terug  begin  verderprepost
[p. 221]

Het elfste boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Ulysses verhaalt hier hoe dat hij na* 't bevel van Circes ter hellen gaat, ende in wat wijze hij Tiresiam hoort van zijn zelfs ende van der anderen welvaart§. Ook mede hoe dat hij daar in de helle de heerlijke** mannen ende vrouwen ziet, als te weten zijn moeder, ende ook anderen, die met hem voor Troyen gestreden hadden, ende nog sommige die daar in der hellen pijne lijden.
 
ALS wij bij 't schip waren, trokken wij dat vóór al in zee;
 
De mast werd gerecht, het zeil gestrekt, met kabels en koorden,
 
Wij brachten de beesten t'scheep, en gingen daar zelven mee;
 
Daar werd bitterlijk geweend, het hert deed ons wee.
5
Doe zand ons Circes een voorwind trekkende na 't noorden.5
 
't Schip dreef voort, wij schikten ons dingen binnen scheeps boorden,
 
Wij bevalen wind en stierman 't schip, dat is voortgevlogen.
[p. 222]
 
‘Dien gantsen dag zeilden wij, ons weg wij bespoorden.8
 
De zon daalde, d'aarde werd blind, den hemel kreeg ogen -
10
't Was nacht. Zo zijn wij in 't diepste van der zee getogen.
 
Hier zeit men dat het Cimmerische volk in heur stede woont11
 
Met wolken en nevel bedekt, dat men 's niet zien en zou mogen,12
 
Want haar der zonnen glants daar nimmermeer en vertoont,13
 
Noch als de zon de sterren verduistert en heurzelfs verschoont,14
15
Noch als hij de sterren verklaart, en in 't water gaat slapen;
 
Maar over heur vliegt een dikke zwarte nacht, die d'ogen hoont.16
 
Hier trokken wij 't schip op 't land en namen de schapen;
 
Zo gingen wij lanks de strand, ook met gezellen en knapen18
 
Totdat wij kwamen daar Circes ons hadde gewezen.
20
‘Daar gink Pirimedes met Eurilochus t'zamen rapen20
 
Dat men zoud' offeren. Ik trok mijn stalen zwaard geprezen,21
 
En dolf een put van een cubit, daar 't offer, om genezen,22
 
Inne gestort werd voor de zielen van d'overleden:
 
Mede, zoet wijn en water. Dit mengd' ik met meel uitgelezen24
25
En heb de zwakke hoofden der doden vele gebeden,
 
Belovende te offeren - kwaam ik weder t'mijnder steden -
 
Een jonge koe, de beste van alle mijn dieren.
 
Tiresiae loofde ik mede tot offer te bereden28
 
Een zwart schaap, het vetste uit mijn kooie, in grote vieren.
30
Als ik de doden gebeden had in zulke manieren,
 
Doodde ik de beesten op den kuile, tot onzer vromen:31
 
't Zwarte bloed stroomde daarin van de beesten goedertieren.32
 
 
 
‘Terstond zijn de zielen uit der hellen om ons gekomen;
[p. 223]
 
Daar heb ik wijven, jongelingen, oude mans vernomen34
35
En jonge maagden, wiens zielen treurden in drukkig lijden,
 
Ook veel mans met bloedige wapens, die zonder schromen
 
Met pieken en zwaarden verslagen waren in 't strijden;37
 
Dees liepen om den kuil met groot gerucht aan allen zijden.
 
Doe heeft mij zeker de bleke bevende vreze bevaan.39
40
Ik beval mijn volk de vellen van de beesten te snijden
 
En die te branden; voorts hebben wij ons gebed gedaan
 
Aan Pluto en Proserpina om ons bij te staan.
 
Daar zat ik, en trok van mijn dije mijn zwaard blank en fel,
 
En belette de zielen bij den bloede te gaan,
45
Eer ik Tiresiam hoorde. Aldereerst kwam mijn gezel
 
Elpenor's ziele, die lag nog onbegraven door 't reizen snel
 
In Circe's huis vergeten ende van niemand beschreid,
 
Daar ons ander nood porde. Ik weende met treurig gekwel48
 
Over hem, en heb zijns ontfermende tot hem gezeid:
 
 
50
‘Hoe komdi hier in 't donker Elpenor? doet mij bescheid.50
 
Hoe kondi vóór ons, die t'scheep komen, te voete hier zijn?’
 
‘Hij antwoordde mij al wenende met herten bereid:
 
‘O listige Ulysses, o vrome here mijn,53
 
Het ongeluk heeft mij geschend, en d'onmatige wijn.54
55
Ik sliep boven in Circe's huis, en hoorde veel geschals;
 
Daar wilde ik af stijgen, en dacht om ladder noch om lijn,
 
Zo viel ik achterover ter aarden en brak den hals;
 
Doe kwam mijn ziele snellijk ter hellen vol ongevals.58
 
Nu bid ik door die van u zijn, die gij mint uitermaten,59
60
Door uw wijf, door uw oude vader die u voedde als
 
Gij nog klein waart, en door uw zoon, dien gij thuis hebt gelaten
[p. 224]
 
- Want ik weet dat gij nog reizen zult uit dees helse straten62
 
In 't eiland van Aeaea, wederom in de oude haven -
 
Dat gij mijnder daar gedenkt als een van uw onderzaten.
65
Scheidt dan niet, o Konink, ik en ben beschreid en begraven65
 
Om der goden toorn te stillen: 't zal mijn ziele laven.66
 
Maar brandt mij met de wapens, daar ik mee plag te vechten,
 
Doet mij op 't strand een graf bouwen door uwe slaven,
 
Om 't ongeluk te betuigen van den minst uwer knechten.
70
Op 't hoogste van 't graf zuldi een rieme doen rechten,
 
Daarmede ik nevens mijn gezellen te roeien plag.’
 
‘Al dit zal ik, o ellendige, wèl beslechten’72
 
Zeide ik; en spraken zo t' zamen met deerlijk geklag,
 
Daar ik nog veel zielen van mijn gezellen sprak en zag,
75
Alzo zittende met den bloten zwaarde bij 't bloed.
 
‘De ziele van mijn dode moeder kwam daar ook op 't slag,76
 
Die een dochter was van Autolico edel van moed;77
 
Ik liet ze levendig thuis als ik reisde met onspoed78
 
Na Troyen. Doe weend' ik en betreurde dat waarde wijf,79
80
Nochtans liet ik haar 't bloed niet genaken op zeven voet
 
Voordat ik Tiresiam gehoord had, die na lang geblijf
 
Met een gouden scepter in de hand kwam dicht bij mijn lijf.
 
Hij kende mij haast, en zeide met ernstlijker spraken:
 
 
 
‘Waarom laat gij 't licht der zonnen, onzalig katijf,
85
En komt hier binnen dees treurige duister daken?85
 
Maar wijkt met uw zwaard, laat mij 't bloed om drinken genaken,
 
Zo zeg ik u waarheid, en maak u 't verborgen open.’
 
‘Ik deisde en stak 't zwaard op; hij heeft met zijn kaken88
 
Een groot deel zwart bloeds in zijnen lijve gezopen.89
[p. 225]
90
Doe antwoordde mij dees profeet op mijn twijfellijk hopen:
 
 
 
‘Gij zoekt een lichte thuisvaart, en zult ze zwaar bevinden,
 
Vrome Ulysses; Neptunus' haat en meugdi niet ontlopen,
 
Die is nog gram, dat gij zijn lieve zone gingt verblinden.93
 
Maar gij komt nog na veel lijdens thuis, hij mag u niet verslinden,
95
Kondi bedwingen uw en uws volks begeerlijkheiden
 
Als gij in 't eiland Trinacria koomt door sterke winden
 
Om uit de diepe verwoedende zee te scheiden.
 
Daar zuldi de vette ossen der zonnen zien weiden,
 
De beesten der zonnen, die alle dink hoort ende ziet.
100
Laat gij dees onbeschadigd, 't geluk zal u nog geleiden100
 
In 't land van Ithaca, na veel geleden verdriet;
 
Maar is 't dat den beesten kwaad van uluiden geschiedt,
 
Zo voorzegge ik u met al uw volk een ellendigen dood.
 
Gebeurt het dan nog dat gij 't levendig ontvliedt,
105
Zo zuldi lankzaam thuis komen, nadat gij in groter nood
 
Al uw volk verloren zult hebben, in een vreemd schip of boot.
 
Daar zuldi veel mannen vinden verwaand en hoogmoedig,107
 
Die daar onnuttelijk verteren uw rijkdommen groot,
 
Begerende uw kuise wijf, door giften overvloedig.
110
Maar dat kwaad zuldi dan wreken met uwen zwaarde bloedig
 
Oft openbaarlijk, oft met uwe listige secreten.
 
Daarna zuldi zeilen over zee snellijk en spoedig
 
Totdat gij bij 't volk koomt die van geen zee en weten,
 
Noch van geen schepen, ook geen gezouten spijzen eten.
115
Neemt tot een teken dat men u niet verbergen en kan:
 
U zal een man gemoeten - kwalijk meugdi 't vergeten -
 
Die op zijn sterke schouderen draagt een korenwan.
 
Daar steekt een riem in d'aarde, offert Neptuno dan
 
Een stier, een ram, met een bok om zijn jonst te verwerven;119
[p. 226]
120
Maakt ook hecatombas den goden in 's hemels gespan,120
 
Elk in zijn ordene. Als gij dan weer thuiskomt van 't zwerven121
 
Dan zuldi, niet op zee, maar in uwen lande sterven
 
Zwak van oudheid, met een zachte dood niet om vrezen;
 
Uw volk zullen door u gelukkige vrede erven.
125
Dit zal u geschieden, edel Prinse geprezen.’
 
 
 
‘Tyresia,’ zeid' ik ‘willen 't de goden, 't zal zo wezen.
 
Maar zegt doch, mijns moeders ziel is mij daar ook gebleken,127
 
Die zit stille bij 't bloed, zonder mij haar zoon uitgelezen128
 
Eens opentlijk t'aanschouwen oft aan te spreken.
130
Zegt doch, o Konink, hoe kent ze mij niet? Wat mag haar gebreken?’130
 
‘Hoort,’ sprak hij ‘en onthou het, ik zal 't u verklaren.
 
Wat ziel gij 't bloed laat genaken om daaruit te leken132
 
Die zal u, gevraagd zijnde, de waarheid openbaren;
 
Maar dien gij 't verbiedt, zal wijken en van u vervaren.’134
 
 
135
‘Meteen heeft haar Tiresias' ziel weder ter hellen gewend.
 
Ik bleef totdat mijn moeder bij 't ronnen bloed kwam vergaren;136
 
Daar drank zij af, ende heeft mij met een opslag gekend;137
 
Zij sprak mij treuriglijken aan, komende mij omtrent:138
 
‘Zegt zoon, hoe komdi levendig in dees duistere holen?
140
Dees dingen zijn zwaar om zien voor de mensen verblend.
 
Ook leit dees plekke achter veel grote rivieren gescholen
 
En achter de diepe zee, die en lijdt niemand met zolen,142
 
Tenwaar' met een welbezeild schip, dan zou 't mogen geschien.
 
Koomdi met uw volk van Troyen nog t'scheep dus lang dolen?
[p. 227]
145
Zijdi nog niet thuis geweest? hebdi uw wijf nog niet gezien?’
 
‘Moeder' zeid' ik, den nood dwingt mij tot Pluto's huis te vlien146
 
Om hier aan Tiresias' ziele raads te vragen.
 
Ik ben nog niet thuis geweest, al zoud' ik 's gaarne bespien,148
 
Maar zwerve in droefheid en treuren en jammerlijk klagen
150
Van dat ik na Troyen trok om de Troyanen te plagen.150
 
Maar zegt mij nu moeder, hoe zijdi der wereld overleden?
 
Kweelde gij lank? oft gink u Diana's geschut verjagen?152
 
Wilt mij ook van mijn vader en lieve zone verbreden,153
 
Oft zij mijn goed nog bezitten met rustiger vreden,
155
Dan of 't een ander bezit, die mijn weerkomst niet en vermoedt.155
 
Zegt mij ook mijns wijfs zinne, haar meining ende zeden.156
 
Blijft ze ook bij 't kind, zodat zij ons dingen wel behoedt?
 
Of heeft ze een ander Griek getrouwd, rijk en edel van bloed?’
 
‘Neen,’ sprak mijn moeder, haar trouw is zo niet verdwenen;
160
Zij blijft stadig in uw huis, gekweld met veel tegenspoed,
 
Ende verslijt verdrietig nachten en dagen met wenen.
 
Uw goed bezit ook geen ander, na uw menen,162
 
Maar Telemachus gebruiket', en waarschapt na 't betamen163
 
Als een heerlijk Prinse, geëerd van groten en klenen.164
165
Uw vader blijft op 't land, men ziet hem met niemand verzamen.165
 
Hij heeft chierlijk bed noch dekens, zo men van hem zou ramen,166
 
Maar leit hem 's winters bij den slaven in der assen te slapen
 
Bij 't vier, en draagt gescheurde kleedren - gij zoudt's u schamen.
 
Maar t'zomers en in den herfst ziet men hem met den knapen
170
Door de vruchtbare wijngaard menigt van bladen rapen:
 
Die strooit hij tot zijn bedde, en leit zo in drukkig sneven:171
 
Hij weent treurig, uw ongeluk is hem een doodlijk wapen,
[p. 228]
 
Want zijn lastige oudheid doet vanzelfs zijn leden beven.173
 
Zo ben ik mede gestorven en heb hem begeven.
175
Geen ziekte en brokte mij doodlijke morzélen,175
 
Noch Diana en was ook geen beroofster van mijn leven;
 
Maar ben gestorven door kwijnen van druk en deerlijk kwelen,177
 
't Welk mij uw grote liefde in 't derven eerst gink telen:178
 
Mijn moederlijke rouw deed mij, lief zoon, den dood gedogen.’179
180
‘Liefde bestond mij mijns moeders ziele t'omhelzen bevelen:180
 
Driemaal greep ik na haar, driemaal is zij mij ontvlogen
 
Als een droom oft schaduwe uit mijn armen en uit mijn ogen,
 
Dies mij 't herte bedroefde met bitterheid klachtig.
 
‘Waarde moeder’ zeid' ik ‘wiens borsten ik heb gezogen,
185
Waarom zijdi mijn begeerlijk omhelzen niet verwachtig?
 
Mag men hier ter hellen die lieve handen eendrachtig
 
Niet vriendelijk t'zamendouwen om druk te doen vluchten?
 
Oft zeindt mij Proserpina dit gespoke dus jachtig188
 
Om mijn leed te meren, en nog zwaarder te doen zuchten?’189
190
‘Ach onzalige zoon boven alle manlijke vruchten’
 
Sprak mijn waarde moeder, Proserpina en doet's u niet.
 
't Is een vaste wet, daar alle mensen voor duchten,
 
Dat men vlees, zenen noch benen aan den doden en ziet;
 
't Vier verteert dat, daar de ziel dan als een roke vervliet.194
195
Maar spoedt u in 't licht bij den levendigen te geraken,
 
Zo verteldi namaals uw huisvrouw al wat hier geschiedt.’
 
 
 
‘Terwijlen dat wij dus met malkanderen spraken
 
Zand Proserpina veel zielen, die eeuwelijk waken,
 
Van Prinsenwijven en dochters uit de helse paden,
[p. 229]
200
Die bij 't zwarte bloed vergaarden om daaraf te smaken.
 
Doe heb ik mij om elks aan te spreken beraden.201
 
Dit docht mij best: ik trok mijn zwaard en liet ze niet verzaden
 
Al t'seffens van 't bloed, maar d'een na d'ander in goeder oorden.203
 
Elk vertelde dan zijn geslachten en daden;
205
Dan vraagde ik weder listig, als 't mijn oren aanhoorden.
 
 
 
‘D'edel Tyro, Salmonei dochter, wij eerst bespoorden,
 
Die zeide, zij was Crythei Aeolidas wijf.
 
Zij had Enepium bemind, de rivier met hoge boorden
 
't Welk de schoonste rivier op aarden is, zij vliet klaar en stijf;209
210
Hierinne plag zij dikwijls te wassen haar schone lijf.
 
In schijn van dees rivier kwam Neptunus met zijn blauwe honden211
 
Voorbij de haven; daar dekte zij hem, tot zijn lusts gerijf,212
 
Met een drijvende blauwe berg zeer diep om gronden.213
 
Hij had de maagd doen slapen; zij lagen t'zamen bewonden
215
Verholen in 't water, een sterflijk mens met een god zo groot.
 
Daar heeft hij haar maagdelijke gordel ontbonden.
 
‘Als zijn lusten volbracht waren, die hij daar genoot,
 
Greep hij ze met der hand, welk hij haar vriendelijk bood.
 
‘Verblijdt u’ riep hij ‘schoon vrouwe, door ons godlijke minne;219
220
Binnen 's jaars zuldi schoon kinders hebben in uwen schoot,
 
Want der goden bijkomst strekt tot 's mensen gewinne.
 
Voedt dees kinders, en leert ze met zorgvuldigen zinne;
 
Ik ben Neptunus, maar ziet dat gij 's u te zeggen wacht.’
 
‘Dit was volzeid, hij schoot na de wellende zee diep inne.224
225
Zij heeft Peleam met Neleum ter wereld gebracht.
 
Beide waren zij Iupiter's dienaars hooglijk geacht;
[p. 230]
 
Peleas bewoonde Iaoleo, van vee zeer rijke,
 
Maar Neleus het zandige Pilum, groot van macht.
 
Nog baarde dees Koningin haar man opentlijke
230
Aesonem, Pheretem; Amythaona, wiens praktijke230
 
Stond in strijdbare wagens en was gaarn te paarde.
 
 
 
‘Daarna zag ik Anthiopem in dees helse wijke,232
 
Esopi dochter, die haar Iupiter's bijslaap verklaarde,233
 
Denwelken zij Amphionem met Cetheum baarde
235
Die Thebas met de zeven poorten eerst hebben gesticht.
 
Doe kwam Alcmena, Amphitrion's wijf hoog van waarde,236
 
Daar Iupiter Herculem bij wan stoutmoedig in 't gevicht;
 
Ook mede Megara Herculis wijf schoon van gezicht,
 
Creontis dochter, die machtig was en hoog van moede.239
 
 
240
‘Epicasta Oedipodis moeder stond bij den bloede dicht,
 
Die onwetende 't kwaad bedreef daar zij na om verwoedde.241
 
Zij trouwde haar zoon, die smoorde zijn vader in zijnen bloede,
 
Wiens bed hij beklam. (Lijdt God dan zulke godloze gangen?)243
 
Hij regeerde Thebas, ellendig met tegenspoede,
245
Zij kwam ter hellen hebbende loon na werken ontvangen,
 
Want zij had haar aan een hoge balk uit wanhoop verhangen,
 
Dies liet zij haar man ende zoon een schandelijke rouwe,
 
Een geschend huis, een razende zin en betraande wangen.248
 
 
 
‘Mij verscheen ook Chloris, die overschone vrouwe,
250
Dien Meleus om haar grote schoonheid gaf zijn trouwe
 
Met schoon morgengaven, 't was de jonkst uit Iasida geboren;
[p. 231]
 
Amphion was de vader, Konink van groten landouwe
 
Welke Neleus in Orchomeno regeerde te voren
 
In 't rijk Minyeo, namaals ook in Pylo verkoren.
255
Daar wan hij bij zijn wijf schoon kinders, Nestorem bizonder,255
 
Chromium, Periclymenum moedig in deugds besporen,256
 
Daarna Pero, wiens schoonheid elkerlijk hield voor wonder:257
 
Iegelijk zocht ze te wijf, elk was haar schoonheids verkonder.
 
Maar Neleus en wilde zijn schoon dochter niemand geven
260
Dan die de schoon zwarte koeien bracht tot een plonder260
 
Die zijn moeder geweldelijk waren ontdreven
 
Door Iphicleum, in wiens hoede zij waren gebleven.
 
Melampos de profeet beloofde ze zijn broeder te bringen,
 
Maar den tijd was nog niet om, dies most hij daar sneven264
265
In gevankenis, door de wilde boeren die hem vingen.
 
Maar als de maanden bij uren en dagen voortgingen,
 
't Jaar om was, en de tijd vervuld, heeft Iphicles hem ontslagen,
 
Want Melampos had hem voorzeid waarachtige dingen,
 
Dies liet hij hem de koeien tot Bianten zijn broeder jagen;
270
Die trouwde doe Pero, na Iupiters welbehagen.
 
 
 
‘Ook zag ik Ledam, wiens schoonheid maakte een verblijder
 
Pindarum haar man, dien zij twee wijze zoons heeft gedragen:
 
Castor was d'een, een ridderlijk paardenberijder,
 
Pollux noemt men d'ander, met der vuist een manlijk strijder.
275
D'aarde houdt dees beide levendig binnen 's werelds erven;
 
Daar eert hun Iupiter, nochtans is d'een of d'ander een lijder,
 
Want bij beurten moet elk om den tweeden dag eens sterven
 
Ende wederom den tweeden dag het leven verwerven.
 
Zo zijn ze beid' als goden met eeuwiger eren geëerd.
[p. 232]
280
‘Iphimedea, Aloëis wijf, kwam daar ook zwerven,
 
Die zeide, zij hadde met Neptuno geboeleerd,
 
En baarde twee zoons, die niet lang in 't leven hebben verkeerd,
 
Den stouten Otum met zijn broeder die men Ephialtem heet.
 
Het aardrijk heeft ze gevoed en in zulker grootheid vermeerd284
285
Dat men naast Orion van geen groter noch schoonder en weet.
 
In 't negende jaar waren zij negen ellenbogen breed
 
En negen vademen lang, 't schenen hoge eikenbomen.
 
Zij dreigden de goden en maakten zich ten oorloge gereed;
 
Den berg Ossam hebben ze van zijn plaatse genomen
290
En stelden die op den hogen Olympum zonder schromen;
 
Op Ossa gingen zij 't gebergte Pelion vergaren291
 
Ruig van geboomt, om geweldig in den hemel te komen.292
 
Waren zij volwassen tot haar manbare jaren
 
't Waar' mogelijk volbracht. Maar Apollo gink ze bezwaren;294
295
Die doodd' ze eer d'eerste haarkens om hun monden verschenen.
 
 
 
‘Mij kwam daar ook Phedra en Procris openbaren,296
 
Na Ariadne, Minoïs dochter wijs, zo wij menen.
 
Theseus bracht ze eertijds uit Creta na 't land van Athenen,
 
Maar zij kwam daar niet, Diana heeft ze hem eerst onttogen;
300
Die hield ze in Bacchus' omdriftige wille, zwak van benen.300
 
‘Maera en Clymene gingen daar mede voor mijn ogen,
 
Eriphyle ook, die treurigheid moste gedogen;
 
Want zij valselijk om 't ontrouwe goud haar man verried.
 
Maar hoe zoud' ik al de Prinsessen uitspreken mogen?304
305
Den nacht viel te kort, verhaald' ik ze alle die men daar ziet.
 
't Is nu slapens tijd, oft scheep te gaan, indien gij 't gebiedt.
[p. 233]
 
Mijn thuisvaart staat aan Gode ende aan u altemale.’
 
 
 
Zij zwegen al stille, 't horen was niemands verdriet;
 
Elk luisterde met wellust door die duistere zale.
310
Doe sprak de Koninginne Aretes met jonstige tale:310
 
‘Gij Prinsen, wat dunkt u van dezen man te wezen?
 
Hoe fris is zijn persoon, hoe schoon! wat wijsheid leit in 't verhale!
 
Dit is mijn gast, elk geniet zijn ere en deugd geprezen.
 
Dus haast niet met de reis van dees Prins uitgelezen,
315
Opdat hem die behoeftig is ons giften niet ontbreken;
 
Wij hebben 's doch vele, deur Godes goedheid die wij vrezen.’
 
 
 
Daarop begonst de oude Prins Echeneus te spreken
 
Die d'alderoudste van den Pheacensers was gebleken:
 
‘Hoort, gij Prinsen, dat woord is niet te vergeefs noch zonder zake319
320
Dat ons wijze Prinsesse zeit; elk toon willigheids teken.
 
't Is ons heren zin, uit hem komet', ik merk 't aan haar sprake.’
 
 
 
‘'t Zal ook zo zijn, indien ik als bezorger wake’
 
Zeid' Alcinous ‘over de Pheacensers meesters ter zee.
 
Ulysses, u bid ik, rust dees nacht hier nog met gemake,324
325
Al verlangt u zere, zo maken wij alle giften ree.
 
Elk bezorgt uw reis, bizonder ik Konink alhier ter stee.’
 
 
 
‘Grootmogende Konink vol eerwaardigheiden’
 
Sprak Ulysses ‘dat zal zo zijn, al doet mij 't beiden wee,
 
Ja al bevaaldi mij hier nog een jaar lank te beiden.
330
Wilde gij mijn thuisvaart met zo schone gaven bereiden,
 
't Waar' mij goed en nut; zo kwaam ik niet met ijdele handen331
[p. 234]
 
In mijn land, maar waar' te eerlijker van hier gescheiden;332
 
Ik zoude te aangenamer zijn bij alle verstanden333
 
Die met verwondering mijn weerkomst zagen uit vreemde landen.’
 
 
335
Alcinous zeide: ‘Ulysses, hoe wij u meer deurkijken,335
 
Hoe wij u minder bij die landlopers vol schanden
 
Oft bij die bedrieglijke listige dieven gelijken
 
Die om 't profijt logens verzieren met loze praktijken338
 
Die men niet en kan verstaan, als dubbelde gezellen.
340
Maar gij doet een eerbaar verstand met eerbaar woorden blijken,340
 
Men hoort u der Grieken historie zo recht vertellen341
 
Als den Musicien, ook uw treurig smertelijk kwellen.342
 
Maar zegt mij, vernaamdi geen Prinsen vroom ter wapen343
 
Van uw vriendelijke kennisse, daar in der hellen?
345
Die nu dood zijn, mein ik, en voor Troyen waren met veel knapen.
 
Vertellet doch, de nacht is lank; 't is nog te vroeg om slapen.
 
Gij zegt wonderlijke dingen, dies elks daar stillekens toe sust;347
 
Ik zelfs zou mij tot den dag vergeten en u aangapen
 
Als 't vertellen uws verdriets mijn begeerlijkheid dus blust.’
 
 
350
‘Daar is, heer, een tijd van veel zeggen, ook een tijd van rust’
 
Antwoordde Ulysses. ‘Maar want gij 't immers begeert te horen,351
 
Zo wil ik mijn jammer gaarne verhalen, u tot een lust.
 
Gij zult in mijn woorden nog al meer droefheids besporen
 
Als ik u zeg hoe deerlijk dat ik mijn volk heb verloren,
355
Nadat ze ontgaan waren 't bloedige oorlog van Troyen,
[p. 235]
 
Die ik op den weerkomst door vrouwenschalkheid zag versmoren.356
 
 
 
‘Als Proserpina dan ginds en weer zo gink verstrooien
 
Der Prinsessen zielen, kwam daar mede tot mijn vervrooien358
 
Agamemnons ziel; ook ál die met hem storven onbehoed359
360
In Aegisthus' huis. Dees kwamen treurig uit de helse kooien.360
 
Hij kende mij terstond na 't drinken van 't zwarte bloed
 
- De bittere tranen welden op uit zijn droevigen moed -362
 
En bood mij begeerlijk de hand; maar daar en was geen kracht,363
 
Als eertijds, in de beweeglijke leden vol tegenspoed.364
365
Ik weende om hem, ontbermende zijns in mijn gedacht,
 
En sprak: ‘O Konink, wat onspoed heeft u hier gebracht?366
 
Heeft u Neptunus in zee verdronken, en doen verstijven?
 
Of heeft u iemand op 't land gekwetst met geweldiger macht,
 
Die u schoon ossen oft schapen heeft willen ontdrijven?
370
Of storft gij vechtende voor uw stad oft voor de wijven?’
 
‘Doe hoord' ik hem zeggen: ‘Vrome Ulysses listig in 't woord,
 
De stormende Neptunus deed mij ter zee niet blijven,
 
Noch geen vijanden en hebben mijn lijf bloedig doorboord,
 
Maar de valse Aegisthus heeft mij verradelijk vermoord,
375
Met mijn godloos wijf, binnenshuis in een waarschap gezeten.375
 
Recht als men een os bij de krebbe in zijn bloed versmoort,
 
Zo deerlijk werd ik daar met mijn gezellen doodgesmeten377
 
Onder vriendelijken schijn met verraderse secreten,
 
Of gelijk men veel zwijnen doodt, om tot een feest
380
In eens rijk mans bruiloft, met vrienden en magen te eten.
 
Gij zijt in veelderlei bloedige strijden geweest,
 
In bizondere kampen, ook in veldslagen, onbevreesd;382
[p. 236]
 
Maar haddi dees moord gezien, gij hadt gezucht mismoedig383
 
Hoe wij bij tafels, stoelen en bekers lagen, minst en meest.384
385
't Was al met bloed bespreid, de vloer ook glad en bloedig.
 
Nevens mij hoord' ik Cassandra deerlijk krijten, half verwoedig,386
 
Die werd jammerlijk vermoord van Clytemnestra vals van aard.
 
Het deerde mij, dies ik nog al stervende spoedig388
 
Mijn handen daarvoor sloeg, die kwamen in 't bloedige zwaard.
390
Die moordenerse gink weg, en liet mij op Pluto's vaart390
 
Zonder mijn ogen te sluiten oft te stellen mijnen mond.
 
Ach, men vindt niet doodlijkers of wreder dan een wijf onwaard392
 
Die zulk verraad eens voorneemt in haar argelistige grond,393
 
Als dees, die haar man den dood bereidde met een lachende mond.
395
Ik dacht, het mijn wijf, kinders, maarten en dienaars alt'zamen395
 
Lief zoud' zijn, dat ik van zo lang een reize nog kwam gezond;396
 
Maar dit snode wijf, dees vlekke van alder vrouwen namen
 
Maakt dat haar de nakomelingen ook moeten schamen,
 
Al waren zij ál deugdlijk, om dees schandelijke daad.
400
O, wat vermag onkuise liefde vol lasterlijk blamen!’400
 
‘Ik antwoordde daarop: ‘Het schijnt, der wijven listigheid kwaad,
 
Ook de vrouwen zelfs, bitterlijk van Iupiter zijn gehaat.402
 
Wat groter moord gink de schoonheid van Helena verwekken!
 
Leide Clytemnestra u geen lagen met moordelijk verraad?’
405
‘Agamemnon sprak: ‘Als gij u al vriendlijk bij 't wijf zult strekken
 
Wilt haar nochtans geenszins uw verholentheid ontdekken;
 
Veel dinks mag men 't wijf wel zeggen, maar 't meest dient best geheeld.407
[p. 237]
 
Mer gij zult door uw wijf van aardrijk niet vertrekken,
 
Want uw Penelope, van d'edel Icaro geteeld,
410
Is wijs en kuis, wiens deugd haars ouders eêldom nog vereêlt.
 
Reizende na Troyen lieten wij haar thuis jonk van jaren
 
Met uw zoonken op schoot, zo elk kind met de mamme nog speelt,412
 
Die nu een jongelink is bij grijze gelukkige scharen.
 
Bij die lieve zoon zuldi thuiskomende nog vergaren,
415
Hij zal u omhelzen en gehoorzamen al zijne dagen.
 
Maar mijn valse wijf wilde mij ons zoon niet openbaren,416
 
- 'k En mocht mijn gezicht niet eens verzaden na mijn behagen -
 
Maar heeft mij ellendige Prinse eerst zelfs verslagen.
 
Hoort nu, en wilt mijn zeggen in 't herte verborgen houen:
420
Maakt dat gij onbekend thuiskomt, wildi 't niet beklagen,
 
Want niet lichtelijk zal men de wijven betrouwen.421
 
Maar zegt mij doch, kwam mijn zoon nergens in uw aanschouwen,
 
Noch in Orchomeno, noch in Pylo het zandige land,
 
Noch bij Menelaum tot Sparta rijkelijk gebouwen?424
425
Want Orestes is niet dood, hij leeft nog aan enigen kant.’
 
‘Wat vraagdi mij dat, Agamemnon,’ sprak ik te hand,426
 
‘Ik en weet van zijn leven noch dood, op gene banen.427
 
Iet onzekers te zeggen is onrecht en onverstand.’
 
 
 
‘Terwijle wij deze dingen klaaglijk vermanen,429
430
Betreurd, bedrukt, en bedauwd met bittere tranen,430
 
Zo kwam de ziele van Achille ook daar ter steden
 
Met Patroclo en Antilocho zijn stoute kompanen,432
[p. 238]
 
Ook Aiax, de schoonste en aldervroomste van leden433
 
Van al de Grieken, naast Achilles van ridderlijke zeden.
435
Achilles mij kennende sprak eerst zonder enig schromen:
 
‘Zegt doch, gij edele Ulysses vol listigheden,
 
Ellendige man, hebdi dit grote feit nog voorgenomen?437
 
Hoe dorft gij doch in dees ankstelijke helle komen,
 
Daar der doden zielen wonen, dees ontziglijke spoken?’439
440
‘O Achilles, êel Prins, o vroomste van alle de vromen,’440
 
Sprak ik ‘door nood ben ik hier ter hellen gedoken,
 
Om Tyresiam raads te vragen, dien heb ik gesproken,
 
Hoe ik best in 't land van Ithaca zou konnen geraken.
 
Hoezeer ik mij gespoed heb, mij heeft geluk ontbroken;
445
Tot nog toe en heb ik mijn land niet mogen genaken.
 
Maar gij zijt de alderzaligste in alle zaken,446
 
Want als gij leefde waardi van elk als god geprezen;
 
Nu heerschapt gij nog over de doden met dorre kaken,
 
Dus treurt gij doch niet, voor zulken staat de doden niet te vrezen.’449
450
‘Terstond antwoordde de moedige Prins uitgelezen:450
 
‘Spreekt mij van den dood niet goeds, o gij Ulysses verheven.
 
Want ik hadde liever eens armen boeren knecht te wezen
 
Als hij maar nooddruft hadde om af te leven453
 
Dan al de doden te gebieden en wetten te geven.
455
Maar zegt van mijn zoon, draagt hij hem voorts ridderlijk in 't strijden
 
Zo hij begonnen hadde, of doet hem blodigheid sneven?456
 
Weet gij iet van Peleo mijn vader, dat wilt niet mijden;457
[p. 239]
 
Mag hij hem nog als Prins met de Myrmidoniërs verblijden?
 
Oft wilt men hem in Thessalia en Phthia verachten
460
Omdat hij oud en versuft werdt door de lange tijden,
 
Die hem zijn leden verstrammen en roven zijn krachten?
 
Ik heb nu geen wrekens kracht, 'k en ben niet van zulker machten
 
Als ik in de klare zonne voor Troyen ben gebleken,
 
Daar ik veel edel Troyanen in haar bloed deed versmachten.464
465
Kwaam ik nog in zulk een schijn in mijn vader's hof gestreken465
 
Ik zoude 't met manlijke handen bloedelijk wreken
 
Dat men hem ongelijk doet en verstoot van zijnder eren.’467
 
‘Van uw vader’ zeid' ik ‘en heb ik niet horen spreken,
 
Maar zal u al de waarheid zeggen, na uw begeren,
470
Van uw zoon Pyrrho; dien mochten de Grieken niet ontberen,
 
Dies bracht ik hem uit het eiland Scyro voor Troyen met list.
 
Als hij daar mede te rade kwam bij de Griekse heren
 
Sprak hij altijd eerst, daar hij nooit in zijn reden heeft gemist;
 
Maar Nestor ende ik waren t'zamen alleenlijken in twist.
475
Als men dan zoude vechten, zo zag men Pyrrhum niet prijken,475
 
Hij bleef niet bij d'oorden, maar liep daar hij meest vijanden wist;476
 
Ook was hij zo sterk, dat men hem nooit vijand zag wijken,
 
Wien hij geraakte, die bleef daar, niemand mocht hem gelijken;
 
'k En mag ze u niet al tellen, noch hun namen verkonden
480
Van den Troyanen die men daar dood van zijnder hand zag blijken.
 
Den Prins Eurypylum versloeg hij met doodlijke wonden,
 
Ook al zijn gezellen van een vrouwe ten oorloge gezonden;482
 
Dit was de schoonste naast Memnona die trad over zolen.483
 
Maar als wij met de bloem van Grieken tezamen stonden
[p. 240]
485
In 't houten paard, daar mij alle den last was bevolen485
 
Van de lagen te ontdekken oft te houden verholen,
 
Daar zag men de Prinsen en krijsraad beankst en bedeesd,487
 
Hun leden beven, de tranen over de bleike wangen dolen;
 
Maar hem zag ik ooit vroomhertig, onversaagd en onbevreesd,489
490
't Schoon aanzicht hield zijn blozen, hij bad met een stouten geest
 
Om uit te gaan; den spiets schuddende, vuistte hij zijn zwaard:
 
Zijn hert zocht Troyens verderven, 't hadde gaarne uit geweest.
 
Als nu die hoge stad beroofd was, gebuit en gepaart,493
 
Heeft hij ook zijn heerlijke roof in zijn schepen vergaard
495
Zo gezond, dat er nooit wapen rood en werd van zijn bloed,
 
Zo 't nochtans meest in 't strijden gebeurt, daar Mars toont zijn aard.’
 
 
 
‘Dit was gezeid; Achilles die ooit snel was te voet
 
Trad heerlijk van mij door 't grazige veld, met een blijden moed,498
 
Omdat hij zijn zoon eerlijk en gezond vernam te zijne.499
500
D'ander zielen der doden stonden treurig vol tegenspoed,
 
Elk vertelde zijn jammer verdriet en pijne.
 
 
 
‘Ajax Telamonius' ziel stond in droevigen schijne502
 
Verre van mij, omdat hij door mijn victorie was veracht
 
Als men mij toeoordeelden Achilles' wapenen fijne,504
505
Bij den schepen, daar hij begeerlijk op hadde gewacht505
 
- De Trojanen waren rechters, met Pallas, 't godlijk gedacht. -506
 
Och oft ik hem niet verwonnen most hebben in zulk een strijd!
[p. 241]
 
Want hierom dekt d'aarde zijn gebeent, met alder Grieken klacht,
 
Die d'aldervroomste en schoonste man was in 't Griekse krijt
510
Naast de stoute Achilles. Ik sprak tot hem ter zelver tijd:
 
‘Zegt mij doch Aiax, meugdi de gramschap nog niet verlaten
 
Om die schadelijke wapens, gij die al gestorven zijt?512
 
Zij waren 't verderven van der Grieken onderzaten,
 
Door haar verloren wij zulk een burcht voor al onze soudaten.
515
Men zag om u geen minder droefheid dan om Achilles geschien515
 
Bij den Grieken. 't Was niemands schuld, niemand is daarom te haten
 
Dan Iupiter, die ons Grieken haat; dees had 't zo voorzien:517
 
Ik mocht die verderflijke eer, noch gij den dood niet ontvlien.
 
Maar komt doch herwaarts, o Prinse, hoort mijn vriendlijke reden,
520
Temt uwen toornigen moed, laat u daar sterk in bespien.’520
 
‘Hij sprak niet, maar gink ter hellen na d'ander zielen treden,
 
En bestond van verre zijn toorn tegens mij te verbreden.522
 
Ik liet hem staan.
 
‘Ander doden te zien gink ik opletten.
 
Daar zag ik Minos, Iupiter's zoon vol rechtvaardigheden
525
Met zijn scepter; dees zat als rechter en gaf den doden wetten.
 
Vele ander zielen kwamen zijn zetel rondsom bezetten;526
 
D'een kwam hem verantwoorden, d'ander iemand beklagen.527
 
‘Ik zag ook den reuze Orion met honden en netten
 
Veel wilde dieren deur die kruidige beemden jagen
530
Met een ijzeren kod op zijn schouderen, zwaar om dragen.
 
‘Tityus, het aardrijk's zoon, lag ook aldaar ter plekken
 
Uitgestrekt, en had een groot stuk lands beslagen.
[p. 242]
 
De gieren knaagden zijn lever met haar kromme bekken.
 
Hij lag gebonden en mocht er zijn handen niet toe strekken,534
535
Want Iupiter's lief Latona was geweld van hem geschied
 
Als zij deur 't zoete Panopeia tot Pytho wou trekken.
 
‘Tantalus zag ik daar ook ten hals in 't water vol verdriet;
 
Dat dreef om zijn kin, hem dorstte, en mochte 't genaken niet,538
 
Want zo dik die grijsaard begeert te drinken met verlangen
540
Zo dik droogt het water, dat men den grond zwart van aarde ziet.
 
Over zijn hoofd staan bomen, de takken raken zijn wangen
 
Met granaatappels, peren en zoete vijgen dicht behangen;
 
Maar als hij daarna grijpt, drijven zij hoog in der luchten
 
Door een snelle wind, dies mag hij 't begeerde niet ontvangen:
545
Hij staat in overvloed, nog ziet men hem nooddruft ontvluchten.545
 
‘Sisyphum vernam ik daar mede in arbeidelijk duchten,