terug  begin  verderprepost
[p. 245]

Het twaalfste boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Nog zeit hij al voorts van zijn weerkomst tot Circes. Hoe dat hij zeilde voorbij de Sirenes, ende voorbij die dolende klippen Scyllam ende Charybdim; vertelt ook het verderven van zijn schip ende zijne gezellen, die sommige ossen der zonnen gedood hadden. Ten laatsten hoe hij allene op een wrak bij Calypso gebergd werd.
 
EEN wijle voeren wij zo, in 't laatst heeft het schip begonnen
 
Die duister zee te laten, en kwam tot Aeaeam aan land,2
 
Daarbij wij de gulden dageraad hebben gewonnen,
 
Ook haar huizing, dansen, ende 't schone licht der zonnen.4
5
‘Wij traden uit den schepe, en trokken dat op 't zoute zand;
 
Slapende verwachtten wij den morgenster, die kwam op hand.6
 
Ik zand mijn volk tot Circen Elpenorem te halen.
 
Die brachten hem; daar hebben wij het dode lichaam verbrand
 
In een groot vier van verse takken en oude palen.
10
Wij maakten een hoge tombe, ter zijden werden 't dalen;10
 
Daar gingen wij den riem met zijn wapens verchierd op stellen
[p. 246]
 
Als een pilaar; voorts zag men het officie met tranen betalen.12
 
 
 
‘Onverholen was voor Circen ons weerkomst uit der hellen;
 
Die bracht spoedig met haar maagden mij en mijn gezellen
15
Schoon brood, veel vlees, en zwarte wijn die niet en mocht verderven.
 
Zij sprak tot ons, die zij van 't ongeluk zeer zag kwellen:16
 
‘Ellendige mans, die levendig tot Pluto gaat zwerven,
 
Twee doden lijdende, daar de mensen maar eens en sterven!
 
Maar welaan nu, eet, drinkt, en wilt al den dag vrolijk wezen;
20
Zeilt dan morgen vroeg heen, zo haast gij 't licht zult verwerven.
 
Ik zal u den rechten weg en middelen voorlezen,21
 
Dat gij te water noch te lande niet en komt in vrezen
 
En in zwaar verdriet, door uw kwaden raad op vreemde straten.’23
 
 
 
‘Dit sprak ze. Wij hebben 's altezamen geprezen;24
25
Dies wij daar tot der zonnen ondergank bij haar zaten,
 
Daar wij den zoeten wijn dronken op 't vlees dat wij aten.
 
De zon liep schuil, de schemering heeft haar overal verspreid;
 
Elk gink t'scheep om slapen, daar zij de zorgen vergaten.
 
Doe nam mij Circes met der hand en heeft mij van 't volk geleid,
30
Zij zat bij mij en vraagde, ik deed haar van als bescheid:30
 
Van begin ten einde hoorde zij al mijn bedied.31
 
Daarna heeft die eerwaardige Circes tot mij gezeid:
 
‘'t Is zo gij zegt; alzo is 't ook altemale geschied.
 
Maar hoort mijn zeggen, gedenkt wel, vergeet immers niet:34
35
Eerst zuldi bij de Sirenes komen - let wel op mijn woord -;
 
Dees verdwazen elk die daar komt, en haar zijn ore biedt.
[p. 247]
 
Die daar onverhoeds aankomt en der Sirenen zank aanhoort,37
 
Zulk een en geraakt nemmermeer tot wijf en kinderen voort38
 
Die hem thuis wellekomen, maar blijft in haar bedwank.39
40
Die Sirenes zitten bij 't witte gebeent van haar vermoord40
 
In 't veld, en zingen een smekende lustige zank41
 
Onder een hoop verrottende mensen met doodlijke stank.
 
Vaart gij daar voorbij, en stopt wel dicht al uws volks oren
 
Met week was, opdat niemand en hoor dat aantrekkend geklank
45
Van al d'ander; maar believet' u, gij moget' horen.
 
Maar doet u dan wel stijf aan de mast binden te voren
 
Met sterk touw om arm om been, dat gij niet en meugt ontlopen;47
 
Zo meugdi veilig lust door haar zoete zang oorboren.48
 
Maar last eerst uw volk: ‘Wil ik dat gij mijn banden doet open,49
50
Verlost mij geenszins, maar wilt meer banden om mij knopen.’
 
‘Als dan uw volk voorbij de Sirenes zijn gevaren
 
En kan ik u zo niet zeggen, wat heen gij 't schip zult nopen.52
 
Beraadt u dan; daar zijn twee wegen, ik zal ze u verklaren.
 
Ter eenre zijden ruisen de hoge vreeslijke baren54
55
Aan steile rootsen, d'een schijnt te genaken 's hemels tent,55
 
- De goden noemen 's de dolende klippen lange jaren -,
 
Daar geen gevogelt des hemels vliegende komt omtrent,57
 
Noch ook geen ankstige duiven, die d'ambrosiam bekend
 
Met haar kromme neb tot den vader Iupiter dragen.
60
D'een klip en ziet men niet, die leit onder de baren verblend.
 
D'ander staat hoge, daar kwam nooit schip bij t'enigen dagen
 
Dat niet verdronken is, en aan morteren geslagen62
 
- Dan dreven de doden en berders in die wrede stromen,63
[p. 248]
 
Die wentelden in die vloeden die malkanderen jagen -
65
Behalven Argo, dat is dees klippen alleen ontkomen,
 
't Welk van Aeëta kwam zeilen met ankstig schromen.66
 
Het waar' ook mogelijk àl aan die klip stukken gewreven,67
 
Had 's Iuno niet belet; die heeft Iasonem acht genomen,68
 
Want zij hem zeer beminde, en hield hem in 't leven.
70
‘Aan d'ander kant zijn ook twee bergen, d'een ten hemel verheven;
 
Dees heeft een scherpe top, die de zwarte wolken omschaken.71
 
Daar komt nemmermeer klaarheid noch lieflijk weder beneven,
 
Geen sterflijk mense en mag daar op noch af geraken
 
Al waar' 't ook dat hem twintig handen noch voeten gebraken,74
75
Want ze is glad en steil, men mag hem daar niet aan houen.
 
In 't mids ziet men een diepe spelonk na 't noorden genaken:76
 
Dees zuldi, lieve Ulysses, als uwen sterfdag schouwen.77
 
Mijd ze zo wijd als een jonk man's handen schieten zouen
 
Met een sterke boog. Zo ver wilt van dit zwarte hol wijken.
80
Daar woont Scylla, die roept zo vervaarlijk dat elk mag grouwen,80
 
Haar stem is bij 't gebries van jonge leeuwen te gelijken;81
 
Zij is een groot grouwelijk monster, wie haar moet aankijken
 
Die mag hem niet verblijden, al kwaam hem een god ook groeten.
 
Twaalf onbeweeglijke benen doet zij blijken
85
Met zoveel vast staande ijselijke voeten;
 
Zes lange halzen heeft zij, daar de baren om wroeten,
 
Elk heeft een vreeslijk hoofd met lange drievuldige tanden
 
Vast, dik en doodlijk, daar menige heur dood gemoeten.88
[p. 249]
 
Midden komt uit een helsen afgrond het water weer branden:
90
Daar zwemmen de schriklijke hoofden 's mensen vijanden
 
Omsingeld met walvissen, dolfijns en grote zeehonden,
 
Zo de vruchtbaar zee vele teelt in Neptunus' waranden.89-92
 
Nooit schipper mocht hem roemen dat hij t'eniger stonden
 
T'scheep hier voorbijvoer, oft hij en was terstond verslonden
95
Van dees hoofden; die zuigen ze met een geweldige tocht95
 
Uit die zeilende schepen in haar grondeloze monden.
 
D'ander klip, Ulysses, strekt zozeer hoge niet in de locht,
 
Een boogschoot van deze, rondsom met groene ruigte beknocht.98
 
Daaronder slorpt Charybdis die zwarte bevende vloeden,
100
Die zij driemaal daags zwelgt, driemaal braakt met gedrocht.100
 
Als zij 't draaiende water uitspouwt, moet gij u wegspoeden,
 
Oft Neptunus zelfs en mag uw leven niet behoeden.
 
Dus wilt uw vaart bij Scylla met roeien haastig versnellen,
 
Want zes mans te verliezen zoud' ik minder kwaad vermoeden104
105
Dan 't gantse schip te verdrinken met alle de gezellen.’105
 
 
 
‘Zegt’ sprak ik ‘Goddinne, wilt de waarheid doch vertellen:
 
Als ik zo 't pericule van Charybdi ben ontvloden,
 
Hoe zal ik Scyllam 't verlies mijns volks best mogen vergellen?’108
 
‘Ellendige, denkt gij nog om wreken, vechten oft doden?
110
Wildi u nog stellen tegens d'onsterflijke goden?
 
Dit is geen doodlijk, maar een ondoodlijk kwaad,111
 
't Zijn grote, zware, vreeslijke en onverwinlijke noden.
 
Hier baat geen kracht, maar die t'ontvlieden is d'alderbeste raad,113
 
Want genaakt gij 's weer, en om wreken hand aan wapen slaat,
115
Zij valt daar weer op, en doet nog zo veel mans sterven.115
[p. 250]
 
Maar spoedt u fluks weg, bidt Creten, haar moeder, roept die te baat,116
 
Dees heeft Scyllam gebaard, tot der mensen verderven;
 
Bidt dat zij haar dochter bedwing en u voorts laat zwerven.118
 
‘Dan zal u de wind aan 't eiland Trinacria leien.
120
Daar scheert der zonnen vee die ruige grazige erven;
 
Zeven kudd'ossen en zeven kudd' schapen gaan daar weien,
 
De kudden zijn bij vijftigen vaneen verscheien.
 
Dees beesten zijn onsterflijk, daarom zij ook niet en telen.
 
Twee goddinnekens zijn de herders die wachten 's met hem beien,
125
Phaetusa met Lampetie, die de zon door 't spelen
 
Bij Neaera teelde, die hem dees dochters toe gink delen.
 
De moeder voedd' ze op, haarzelfs zok gaf zij ze te drinken;127
 
Groot zijnde gink haar de vader zijn beesten bevelen128
 
In 't eiland Trinacria, daar men zijn glants ziet blinken.
130
Beschadigt gij dees beesten niet, - kondi uw thuisvaart bedinken -,130
 
Gij koomt nog thuis, na veel verdriets geleden te voren;
 
Maar gij, uw volk en 't schip zal verderven, wildi ze krinken.132
 
Oft gij dan al ontkwaamt, hebben u de goden verkoren,133
 
Zo komdi nauwelijk thuis, als al uw volk eerst is verloren.’
 
 
135
‘De dageraad scheurde 't zwarte kleed tot veel plekken
 
Van de donkere nacht, haar glants kwam door veel spleten boren;
 
Doe gink haar de goddinne te landewaarts inne strekken,137
 
Ik trad na mijn schip om al mijn gezellen te wekken;
 
Die deed ik de kabels lossen, zij zijn t' scheep gestegen:
[p. 251]
140
Men zag hem daar elk bij oorden op zijn banke strekken,140
 
Zij bestonden de schuimende zee met riemen te vegen.141
 
Maar wij hebben terstond een wakkere voorwind gekregen,142
 
Dat 's de lustigste gezelle op zee oft in rivieren;143
 
Dees zand ons de godlijke Circes jonstig t'onswaart genegen.144
145
Men trok de riemen in, elk rustte, de stierman gink stieren.
 
Doe sprak ik tot mijn gezellen met droeviger manieren:
 
 
 
‘Hoort vrienden, dees profetij mag één of twee alleen niet weten
 
Die mij Circes voorzeid heeft, de goddinne goedertieren,
 
Maar ik wil 't u allen zeggen zo gij hier zijt gezeten;
150
Zo mijden wij wetende 't kwaad, of sterven door zot vermeten,150
 
Vooral beveelt zij te vlieden het smekelijk zingen
 
Van den Sirenen, dat elks hemzelven doet vergeten,
 
Ook haar lustig veld. Maar mij mag den zank wel in d' oren klingen,153
 
Mij alleen. Doch zuldi mij eerst zeer vast met banden dwingen
155
En binden mij met sterke koorden stijf en dicht aan de mast;
 
Maar bid ik of beveel ik u dan mij te laten springen,156
 
Zo neemt meer touwen, en knoopt mij op een nieuw nog wel vast.’
 
 
 
‘Dit heb ik mijn volk verklaard en zeer ernstelijk belast.
 
Hiertussen dreef ons die spoedige stoker door de stromen159
160
Bij der Sirener land, daar heeft ze te rusten gepast,160
 
't Werd kalm; de gezellen hebben 't zeil innegenomen,
 
Dat werd in 't schip geleid; elk greep een riem 't onzer vromen;162
 
Daarmee hebben ze de witte room van 't water gestreken.
 
Ik hieuw een groot schub was uit de rondheid eender bomen,164
[p. 252]
165
En drukte 't met mijn warme handen; 't begonst te weken,
 
De hete zonneschijn hielp ook haast zijn stijvigheid breken;166
 
Doe stopte ik elks oren zo dicht, dat ze mij niet en hoorden.
 
Zij bonden mij ook handen en voeten, na mijn eerste spreken,
 
Wel stijf aan de mast, met vaste onbrekelijke koorden,
170
Voorts viel m'er wakker aan de riemen, elk in zijnre oorden.170
 
 
 
‘Wij kwamen zo na als een roepende stemme de lucht ontsluit.
 
Doe hoord' ik 't geklank, na verstond ik d'aantrekkende woorden172
 
Van haar smekende zang, van 't zoete welklinkende geluid:173
 
‘Keert herwaarts, gij vrome Ulysses, alderedelste spruit174
175
Van alle Grieken; komt, bloem der Prinsen, hoort ons lieflijk lied!
 
Houdt doch stille, hier voorbij en zeilde nooit schip noch schuit,
 
Zij en hadden eerst ons vrolijke zang met oren bespied;177
 
Dan varen zij wijzer voort, ook verlustigd door 't konstig bedied.178
 
Al der Grieken ellend voor Troyen van God u gezonden
180
Is ons bekend, wij weten ook al wat op aarden geschiedt.’
 
‘'t Hert brandde begeerlijk om horen haar klinkende monden:
 
Ik wenkte mijn volk dat zij fluks de koorden ontbonden.
 
Die roeiden al stadelijk voort, en lieten 's ongeacht,
 
Totdat Eurylochus met Perimedes opstonden;
185
Die klemden mij in nieuwe touwen met haar gantse macht.
 
Als wij voorbij waren, en de lucht geen geluid meer en bracht
 
Van der Sirenen zang, en 't land verre achter 't schip was gelopen,
 
Doe trok elk het was van zijn ore morruw en zacht188
 
Dat ik daarop gekleemd had, en kwamen mijn banden ontknopen.189
 
 
 
***
 
 
190
‘Achter was 't land weg, voor zagen wij baren bij hopen
[p. 253]
 
Met een grote damp, ook hoorden wij een vervaarlijk gedruis.
 
De bevende ankst is elk door al de leden gekropen,
 
De riemen zegen uit der hand, 't zat er al verbaasd en konfuis193
 
Door d'overvallende vloeden - elk dreef hoog als een buis -194
195
Die tierden vreselijk; 't schip is daar leggen gebleven,
 
Want niemand en roeid' er meer, elk zat stillekens als een muis.
 
Ik trad door 't schip en heb mijn gezellen moed gegeven
 
En sprak al smekende: ‘O getrouwe vrienden verheven,198
 
Wij zijn niet onverzocht in ongeval en wederstoot;199
200
Nog waren wij al in meerder pericule van ons leven
 
Doe ons die felle Cyclops in dat bloedige hol besloot.
 
Wij kwamen door mijn kloekheid en raad al uit die zware nood.202
 
Ik acht gij dit wel gedenkt. Volgt raad, het komt u ten goeden;
 
Iupiter wil ons mogelijk nog verlossen van der dood.
205
Elk grijp zijn riem en sla die wakker in de diepe vloeden;
 
Onthoudt gij ook mijn zeggen, stierman, wilt dat wel bevroeden,206
 
Want gij houet' roer, dus moet gij vlijtelijk waken;
 
Voor dien damp en vreeslijke berning wilt het schip wel hoeden,208
 
Wacht u ook bij lijf dien klip aan d'ander zij te genaken,209
210
Opdat wij niet alt'zamen om den hals en geraken.’210
 
‘Terstond gink hem elks tot zijn werk gehoorzamig keren.
 
'k En sprak van Scylla, dat noodlijke kwaad, in genen zaken,212
 
Opdat zij van ankst niet en lieten de riemen te hanteren
 
Om hunluiden binnen den schepe te verweren.
215
Doe scheen mij vergeten te zijn Circes' treurig bevelen,215
[p. 254]
 
Die mij niet belast en hadde van d'ijzeren kleren,216
 
Want ik wapende mij van hooft tot voet gehele
 
En trad met twee lange spietsen op 't hoogst van 't voorkastele:218
 
Dat, meind' ik, most eerst bij de stenige Scylla vergaren219
220
Die mijn volk zou doden. 'k En zag ze in 't geheel noch in dele,
 
Nochtans zag ik op die zwarte klip met treurig bezwaren,221
 
Ook rondsom, en zijn zo drukkig in die engte gevaren.222
 
‘Aan d'een kant was Scylla, aan d'ander zag ik Charybdim klaarlijk
 
Zeer ijselijk slorpen die zoute zijgende baren.224
225
Als zij 't dan weer uitspoog zo een ziedende pot doet, waarlijk,
 
Het water bortelde in de lucht ruisende vervaarlijk226
 
En dekte die hoge klippen, die wit van schuime blonken.
 
Dan zoog zij die vloeden weder inne, die volgden zwaarlijk
 
En stortten al wentelende in 't diepste der spelonken;
230
Die mochten's niet verzwelgen, dies zij dan grouwelijk klonken,
 
Heur ingeweid steende, het scheen vreeslijk te donderen;231
 
Dan zagen wij den grond, de zee geleek in d'afgrond verzonken.
 
De bleke doodvreze overviel ons met verwonderen.233
 
Middelertijd gink Scylla zes mans uit den schepe plonderen,234
235
De vroomste van herten en manlijkste van lichamen.235
 
Als ik in 't schip zag na mijn volk, van boven tot onderen,
 
Mocht ik heur uitstekende benen en armen nog ramen,237
 
Zij riepen mij nog ellendelijken met mijnder namen.
 
Recht als een visser op een klip met zijn lange angel geeft
240
Het bedrieglijke aas, daar die klein viskens om verzamen
 
- Het kurk drijft op 't water, totdat er tokkende een aan kleeft,241
[p. 255]
 
Dan trekt hij den roede met het visken, dat hangende beeft -:
 
Zo werden zij bevende gerukt na die rootse vol plagen243
 
Tot voor 't hol; mij dunkt ik nog zie hoe jammerlijk elks daar sneeft:244
245
Zij strekten hun handen klaaglijk uit om hulp te bejagen,245
 
Zodat mijn ogen van al de reis nooit deerlijkers zagen.
 
 
 
‘Nadat wij Scyllam en Charybdim ontkwamen met roeien
 
Genaakten wij Trinacriam met verdrietig knagen.
 
Daar gingen der zonnen schapen, ossen en koeien
250
In grazige beemden, vet, weeldig en lustig in 't groeien,250
 
Die liepen na de stal bij hopen met grote scholen;
 
Nog op zee zijnde hoord' ik ze blaten en luide loeien.
 
Doe was mij Tiresias' profetie niet meer verholen,253
 
Ook dacht ik dat mij Circes dikmaal hadde bevolen
255
Der zonnen eiland te schuwen en dat niet te betreden;
 
Dies zeid' ik treurig: ‘Hoort toe, gezellen, om niet te dolen,
 
Wat Tiresias profeteerde in de helse steden,257
 
Ook dat mij Circes bevolen heeft met naarstigheden.258
 
Wij moeten het eiland van de verlichtende zonne mijden
260
En daaraf blijven, al hebben wij vele geleden,
 
Of wij sterven daar gewisselijk alt'zamen in dezen tijden;
 
Dus laat ons voorbij zeilen, willen wij thuis nog verblijden.’
 
‘Elk versaagde; Eurylochus sprak met droevigen tale:
 
‘Onzalige man, hebt gij dan kracht om al dit te lijden?
265
Wordt gij niet mat? Is uw lijf van ijzer en stale?
 
Wij zijn afgesloofd, vermoeid en slaperig altemale;
 
Nu wildi niet dat wij ons gaan verversen op het land
 
Om een lekker maal te bereiden op berg oft in dale,
 
Maar gebiedt weder te zeilen van dees lustige strand
[p. 256]
270
In de diepe zee, en de donkere nacht komt op hand:270
 
Dan rijzen de vreeslijke stormen, die de schepen schenden.271
 
Waar ontvluchten wij den bitteren dood aan enigen kant,
 
Rijst er een onweder uit de noordse oft westerse enden?273
 
Dees doen de schippers meest verdrinken in groter ellenden.
275
Dus laat ons hier zeker dees zwarte nacht nog blijven;
 
Gaan wij om op 't strand bij 't schip te eten na 't land toe wenden,
 
Zo treden wij mo gen t'scheep om na de wijde zee te drijven.’
 
‘Zo sprak Eurylochus; hem volgden al d'ander katijven.278
 
Doe merkte ik dat God ons wou plagen, 't welk mij 't herte doorsneed.279
280
Ik zeide tot hem: ‘Euryloche, ik zie, 't en helpt geen kijven,280
 
Ik ben vermand. Gij alle dwingt mij alleen, 't is mij leed.281
 
Moet het dan zijn, zo doet mij alt'zamen enen dieren eed
 
Dat niemand daar ossen, koeien noch schapen en zal doden
 
Indien wij daar kudden vinden overvloedig gereed,284
285
Opdat wij niet onwetens misdoen tegens de goden,
 
Maar dat wij malkandren met rusten zullen noden
 
Tot der spijzen van Circes' vriendelijke gaven.’
 
 
 
‘Terstond zwoeren zij alzo ik hadde geboden,
 
Voorts brachten wij 't schip in die holle veilige haven.
290
Zij sprongen op 't land na 't zoete water om dorst te laven,
 
Doe bereidden zij de spijze, die heeft hem lustig verschenen.291
 
Maar als honger en dorst onder spijs en drank lag begraven
 
Bedachten wij ons lieve gezellen met bitter wenen,
 
Die Scylla uit ons schip gerukt had bij armen bij benen.
295
De slaap overviel de treurigen tot rusten gestrekt.
 
‘In 't derde deel nachts, als de sterren bij d'aarde verdwenen,
[p. 257]
 
Heeft Iupiter een vliegende ruisende storme verwekt297
 
En het aardrijk, ook de zee, met grote zwarte wolken bedekt.
 
In den dageraad hebben wij 't schip op 't land getogen
300
In een spelonk, de woning van goddinnekens onbevlekt.
 
‘Hoort vrienden’ zeid' ik, ‘spijs en drank is er genoeg, ongelogen,
 
Dus mijdt dees ossen, dat wij niet kwaads en gedogen.302
 
Ik weet dat dit vee de zon behoort, hem mag men niet huien,303
 
't Behoort de zonne, die 't al hoort en ziet met klare ogen.’
305
Zij lieten mijn stem in heur gehoorzame oren luien.305
 
‘Wij lagen daar een gantse maand, de wind waaide àl zuien,
 
Daarna kregen wij nog genen wind dan zuien oft oost.
 
Zolang zij brood oft wijn hadden dat iet was te beduien,
 
Lieten zij d'ossen gaan door 's levens begeert, na mijn propoost,309
310
Maar als de provand op was, zochten zij honger's troost310
 
Met netten, met angels, om vogels en vissen te vangen:
 
't Gebrek vand list. Doe heeft mij heurder ontbermd en genoosd,312
 
En trad door 't eiland den goden te bidden met verlangen,
 
Oft iemand den weg wilde tonen en stieren mijn gangen.
315
Ik kwam in een eenzaam plaats, daar mij geen wind mocht betrapen;315
 
Daar wies ik mijn handen en bad God door 't noodlijk verstrangen:316
 
Die zand mij een zoete rust, dies ben ik daar ontslapen.317
 
‘Maar Eurylochus, 't kwaad ingeven van mijn arme knapen,318
 
Sprak: ‘Hoort gezellen, wij lijden veel in dit lange zwerven;
320
Alle doden zijn zwaar, die den mens uit der wereld rapen,320
[p. 258]
 
Maar men vindt geen bitterder dood dan van honger te sterven.
 
Dus laat ons nu de beste ossen der zonnen doorkerven322
 
En doen offerande, belovende in vaster trouwen,323
 
Indien wij in Ithaca komen op ons ouders' erven,
325
Dat wij de hooggaande zon een tempel zullen bouwen
 
Ende die rijkelijk verchieren in zijn aanschouwen.
 
Maar blijft hij gram om zijn ossen, wil hij 't schip doen verdwijnen,327
 
Zo bidden wij ander goden; die zullen ons wel behouen.
 
Is dat niet, zo is 't beter verdrinken met korter pijnen,
330
Dan in dees nuchteren lankzame honger dus te kwijnen.’
 
 
 
‘Zo sprak hij; den raad beviel hun, zij hebben 's al geprezen.331
 
Fluks namen zij der zonnen ossen, heurs levens venijnen,
 
Die weidden bij 't schip; daar gingen zij de besten uit lezen
 
Met brede hoofden, en deden heur beloften uit vrezen
335
Rondsom de beesten, verchierd met teder eikebladen;
 
Want in 't schip was geen witte gerst, die behoord' er te wezen.
 
Zij doodden, zij vilden, openden, sneden ende baden,
 
't Vet leiden zij dubbeld, en hebben het rauwe vlees gebraden,
 
Ook al 't ingeweid. Zij derfden wijn, water was d'offerande.
340
De benen brieden, 't ingeweid was in heur magen geladen;340
 
Doe sneden zij 't vlees klein, zij speetten 't, men hield 's voor den brande.
 
‘Ik ontwaakte en spoedde mij vlijtig na den strande.342
 
In 't genaken heb ik den zoeten lucht droevig vernomen,
 
Dies riep ik versaagd tot God met treurigen verstande:
345
‘O Iupiter en alle goden, tot mijnder onvromen345
 
Hebdi mij daar zo onzaliglijk doen slapen en dromen!
[p. 259]
 
Mijn volk heeft terwijl booslijk gedaan, 't brengt ons in d'uiterste nood.’
 
‘Terstond is Lampetia, der zonnen bode, gekomen
 
Met haar lange kleed, en zeide, wij hadden zijn ossen gedood.
350
Sol sprak tot den goden vergramd, want hem zijn schade verdroot:
 
‘O Iupiter vader, en alle gij goden, hoort mijn klagen!
 
Wreekt op Ulyssis gezellen dit feit geweldig en groot,352
 
Die hovaardelijk mijn ossen dood hebben geslagen353
 
Daar ik mij in plag te verlustigen met welbehagen
355
Als ik van den hemel ter aarden mijn lope gink zwichten.355
 
Maar wildi 't niet wreken, noch heur na 't misbruik niet plagen,356
 
Ik zal tot Pluto's huis gaan, om onder den doden te lichten.’
 
‘Neen Sol, uw glants moet schijnen in der goden gezichten’
 
Sprak Iupiter, ‘ook in der mensen ogen al t'enemalen359
360
Op 't vruchtbaar aardrijk; maar zij zullen daar geen lied af dichten,360
 
Mijn godlijke wrake zal heur boosheid wel betalen:361
 
Heur schip zal verbranden door mijn verschriklijke stralen
 
Als zij midden in zee zijn, op 't verdste van der aarde.’
 
(‘Dit gink mij de goddinne Calypso namaals verhalen,
365
Die zeide mij dat het Mercurius haar eens verklaarde.)
 
‘Als ik bij mijn volk kwam, ik strafte, ik tierde, ik baarde;366
 
Maar 't was al te laat, d'ossen waren doodgesmeten.
 
Den raad was uit, men zag teikens, dat elks herte bezwaarde:368
 
De huiden kropen voort, het vlees loeide aan de speten.
370
‘Zes dagen lank bleef mijn lieve volk daar smetsen en eten370
 
En doden de beste ossen vast; zij lieten 's om geen beê.371
[p. 260]
 
Den zevenden dag werd het stil, wij zijn t'scheep gezeten;
 
Men rechtte de mast, het zeil werd gestrekt, doe waren wij ree
 
En zeilden spoedelijk van 't eiland zo diep in zee,
375
Dat men niet dan lucht en water zag tot genen plekken.
 
Doe werd de zee donker, Neptunus spoedde hem mee376
 
Om 't schip met een dikke stinkende nevel te bedekken.
 
Wij zeilden niet lang, hij gink een vliegende storm verwekken
 
Uit den westen, die ons met een dwerlink kwam genaken.379
380
Dees viel in 't schip, de kabels berstten, zij mochten niet rekken,
 
De mast brak en viel op den stierman met een ijselijk kraken,
 
Diens hoofd, armen en benen aan morteren braken:
 
De ziel verliet het lijf, dat zag ik van zijn zetel zinken.
 
Meteen donderde Iuppiter en dee 't schip vlammig blaken,
385
Dat slingerde om door den brand die men van solfer zag blinken:385
 
Het volk sloeg uit den schepe om deerlijk te verdrinken,
 
Die als zeeravens rondsom 't schip bortelden en krioelden.387
 
Zij verdronken al. Ik hield 't schip tot dat het de zee kwam krinken;388
 
't En leed niet lang, dat de vloeden de tafels daaraf spoelden.389
390
Mijn ankstige handen de mast fluks aan den schepe woelden
 
Met riemen die daaraan hingen van 't verse ossenleder.
 
‘De westerstorm gink leggen, 't welk de baren ook gevoelden,
 
Die wind werd zuiden; die dreef mij al dien nacht op ende neder.
 
De zon rees, ik kwam bij die doodlijke Charybdim weder,
395
Die gorgelde de vloeden in haar grondeloze wangen.
 
Zij trok mij tot haar - ik greep een wilde vijgeboom teder;396
 
Daar bleef ik recht als een vledermuis verwerd in hangen,
 
'k En mocht geen voet vesten, noch klimmen, zo hing ik gevangen,398
 
De wortelen waren diep, die haar takken wijd verbreedden,
400
Ook groot en lank, overschaûwende des waters gangen
[p. 261]
 
Van Charybdim. Dees hield ik zo lang met bestorven leden401
 
Totdat Charybdis haar drank brakende weer uit gink spreden:
 
Doe kwam mij 't gewenste schip en mast eerst weder toedrijven,
 
Ik was 't kwijt zo lang een rechter na de maaltijd gaat treden
405
Uit de vierschaar, daar hij oordeelt elkerlijk's twistig kijven.405
 
Ten laatsten gink mij de vloed met dit wrak weder gerijven406
 
Door Charybdis' mond; ik daalde en was van 't hangen vermoeid,
 
Met groot geluid viel ik daarop om levendig te blijven,
 
Op de mast zittende hebbe ik met mijn handen geroeid.
410
De vader der goden en der mensen, daar 't al door groeit,
 
Heeft mij Scyllam niet weder in 't gezichte gegeven,
 
Om mij te behouden, maar heeft mij snel vandaar gespoeid.
 
 
 
‘Zo most ik negen dagen en nachten drijvende sneven;413
 
Den tienden heeft mij God aan 't eiland Ogygiam gedreven,
415
Daar mij Calypso minde en spijsde binnen haar cellen.415
 
Wat wil ik u dit zeggen? Ik heb 't hier doch eens beschreven
 
U en uw huisvrouw, dus wil ik u daar niet meer mee kwellen;417
 
Mij waar' ook verdrietig, 't verhaalde weder te vertellen.’

EINDE VAN TWAALFDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

2laten verlaten
4haar n.l. van de dageraad (Aurora)
6op hand spoedig
10dalen kuilen
12het officie betalen de plicht der begrafenisplechtigheid vervullen
16kwellen verdriet hebben
21voorlezen vóórzeggen
23kwade raad verkeerd (nadelig of zondig) beleid
24geprezen goed gevonden
30als alles; bescheid verslag
31bedied verhaal
34immers vooral; niet niets
37onverhoeds zonder erop verdacht te zijn
38voort daarna
39bedwank macht
40van door
41smekende verlokkende; lustige bekoorlijke, schone
47meugt kunt
48lust oorboren genot smaken
49last gelast
52zult moet; nopen voort doen gaan
54ruisen loeien, brullen
55genaken raken
57omtrent in de buurt
62aan morteren aan stukken
63berders planken
66schromen vrees
67stukken gewreven aan stukken gebeukt
68Jasonem ... genomen voor Iason gezorgd
71omschaken omringen
74gebraken ontbraken
76in 't mids in 't midden; genaken zich wenden, zich richten
77schouwen schuwen
80grouwen gruwen
81jonge leeuwen Fout in de Latijnse vertaling: catuli leonis. Homerus: j. hond
88dik dicht opeen; gemoeten, ontmoeten
89-92Deze verzen zijn door Coornhert helemaal verkeerd vertaald; waranden jachtvelden
95ze de schippers(?); tocht trekking
98ruigte plantengroei; beknocht bezet, begroeid
100met gedrocht als een nachtmerrie? (latijn: horrende)
104kwaad ramp; vermoeden achten
105verdrinken doen zinken
108vergellen vergelden
111doodlijk sterfelijk
113raad uitredding
115nog zo veel weer evenveel
116te baat te hulp
118voorts voort, verder
127zok zog
128bevelen toevertrouwen
130beschadigt kwetst, doodt; kondi ... bedinken als gij uw thuisreis in gedachten kunt houden
132krinken deren, kwaad doen
133hebben ... verkoren als de goden u liefhebben
137haar strekken zich begeven
140bij oorden op zijn plaats
141bestonden begonnen
142voorwind gunstige wind
143lustigste prettigste
144jonstig gunstig, welwillend
150vermeten overmoed
153lustig liefelijk
156springen in zee nl.
159stoker krachtige wind (die de vuren aanstookt)
160passen zorg dragen, oppassen, om te...
162t'onzer vromen tot ons nut (stoplap)
164schub schijf
166haast gauw
170in ... oorden op zijn plaats
172na daarna
173smekende lokkende
174keert kom; vrome voortreffelijke
177bespied waargenomen, ervaren
178bedied woorden, klanken
188morruw murw, week
189gekleemd gesmeerd, geplakt
193verbaasd ontzet, konfuis ongerust
194vloeden golven, branding; buis haringbuis, 'n schip dat hoog op 't water ligt
198al smekende ze vriendelijk toesprekend; getrouwe ... verheven trouwe geëerde vrienden
199onverzocht onervaren, onbeproefd; wederstoot tegenspoed
202raad beleid
206bevroeden beseffen, begrijpen
208berning branding
209bij lijf ooit
210om ... geraken omkomen
212noodlijke noodzakelijke, onvermijdelijke; in ... zaken in 't geheel niet
215scheen mij ... zijn scheen ik vergeten te zijn
216niet ... van niets bevolen had omtrent...
218voorkastele voorsteven
219vergaren komen
221met ... bezwaren met een bezwaard gemoed
222drukkig bedrukt
224zijgende wegzinkende
226bortelde spoot borrelende op; ruisende bruisend
231ingeweid ingewand; steende steunde
233verwonderen verlammende verbazing
234plonderen roven
235vroomste moedigste
237ramen in 't oog krijgen, onderscheiden
241tokkende aanbijtend
243vol plagen rampzalig, noodlottig
244elks elk; sneeft omkomt
245bejagen verwerven
250weeldig in overvloed
253verholen raadselachtig, duister
257steden oorden
258met naarstigheden ernstig
270komt op hand nadert snel
271schenden vernielen
273onweder storm; enden streken
278katijven rampzaligen
279plagen met rampen bezoeken
280kijven verwijten
281vermand overwonnen
284gereed makkelijk te krijgen
291hem hun
297ruisende loeiende, gierende
302gedogen lijden
303niet niets; huien verbergen
305luien luiden, klinken
309door ... begeert uit begeerte om te (blijven) leven; propoost bedoeling
310troost verlichting
312Doe heeft ... genoosd toen heb ik erbarmen en medelijden met hen gekregen
315betrapen verrassen, overvallen
316door 't noodlijk verstrangen uit onontkoombare angst
317ontslapen ingeslapen
318ingeven inblazing, (boze) genius
320rapen wegnemen
322doorkerven doorsteken
323in ... trouwen op ons erewoord
327doen verdwijnen vernielen
331geprezen goedgekeurd
340geladen geborgen, gestopt
342vlijtig vlug
345tot ... onvromen tot mijn ongeluk
352dit feit geweldig deze gewelddaad
353hovaardelijk overmoedig, verwaten
355zwichten intomen (de paarden van de zonnegod)
356plagen straffen
359al t'enemalen allen tezamen
360zij zullen ... dichten ‘zij zullen er niets van navertellen’
361betalen betaald zetten, vergelden
366strafte schold; baarde ging tekeer
368den raad was uit men wist geen raad meer
370smetsen smullen
371vast aanhoudend
376mee ook
379dwerlink wervelwind
385solfer zwavel
387bortelden spartelden
388krinken vernielen
389tafels de zijden? (latijn: latera carinae)
396teder zwak
398vesten vast zetten
401bestorven verstijfde
405kijven geschil
406met ... gerijven het wrak weer bezorgen
413sneven lijden
415celle woning
417kwellen lastig vallen