terug  begin  verderprepost
[p. 152]

Het achtste boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

De Pheacensers houden raad van* hun gast. Het schip werdt toegerust om Ulyssem thuis te brengen. Alcinous roept de machtigste der Pheacensers te waarschappe; na de maaltijd werpen de Pheacensers tegens Ulyssem den steen. Demodocus zinget, eerst hetgene dat in 't overspel van Marte ende Venere gebeurde, daarna wat er geviel als men 't houten paard binnen Troyen bracht. Ulysses weent, die men vraagt wie ende van wanen§ hij is.
 
OMTRENT het rijzen van de lichtbrengende dageraad
 
Trad Alcinous uit den bedde met wakkere benen.
 
Ulysses rijst mede ende zoekt tot zijn plage baat.3
 
De Konink vóór al d'ander met goeden behage gaat4
5
In der Pheacensers raad, en is eerst bij 't schip verschenen.
 
Zij kwamen ook, en zaten bij hem op gladde stenen.
 
Hiertussen gink Pallas door de stad van d'een tot den anderen
 
In zulk een schijn dat men 's Alcinous' dienaar mocht menen.8
 
Om Ulyssis hulpe sprak ze tot d'ommestanderen:
[p. 153]
10
‘Welop, gij Prinsen, en raadsheren, gaat bij malkanderen,
 
Voegt u in den rade, zo meugdi de gast aanhoren11
 
Die gister in 's Koninks hof is komen wanderen.12
 
Hij komt over zee, en schijnt van den goden geboren.’
 
 
 
Dit sprak ze en ontstak begeerlijk elks oren.14
15
Terstond kwam de markt vol volks van alle kwartieren.
 
Elk zag Ulyssem van achter en van voren,
 
Verwonderd door zijn gelaat, heerlijk in 't bestieren.17
 
Want Pallas gink hem met godlijke gratie verchieren:
 
Zij maakte hem groter en frisser in 't gezichte,19
20
Den Pheacensers aangenaam in alder manieren,
 
Ook treflijk en eerwaardig, opdat hij 't gevichte21
 
Ende spel met henluiden t'zijnder eren uitrichtte,22
 
't Welk de Pheacensers met hem nog zouden bestaan.23
 
Tot dezen sprak Alcinous, als hij ze veel en dichte
25
Omtrent hem vergaderd vand, en zag ze minnelijk aan:
 
Hoort, gij Hertogen en Prinsen, na mijn vermaan,26
 
Want ik u mijns herten zinne moet verklaren.27
 
Dees vreemde man ken ik niet, die hier verdoold komt belaân28
 
Of van Eois, oft van Hesperiën door de baren,
30
En bidt ons dat wij met hem thuiswaarts zouden varen.
 
Dus laat ons hem thuis helpen, zo wij ooit anderen plegen,31
 
Want nooit kwam iemand in mijn huis met treurig bezwaren,32
 
Die lange door bijstands gebrek hier is gelegen.33
[p. 154]
 
Maakt een goed schip ree om drijven door die vochtige wegen,
35
Kiest tweeënvijftig jongelingen uit mijn onderzaten,
 
Van de besten, vroom, om de schuimende zee te vegen.36
 
Bereidt voorts een maaltijd, gij jongers, heerlijk uitermaten37
 
In mijn hof, want ik geef die open voor alle staten.38
 
Komt mede te hove, gij Prinsen en edele heren
40
Om mijn gast te trakteren, willet' geenszins laten.40
 
Roept ook Demodocum den zanger, dees man ter eren:
 
God heeft hem de konst van lustig te zingen gaan leren,
 
Zo dik de Musae zijn gemoed beweegden in 't zingen.’
 
 
 
Doe gink de Konink voor, zij volgden al met begeren;
45
Een dienaar liep om den Musicien op 't hof te bringen.
 
Men verkoos ook tweeënvijftig rasse jongelingen;46
 
Die zag men na de zeestrand behendelijk spoeden.47
 
Op strand zijnde, gink 't op een trekken schuiven en dringen48
 
Totdat zij 't schip met macht deden drijven in de vloeden.
50
Zij droegen d'r de mast inne met alle scheepsgoeden:
 
Ankers, zeilen, riemen en pekkige touwen.
 
De riemen hechtten zij met leer om wel te voorhoeden,52
 
Het vluchtige zeil gingen zij doe luchtig ontvouwen,
 
En dreven in 't diep, wachtende Ulyssem met trouwen.
55
Maar al d'ander spoedden hun na de koninklijke zalen:
 
't Gantse hof mocht men vol woelende mensen aanschouwen,
 
Oud en jonk, elk kwam tot de feestelijke malen.
 
Alcinous dede twaalf vette schapen halen,
 
Twee gladde ossen, acht luie wittandige zwijnen,
60
Die werden gedood. Men bereidde daar zonder dralen
 
Een heerlijke maaltijd van alderlei spijzen en wijnen.
[p. 155]
 
De zanger werd gebracht om droefheid te doen verdwijnen,
 
Dien Musa minde, zij had hem goed en kwaad gegeven:
 
Een lieflijke zang, maar 't licht mocht in zijn ogen niet schijnen.
65
Men stelde hem een stoel met zilvere nagels doordreven.
 
Mids in de zaal stond een kolom, daar zat hij beneven,
 
Zijn klinkende harpe werd gehangen aan een hake
 
Boven zijn hoofd: men wees hem, hoe hij 's daaraf zoude heven;68
 
De dienaar dekte hem een tafel t'zijnen gemake
70
Met lekker eten, ook wijntjen van edelen smake.
 
Zij waren ál gezeten, elk sloeg hand aan de spijzen.
 
Als den honger gepaaid was, en zij kwamen aan de sprake,72
 
Ontstak Musa des zangers geest, die zij gink onderwijzen
 
Hoe hij de daden der heerlijker mannen zoude prijzen
75
Wiens lofwaardigheid ook den hemel hadde doordrongen.75
 
Hij zank den twist, die men in der Prinsen waarschap zag rijzen76
 
Daar Ulysses en Achilles malkanderen besprongen77
 
Met bittere woorden ende toornige tongen,
 
Dies hem Agamemnon der mannen Konink verblijdde,
80
Dat de Prinsen der Grieken zo keven onbedwongen.80
 
Want dit hadde hem Apollo geprofeteerd ten tijde
 
Als hij in Pythia's tempel raads vraagde aan d'een zijde,
 
Doe Trojanen en Grieken 't eerste leed mosten gedogen
 
Door Iupiter's wille, gebieder in vreed' en in strijde.
 
 
85
Dit zang die meesterlijke zanger al ongelogen.
 
Ulysses dekte met het kleed zijn tranende ogen,
 
En liet zijn schoon aanzicht onder den mantel zinken
 
Uit schaamte, dat niemand zijn wenen zien zoude mogen.
 
Maar als de zanger afliet, dat men hem eens dee schinken,
90
Droogde Ulysses de tranen, die d'ogen deden blinken,
[p. 156]
 
En gink zijn treurige hoofd weder naakt ontdekken,
 
Den ronden beker nemende om eens te drinken.
 
Demodocus zank weder, door elkerlijks verwekken,93
 
Men zag uit zijn woorden de Prinsen tot vreugden strekken.94
95
Ulysses dekte zijn hoofd en treurde eenpaarlijk95
 
Smeltende in tranen. Dit zag niemand daar ter plekken
 
Dan Alcinous alleen; die merkte dat klaarlijk:
 
Hij zat hem naast en hoorde zijn verzuchtinge zwaarlijk.98
 
Dees sprak tot de Pheacensers uit meedogende deugd:99
 
 
100
‘Hoort alle gij Prinsen en raadslui, wij zijn nu waarlijk
 
Van spijze verzaad, en door die klinkende harpe verheugd,
 
Die is in waarschappen bekwaam en oorzaak van geneugt.102
 
Gaan wij nu der edelen kortwijl verzoeken met hopen,103
 
Zo ziet ons gast hoeveel gij boven anderen vermeugt,
105
Om den zijnen, als hij thuiskomt, uw konst te ontknopen105
 
In worstelen, steenwerpen, springen, ook in lopen.’
 
 
 
Dit gesproken hebbende trad hij voorhenen.107
 
De dienaar is met Demodocum ook van 't hof gedropen,108
 
Als de hake den herpe droeg met haar knersende zenen.109
110
De blinde greep des dienaars hand, daar hij aan gink lenen,110
 
Die volgde hij met stootvoeten en tastende gangen:
 
Zo waren twee ogen de leiders van vier mans benen.
 
Der Pheacensers Prinsen haastten ook met verlangen
 
Ter merktwaarts, om verlustinge uit dit spel t'ontvangen.
115
Heur volgden veel volks, om den verwinners met lof te lonen.
[p. 157]
 
Doe rezen de jongelingen met heur gladde wangen:
 
Acroneus ende Ocyolus gingen hun vertonen,
 
Ook Elatreus, Nauteus, Primneus, al Prinsenzonen,
 
Met Anchiolus, Eretmeus, Ponteus en Protheus moedig.
120
Thoöm en Anabesineus zochten ook der eren kronen.
 
Amphialus, Polinius' zoon, rees mede spoedig,
 
Eurialus ook, gelijkende Mars den strijdgod bloedig.
 
Doe stond Naubolides op, d'alderschoonste, vermaard
 
Van gedaant en van leden naast Laodamas goedig.124
125
Daarna hebben zich de drie Koninkskinderen geopenbaard,125
 
Laodamas, Halius, en Clytoneus godlijk van aard.
 
Alle deze zag men eerst gierig tot lopen gesteld.
 
Zij sprongen op der loop, van daar zij gelijk stonden vergaard,128
 
En vlogen snellijk in een wolke van stof door 't ruime veld.
130
Clitoneus liep de lichtste, ende heeft ze ál versneld130
 
De lengte van twee muilen in 't ploegen over een krocht:131
 
Zover kwam hij voor d'andere bij 't volk, door lopens geweld.132
 
Doe werd de manlijke worstelinge bezocht,133
 
Daar heeft Eurialus al de sterkste t'ondergebrocht.
135
Amphialus was verre de luchtigste in 't springen,
 
Met steenwerpen heeft Elatreus hem zelven prijs gewrocht,136
 
In 't gevecht kost Laodamas al d'andere bedwingen.137
 
 
 
Als zij hun nu alle vermaakt hadden in deze dingen
 
Sprak Alcinous' zoon Laodamas met goede reden:
140
‘Laat ons dees vreemde vragen oft hij niet voort kan bringen140
[p. 158]
 
Van dat hij weet oft geleerd heeft, hij schijnt niet slecht van zeden.141
 
Beziet zijn armen en benen, help God, welke leden!
 
Merkt op dien dikken hals, zijn daar geen strijdbare krachten?
 
Hem ontbreekt geen jeugd, maar schijnt gezwakt door droefheden.
145
Om een mens te kranken zoud' ik niet verderflijkers achten145
 
Dan de zee, al waar' men ook sterk en van groter machten.’
 
 
 
‘Gij zegt wel Laodama’ sprak Euryolus rechtevoort147
 
‘Gaat, beroept hem vrij, en verklaart hem uwe gedachten.’148
 
 
 
Terstond gink Laodamas daar hij Ulyssem heeft bespoord.149
150
‘Komt’ sprak hij ‘vader, uw konsten ook met ons oorboort,150
 
Bezoekt wat wij konnen, indien gij ooit wat ginkt leren151
 
Van dees oefeninge, die u zonderling toebehoort.152
 
Want men vindt niet dat 's mensen lof meer kan vermeren153
 
Dan zich dapper met hand en voet te konnen verweren.154
155
Bezoeket' dan, wilt droefheid uit der herten verjagen,155
 
Want uw reize is voorhanden, gij krijgt al uw begeren;
 
't Volk is gereed, en 't schip leit op stroom dat u thuis zal dragen.’
 
Doe sprak de wijze Ulysses: ‘Wat koomdi mij plagen
 
O Laodama, waarom spot gij mijns tot dezer uren?
160
Mijn hert denkt op geen spelen, maar treurt met innerlijk klagen,
 
Als die veel hebbe geleden en moeten bezuren.161
[p. 159]
 
Nu toef ik onder u, oft men mij thuiswaarts zal sturen,162
 
Daar ik den Konink en al 't volk om bidde met smeken.’
 
 
 
Eurialus scheldde hem en sprak met schampere kuren:164
165
‘T'onrecht werdt gij, o gast, bij strijdbare mans geleken,
 
Zo daar veel in ridderlijke daden zijn gebleken,166
 
Maar zijt den schippers gelijk die om vracht ter zeewaart dolen,
 
Oft den kooplui, die om baat hun leven in zorge steken,168
 
Loerende oft ergens een roofken lage verholen.
170
Want gij komt uit gierige, niet uit strijdbare scholen.’
 
Ulysses zag hem strengelijk aan ende sprak te hand:
 
‘Gij spreekt niet eerlijk, vriend, uw moedwille doet u dolen.172
 
God heeft zijn gaven niet gelijk in den mensen geplant.
 
Een goede natuur, welsprekendheid, ende kloek verstand174
175
Komt zelden bij één mens. D'één is niet schoon van lichame,
 
Maar God verchiert hem weder met een sprake plaisant
 
Zodat elks ore verlustigt door zijn woorden bekwame;177
 
D'ander spreekt wijslijk, en verwerft een goede fame
 
Door zijn goede zeden, dies 't volk als een god na hem haakt;179
180
De derde verdient door zijn schoonheid een godlijke name,
 
Maar hij is onvernuftig en kwalijken bespraakt.181
 
Alzo heeft u God ook op 't alderschoonste gemaakt,
 
Maar een heuse mond ontbreekt u en deugdlijke zinnen.183
 
Want gij tergt mijn herte als gij onvernuftig laakt
185
Dien gij niet en kent, en die men niet onverzocht zal vinnen.185
 
Als ik jonk en sterk was, hield ik mij om strijdens beginnen186
 
Van den besten, maar nu kwelt mij droefheid aan allen hoeken;187
[p. 160]
 
Na veel vechtens wilde mij de zee nog verslinnen.188
 
Al heb ik veel gedoogd, nochtans zal ik mij verkloeken189
190
Met uitgeteerde leden dit spel ook te bezoeken190
 
Door uw tergen, want gij spreekt spijtig boven schreven.’191
 
 
 
Fluks wierp hij den mantel af; men hoorde hem schelden noch vloeken,
 
Maar nam den grootsten steen die daar was leggen gebleven,
 
Voor henlui te zwaar: dees heeft hij luchtig opgeheven
195
En met manlijker hand boven zijnen hoofde gezwongen.195
 
Doe werd ze van zijn toornige kracht geweldig gedreven196
 
En kwam al wentelende door de lucht gewrongen,197
 
Totdat ze met een groot geklank op d'aarde is gesprongen.
 
Een deel der Pheacensers doken schielijk ter aarden
200
Beankst voor des steens kracht, die snellijk aan kwam gedrongen
 
En dreef over hun alder tekens met rasser vaarden,201
 
Daar nog veel lichte sprongen Ulyssis macht verklaarden.
 
De steen rolde voort, doe gink ze haar krachteloos spreien.
 
Pallas stelde het teken en sprak tot den man van waarden204
205
In eens Pheacensers gedaant van dier kontreien:
 
 
 
‘Vriend, een blinde zoud' tastende dees tekens onderscheien,
 
Want verre zijdi voor, niemand is er na oft bij.
 
Rust daar vrij op, wilt u niet weer tot werpen bereien;
 
Geen van hun allen en komt daar omtrent, gelooft dat vrij.’
 
 
210
Ulysses kende haar stemme, het maakte hem blij210
 
Dat hij zijn waarde gezellinne zag op der banen.211
[p. 161]
 
Hij sprak goedlijk: ‘Werpt daar eerst over, gij jongers! verwindi mij,212
 
Ik werpe haast nog zulken een, oft verder, zoud' ik wanen.
 
Wie 't nu lust, die mag 't bezoeken, 't behoeft geen vermanen:214
215
Gij hebt mij beroepen, komt voort! 'k en zal niemand mijden
 
In werpen, worstelen, oft in lopen lanks de planen216
 
Dan Laodamantem; hem wil ik niet tegens mij lijden,
 
Want dat is mijn waard. Wie zoud' tegens zijn vrienden strijden?218
 
Die zijn waard bestrijdt, is zot, hij doog niet en doet vijandig,219
220
Want dees verwert zijn zaken, en doet hem benijden.220
 
Dit zal ik mij wel wachten, want ik ben hier uitlandig.
 
Geen van d'anderen weiger ik, die 't spelens lust brandig;222
 
't Verzoeken lust mij nu ook opentlijk van mijn vermogen,223
 
Want in geen ridderlijk spel ben ik onverstandig,
225
Ik weet ook wel te leven met de klinkende bogen,225
 
En tref in een schaar vijanden d'eerst die men mij wil togen:226
 
Al waar' hij ook omsingeld met duizend gezellen,
 
Die één moet alleen den wond mijns geschuts gedogen.228
 
Niemand vand men voor Troyen die bat zijn pijl konste stellen229
230
Dan ik, zonder Philotetes: die mocht ze al versnellen,230
 
Ook gink hij mij alleen, onder alle Grieken, te boven.
 
Van al dat nu leeft, wil ik niemand neven mij tellen,232
 
Maar bij d'oude mannen en wil ik mij geenszins loven.
 
'k En wil Herculem noch Euritum haar ere beroven,
235
Die hun ook in wèl schieten roemden tegens de goden.235
[p. 162]
 
Dies sterf Euritus nog jonk zijnde, en werd verschoven236
 
Van Apollo, die vergramd zijnde hem gink doden
 
Omdat hij hem tot schieten dorst beroepen ende noden.238
 
Met de piek werp ik zo ver als een ander met de pijle.
240
In 't lopen, ducht ik alleen, waar' ik haast voorbij gevloden,240
 
Want de zee mijn benen verstramd heeft een lange wijle
 
Als ik in de koude vloeden dreef menigen mijle,
 
Omdat ik onbekwaam was een schip te bestieren;
 
Dus is elk van mijn benen zo stram als een stijle.’
 
 
245
Zij zwegen alt'zamen stille als versaagde scholieren.
 
Doe sprak Alcinous alleen, de Konink goedertieren:
 
‘'t Is ons aangenaam, vriend, al dat wij u horen melden.
 
Gij wilt uw vroomheid tonen, uw manlijke manieren248
 
Die u altijd bij zijn, omdat zij u eerst ontstelden249
250
Door dien jongelink, die u eerst bestond te schelden.
 
Wie verstand heeft die moet prijzen uw ridderlijke deugd.251
 
Niemand derf u meer porren, zulke mans vindt men zelden.252
 
Maar hoort mij, opdat gij ander Prinsen ook zeggen meugt
 
Als gij u thuis bij wijf en bij kinderen verheugt,
255
Daar gij onzer gedenkt en ons name in eren verbreidt,
 
Wat ons ouders oefenden, en wij ook van onzer jeugd.
 
Want Iupiter heeft elk zijn eigen hanteringe opgeleid.257
 
Wij zijn geen vuistvechters, noch meesterlijk ten kampe bereid,258
 
Maar kloeke zeelui, en lopen ook met snelle voeten.
260
Tot waarschappen, tot snaarspel, tot dansen strekt ons naarstigheid;
[p. 163]
 
Schoon kleedren, badstoven, zachte beddinge ons lusten boeten.261
 
Springt op dan, gij meester-dansers, om druks verzoeten,262
 
Zo vertelt dees goede here den zijnen alle dingen:
 
Dat alle mensen voor uw behendigheid wijken moeten
265
In wel zeilen, snel lopen, konstig dansen en zingen.
 
Iemand loop ras, om Demodoco den herpe te bringen,
 
Die ergens mag hangen binnen onze zalen.’
 
 
 
Terstond was daar een dienaar gereed, die liep geringen268
 
Om den melodieuzen herpe van 't hof te halen.
270
Negen oversten van den spelen, die met kloeke talen
 
Elks zijn ordene gaven, zijn doe opgerezen,271
 
En stelden een lustigen dans daar niemand mochte falen.
 
De dienaar bracht de harpe met haar klinkende pezen,
 
Men leidde Demodocum onder die dansers geprezen.
275
Dees jongers stonden gereed, men mocht ze niet verfraaien,275
 
Ende hebben zulk een meesterschap in 't dansen bewezen276
 
Met luchtig springen, konstig drillen en snellijk te draaien277
 
- 't Welk de kleedren als klokken rondsom 't lijf dede waaien -
 
Daar zij de voeten zo roerden en zo lichtelijk sprongen,
280
Dat Ulysses verwonderde door 't ras keren ende zwaaien.
 
 
 
De herpslager stond in 't mids, en heeft lieflijk gezongen
 
Hoe die wrede Mars door Venus' liefde was bedwongen282
 
Als zij eerst heimelijk in Vulcanus' huis bij hem paarde,
 
Diens bed zij schendden, dies haarveel leeds op kwam gedrongen;284
285
Want de zonne zag eerst dat elk naakt bij ander vergaarde,
 
Hij was de klappaard die dat Vulcano verklaarde.286
[p. 164]
 
Die haastte hem na zijn forneis vol treurigheden.287
 
Hij dacht hun niet goeds, zo 't nog namaals openbaarde:288
 
Want hij stelde 't aambeeld en gink daar spoedelijk smeden
290
Onbrekelijke banden, om die listig te spreden290
 
Op Mars zijnen vijand, en die te brengen in schanden.
 
't Was haast volmaakt, doe gink hij ter kamerwaarts treden292
 
Bij zijn bedde, daar die twee lievers in minnen brandden.
 
Dat gordde hij van allen kanten met zijn stalen banden,
295
En hechtte die aan de balken, vol bedrieglijke zinnen,295
 
Zo listig dat ook niemand van de godlijke verstanden296
 
Daar enige netten oft strikken hadde mogen vinnen,297
 
Want het was zo subtiel als 't weefsel eender spinnen.
 
Als hij Martem in 't bed zo behendig hadde belaagd,299
300
Veinsde hij na Lemnum te gaan - dees stad plag hij te minnen.
 
D'ontrouwe Mars en heeft zijn tijd niet vertraagd,301
 
Als hij Vulcanum zag reizen, dat hem wel heeft behaagd,
 
Maar gink na Vulcanus' huis, blind van amourense dromen,
 
En trad bij zijn beminde Venus stout en onversaagd,
305
Die eerst van haar vader Iupiter was gekomen.305
 
Zij zat binnenshuis, hij heeft ze in d'arme genomen,
 
En haar vriendelijk kussende bad hij haar op der stee:307
 
‘Komt Prinsesse, te bedden, laat ons slapen zonder schromen,
 
Vulcanus is gereisd na Lemnum, hij is nu t'zee.’
 
 
310
Zo sprak hij. Was hem 't bijslapen lief, 't behaagde haar mee:
 
Zij gingen na 't bed om verpachten wellusts exchijzen.311
 
Slapende bevink haar Vulcanus' net, daar Mars tegens stree,
[p. 165]
 
Maar hij mocht hem niet roeren, noch uit den bedde rijzen.
 
Doe merkten zij dat het ontvlieden na ouder wijzen
315
Gedaan was; Vulcanus keerde weder door 't kwaad vermoeden
 
Eer hij van Lemno kwam; zijn list docht hem waard om prijzen:
 
- 't Was hem van der zonne gezeid, die 't spel voor hem gink hoeden.317
 
Met bedrukter herten zag men hem thuiswaarts spoeden;
 
Hij riep vóór deure, vergramd door jaloersheid knagelijk,
320
Dat' al de goden hoorden; 't scheen hij bestond te verwoeden:320
 
 
 
‘O Iupiter, en gij zalige goden behagelijk,321
 
Komt, ziet doch dit lasterlijk feit, al is 't mij ondragelijk;
 
Ziet hoe Venus mij hinkaard altijd veracht en onteert!
 
Den verderflijken Mars mint ze, ik betoon 't nu klagelijk,324
325
Dien zij om zijn schoonheid en rasse voeten begeert.325
 
Daartegens ben ik zwak, maar 't meeste is dat mij deert:
 
Twee ouders, die 't niet behoorden, hebben mij geteeld.
 
Ziet doch hoe onschamel zijn ze tot elkander gekeerd!328
 
Fij, bloedhond, zo stout dat gij dit op eens anders bedde speelt!
330
Daar leit die hoere, ach, mijn hert door 't aanschouwen nog kweelt.330
 
Zij zullen, hoop ik, niet meer in 't overspel verblijen,
 
Hoewel d'een d'ander door liefde lijf en ziele toedeelt.
 
Wat geldt het, oft ankst zal haar voorts d'onkuisheid doen mijen?333
 
Zij moeten heur in de bedrieglijke banden lijen,334
335
Daarin ik ze zo schandlijk denke te houen
 
Totdat ze mijn vader met de morgengaaf zal vrijen
 
Die ik hem gaf, voor die onkuiste van alle vrouwen,
 
Als hij mij dit schone, maar hoerachtig wijf dede trouwen.’
[p. 166]
 
De goden vergaderden daar met groot gedruis.
340
Neptunus, schudder van d'aarde, kwam 't ook aanschouwen,
 
Mercurius met Apollo zag mede dit feit onkuis,
 
Maar de goddinnen bleven alt'zamen uit schaamten thuis.
 
Als de goedgevende goden voor de deure stonden,
 
Begonsten zij al te lachen om 't eerloze konfuis,344
345
En zagen Martem vast door Vulcanus' liste gebonden.
 
Doe sprak er een tot dien hij naast bij hem heeft gevonden:
 
 
 
‘Zulk werk, zulk loon, de trage achterhaalt ook de snelle.
 
Als hier dees lamme Vulcanus Martem vangt in zijn zonden,
 
Leit de snelste der goden door stompvoet niet in 't gekwelle?349
350
Hij is lam, maar loos, en listig van opstelle.350
 
De sterke Mars moet gelden, list gaat hier boven krachte.’351
 
 
 
Dit en dezer gelijk zeide elk tot zijn gezelle.
 
Apollo sprak tot Mercurium, die hertelijk lachte:
 
‘Zegt doch, gij Jupiter's zoon, de waarheid van uw gedachte:
355
Zoudt gij die beschamende sterke strikken ook vrezen,
 
Mocht gij bij die schoon Venus leggen een vrolijke nachte?’
 
 
 
Mercurius bedacht hem niet lange in dezen;
 
Hij zeide: ‘O Konink Apollo, mocht dat eens wezen,
 
Al zoud' hij mij nog met driemaal sterker netten vangen,
360
En mij al de goden mosten zien in schanden misprezen,
 
Nog zoud' mij 't bijslapen van die schone Venus verlangen.’
 
 
 
Doe lachten de goden luide, met vrolijke wangen,
 
Behalven Neptunus; die heeft Vulcanum gebeden
 
Dat hij Martem wilde verlossen uit zulk verstrangen.364
[p. 167]
365
‘Ontbindt hem doch terstond’ sprak hij ‘laat hij hem kleden,
 
Ik word zijn borge; hij zal voldoen na recht en na reden,366
 
Dat belove ik u, in 't bijzijn van alle deze goden.’
 
 
 
Daarop sprak de lamme Vulcanus, konstig in 't smeden:
 
‘Dat wacht ik mij wel, Neptune, wilt mij daar niet toe noden.
370
Zoud' ik borg betrouwen? 't Betalen staat tot mijn geboden!370
 
Hoe mocht ik bij de goden mijn schade aan u verhalen
 
Als Mars weg waar', en zijn schulde met de banden ontvloden?’
 
Neptunus antwoordde: ‘Lost hem, laat uw gramschap dalen;
 
Ontloopt u Mars, weigert hij, ikzelfs zal 't betalen.’
 
 
375
‘Dies ben ik tevreden, 't zoud' mij anders ook niet betamen’
 
Sprak Vulcanus, ‘ik zal ze lossen uit dezer kwalen.’
 
Meteen sloeg hij 't net met konstiger hand van heur lichamen.
 
Zij sprongen uit die bedrieglijke strikken vol beschamen.
 
Elk gink zijns weegs, Mars is na Thracien gedoken;379
380
Venus daalde na Cypers, daar tot eer haarder namen
 
Een bos gewijd is, en d'outaars van vetten offer smoken.
 
De Gratiën wiesen haar, noch haar heeft niet ontbroken
 
Onsterflijke olie over haar ledekens blank,
 
Die zij onder haar schoon klederen heeft beloken.384
 
 
385
Dit was 't geen dat die konstige zanger op der herpen zank.
 
Ulysses verlustigde door dat zoete geklank
 
Met al de Pheacensers wijd en breed ter zee vermaard.
 
Alcinous beval te kaatsen en springen met leden rank
 
Halium en Laodamanta na konstiger aard.
390
Elk kende dees zijn meesters, die er ooit tegens was vergaard.390
[p. 168]
 
Nadat zij de schone bal namen, om spelens te pogen,391
 
Die hun Polybus gemaakt hadde van purpure waard,392
 
Sloeg ze d'een hoog in de lucht, achterwaarts omgebogen;
 
D'ander gink hem met een sprong van d'aarde verhogen
395
En sloeg den bal weder, eer zij 't plaveisel genaakte,395
 
Alzo in de lucht verheven, verre uit den ogen.
 
Na 't kaatsen, daar elk vóór ander den bal konstelijk schaakte,397
 
Begonst men dansens en springens, dat hun al vermaakte.
 
Zij beweegden haar voeten met behendige sprongen,
400
Hun hielen dreven luchtig, geen voet d'aarde geraakte.400
 
Aan weerzijden zaten jongers die om strijd daarop zongen401
 
Met klare klinkende kelen in 't wilde onbedwongen.
 
Dit zingen en springen bracht vrolijk rumoer in 's Koninks woning.
 
Doe zeide Ulysses met vernuftiger tongen:404
 
 
405
‘Gij preest uw dansers de beste, deurluchtige Koning;
 
Dat blijkt nu klaarlijk voor ogen, zij doen 's hier vertoning.
 
Ik zit verwonderd door zulk overkonstig hanteren.’407
 
 
 
Alcinous verblijdde om d'ere, des konst beloning,
 
En sprak tot den Pheacensers daar hij hem toe gink keren:
410
‘Hoort alt'zamen, gij Hertogen, Prinsen en heren.
 
Mijn gast dunkt mij zeer wijs en van bezochten verstande;411
 
Laat ons, zo 't betaamt, hem nu met gaven vereren.
 
Gij zijt twaalf vorsten gebiedende in mijnen lande,
 
Ikzelfs ben de dertienste binnen dezen warande;414
415
Elk van ons schenk hem een rok, mantel en gouden talent;
[p. 169]
 
Geven wij 't hem alle tseffens in zijnen hande,416
 
Zo komt hij ons avondmaal met blijder herten omtrent.417
 
Eurialus, die hem met snode woorden heeft geschend,418
 
Zal dat met giften en vriendelijke woorden vergoeden.’
 
 
420
Zij prezen al 's Koninks zeggen, elk heeft thuiswaarts gezend
 
Een dienaar om de gaven, met last van te spoeden.
 
 
 
Eurialus sprak: ‘O Prinse voorzichtig in 't bevroeden,422
 
Ik zal dees goei here paaien, na uw deugdzame tale,423
 
Met dit blinkende zwaard, het waardst van al mijne goeden.424
425
't Gevest is van zilver, de lemmer van fijnen stale
 
Met een ivoren schei, konstig besteken altemale;426
 
't Zal, hoop ik, hem behagen, hij neme 't in dankbaarheid.’
 
Zo leide hij dat manlijke zwaard zonder smet oft gale428
 
In Ulysses' handen, zeggende met eerbaar bescheid:429
 
 
430
‘Weest vrolijk, vader, en is er een haastig woord gezeid,
 
Laat dat de wind verwaaien, stellet' doch ter zijden.
 
God helpe u thuis bij uw wijf, bevrijd van alle uw leid,
 
Want, zo ik merk, hebdi veel buitenslands moeten lijden.’
 
 
 
Ulysses antwoordde: ‘Vriend, God doe u ook verblijden
435
En geef u 't beste goed daar wij na mogen verlangen.
 
Uw zwaard zuldi om mij niet derven tot deze tijden,
 
't Welk ik door uw verzoende woorden hebbe ontvangen.’
 
Meteen heeft hij 't hem weer om zijn schouder gehangen.
[p. 170]
 
't Werd nacht, de dienaars brachten de gaven rijkelijk.
440
Alcinous' zonen droegen ze met verscheiden gangen
 
Bij haar waarde moeder; daar stelden zij ze blijkelijk.441
 
De heren zaten op hun hoge stoelen gelijkelijk.442
 
 
 
De Konink sprak tot zijn wijf: ‘Arete, brengt hier gereed443
 
Ons beste en schoonste koffer, gemaakt praktijkelijk;444
445
Doet daar een rok inne met een zuiver gewassen kleed,445
 
Maakt in een groten koperen pot schoon water heet,
 
Opdat ons gast hem wasse en zie dees giften uitgelezen,
 
Die de Pheacensers jonstig aan hem hebben besteed,448
 
Zo mag hij door de waarschap en door 't lofzank vrolijk wezen.
450
Ik schenk hem nog mijn schone gouden beker geprezen
 
Om mijnder daarbij te gedenken alle zijn dagen,
 
Ook om God te offeren, en drinken tot druks genezen.’452
 
 
 
Arete beval haar maarten de pot aan 't vier te dragen;
 
Die deden snellijk der Koninginnen behagen.
455
D'een stelde den pot, d'ander bracht droge takken spoedig,
 
Zij bliezen die bevende vlammen om 't vier op te jagen
 
En vulden den pot met klaar fonteine overvloedig.457
 
Daarentussen bracht Arete uit haar kamer behoedig458
 
De schoon kiste, daarin zij al de gaven gink stouwen459
460
Die hem geschenkt waren van den Prinsen mild en grootmoedig:
 
Twaalf talenten gouds, met kleedren lustig te aanschouwen;
 
Zij heeft er ook zelfs een rok en schoon mantel in gevouwen,462
 
En sprak tot hem: ‘Nu zuldi 't zelfs vastelijk sluiten
 
Ende begorden het deksel dicht met sterke touwen,
[p. 171]
465
Zo krijgdi geen schade op weg in dees heerlijke buiten,465
 
Als gij sluimerig rust in schepen oft in schuiten.’
 
 
 
Ulysses dit horende gink 't deksel daarop schikken
 
Dicht ende wel, dat m'er gants niet en mocht uiten.468
 
Hij band het zo vast, men mocht het verwikken noch verschikken,469
470
Zo hem Circes geleerd hadde, met konstige strikken.
 
De maarten haalden hem, hij trad in de stove om te baden:471
 
Hij voelde zijn lichaam door 't warme water verkwikken;
 
't Was hem een lust, want hij had's gederfd, tot zijnder schaden,
 
Van dat hij Calypso verliet, die hem plag te beraden474
475
Als een god, zolang hij daar was in die eenzame plekken.
 
Gewassen zijnde, wilde hij d'olie ook niet versmaden.
 
Daar gink hij zijn schoon kleedren weder aantrekken,
 
En trad uit de stove om hem na de Prinsen te strekken.478
 
 
 
Nausicaa stond in der deuren als een goddinne:
480
Haar gelaat mocht een droevig hert tot vreugden verwekken.
 
Zij zag op Ulyssem zeer verwonderd van zinne
 
En sprak; ‘Zijt gegroet, Here, gedenkt mij namaals uit minnen
 
Als gij thuis zijt, want mij zijdi schuldig uw leven.’
 
 
 
Ulysses antwoordde: ‘Alderedelste Koninginne,
485
Prinsesse en dochter van Alcinous den Konink verheven,
 
Mag ik thuiskomen, wil 't mij Iupiter geven
 
Dat ik dien dag mag zien, 'k en zal uwer niet vergeten,
 
Maar u als een goddinne met mijn gedachten aankleven,
 
Want gij hebt mij 't leven gebaat, dat moet ik weten.’489
[p. 172]
490
Dat zeide hij, voorts is hij in 't hoog bij den Konink gezeten.490
 
Men rechtte den spijze, den wijn schenkt' m'er in schalen.
 
 
 
Demodocus werd gebracht, om over der heren eten492
 
Op zijn harpe te zingen: men stelde hem mids in der zalen493
 
Aan een kolomne. Ulysses sprak met vriendelijker talen
495
Tot den hofmeester: ‘Snijdt een stuk uit den rug van dit verken
 
Wel vet, daar blijft nog genoeg, elk mag daar afhalen,
 
En gevet' Demodoco, dat hij mijn jonste mag merken.497
 
Zo spreek ik hem aan, al is 't hert vol treurige zwerken,498
 
Want musiciens zijn bij alle mensen in groter waarden.499
500
Musa leert hun den zoeten zang, zij zijn naarstige klerken.500
 
De goddinnekens beminnen ook 't zingen op aarden.’
 
 
 
De hofmeester bracht het Demodoco met rasser vaarden;
 
Hij leide 't in zijn hand, die ontving 't, het heeft hem vervreugd.
 
Die heren sloegen hand aan de spijzen, die zij niet en spaarden,
505
Elk at en drank dat hem lustte na 's herten geneugt.
 
Maar als zij verzaad waren, en door den wijn verheugd,
 
Sprak Ulysses tot Demodocum, daar hij na was gekeerd:
 
 
 
‘Demodoce, ik prijze u boven al, want gij meest vermeugt
 
In der konsten. De Musae, oft Apollo heeft u geleerd,
510
Want gij zingt zó wel de zaken van de Grieken gehanteerd,510
 
Heur daden, heur lijden en heur arbeid in alle dingen,
 
Al hadt gij 't gezien, oft van iemand verstaan met groot begeert'.512
 
Gaat daarom voort, en wilt van 't houten paard ook eens zingen,
 
Dat Epeus maakte door Pallas' hulpe zonderlingen;514
[p. 173]
515
Welk bedrog Ulysses in de stad bracht, na negen jaren,515
 
Vol strijdbare mans, die men Troyen zag bedwingen.
 
Kondi ons dit alt'zamen aartig met zange verklaren,517
 
Ik zal uw meesterschap bij alle mensen vermaren,
 
En elk uw godlijke gaven in 't zingen doen verstaan.’
 
 
520
't Lof ontstak Demodocum, de konstenaars horen dat garen.
 
Hij aanriep Gode, en begonst na Ulysses' vermaan.521
 
Eerst hoe de Grieken om wederkeren t' scheep zijn gegaan,
 
Die 't vier op de rest van hun tenten gingen strooien.
 
Anderen zaten verborgen bij Ulyssem heur kompaan524
525
In 't valse paard staande mids op de markt binnen Troyen.525
 
De burgers hadden 't daar zelfs gesleipt om hun vervrooien;526
 
Zij zaten daaromme, elk bestond het zijne te kallen.527
 
Driederlei was den aanslag: d'een wilde 't aan stukken uitrooien,528
 
D'ander wilde 't op een roots trekken, om steil af te doen vallen,
530
De derde ried, men zou 't heel behouden binnen de wallen
 
Tot een mirakel, om in der goden jonst te geduren.531
 
Dees men