Voorts vertelt hij 'tgene dat hem gebeurd was bij Aeolum den wachter der winden: hoe die Ulyssi den westenwind gaf, 'twelk hem voorwind was, ende ook d'ander winden in een lederen zak besloten. Welken zak Ulysses' gezellen, terwijle hij sliep, openden, wanende dat er goud in geweest ware, dies* de winden tot Aeolum keerden. Als Aeolus daarna Ulyssem niet meer verhoren wilde, is hij vandaar gezeild ende tot de Lestrigoniërs gekomen, daar hij elf schepen verloor; ende daarna op 't eiland komende, zendde hij met Eurilocho de helft van zijn volk, daartoe geloot zijnde, om te vernemen wat volk daar woonde. Alle de gezellen werden van Circe in verkens verkeerd, behalven Eurilochus; dies† gaat Ulysses zelfs om dit te onderzoeken. Maar want hem Mercurius een kruid genaamd Moli gaf, zo bleef hij onbeschadigd§, alhoewel hij daar bij Circes een gants jaar lag** om zijn gezellen weder in heur eerste gedaante te brengen. Ende hij daalt ter hellen.