terug  begin  verderprepost
[p. 177]

Het negende boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Hier begint Ulysses zijn geschiedenissen te vertellen, zeit tegens de Cicones gestreden te hebben, tot de Lotophagos gekomen te zijn, en bij Cyclope geraakt te wezen, dien hij 't enige oge uitstak, nadat hij zes van Ulysses' gezellen verslonden hadde.
 
LOOFLIJKSTE Konink, boven alle anderen rechtvaardig’
 
Sprak die listige Ulysses, de Prinse uitgelezen,
 
‘Zulk een zanger te aanhoren is eerlijk en dankens waardig;3
 
Zijn stemme klinkt als een god, zeer konstig en aardig.4
5
Ik en acht niet dat er iet aangenamers mag wezen
 
Dan als alle 't gezelschap, in vreugden zijnde gerezen,6
 
Over maaltijd zo konstig een speelman mag horen.7
 
- Zij eten 't vlees en drinken den vrolijken wijn geprezen,
 
Men schenkt z'er in schalen, het is er al te voren. -9
10
Dit dunkt mij 't schoonst, en heb 't voor 't lustigste verkoren.
 
‘Uw herte heeft lust om te weten mijn droevige kwalen,11
 
Die 't mijne in 't zeggen weder van nieuws zullen verstoren.12
[p. 178]
 
Maar want het u belieft, zal ik 's hier alle verhalen,
 
Van 't beginne ten einde, wat mij op verscheiden malen
15
Al droefheids van den hemelsen goden toe is gezend.
 
Hoort dan eerst mijnen name met waarachtiger talen
 
Opdat gij namaals, als mijn verdriet eens is geënd,
 
Mijn huis ook verzoekt, en mij als uw vriendlijke waard bekent.18
 
‘Ik ben Ulysses Laërtiades, diens listig verstand
20
Boven alle mensen gaat, mijn lof komt den hemel omtrent.20
 
Ithacam bewone ik, dat is mijn vaderland,
 
Daarin leit Neritus, den berg vermaard, met bomen beplant;
 
Veel bewoonde eilanden zijn dicht daaromme gelegen:
 
Dulichium, Same en Zacynthus, vol bos aan elke kant
25
- Dees leggen naast bij 't vasteland -, daartegen25
 
Leit Ithaca oostwaarts in Neptunus' vochtige wegen.
 
't Is een streng land, maar een goede voedster van jongelingen;
 
Nooit zag ik iet zoeters, 't hert is daar meest toe genegen.
 
De goddinne Calypso dacht mij in haar liefde te bringen
30
En tot mijn lands vergeten in spelonken te dwingen;
 
Die bedrieglijke Circe heeft mij ook in haar huis bemind,
 
Die mij mede bestond tot haar huwelijk te dringen;32
 
Maar d'inwendigheid mijns herten was daar nooit toe gezind,
 
Zo men niet zoeters dan vrienden en 't vaderland en vindt,34
35
Al woont men rijk in een vreemd land, ver van vrienden en magen.
 
Hoort dan, opdat gij mijn treurige weerkomst bekint,36
 
Hoe Iupiter mij, komende van Troyen, heeft doen plagen.37
 
 
 
‘Wij scheepten van Troyen, een wind kwam ons spoedelijk jagen
[p. 179]
 
Tot der stad Ismarum, daar hem de Cicones houën.39
40
Ik plonderde heur stede ende heb veel mannen verslagen;40
 
Wij namen groot goed, ook heur wijven tot dienstbare vrouwen.
 
Ik behiel' niet meer dan een ander, wij deilden 's in trouwen,42
 
En hebbe voorts snellijk vandaar te vluchten geboden.43
 
Zij waren zot en ongehoorzaam - het bracht hun in rouwen -:
45
Men drank daar veel wijns, ossen en schapen zag m'er doden.
 
Hiertussen liepen de Cicones die ons waren ontvloden
 
Tot haar geburen om hulpe, met ankstiger vaarden.47
 
Dees waren vromer en hun getrouw in alle noden,48
 
Zij konsten manlijk vechten op strijdbare paarden,49
50
Ook als 't nood was te voet. - Die heur 's morgens vroeg openbaarden50
 
En ons met zo menigvuldige hopen overvielen
 
Als de lente bladen en bloemen doet spruiten uit der aarden.
 
't Scheen, Iupiter wilde ons daar ellendig vernielen.
 
Wij streden bij de schepen - de pieken zag men krielen
55
Als hagel door de lucht, - totdat de zon hoog was getogen.
 
Zo lang wederstonden wij hun met grootmoedige zielen,56
 
Al waren zij veel. Maar als Phoebus ter aarden was gebogen,
 
Mochten wij der Ciconers macht niet langer gedogen,
 
Ende verloren uit elk schip zes vrome gezellen;
60
D'ander ontliepen den dood met al heur vermogen.60
 
 
 
‘Wij zeilden weg, vrolijk, dat wij 't nog mochten vertellen,
 
Ook droevig om 't verlies ons volks: heur dood gink ons kwellen.62
 
Die riepen wij driemaal, oft zij ons nog ergens hoorden,
 
Eer ik de vluchtige zeilen van den winde liet zwellen.
[p. 180]
65
‘Doe zand ons Iupiter een vliegende storm uit den noorden:
 
De wolken dekten hemel en aard, ook de scheepsboorden,
 
De zwarte nacht overviel ons daar wij wrakende dreven,67
 
Als de winden onze zeilen geweldelijk schoorden,68
 
Die wij uit der zee in 't schip trokken, beducht voor ons leven.
70
Elk spoedde na 't land, men zag de riemen naarstig aankleven:
 
Zo worstelden wij twee gantse dagen en nachten
 
Met arbeid en druk, vrezende het doodlijk sneven.72
 
Op den derden dag 's morgens begonst het weer te verzachten.
 
Men rechtte de masten, elks zeil daalde om wind te bevrachten;
75
Wij hebben stuurluiden en wind onze schepen bevolen.
 
Ik waar' mogelijk thuisgekomen, zonder langer wachten,
 
Had mij de noordenwind niet belet: die dede ons dolen77
 
Aan 't gebogen land van Malea verre in zee verholen.
 
‘Daar dreven wij negen dagen en hebben veel geleden;
80
Wij hadden tegenwind, al 't geluk was ons gestolen.
 
Den tienden zijn wij op der Lotophagers land getreden,
 
Die kruid eten; daar haalden wij vers water met vreden,
 
Voort gingen wij eten op 't strand daar ons schepen waren.
 
Als den honger en dorst gestild was na reden,84
85
Zand ik twee gezellen in 't land met een van mijn dienaren,
 
Te zien wat volk daar woonde, en ons dat te verklaren.
 
Dees kwamen bij den luiden die men Lotophagos heten.
 
Die deden ons volk geen leed, noch enig bezwaren,
 
Maar gaven ze van hun kruid, Lotum genaamd, te eten.
90
Als deze in die alderzoetste vrucht hadden gebeten
 
Wilden zij niet weerkomen, noch antwoord zeggen, noch schrijven,
 
Want zij hadden ons ende ook haar thuisvaart vergeten:
 
Zij wilden Lotum eten ende bij den Lotophagers blijven.
 
Dees gink ik haars ondanks al wenende t'scheepwaarts drijven,
[p. 181]
95
Ende band ze binnen scheepsboord met sterke banden.
 
't Ander volk deed ik mee fluks scheep gaan om ons gerijven,96
 
Opdat niemand Lotum zoude smaken en vergeten zijn landen.
 
Die zaten op heur banken, elk nam zijn riem ter handen;
 
Daarmee hebben zij de zee dapper van den schuime gevaagd.99
 
 
100
‘Alzo voeren wij treurig van die vergetende stranden
 
Ende hebben der godlozen Cyclopers land belaagd,
 
Hetwelke den onsterflijken goden zo wel behaagt
 
Dat zij niet en behoeven te planten noch te ploegen,
 
Want het ongezaaid alle vruchten vanzelven draagt,
105
Terwe, gerste, en alle voedsel met vol genoegen;105
 
De wijnstokken, die ooit veel grote druiven droegen,106
 
Zwellen grof, Iupiter zeindt ze een vruchtbare regen.
 
Zij hebben raadhuis, noch wetten daar zij hun na voegen
 
En wonen hoog in 't gebergt, zo woeste luiden plegen,
110
In diepe spelonken, daar elk zo 't hem is gelegen
 
Over zijn wijf ende kinderen na zijn wille gebiedt.
 
Geen moeit hem met ander, elk is tot hemzelfs genegen.
 
‘Een klein eiland men tegensover heur haven ziet
 
Vol bos, daar veel wilde geiten wonen en anders niet.
115
Men vindt er geen mensenpad, geen jagers die 't wild nasporen
 
Over de klippen, door de bossen met lustig verdriet;
 
Daar en werdt geen akker tot ploegen oft maaien verkoren,
 
Want daar is geen volk: de wildernis is er al te voren118
 
Voor de blatende geiten, die daar bij hopen gaan weiden.
120
‘De Cyclopes hebben geen schepen om in zee te smoren,120
 
Noch geen scheepmakers die ze hun mogen bereiden,
 
Ook geen stuurlui, die hun zouden weten te leiden
[p. 182]
 
Tot vreemde steden, om hun met koopmanschap te generen,123
 
Zo de mensen onderling doen met vriendelijkheiden.
125
Want heur land is zo vruchtbaar, dat ze geen dink ontberen:
 
Het draagt overvloedig t'zijnder tijd al wat ze begeren.
 
Bij 't strand leggen grazige beemden om 't vee te verzaden,
 
Ook wijngaarden vol druifs, meer dan zij konnen verteren,
 
En akkers vol koorns, met hangende aders beladen.129
130
't Aardrijk is vet, en draagt overvloedig buiten zijn schaden.130
 
Ook is daar een haven zo veilig, zo bekwaam en zo goed,131
 
Dat m'er ankers noch kabels behoeft, 't komt daar niet tot staden,132
 
Maar die daarin komt, blijft er zo lang in zeker behoed133
 
Als 't hemzelfs belieft, totdat hem lokt een voorwindeken zoet.134
135
Voorbij de haven vliet een zuiver fonteine
 
Met elst overschaûwd, die haar ruisende t'zeewaart spoedt.
 
 
 
‘Hier kwamen wij aan, een god was ons leidsman, zo ik meine,
 
Door de duister nacht, want wij en zagen 's groot noch kleine.
 
Een grote nevel was om 't schip, men zag sterre noch maan,
140
De zwarte dikke wolken dekten den hemel reine;140
 
Niemand zag 't land, noch de wentelende baren daartegen slaan
 
Voordat onze verdoolde schepen in 't zand bleven staan.
 
Wij namen de zeilen in, en zijn op 't strand gesprongen;
 
Daar verwachtten wij den dag, elk is te ruste gegaan.
 
 
145
‘Als de gulden dageraad opwaarts kwam gedrongen
 
Verwonderden wij ons van 't eiland, ouden en jongen.
 
Wij traden daarop, doe hebben die goddinnen,
[p. 183]
 
Iupiter's dochters, de geitkens uit het gebergt gedwongen,148
 
Opdat wij die zouden brassen met vrolijke zinnen.149
150
Wij haalden bogen en pieken om jagens beginnen,
 
En deilden ons aan drien, om de wilde geitkens te vangen.
 
Een rijkelijke vang gaf ons God daar uit minnen,152
 
Want van twaalf schepen die volgden mijn dolende gangen
 
Kregen elks negen geiten met groot verlangen:154
155
De beste tien zochten ze uit om mij die te laten.
 
 
 
‘Wij zaten totdat de nacht kwam met haar moriaanse wangen
 
Op 't strand, daar wij wijntken dronken en lekker bokskens aten;
 
Ook hadden wij nog rood wijns genoeg, bij volle vaten
 
Van den Ciconers geroofd, als wij die verstoorden.159
160
Wij zagen der Cyclopers land zo na van daar wij zaten
 
Dat wij den rook zagen, 't geblaat van bokken en schapen hoorden.
 
Maar als de zonne onder 't water gink duiken na 't noorden
 
Gingen wij ons ook alle op 't strand tot slapen stellen.163
 
's Morgens, als de stralen des dageraads de wolken schoorden,164
165
Sprak ik tot mijn volk: ‘Blijft gij ál hier, mijn trouwe gezellen,
 
Ik zal met mijn schip en volk hierover versnellen166
 
Na 't ander land, mij verlangt dat volk te bespieden.
 
Zijn ze rovers, woest, oft deugdlijk, ik zal 't u vertellen;
 
Ik moet zien of 't vriendelijk volk is, oft wreed, om t'ontvlieden.’
 
 
170
‘Doe trad ik t'scheep, en gink mijn gezellen ook gebieden
 
T'scheep te gaan, de kabels te lossen, en van 't land te steken.
 
Die kwamen fluks in, ik zag mijn bevel geschieden;
 
Elk voegde hem aan zijn riem, de stuurman gaf teken:
[p. 184]
 
Zij sloegen de zee dat de vloeden al bevende weken
175
Totdat wij na bij 't ander land zijn gekomen.
 
‘Dicht aan 't strand wij een hoge spelonke hebben verkeken,176
 
Daar lagen schapen en geiten onder lauwrenbomen.
 
Wij hebben daar een hole grote woninge vernomen178
 
Van uitgehoolde stenen, bezet met eiken en masten.179
180
Hier woonde een grote Reuze - 't verhaal doet mij nog schromen -:180
 
Dees weidde alleen zijn schapen, die al op hem pasten.181
 
Hij en moeide hem nemmermeer met andere gasten,
 
Maar hield hem godloos alleen, zonder dienaar oft page.
 
't Was een grouwelijk monster, wiens krachten ons nog verrasten,
185
Het en scheen geen mens, maar een groot vervaarlijk bosschage
 
Op een gebergt; als hij alleen gink zijn passage186
 
Geleek zijn vreeslijk hoofd den hemel te genaken.187
 
 
 
‘Een deel van mijn volk beval ik te blijven bij de zeilage,
 
Twaalf, de besten, gink ik tot mijn gezelschap uitschaken.189
190
Ik nam een geitenhuid vol zwarte wijn van goeder smaken,
 
- Welk mij Maron Euanthis zoon hadde gegeven,
 
Die tot Ismarum woonde, priester in Apollo's zaken,
 
Omdat ik hem, ook zijn wijf en kinderen beschermde 't leven,
 
Beweegd door zijn eerwaardigheid. Hij woonde beneven
195
Het boomrijke bos van Apollo in 't wilde woud.
 
Dees had mij met schone giften geëerd en verheven.
 
Hij gaf mij zeven talenten gelouterd welgemaakt goud,
 
Een zilveren beker, twaalf kruiken wijns zoet ende oud:
 
Zij mocht nemmermeer verderven, 't was een godlijke drank;
200
Geen dienstboden wisten daaraf, zij was niemand betrouwd;
[p. 185]
 
Hij wist het alleen, met zijn waarde huisvrouw blank,
 
Ook de spijswaarderse die ze in den beker schank.
 
Zo dikmaal als zij dronken van die godlijke vrucht,
 
Goot m'er wel twintig kroes waters in, nog werd ze niet krank,204
205
Maar gaf uit die schale een hemelse edele lucht,
 
Dies dan elk begeerlijk daaraf drank met eerbare tucht. -206
 
Hieraf had ik een huid vol, ook spijs overvloedelijk.
 
Mijn herte ontstak mij lustig vol nieuwgierig gerucht208
 
Om verzoeken dien wilden sterken reuze stoutmoedelijk,209
210
Die van God noch zijn gebod en hield.210
 
‘Wij gingen spoedelijk
 
Tot in 't woeste hol, daar was elk een naarstig doorgronder.
 
Hij was niet thuis, maar weidde zijn schapen behoedelijk.212
 
Wij doorzagen daar alle dingen, 't gaf ons groot wonder.213
 
Al de berders lagen vol kazen van boven tot onder,214
215
In de stallingen waren nog schapen en bokken bij hopen;
 
Elk stond verscheiden, de lammerkens stonden bizonder,216
 
Wat jonger was bijeen, d'alderjonkste ook t'zamen gekropen.
 
t's Avonds dreef 't al vol melks: emmers, mouden, ketels en stopen,218
 
Als hij ze uit die grove elders daarinne dede stralen.219
220
Mijn volk baden: ‘Gaan wij doch met de kazen 't scheepwaart lopen,
 
En keren dan weder om schapen en bokken te halen,
 
Zo zeilen wij weg met den buit zonder betalen.
 
Ik en wilde 's niet doen - 't welk ons na wel is berouwen -
 
Om hem te zien; hij zou 't ons schenken, docht mij, zonder falen;
[p. 186]
225
Maar dit miste, hij beviel ons niet lieflijk in 't aanschouwen.225
 
 
 
‘Wij maakten vier, en zaten daarbij om niet te verkouen.226
 
Zo wachtten wij hem, en aten zijn lekkere kazen.
 
Ten laatsten kwam hij met een groot bos droog houts, klein gespouwen,228
 
Hij dreef zijn schapen aan, die voor hem kwamen grazen,
230
En wierp 't hout van zijn nek, dat hoorden wij kraken en razen.
 
Dies vloden wij verbaasd diep in die rootsige konduiten,231
 
Gelijk voor eens honds gebas ankstig vlucht menigt van hazen.
 
Hij dreef de schapen in, - rammen en bokken liet hij buiten -,
 
Doe gink hij 't gat van de spelonk met een steen besluiten
235
Zo groot dat ze geen tweeëntwintig paarden mochten bewegen.
 
Wij zagen hem doe melken, alzo leggende in muiten,236
 
De schapen en de geiten; ál deed hij 't fijn te degen.
 
Elk liep dan na zijn lammers, die kwamen haar springende tegen.
 
Voorts liet hij de halve melk in de kaasvaten zinken,
240
Die mengde hij om stremmen, zo de huisluiden plegen;
 
D'ander helft hield hij, om dien avond te eten en drinken.
 
Hij wierp 't hout op, dat begonst te vlammen en te blinken -
 
Doe zag hij ons, en sprak tot ons in die ankstige holen:
 
 
 
‘Wie zijdi, gasten? Waan komdi hier met schepen oft pinken?244
245
Zeilt gij om koopmanschap, oft drijft gij als rovers dolen?
 
Hanteerdi ook die moorderse geweldige scholen246
 
Die 't perijkel beminnen, om d'onschuldigen te verderven?’
 
 
 
‘Dit klank door al de spelonk, 't hert zank mij in de zolen
 
Uit groter vrezen; ik antwoordde om zijn jonst te verwerven:249
[p. 187]
250
‘Wij zijn Grieken en komen van Troyen hier zwerven
 
Door stormen gedreven, en haasten thuiswaarts te keren,
 
Al is 't door onwegen; wij zoeken ons ouders' erven.252
 
Door 't dolen wil Iupiter mogelijk ons welvaart meren.253
 
Wij zijn van Agamemnon's volk, den Konink vol eren,
255
Wiens edele faam ook tot den hemel is gerezen
 
Als die zo machtig een stad en volk heeft konnen verneren.256
 
Nu zoeken wij aan Uwer Genaden ons genezen,257
 
Oft gij ons troostlijk en behulpelijk wilt wezen,
 
Zo hem elk edel hert den behoeftigen betoont.
260
Verhoort doch ons ellendige, de goden wilt vrezen,
 
Want Iupiter vriendelijk bij den behoeftigen woont;261
 
Dees is 't die de wreden straft, en den bermhertigen loont.’
 
 
 
‘Hij antwoordde mij terstond met felle gedachten:
 
‘Gij zijt al dwaas, gast, waandi mij zo licht gehoond?264
265
Koomdi over zee om mij met uw zotte klachten
 
De goden te doen vrezen, te dienen oft te achten?
 
De Cyclopers hebben met de goden niet te doen,
 
Noch ook met Iupiter de geitzuiger niet, want ons krachten
 
Zijn boven de heure; dus ben ik wel zo stout en koen
270
Dat ik u in spijt van Iupiter nog voor morgen-noen,
 
Geliefde 't mij, alt'zamen zoude dorren eten.271
 
Maar zegt, waar is 't schip daar gij hier met kwaamt?
 
Dit doet mij bevroên,272
 
Is 't verre van hier, oft ergens nabij op 't strand gezeten?’
 
 
 
‘Zo listig lokte hij mij uit, ik had 's goed om weten,274
[p. 188]
275
Want ik was ook loos, en antwoordde met kloeker spraken:275
 
‘Neptunus de landschudder heeft ons schip stukken gesmeten
 
Tegens een roots op 't einde uws lands, daar wij verstaken277
 
Bij een uitstekend hoofd, daar ons een storm dede wraken.278
 
Maar ik en deze ontkwamen zulk doodlijk wenen.’279
280
‘Ik zweeg; die wrede hond sprak niet op deze zaken,280
 
Maar greep er twee met der hand bij armen bij benen,
 
Die wierp hij als klein hondekens tegens die harde stenen:
 
't Brein sprank op d'aarde, en 't bloed droop uit de gemorterde wonden.283
 
Doe deilde hij de spieren van de bevende zenen284
285
En heeft ze als een leeuw met huid en met haar verslonden
 
Zodat m'er noch darmen noch beenders over heeft gevonden.
 
Wij leden al wenende de hand Gods met noodlijk geduld,
 
En zagen dit jammer; wanhoop bestreed ons treurige gronden.288
 
‘Als Cyclops zijn groten buik met mensenvlees hadde gevuld,
290
Daarna de witte melk door die bloedige tanden gepuld,290
 
Gink hij hem in 't hol uitstrekken, mids onder den dieren.
 
Ik wilde 't hem grootmoedelijk lonen na verdienst en schuld,
 
En dacht in zijn borst mijn scherpsnijdig zwaard te stieren293
 
Door 't net daar die lever in leit, met kloeker manieren;294
295
Maar een nieuwe zwarigheid deed ons dien aanslag begeven:295
 
Wij hadden moeten sterven binnen des spelonks kwartieren,296
 
Want wij en mochten den zwaren steen niet opheven
 
Dien Cyclops dicht voor 't grote gat hadde gedreven.
 
Zuchtende beidden wij den dag, ankst en liet ons niet slapen.
300
‘In den dageraad maakte hij vuur, wij aanzagen 't met beven.
 
Doe melkte hij weder zijn geiten ende schapen,
[p. 189]
 
De lammerkens kwamen daaronder een sloksken rapen.
 
Maar als hij 't werk gedaan had, bet dan men zoude geloven,303
 
Greep hij er weer twee van ons, die hij met hongerig gapen
305
Bereidde, en tot een inbijt gants op heeft gekloven.305
 
Doe heeft hij dien zwaren steen lichtelijk van 't gat geschoven,
 
En dreef zijn vette beesten uit dat woeste duistere kot.307
 
Daarna sloot hij 't gat weer dicht, hij stopte den diepen oven
 
En handelde den steen zo licht als een deksel van een pot.
310
Zo dreef hij de schapen op 't gebergt, die volgden zijn gebod,
 
Maar ik bleef daar in 't hol, en dacht op mijn aanstaande kwaden,311
 
Ook om mij te wreken, oft Pallas mij nog uit dat slot312
 
Met victorie wilde helpen. Dit docht mij best geraden:
 
Zijn stok lag voor 't stal, een grote stam zonder tak of bladen
315
Van een groene olijfboom, lang en dik als een mast
 
Op een grote galei daar men veel inne mag laden;
 
Hij had 's gesneden en als hij droog waar' te dragen gepast.317
 
Daar hieuw ik een manslankte af beneven een kwast,
 
En beval 's mijn volk te effenen met naarstige handen,
320
Zelfs heb ik mij om een scharpe punt te maken verrast;320
 
Dat was haast gedaan, doe gingen wij de punt wat branden,321
 
En bergden 's in den koeimes, als listige vijanden,
 
Die daar bij hopen lag. Voorts om ons leed te wreken
 
Sprak ik: ‘'t Waar' goed dat er hem vier van u achten vermanden
325
Die met mij zullen dorven zijn oge uitsteken,
 
Als hem door een zware slaap zijn kracht is bezweken.’
 
Zij lootten daar vier uit, die ik zelfs zoude hebben genomen;
 
Ik was de vijfde tot dit feit vol listige treken.328
 
 
 
‘Des avonds is hij met zijn beesten wedergekomen;
[p. 190]
330
Hij dreef ze al binnen, - ons overviel een schromen -330
 
In die diepe spelonke, niet en liet hij daar buiten,331
 
Oft uit voorraad, oft dat het God zo schikte t'onzer vromen,332
 
En gink doe 't gat met de vervaarlijke steen weder sluiten.
 
Doen zat hij om den melk van de elders te uiten,334
335
De lammers kwamen voorts, die hebben aan de mammen geplokt.
 
Als zijn werk gedaan was, greep hij twee van mijn kornuiten;
 
Die heeft hij voor zijn avondmaal gieriglijk opgeslokt.
 
‘Ik gink benevens hem - 't was mij nog ten besten gelokt -338
 
En sprak tot hem, dien ik bood een beker lekkere wijn:
 
 
340
‘Drinkt dat, nu gij 's mensen vlees in uw buik hebt gebrokt340
 
O Cyclops, zo weet gij wat wij dronken in den schepe mijn,
 
Opdat gij mijnder ontfermt, en thuis laat gaan met blijden schijn;342
 
Daar zal ik uw genade met offerand gedinken.
 
Gij onbermhertige, wilt doch niet dus verwoedig zijn;
345
Wie zoude hier willen komen, nu gij ons dus gaat krinken?’345
 
 
 
‘Hij nam den kroes, en werd vrolijk door 't smakelijk drinken
 
Van dien lekkeren drank, en liet ze al reintjens in glijen.347
 
‘Zegt mij uw naam' sprak hij, en wilt er mij nog een vol schinken,
 
Ik zal u ook wat schinken daar gij in zult verblijen.
350
Der Cyclopers land draagt ook edele wijn aan allen zijen
 
Door Iupiter's vruchtbaar regen bedauwd uit den noorden,
 
Maar dit schijnt ambrosiam, 't is beter, ik moet dat lijen.’352
 
‘Ik gaf hem nog van die hete wijn, vol tot de boorden.
[p. 191]
 
Driemaal schenkte ik, driemaal drank hij 's: zijn zinnen versmoorden,
355
De wijn brandde hem om 't hert, hij werd zwaar van lichame.
 
Doe sprak ik tot hem met smekende listige woorden:356
 
‘Cyclops, terstond vraagde gij mij na mijnen name,
 
Hoort ze nu, zo schenkt gij mij de beloofde gift bekwame:358
 
Niemand is mijn naam, Niemand ben ik geheten
360
Van mijn ouders en van elk, dies ik 's mij niet en schame’.
 
‘Doe sprak hij wredelijk met hoogmoedig vermeten:361
 
‘Zijdi Niemand? Niemand zal ik dan de laatste eten,
 
D'ander zullen voorgaan, dees jonst zal ik u betogen.363
 
 
 
‘Zo is hij dronken een wijle slaperig gezeten,
365
Doe viel hij plat en lag met zijn dikken hals gebogen.
 
De slape, die 't al temt, maakte hem gants onbehoedig.
 
Hij begonst te respen, en heeft den wijn uitgespogen,
 
Gemengd met grote brokken van mensenvlees bloedig.
 
Ik leide onzen paal in 't vier en brandde die gloedig,
370
Ook omdat niemand uit anksten zou vluchten in de holen
 
Sprak ik mijn gezellen hart aan, ende maakt' ze moedig.
 
Als nu de punte zo vierig gloeide als d'omleggende kolen
 
Heb ik ze (mijn volk) die uit te nemen bevolen:
 
Dat hout glimde, de vonken berstten overal;
375
God gaf ons moed, zij voerden 't aan, ik stierde om niet te dolen.
 
Wij staken 't mids in zijn oge rechts bovenop de bal,376
 
Doe greep ik het eind van de paal, met een geweldig verhal,377
 
En draaid' ze krachtelijk - ik stelde mij ter schoren -378
 
Om hem het oge te beroven die ons het leven stal.
[p. 192]
380
Recht zo men een scheepmaker aan een avigaar mag sporen,380
 
Die met beide handen draait, om haast een gat te boren,381
 
Zo boorden wij in 't grote oog dees vierige pale.
 
Het bloed schoot over zijn aanzicht, hij scheen daarin te smoren,
 
Daar vloog een damp uit, d'oogbrauwen brandden altemale,
385
't Vier kraakte in 't vochtige oog als een gloeiende stale
 
Dat de smid in 't koude water steekt om krachts versterken,
 
- 't Water springt, het staal zengert knersende te dale -387
 
Rechts zo hoorden wij 't vuur in zijn oge ook snerken.388
 
Hij graaide vreeslijk, het klank door al de hole zerken.389
390
Wij verschrikten alt'zamen en gingen ankstig lopen.
 
De paal trak hij uit zijn oge vóór alle werken,
 
En wierp ze fellijk ter aarden door 't pijnlijk nopen.392
 
Doe bestond hij luide d'ander Cyclopes te ropen,393
 
Die daar rondsom woonden in spelonken, in hole gaten
395
Van 't windige gebergt. Dees kwamen met groten hopen,
 
Doe zij 't geroep hoorden, snellijk tot zijnder baten396
 
Voor 't gat, vragende d'oorzake zijns roepens uitermaten:
 
 
 
‘Zegt Polypheme, waarom roept gij, wat heeft u zo ontsteld
 
Dat gij ons bij nachte wekt door uw deerlijk blaten?
400
Rooft enig mens uws ondanks uw schapen, dat u dus kwelt?
 
Of heeft u iemand door list verslagen, of met kracht versneld?’401
 
 
 
Terstond heeft Polyphemus uit het zwerte hol gesproken:
 
‘Niemand, vrienden, doodt mij met list maar niet met geweld.’
 
Zij zeiden weder: ‘Lijdt gij dan ziekte in 't hol gedoken,
405
Iupiter's wil moet men lijden, dat werdt niet gewroken;
[p. 193]
 
Maar roept aan Neptunum uw vader, die helpt u uit den brand.’
 
 
 
‘Zo gingen zij weg; 't hert lachte mij ende is ontloken
 
Dat hij bedrogen was door mijn name en listig verstand.
 
 
 
Cyclops, verzuchtende, tastte met zijn dolende hand.
410
Hij lichtte den steen van 't gat, als een deksel van der kuipen;
 
Zo zat hij bij 't gat, tastende oft hij niemand en vand
 
Die hem onder d'uitgaande schapen wilde ontkruipen:
 
Zo plomp waande hij mij, en zulk een botten duipen.413
 
Maar ik zocht den behendigsten raad dien ik wiste414
415
Om hem met de reste mijns volks veilig te ontsluipen;
 
't Geldde ons lijf, dies zocht ik alle bedrog en liste.
 
Ik docht veelderlei, maar dezen raad ik zekerste giste:417
 
 
 
‘Wij gingen daar veel grote sterke rammen stonden
 
Vol wols, de kloekste namen wij, daar ik niet in en miste,
420
En heb ze drie en drie met koorden t'zamen gebonden,
 
Die wij aan 't net daar Cyclops in sliep hadden gevonden,421
 
Drie aaneen: de middelste most een man onder hem dragen,
 
De buitenste twee beschermden dien in 't mids bewonden:423
 
Zo most ééns mans laste drie grote rammen plagen.
425
Ik nam d'aldergrootste ram, de vroomste, na mijn behagen,425
 
En heb mij moedig onder zijn ruiglokte buik gehangen,
 
Mijn handen ook in de wol gewonden en vast geslagen
 
- De stinkende lokken wreven tegens ons wangen -.
 
 
 
‘Zuchtende wachtten wij zo den dag met zorglijk verlangen
430
Totdat die schone dageraad scheen op berg en in dal.
[p. 194]
 
Doe dreef hij de rammen ter weiden met spoedige gangen,431
 
D'ongemolken schapen blaatten over de gantse stal,
 
- D'elders bezwaarden haar, - treurig betastte hij ze al
 
Lanks de bekende ruggen; hij merkte niet, plomp van bescheid,434
435
Dat wij daaronder lagen, stillekens zonder geschal:435
 
Haar dikke wol was over de verholen koorden gespreid.
 
Alderlaatste kwam de grootste ram; die had lankste gebeid,
 
Met mij beladen, en met lange lokken die lelijk stonken.
 
Deze betastte Polyphemus en heeft daartoe gezeid:
 
 
440
‘Ei trage ram, wat 's dit, gadi nu laatst uit der spelonken?
 
Dus verschoven pleegdi niet te gaan, is uw moed gezonken?441
 
Gij weidde ooit eerst de bloemkens, en dronkt de klare stromen,
 
D'eerst waardi uit, d'eerst thuis, doe gingdi heerlijk pronken.
 
Hoe zijdi nu dus lui? oft zoude 't u wel dromen
445
Dat uwen Konink zijn enig oge is benomen
 
Door dees vervloekte Niemand met zijn kwade gezellen
 
Als ik dronken was? maar nog zijn ze den dood niet ontkomen!
 
Och konst gij mij wel verstaan, ende weder vertellen
 
Waar hij mijn krachten ontschuilt, ik zou 't hem haast vergellen449
450
En strooien zijn brein rondsom dees rootsige wanden.
 
Mijn hert zou rusten en hem niet meer om 't ongeluk kwellen
 
Dat mij dees snode Niemand berokt heeft met zijn branden.’
 
 
 
‘Daarna liet hij den ram eerst treden uit zijnen handen.
 
Zij droegen ons een stuk van 't hol met heur knikkende benen;
455
Doe loste ik mij eerst, voort alle mijn volk uit de banden.
 
Wij dreven die vette schapen t'scheepwaarts voor ons henen
 
En kwamen t'scheep bij ons waarde volk, die met wenen
 
Heur blijdschap bewezen dat wij den dood waren ontvloden.458
[p. 195]
 
Ik wenkte heur, zij zouden 's laten, - men verstond mijn menen, -459
460
En hebbe snellijk de schapen t'scheep te dragen geboden,
 
Voorts fluks in zee te roeien uit die ankstige noden.
 
 
 
‘Zij droegen de schapen in 't schip, elk zat op zijn banke
 
En sloegen riemen in zee: ik dankte de goden.
 
Maar als wij zo ver waren dat men eender stemme klanke
465
Nauwelijks mocht horen, riep ik met verwijtende danke:465
 
 
 
‘Cyclops, gij behoorde in uw hol zo niet te eten
 
Het weerloze volk van mij ellendige kranke!467
 
Nu hebdi loon na werk, dat mag ik mij vermeten,468
 
Want gij hebt wredelijk uw gasten in uw huis verbeten;469
470
Dus heeft u Iupiter rechtzinnig gestraft na 't behoren.’470
 
 
 
‘Hij werd toornig, en heeft een groot deel van den roots gesmeten,471
 
Dat wierp hij rechts over ons schip om ons te versmoren
 
Dicht bij ons roeder heen, 't welk wij bijna hadden verloren:473
 
De klip maakte plaats in zee, die heeft haar hoog verheven;
475
Die bare omsingelde 't schip van achter en van voren
 
En heeft ons mettervlucht weder dicht aan 't strand gedreven.476
 
Ik greep een lange boom, en stiet het af vóór bij de steven,
 
En winkte mijn volk dat zij 't perijkel met riemen weken:
 
Zij roeiden dapperlijk, het goud ons aller leven.479
480
Als wij zo tweemaal van 't land waren gesteken,
 
Bestond ik wederomme Cyclopem aan te spreken481
[p. 196]
 
Om hem zijn boosheid ende mijn name bat te bedieden,482
 
Maar mijn volk verboden 's mij rondomme met smeken:483
 
‘Onzalige mens, wildi dan immers niet ontvlieden?484
485
Waarom tergdi dit beest? opdat zijn oor ons zou bespieden?485
 
Wierp hij dien berg niet als een bal, en dreef ons weder aan strand?
 
Gij ziet uit wat zorglijker perijkel wij daar schieden!487
 
Komt uw stemme weer ten oren van dees wrede gygant,
 
Hij werpt nog den berg en smoort ons in 't grondige zand
490
Met schip met volk met al, in 't diepste van den vloede.’
 
 
 
‘Zo spraken ze. 't En hielp niet, 't was tegens mijn verstand.491
 
Dies sprak ik weder tot hem met groothertigen moede:492
 
‘Hoort Cyclops, vraagt u een mens van uwen tegenspoede,
 
Wie u zo fijn met die lelijke blindheid heeft geloond,
495
Zegt: Het was Ulysses, voor wiens list ik mij niet en hoedde,
 
Die zone van Laërti die in Ithaca woont.’
 
 
 
‘Doe zeid' hij al huilende omdat hij zo was gehoond:497
 
‘Hei, nu geschiedt mij dat al lange was geprofeteerd!
 
Hier was eertijds een profeet Telemus, die heeft dik betoond
500
Dat hij boven alle profeten wijslijk was geleerd;
 
Dees voorzeide mij dit treurige kwaad, dat mij nu deert:501
 
Dat ik door Ulyssis hand verliezen zoude mijn oge.
 
Van die tijd vreesd' ik voor enig sterk man in vroomheid geëerd,503
 
Maar 't is een klein snood manneken daar ik 's door gedoge,504
505
Nadat ik zijn wijn drank - 't welk ik mij niet en verboge! -505
[p. 197]
 
Die mij 't hert stelende de zinnen gink ontschaken.506
 
Komt hier dan, Ulysses, opdat ik u vriendschap betoge507
 
Ende Neptunum bid dat hij u thuis doe geraken:
 
Ik ben zijn zoon, hij roemt hem mijn vader in alle zaken,
510
Hij mag mij genezen, ook geen ander god van daarboven.’510
 
 
 
‘Ik antwoordde met een herte gierig tot der wraken:
 
‘Och had ik u met het oog uw leven ook mogen roven
 
Zo laagdi blind in Pluto's woninge verschoven,513
 
Daar Neptunus uw oge niet en zoude genezen.’
 
 
515
‘Polyphemus bad zijn vader in de visrijke hoven
 
En heeft de handen na den gesterden hemel gerezen:516
 
‘Hoort, Neptune, die het aardrijk bevende doet vrezen,
 
Hoort mij uw zoon, gij die u roemt te wezen mijn vader;
 
Geeft dat Ulysses niet en kome in zijn land geprezen
520
En doet hem op der zee verdrinken als een verrader.
 
Maar moet hij immers thuiskomen, maakt zijn komste dan spader,521
 
Laat hem zijn huis vinden verwerd vol schade en hinder,522
 
Met onspoed, na verlies van zijn gezellen allegader.’523
 
 
 
‘Neptunus verhoorde hem als een vader zijn kinder.
525
Doe nam hij nog een groter steen, - d'eerst was veel minder -525
 
Hij draaid' ze op zijn hand en wierp ze met krachtig geweld:
 
Die dreef al wentelende na 't schip, 't scheen ons verslinder,527
 
En had ons bijna in 't diepste des afgronds geveld;
 
Zij donderde dicht voor 't schip in zee, en heeft die zeer ontsteld:529
530
De klip daalde, 't water rees, aan 't strand drongen ons de baren.
[p. 198]
 
't Volk viel aan de riemen, ankst heeft haar kracht versneld,
 
Ende zijn zo met haasten na het eiland gevaren
 
Bij d'ander schepen, daar al mijn gezellen waren,
 
Die ons daar met duchten verbeidden vol treurigheden.
535
Die trokken 't schip vrolijk op 't strand, 't kwam daar al vergaren,
 
Daarna zijn wij ook op het zoute zand getreden.
 
Wij deilden des Cyclops schapen met rust en met vreden,
 
D'een had niet meer dan d'ander, de deilinge viel al gelijk,
 
Behalven dat ik een ram meer kreeg na oude zeden;
540
Dien offerde ik Iupiter op 't strand tot dankbaarheids blijk.
 
Die en achtte mijn offer niet, maar dacht met wat praktijk541
 
Hij mijn volk en schepen best in zee zoude verzinken.