit anders dan rechtschapenheid’?
328bevroeden beseffen, inzien. Vermoedelijk verkeerde opvatting v.h. Latijn: ‘eaque sapiens quae ego utique.’
329dede gaf
332dien ... aanbede tot wie ik dagelijks bid
335sporen speuren, onderzoeken
339schromen vrees
340Tytium Tityos, een reus, zoon van Aarde
343zeekondige praktijken zeevaartkundige ervaring
344vrome voordeel
346strijken gaan
348blijken verwezenlijken
352onderwezen aangespoord
354tapijten spreien
prepostterug  begin  verder