terug  begin  verderprepost
[p. 199]

Het tiende boek Odysseae homeri

*

Inhoud:

Voorts vertelt hij 'tgene dat hem gebeurd was bij Aeolum den wachter der winden: hoe die Ulyssi den westenwind gaf, 'twelk hem voorwind was, ende ook d'ander winden in een lederen zak besloten. Welken zak Ulysses' gezellen, terwijle hij sliep, openden, wanende dat er goud in geweest ware, dies* de winden tot Aeolum keerden. Als Aeolus daarna Ulyssem niet meer verhoren wilde, is hij vandaar gezeild ende tot de Lestrigoniërs gekomen, daar hij elf schepen verloor; ende daarna op 't eiland komende, zendde hij met Eurilocho de helft van zijn volk, daartoe geloot zijnde, om te vernemen wat volk daar woonde. Alle de gezellen werden van Circe in verkens verkeerd, behalven Eurilochus; dies gaat Ulysses zelfs om dit te onderzoeken. Maar want hem Mercurius een kruid genaamd Moli gaf, zo bleef hij onbeschadigd§, alhoewel hij daar bij Circes een gants jaar lag** om zijn gezellen weder in heur eerste gedaante te brengen. Ende hij daalt ter hellen.
 
KERMENDE zijn wij in 't eiland Aeoliën gekomen,
 
Daar woont Aeolus Hippotades, bij den goden verkoren:2
 
Een ijzeren muur omsingelt het land tegens de stromen,
[p. 200]
 
Een rootse loopt daar ook rondsomme, hoog om voor te schromen.4
5
Twaalf kinderen zijn hem in zijnen hove geboren,
 
Zes jongelingen en zes dochters, die had hij tevoren
 
T'zamen gehouwd: elk broeder had een zuster te wijve;
 
Dees zag men altijd waarschappende vreugd oorboren8
 
Bij heur waarde vader en moeder, vrolijk van bedrijve;9
10
Daar was overvloed van spijs en van drank t'haren gerijve.10
 
's Daags waren ze in heurs vaders hof groot van machte,
 
T's avonds leide hem elk bij zijn kuise wijf, lijf aan lijve,
 
Om slapen op chierlijke bedden de rustige nachte.
 
‘In dees heerlijke stad ontving ons dat godlijk geslachte
15
Zeer vriendelijk, en hebben ons daar een maand lang gehouen.
 
Aeolus kreeg mij lief, en vraagde wat mij daar brachte;
 
Ik verhaalde der Grieken uitvaart en weerkomst vol rouwen17
 
Met alle dat ons geschied was in rechter trouwen.18
 
Maar als wij begeerden te reizen gink ik 's hem vermonden.
20
Hij was tevreden, en gaf ons - dat wij behoeven zouen -
 
Een negenjarigen ossenhuid ter zelver stonden:
 
Daar heeft hij al de stormwinden inne bewonden;
 
Iupiter had hem heur voogd gemaakt, zij volgden zijn wille.23
 
Daarna heeft hij 's met een zilveren band in 't schip gebonden24
25
Wel vast en dicht, om daar niet uit te bersten met geschille.25
 
Hij zand ons ook een westenwind, paslijken stille,26
 
Om ons met onze schepen spoedig thuiswaarts te jagen;
 
Maar 't was niet voorzien, mijns volks zotheid verdraaide de spille.28
[p. 201]
 
‘Alzo zeilden wij stadig negen nachten en dagen.
30
Den tienden verscheen ons vaderland met groot behagen,
 
En zagen den rook al van der inwoonders vieren.
 
Ik was vermoeid, een zware slaap bevink mij, t'onzer plagen;32
 
Want ik stond altijd aan 't roer, en had niemand laten stieren,
 
Om spoediger te komen binnen mijn lands kwartieren.34
35
‘Terwijl ik sliep mijn volksken tot malkanderen spraken
 
Vermoedende door Aeoli vriendelijke manieren
 
Dat hij mij veel gouds oft schats geschenkt had binnen zijn daken;
 
D'een sprak tot d'ander: ‘O God, wat wonderlijker zaken,
 
Waar wij komen, iegelijk heeft dees man lief en waard,
40
Tot alle steden weet hij elkerlijks jonste te schaken.40
 
Welk een schat heeft hij nog tot de Trojaanse buit vergaard!41
 
Wij komen met ijdel handen, niet hebben wij bespaard.42
 
Wat meindi heeft hem Aeolus nog gegeven?
 
Gaan wij dien schat doch eens bekijken mettervaart,49
50
Den ossenhuid ontknopen; wij zullen 's weder toeweven.’
 
 
 
‘Dees kwaden raad gingen al mijn gezellen aankleven.
 
Zij ontbonden den zak.... fluks zijn de winden uitgewrongen,
 
Een felle storm heeft heur wenende van 't land in zee gedreven.
 
Ik ontwaakte, en dacht: 't is beter in zee gesprongen
55
Dan langer dus te leven; nochtans heb ik mij bedwongen
 
En bleef onder in 't schip verholen, met een treurig verstand.56
 
Een vreeslijke dwerlink heeft hun wederomme gedrongen57
 
In Aeoliën; zij treurden zeer, wij traden weder op 't land;
 
Men haalde water, wij aten omtrent de schepen op 't strand.59
[p. 202]
60
‘Maar als wij der naturen behoeften hadden voldaan,
 
Nam ik een gezelle met een dienaar, en ben te hand61
 
Alzo verzelschapt tot Aeolus' hove gegaan;
 
Die zat met zijn wijf aan 't maal, ook waren d'r zijn kinders aan.
 
Wij kwamen binnen der deuren, en stelden ons daar neder.64
65
Elk was verwonderd, zij zeiden: ‘Ulysses, doet ons verstaan:
 
Hoe komt dit bij? Wat ongeluk jaagt u hier weder?66
 
Men gaf u een westenwind, en de stormen in 't leder
 
Opdat gij haast in uw gewenste land zoudt komen mogen.’68
 
 
 
‘Daarop antwoordde ik bedroefd met sprake teder:69
70
‘Den slaap en mijns volks dwaasheid hebben mij bedrogen.
 
Helpt mij ellendige nog eens, vrienden, uit meedogen!
 
Wilt maar, 't geschiedt; u en zal geen machte ontbreken.’
 
 
 
‘Zo sprak ik smekende en ootmoedig gebogen.
 
Zij zwegen alle, maar de vader begonst te spreken:
75
‘Fluks weg uit mijn land, gij snode mens, hier helpt geen, smeken!75
 
't Betaamt mij niet bijstand te doen een vijand der goden.
 
Maakt u weg, de goden haten u, dat 's nu gebleken.’
 
 
 
‘Zo liet hij mij gaan, zwaarlijk zuchtende in deze noden.
 
Wij scheepten treurig vandaar, den hope was ons ontvloden,
80
Het moeilijk roeien heeft der mannen herten gekweld80
 
Door ons dwaasheid, want geen schijn van weerkomst werd ons aangeboden.
 
Zes dagen en nachten is gestadig ons koers versneld,
 
Den zevenden hebben wij ons schepen voor een stad gesteld
[p. 203]
 
Lestrigonia genaamd, voorzien met havens diep en breed.
85
Lamus regeert daar; d'een herder roept d'ander in 't veld;
 
Dees keert in, d'ander komt uit, om wachten hij hem besteedt.86
 
Dubbeld loon is daar voor den wakkeren herder bereed:87
 
Daags wacht hij schapen, 's nachts koeien; hij woont bij de wegen.88
 
 
 
‘Hier kwamen wij in een haven, daar nooit schip schade en leed,
90
Omsingeld van een kromme roots in de lucht toe gestegen;90
 
Vóór is een nauwe mond, de stranden buigen haar daartegen:91
 
Daar zijn wij met al ons schepen binnengevaren.
 
Zij lagen bijeen, zo men in stille wateren plegen,
 
Want daar verheffen hem nemmermeer vloeden of baren,
95
Maar 't water kan als een spiegel elks aanzicht verklaren.95
 
Ik sprong op 't land en heb 't schip aan d'uiterste roots gebonden;
 
Op dees klips toppe klimmende, zag ik waar wij waren.
 
Daar heb ik geen spoor van mensen noch beesten gevonden,
 
'k En zag maar een rook opstijgen, om 't welk te verkonden,99
100
Ook wat volk daar woonde, wie hem heur Konink vermat,100
 
Heb ik twee gezellen met een dienaar derwaarts gezonden.
 
 
 
‘Zij kwamen terstond op een grote weg breed en plat,
 
Daardoor men van 't hoge gebergt het bos brengt in de stad.103
 
Antiphatis dochter kwam heur om water in 't gemoet.
105
Dees droeg tot die schoon fontein Artaciam haar watervat,
 
Want vandaar haalde de stad haar water licht klaar en zoet.
 
Zij spraken de maagd aan, en hebben ze vriendelijk gegroet,
[p. 204]
 
Vragende wat volk daar woonde en onder wat Koning:
 
Die wees hun haar vaders hoge huis op staande voet.
110
Zij gingen derwaarts. Als zij kwamen in die grote woning
 
Vonden zij 't wijf daar, 't was hun een ankstige vertoning:111
 
Zij scheen een rootse. Dees heeft haar man van den markt geropen,112
 
Die wilde ze doden, en greep er een zonder verschoning
 
Voor zijn avondmaal, d'ander zijn 't na de schepen ontlopen.
115
Hij riep luide, de Lestrigoniërs kwamen met hopen
 
Als hoge toornen, elks hoofd scheen de lucht te genaken.116
 
Zij rolden grote stenen, die sprongen door 't krachtig nopen117
 
Op volk en op schepen, 't begonst te tieren en te kraken;
 
't Volk kreet al stervende, de schepen berstten en braken.
120
Als vissen van 't strand zij de doden om brassen grepen.120
 
‘Onder dees moorderij zocht ik uit de haven te geraken
 
En hieuw met mijn zwaard aan stukken kabels en repen.122
 
Ik beval mijn volk, dat ze de riemen ter handen grepen
 
Om fluks te ontvlieden die vreeslijke geruchten.124
125
Des doods ankste deed hun snellijk roeien van d'ander schepen:
 
't Schip dreef willig na zee, om die bloedige rootsen t'ontvluchten
 
Daar al d'anderen bleven, maar wij ontkwamen 't met duchten.
 
Zo voeren wij vandaar, zeer bedrukt, en ook half verblijd:
 
't Ontkomen was ons lief, maar ons volks dood deed elk verzuchten,
130
't Verlies van ons waarde gezellen kwelde ons langen tijd.
 
 
 
‘Wij kwamen tot Aeaeam, een eiland groot en wijd,
 
Daar de goddinne Circes haar woonplaats hadde verkoren,132
 
De welsprekende zuster van Aeaeta onbenijd,
[p. 205]
 
Beide van één vader, de lichtende zonne, geboren;
135
Haar moeder Persa mocht men Oceanus' dochter sporen.135
 
‘Hier was 't daar wij 't schip heimelijk in de haven brachten,
 
Enig god was ons leidsman, wij traden op 't strand als voren.137
 
Daar lagen wij treurig twee dagen en twee nachten
 
Kwelende door arbeid en veel ellendige klachten.139
140
Maar als de schoon dageraad den derden dag verlichtte,
 
Nam ik mijn spiets en scherpe zwaard met stoute gedachten
 
En klam op een rootse, daar ik mij hoge oprichtte
 
Om iet te horen oft volk te krijgen in 't gezichte.
 
Ik zag een zwarte roke rokende opwaart strekken144
145
Uit Circis huizinge door de hole bomen dichte.145
 
Terstond nam ik voor te wandelen tot dier plekken
 
Daar ik de drijvende rook den hemel zag betrekken;
 
Maar beter docht mij nog eerst tot mijn volk te wenden148
 
Om wat te ontbijten en hun mijn zin te ontdekken,149
150
En dan iemand van hun, om horen, voorheen te zenden.150
 
‘Maar als ik bij 't schip was, mijn weg bijna ten enden,
 
Zo heeft enig god mijnder ontfermd uit bermhertigheiden,
 
En zand mij een groot gehoornd hirte in mijn ellenden153
 
Dat kwam ter rivieren drinken uit de bossige weiden,
155
Verhit van der zonnen; ik gink hem lagen bereiden.
 
't Kwam door de klippen, daar wierp ik 's met al mijn vermogen
 
Den pieke dwers door 't lijf: het blaatte, d'ogen die schreiden,
 
't Viel in 't stof, zuchtende is de ziele vervlogen.
 
Ik liep er toe, en heb er de bloedige pieke uitgetogen;
160
Die stiet ik in d'aarde, verblijd dat ik 's zo hadde verrast.
 
Doe draaide ik van rijskens en biezen t'zamengebogen
[p. 206]
 
Een band van een vaâm, en knoopte de voeten wel vast162
 
Van 't zware dier; die schikte ik voor 't hoofd, mijn rug droeg al de last;
 
Ik steunde op de piek als ik een voet voort zoude stellen.164
165
Zo trad ik na 't schip, 't beest was groot, 't en had anders niet gepast
 
Op schouder noch armen; zo kwam ik bij mijn gezellen.
 
Daar gink ik 't op 't strand voor ons schip tragelijk vellen,167
 
En sprak tot mijn volk alt'zamen met vriendelijker talen:
 
 
 
‘Nog leven wij, vrienden! al wil ons 't ongeluk kwellen,
170
Vóór den rechten sterfdag en mag de dood niemand halen.
 
Bereidt nu de spijze, zo drinken wij den wijn uit schalen;
 
Niemand en kwel met den mageren honger zijnen geest.’
 
 
 
‘Zo zeid' ik. Terstond was 't al naarstig op 't strand te dalen173
 
Uit den schepe, 't kwam daar al omtrent, de minst met de meest.174
175
Elk zag 't met verwondering, want het was een zeer groot beest.
 
Als 't gezichts luste vernoegd was en heur hadde verlaten,176
 
Wies elk zijn handen, zij bereidden de spijze tot de feest.
 
't Gedenkt mij nog hoe wij dien dag blijdelijk zaten
 
Op 't strand, daar wij zoet wijntjen dronken en wildbraad aten
180
Totdat de nacht kwam en de zon in zee was gedoken.
 
Doe sliepen wij op 't strand, daar wij alle zorge vergaten.
 
 
 
‘Als de dageraad den zwarten mantel hadde gebroken
 
Van de donkere nacht, zo heb ik aldus gesproken
 
Tot mijn volk, die mijn reden alt'zamen aanhoorden:
185
‘Hoort vrienden, niemand van ons allen heeft nog geroken185
[p. 207]
 
Waar dat wij zijn, of oost of west, of zuiden of noorden,
 
Dus laat ons rondsomme raadsplegen bij goeder oorden;187
 
Of iemand iet weet - als ik neen ducht -, die zegge 't hier ter stee.188
 
Ik was op een hoge roots, als mijn ogen 't hert bespoorden;189
190
Doe zag ik dit eiland omsingeld met de woeste zee,
 
Het leit zeer neder; een breden rook zag ik doe mee191
 
Uit veel geboomts opstijgen, zwart en nevelachtig.’
 
 
 
‘Als ik dit sprak versaagde mijn volk, 't herte dee hun wee,
 
Want zij werden der Lestrigoniërs boosheid gedachtig,
195
Ook de verslinnende wreedheid van Cyclope krachtig.195
 
De rokende tranen konsten 's herten droefheid niet helen,196
 
Maar 't schreien mocht niet helpen, dat meerde hun treuren klachtig.197
 
Doe gink ik al mijn trouwe gezellen aan tween delen;
 
Elk deel gaf ik een hoofdman om daarover te bevelen,
200
Ik was d'een, Eurilochus d'ander, een man als een god.
 
't Lot werd in een helmet geroerd, om den tocht gink men spelen:201
 
Daar viel op den vromen Eurilochum het nijdige lot.
 
Hij spoedde hem met tweeëntwintig man, na mijn gebod,
 
Die gingen al wenende heen, 't moste ons ook deren.
 
 
205
‘Zij vonden het huis van Circes, een groot rijkelijk slot,
 
Diep in een dal verborgen, maar lustig na wens' begeren.
 
Omtrent dit hof waren veel wolven, leeuwen en beren
 
Van Circe betoverd, dees hadden haarzelfs vergeten.208
 
Zij misdeden niemand, maar deden ons volk veel eren,
[p. 208]
210
Met wispelstaarten en lekken hebben zij haar gekweten:210
 
Als honden daar een Konink ter tafel is gezeten
 
Rondsom zijn benen strijken, rekken, lopen en springen,212
 
- Dies krijgen zij de toegeworpen lekkere beten -:
 
Zo kwamen leeuwen en beren spelende om heur dringen.
215
Mijn volk, dit ziende, konst hun van ankst nauw bedwingen,
 
Daar zij stonden in de deur der goddinnen huis beneven.
 
Dien hoorden zij een lustig lieflijk liedeken zingen,217
 
Als zij de spoel door liet schieten om een web te weven
 
Rijkelijk, subtiel, schoon en konstig boven schreven,
220
Ook godlijk, zo de goddinnen gestadelijk maken.
 
Doe sprak Polites, een edel Prinse verheven
 
Die mij lief en waard was boven elk in alle zaken:
 
‘Hoort gezellen, hoe klinkt die zang binnen die hole daken!223
 
Zij weeft die daar zingt, 't is een vrouw oft een goddinne.
225
Laat ons fluks kloppen.’ - Zij deden 't alle met luider spraken.
 
Zij opende terstond de deure en noodde ze inne.
 
Alt'zamen volgden ze met onvoorzichtigen zinne
 
Behalven Eurylochus; die bleef, bedrog was zijn vrezen.
 
D'ander bracht ze binnen en steld' ze op stoelen in 't beginne,
230
Zij gaf ze kaas, meel, ook honig door zoetheid geprezen,230
 
De wijn Pramneum verloos zijn lieflijk wezen,231
 
Ook mede het brood, door 't menksel van haar schadelijk venijn,
 
Om hun vaderland te vergeten. Terstond na dezen
 
Sloeg zij ze met haar roede, en betoverde ze fijn:234
235
Zij dreef ze na 't verkenskot, - elk geleek wel een zwijn
 
Van stemmen, borstelen, hoofden en lichamen;
 
Maar 't herte bleef onveranderd zo 't ooit voormaals plag te zijn;237
 
Daar zijn ze wenende inne besloten alt'zamen.
 
Circes gaf ze ekelen, en spijzen die verkens betamen
[p. 209]
240
Te eten, als heur halve lijven in 't slijke steken.
 
 
 
‘Eurylochus gink terstond zijnen weg t'scheepwaart ramen241
 
Om zeggen 't ongeluk hem van zijn volke gebleken.
 
Bij mij en konst hij één woord van droefheid niet spreken
 
Hoewel hij begeerlijk was ons zijn hertzeer te klagen.
245
Als wij dus zagen de tranen uit zijn ogen leken
 
En hem met twijfellijk duchten begonden te vragen,
 
Doe vertelde hij zijns volks ellendige plagen.247
 
‘Na uw bevel, Ulysses, namen wij onzen gank'
 
Sprak hij, en vonden een huizinge schoon in 't behagen249
250
In een dal verborgen; daar weefd' er een die lieflijk zank,
 
't Was een goddinne oft vrouw. Zij riepen met luid geklank,
 
De vrouw deed de deur op, en gink hun vriendschap betogen.252
 
Zij volgden ze alle willig uit lust van spijs ende drank,
 
Maar ik bleef staan, en duchtte te worden bedrogen.
255
Ik zag ze vergaard, zij verdwenen al uit mijn ogen....
 
Lang toefd' ik, en zag geen van hun, maar veel wilde dieren.’
 
 
 
‘Zo sprak hij; terstond nam ik de best van al mijn bogen
 
En gink mijn schouders met mijn grote stalen zwaard verchieren;258
 
Voorts beval ik hem dat hij mij derwaarts zoude stieren.259
260
Die viel aan mijn knien, en heeft mij wenende gebeden:
 
 
 
‘Brengt mij daar niet mijns ondanks, o Prinse goedertieren,
 
Och blijft doch, of gij komt zelfs niet weer hier ter steden,
 
Noch gij en zult ook geen van uw volk weder herwaarts leden.
 
Dus laat ons met dit volk haastig onzen vlucht verstijven;264
265
Wij mogen 't kwaad nog ontvlien, laat ons snellijk vertreden.’265
[p. 210]
 
‘Euryloche' zeid' ik, wildi niet mee, gij meugt wel blijven;
 
Laat u in 't schip met spijs en drank gerijven.267
 
Maar ik moet gaan, den nood dwingt mij mijn volksken te halen.’
 
 
 
‘De zee en 't schip verlatende zag men mijn gank verstijven.269
270
Maar als ik mij spoedde door die heilige dalen
 
Om te komen bij Circes in die toverse zalen,
 
Kwam mij Mercurius met zijn gulden roeiken tegemoete272
 
Als een zeer schoon jongelink: die sprak met heuser talen
 
De hand op mijn schouder leggende eer hij mij groette:
275
‘Waar gadi, onzalige, aldus alleen te voete
 
In onbekende plaatsen? Koomdi om uw gezellen?
 
Die heeft Circes in 't kot besloten, daar lijden ze boete277
 
Als verkens; wildi u om heur in perijkel stellen?
 
Gij meugt ze niet verlossen, zij zal u als d'ander kwellen.
280
Maar ik wil u uit dit kwaad verlossen ende behouen.
 
Let daarom wel op mijn raad dien ik u zal vertellen:
 
Als gij bij Circes zult zijn, zo blijfdi vrij van rouwen,282
 
Al haar kwaden raad zal ik u verklaren in trouwen.
 
Zij zal u een dranksken maken, en doen venijn in uw brood,
285
Maar u zal ze niet betoveren met zulks te brouwen,
 
Want mijnen raad is te goed, die helpt u uit alle nood.
 
Hoort dan: als Circes u slaan zal met haren roede groot
 
Trekt fluks uw zwaard van uw dije, uw blinkende wapen,288
 
Valt haar dan op 't lijf, veinst u toornig, en dreigt ze den dood.
290
Zij zal u vrezen en noden bij haar te slapen.
 
Weigert dat, wilt geenszins op haar beddeken luste rapen,291
 
Opdat ze uw volk verlosse, en u goedlijk laat scheien,292
 
Maar laat ze den goden eed doen u niet te betrapen293
[p. 211]
 
Met enige ander listen die zij u mag bereien,
295
Opdat zij u niet onvernuftig in wellust doe weien295
 
Wijfachtig, weerloos en teder met haar valse praktijk.’296
 
 
 
‘Doe trak hij den raad uit der aarden in die valleien297
 
En deed mij van zijn aard verklaringe ende blijk.298
 
De wortel was zwert, maar de bloeme was den melk gelijk;
300
Moly noemen 't de goden, de mensen vinden 't zwaarlijk,300
 
Maar de goden vermogen 's al, heur wil is van machten rijk.
 
‘Meteen steeg Mercurius ten hemelwaarts openbaarlijk,302
 
Ik gink na Circes' huis, 't gepeins kwelde mij vervaarlijk.
 
Voor haar deure bleef ik staan en heb luide geropen.
305
De goddinne verhoorde mijn stemme klaarlijk,305
 
Terstond kwam zij voorts en dede de deure open;
 
Zij noodde mij, ik volgde, 't hert was vol drukkig nopen.307
 
Ik werd van haar gesteld op een zilveren stoel verheven,
 
Voorts bracht ze mij wijn daar haar toverie in was gedropen;
310
Die heeft ze mij in een gulden schale te drinken gegeven -
 
Zij dacht mij niet goeds - ik drank ze uit zonder sneven,311
 
En bleef dien ik was, door dien drank werd ik niet verzot.
 
Doe heeft ze mij met der roeden op 't lijf gedreven313
 
Zeggende: ‘Loopt nu bij uw gezellen in 't verkenskot.’
 
 
315
‘Ik trok doe mijn zwaard van leer na Mercurius' gebod315
 
En viel haar aan, of ik ze had willen vermoorden.
 
Zij riep en viel ankstig aan mijn knien, 't en docht haar geen spot;317
 
Daar sprak ze mij aan met snelle klaaglijke woorden:
[p. 212]
 
‘Wie zijdi? van wat volk, uit wat stad? van zuiden of noorden?
320
Van wat geslacht? Zegget' mij doch! het doet mij versagen,
 
Dat mijn drank noch slag uw zinnen niet en versmoorden;321
 
Want nooit man en mocht deze venijnen verdragen
 
Nadat hij ze door 't bolwerk zijnder tanden gink jagen.
 
Maar gij draagt in uw borst een onveranderlijk gemoed.
325
Oft zijdi die listige Ulysses kwaad om verlagen,325
 
Daar mij Mercurius dikwijls vermaning af doet,326
 
Dat hij van Troyen hier schepen zal met veel tegenspoed?327
 
Steekt op dan uw zwaard, gaan wij t'zamen op mijn beddeken naakt,
 
Laat ons vreugde bedrijven, betrouwt niet dan alle goed.’329
 
 
330
‘Hoe zoud' ik, o Circe, u willen doen zo gij daar spraakt?
 
Hebdi geen verkens van mijn volk in uw huizing gemaakt?
 
Mij legdi lagen, en beveelt bij u op 't bedde te gaan;
 
Zo haddi gaarne mijn vroomheid en manheid ontschaakt!333
 
Maar neen, ik koom op uw bedde niet, gij en doet mij verstaan334
335
Bij der goden eed, dien ik vast en van waarden waan,335
 
Dat gij geen list meer en zoekt om mij te deren.’
 
 
 
‘Daarop heeft zij mij terstond een dierbaren eed gedaan337
 
Zo ik 's begeerd hadde: ik hoorde haar zweren.
 
Doe steeg ik op 't schoon beddeken na haar begeren. -
 
 
340
‘Vier maagden dienden Circen met gehoorzame oren,
 
Elk deed naarstig 't zijne na haarder vrouwen leren;341
 
Dees waren uit fonteinen en van bossen geboren,
[p. 213]
 
Ook uit heilige rivieren, die de zee besporen.343
 
Een van haar heeft het bedde met schoon tapijten bedekt,344
345
Daar zij fijne slaaplakens op spreidde te voren;
 
D'ander heeft voor 't bedde de zilveren tafel gestrekt,
 
Ook gulden schotels daarop gesteld rein en perfekt;
 
Door de derde is de wijn in zilvere schalen doen vloten,
 
De vierde bracht water en heeft met blazen een vier verwekt
350
Onder een koperen pot, die heeft de hitte genoten.350
 
Als 't water ziedende uit de glimmende pot kwam geschoten,
 
Wies zij mij in een grote kuipe daar ik binnen dook
 
En heeft mij 't water op hoofd en op schouders gegoten
 
Om mijn arbeid te verzachten en mijn treuren ook.
355
Na 't wassen zalfde zij mij met olie van edele rook,355
 
Doe trok zij mij zijden kleedren aan, chierlijk en net,356
 
En bracht mij binnen, in een heerlijke troon, dies 't hert ontlook.357
 
Daar zat ik in. Een schabel werd onder mijn voeten gezet,
 
Een maagd stortte 't handwater uit een zilveren lampet
360
En heeft voor mij een schone gladde tafel bereid;
 
De spijswaarderse bracht het brood licht vers en net,
 
Die veel lekkere spijzen op de tafel heeft geleid. -
 
‘Zij noodde mij tot eten. Mijn hert was vol zwarigheid,363
 
't En lustte mij niet, ik dacht, het mocht mij nog krinken.364
365
Circes merkte ras mijn treuren met listig bescheid,365
 
Dies sprak zij tot mij, dien zij zag eten noch drinken:
 
‘Zegt Ulysses, hoe eet gij niet? Hoe laat gij u niet schinken?
 
Waarom zijdi dus treurig, stil als een, stom van wezen?368
 
Zorgdi nog voor enig bedrog? Laat die zwarigheid zinken.369
370
Ik hebbe te hoog gezworen, gij dorft niet meer vrezen.’370
[p. 214]
 
‘Ik antwoordde: ‘O Circe, wat man oprecht geprezen371
 
Zoude zijn hert tot eten oft drinken konnen stellen
 
Eer hij zijn volk voor ogen ziet verlost en genezen?373
 
Maar wildi mij met spijs oft drank enigszins kwellen,374
375
Verlost en brengt mij voor ogen mijn lieve gezellen.’
 
 
 
‘Terstond is zij met de roei in der hand buiten gestreken,376
 
Zij opende het kot - daar mocht men de verkens nauw tellen -
 
En dreef een kudde daaruit die negenjarig geleken,
 
Die stond voor haar: zij heeft aan elks haar handen gesteken379
380
Besmeerd met toverije, dat streek zij op elk beest.
 
Terstond is 't venijn, borstels, ook 't haar van hun geweken,
 
En waren weder mans, schoonder dan zij ooit hadden geweest.
 
Zij kenden mij, wij gaven de hand, vrolijk van geest;
 
't Voorleden druk dede ons met tranende ogen verblijden,384
385
't Huis was vol geruchts, wij deden malkandren zulk een feest
 
Dat ook de goddinne zelfs met ons was te lijden.386
 
Die sprak doen vriendelijk, staande nevens mijnre zijden:387
 
‘Hoort nu gij vrome Ulysses, gij behendig verstand:388
 
Gaat tot uw volk, doet heur verbergen in korter tijden389
390
Al uw goed en scheepsgereedschap in een spelonke bij 't strand,
 
Laat heur 't schip ook verre trekken op 't droge land;
 
Keert dan terstond weder met uw volk alhier ter banen.’392
 
 
 
‘Ik geloofde dien raad, want ik ze oorbaarlijk vand;393
 
Dies spoedd' ik mij haastig t'scheepwaarts, na haar vermanen.
395
Daar vand ik mijn gezellen wenende bittere tranen.
[p. 215]
 
Die werden zoet en lustig door mijn gezichte geringen.396
 
Recht als de koeien op 't stal komen uit de grazige planen,397
 
Daar men de kalvers loeiende rondsom haar ziet dringen:
 
Zij lekken, zij huppelen, zij dansen en springen -
400
Zo kwam mijn volk wenende dringen rondsom mijn lijf;
 
Zij en konsten van vreugden hun wezen niet bedwingen,
 
't Scheen dat elk thuisgekomen was bij kind en bij wijf
 
In 't strenge Ithaca; zij schreiden en spraken even stijf:403
 
‘Uw komst is ons zo lief, al waren wij op onze erven
405
In ons vaderland, en hadden daar al ons gerijf.405
 
Maar vertelt ons doch van onzer gezellen sterven.’
 
 
 
‘Doe sprak ik: ‘Laat ons eerst het schip, daar wij lang mee zwerven,407
 
Op 't land trekken en ons goed in een spelonke helen;
 
Dan zuldi mij alt'zamen volgen om vreugds verwerven
410
In Circe's heilige huis, daar ons gezellen spelen:410
 
Zij drinken den wijn en eten uit volle platelen.’
 
‘Elk was terstond willig, niemand mijn zeggen versmaadde412
 
Behalven Eurylochus; die wederstond mijn bevelen,
 
Die hiel 't volk op, en sprak met onwilligen rade:414
415
‘Waar loopt gij, o ellendige? Bemindi uw schade?415
 
Wildi na Circe's hof, die u al zal doen verwoeden416
 
En zwijnen, wolven oft leeuwen maken, om vroeg en spade
 
Haar hoge huis, als honden, ons' ondanks te behoeden?
 
Dus gink hem Ulysses ook vermetellijk spoeden
420
Na Cyclops' hol, daar ons volk door zijn dwaasheid bleven.’420
[p. 216]
 
‘Doe werd ik toornig, 'k en nam dat niet ten goeden;
 
Ik trok mijn stalen zwaard, en heb 't opwaarts verheven
 
Om hem, al was hij mijn bloedmaag, te nemen d'leven
 
En 't hoofd voor zijn voeten te werpen zonder enig sparen.424
425
Maar mijn volk hield mij, en baden, ik zoud' 's hem vergeven:
 
‘O vrome Ulysses laat hem hier om 't schip te bewaren,
 
Treedt gij voor na Circe's hof, wij volgen u garen.’
 
‘Alzo zijn ze met mij van 't schip en van de zee gekeerd.
 
Eurylochus en bleef ook bij 't schip niet, maar volgde de scharen,
 
 
430
‘Middelertijd heeft Circes binnenshuis mijn volk geëerd,
 
Naarstig doen baden, en met welriekende olie besmeerd,
 
Met schoon klederen bekleed als Prinsen en vorsten dragen;
 
Wij vonden ze aan 't maal eten na 's herten begeert.
 
Daar was grote blijdschap als zij malkanderen zagen,
435
Elk vertelde wenende 't zijn, 't gantse huis scheen te wagen.435
 
‘Circes stond bij mij en sprak: ‘Ulysses vol listigheden,
 
Vernieuwt uw verdriet niet meer, wilt dus treurig niet klagen;
 
Ik weet wel wat jammer gij ter zee al hebt geleden,
 
Ook wat kwaad u de godloze mans te landwaarts deden.
440
Dus eet nu spijze en drinkt de vrolijke wijn
 
Totdat gij uw herten wat vermaakt in rustiger vreden,441
 
Opdat die weder sterk worden in den zelven schijn442
 
Als gij uitreisde. Nu zijdi uitlandig in druk en pijn,
 
Altijd treurdi om uw dolinge en zware tegenspoed,
445
Zodat gij door 't veel lijden nemmermeer vrolijk meugt zijn.’
 
 
 
‘Zo sprak ze; ik volgde haar zeggen, het docht mij goed.
 
Wij bleven daar een gants jaar en vermaakten onzen moed,447
 
Wij brasten 't vlees en hebben zoet wijn in schalen ontvangen.448
[p. 217]
 
Maar als 't jaar om was, de maanden verlopen voet voor voet449
450
En d'ure kwam dat de dagen begonsten te langen,
 
Porde mijn volk mij om thuiswaarts te strekken ons gangen:
 
‘Rampzalig man, wilt doch eens van uw vaderland dromen,
 
Is 't anders voorzien dat gij hier niet als gevangen453
 
Altijd zult blijven, maar nog eens in uwen lande komen.’
 
 
455
‘Zij spraken recht, dies heb ik 's ter herten genomen.
 
Dien dag maakten wij nog goed chier, men zag de bekers legen.
 
Het werd schemering, de zon daalde achter de bomen,
 
Elk gink door 't donkere huis slapen zo zij plegen.
 
Ik ben ook bij Circe op 't heerlijke bedde gestegen.459
460
Daar bad ik ootmoedig, - zij hoorde mijn smeken met rouwen -:
 
 
 
‘O Circe' zeid' ik, helpt ons nu doch eens op wegen,
 
Stiert ons nu thuiswaart, 't is tijd, wilt uw belofte nog houen;
 
Mijn herte verlangt na de Ithaakse landouwen.
 
Zulks bidt mij ook mijn drukkig volk, 't zij dienaar of gezelle,464
465
Zo dik gij van mij gaat, o fleur van de hemelse vrouwen.’465
 
 
 
‘Hoort’ sprak zij ‘Ulysses listig van opstelle,466
 
Uws ondanks en blijfdi niet langer met gekwelle467
 
Binnen mijn huis; gij moet nog gaan door ander paden,
 
Bij Pluto en Proserpina in de zwarte helle,
470
Om u met den blinden Tiresia te beraden,470
 
De blinde Thebaner profeet die alleen, uit genaden
 
Van Proserpina kreeg toekomende dingen te spreken
 
Ook nadat hij dood was: zijn wijsheid komt u nog in staden;
[p. 218]
 
D'ander zielen zullen 't ook horen, maar die doen geen teken.’474
 
 
475
‘Dit horende is mij 't hert in mijnen lijve bezweken;
 
Ik weende, en wenste om sterven; 't leven was mij een kruis.
 
Als ik lange hadde geschreid, vraagd' ik met treurig smeken:
 
‘Wie zal mij, o Circe, de weg wijzen na die helse kluis?478
 
Want nooit en is er schip gekomen tot Pluto's huis.’
 
 
480
‘Verstaat mij, listige Ulysses, hoe gij daar zult trekken;
 
Zorgt gij voor geen leidsman’ sprak zij, ‘dat 's al abuis.481
 
Uw mast zuldi rechten, de witte zeilen uitstrekken
 
En gaan scheep; ik zal u een noordenwind verwekken
 
Om uw schip snel over de diepe zee te doen vluchten
485
Na een korte strand, verre van steden dorpen en plekken,485
 
Bij het willegenbos van Proserpina zonder vruchten;
 
Brengt daar 't schip op 't land, in die eenzame gehuchten.487
 
Daalt gij dan na Pluto's huis, na die duistere gioelen488
 
Daar Pyriphlegeton en Cocytus met vreeslijke geruchten
490
Vlieten in Acheronten en Stygem, de helse poelen,490
 
Tegens een zwarte roots die zij ruisende bespoelen,491
 
En vergaren ineen. Daar zijnde doet na mijn geboden,
 
Delft een put, dien gij een cubit breed en diep meugt gevoelen,493
 
Dan doet daar uw offerand op over alle doden,494
495
Eerst met mede, dat 's drank van honig gezoden,
 
Dan met zoet wijn, daarna met water tot zulke feesten;496
 
Menget' dan ook met blank meel, het fijnste uit alle broden.
 
Hierna doet uw beloften den zwakken verstorven geesten:
 
Dat gij haar thuiskomende uit uw aldervetste beesten
[p. 219]
500
Zult offeren een vette koe, die nooit kalf en droeg,
 
In een welriekend vuur, voor minsten en voor meesten.501
 
Tyresiae looft een zwarten ram, die hebdi er genoeg;502
 
Als gij geofferd en gebeden zult hebben met gevoeg503
 
Zo offert daar een zwart schaap, na der hellen gekeerd;
505
Wijkt gij dan achterwaarts na de poelen, spoedt u vroeg.505
 
Daar zullen veel zielen komen, die gij niet en begeert.
 
Dan beveelt uw volk die dode schapen met bloede besmeerd
 
Te villen en branden als offer groot van waarde
 
Voor Pluto en Proserpina, ook d'ander goden geëerd.
510
Zit gij dan bereid met uitgetrokken blanken zwaarde
 
Oft enig van den geesten bij den bloede vergaarde,511
 
Dat gij ze manlijk afkeert, al meugdi ze niet wonden,
 
Tenwaar' dat u Tiresias eerst openbaarde;513
 
Dees zal u den weg, middel en thuisvaart verkonden.’514
 
 
515
‘Zij had volzeid, de dageraad had ook den nacht verslonden.
 
Doe gaf ze mij zijden klederen met haar godlijke handen,
 
En heeft een schoon gouden gordel om haar gebonden
 
Over een wit zijden kleed met vergulden randen,
 
Ook verchierde zij haar hoofd met zuiverlijke banden.519
 
 
520
‘Ik gink door 't huis, en deed mijn volk uit den slaap weder leven.
 
‘Slaapt nu niet meer’ sprak ik ‘gij getrouwe verstanden,521
 
Laat ons reizen; Circes heeft mij oorlof gegeven.’522
 
‘Zij waren blij, en zijn niet traaglijk op 't bedde gebleven,
 
Nochtans heb ik ze al niet gezond vandaar gebracht.524
[p. 220]
525
Daar was een Elpenor, de jonkste, en daarbeneven525
 
Niet zeer verstandig, ook niet vroom in 't strijden geacht,526
 
Die sliep wèl dronken op 't hoogste van 't huis dezelfde nacht
 
Om hem te verkoelen, verscheiden van hun allen.
 
Men wekte hem; hij hoorde rumoer, 't was uit zijn gedacht
530
Dat hij met een lange ladder op die hoge stallen
 
Geklommen was, dies is hij van boven nedergevallen.
 
Zo heeft hij ellendelijk den halze gebroken,
 
En voer bij de zielen, binnen Pluto's duistere wallen.
 
‘Voorts heb ik tot mijn gezellen aldus gesproken:
535
‘Gij meent mogelijk thuis te komen, 't hert is u ontloken;
 
Maar Circes voorzeit ons een ander weg vol mishagen:
 
Wij moeten nog eerst in Pluto's huis, in 't helse smoken,
 
Om des profeets Tiresias' geest raads te vragen.’
 
 
 
‘Den moed begaf hun, elk begonst te versagen,
540