terug  begin  verderprepost
[p. 265]

Het dertiende boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Ulysses werdt al slapende met vele gaven in 't land van Ithaca gebracht van de Pheacensers, welker schip Neptunus op de weerkomste in een roots verkeert. Minerva geeft Ulyssi op 't strand raad om de vrijers te doden. Zij verbergt de gaven in een spelonke, ende verandert hem in gedaante eens ouden mans.
 
Door der Pheacenser bijstand
 
Komt Ulysses in 't vaderland.
 
RUSTIG zwegen zij stil als hij dit heeft gezeid,
 
Elk hoorde gierig in 't donker hof, niet bleef verholen.2
 
‘Nu gij,’ sprak Alcinous, ‘tot mijn huis komt vol rijkdoms bereid,
 
En zuldi, o Ulysses, nadat gij weer van mij scheidt,
5
Al hebdi veel geleden, op uw thuisvaart niet meer dolen.
 
Uluiden alt'zamen zij dit nu bevolen
 
Die in mijn hof zoet wijn drinken en den zanger hoort zingen:
 
Kleren zijn d'r in de schoon kist, luchtende als violen,8
 
Voor ons gast, met konstig goud en d'ander gegeven dingen;
[p. 266]
10
Maar laat ons daar elks nog een schoon metalen pot bij bringen10
 
Met een ketel, ook nog giften onder 't volk vergaren.
 
Eén vermag 's niet al, uit velen mag vele voortspringen.’
 
 
 
Deze reden behaagden hun alle die daar waren.
 
Men gink thuis slapen; 's morgens kwamen ze bij grote scharen
15
Na den schepe, met veel eerlijk metaals beladen.15
 
De Konink gink zelf langs 't schip, en schikte 't door zijn dienaren,
 
Opdat het geen van den gezellen zou mogen schaden17
 
In 't bewegen van 't roeien, om haar vaart niet te verspaden.18
 
Men zag ze te hoof, om een waarschap te bereiden, keren.
20
Alcinous offerde een os, die gink men daar braden
 
Den wolkigen Iupiter die 't al gebiedt ter eren;
 
Zij brieden de schenkels, en aten lustig met begeren
 
Een heerlijk maal, en hoorden den konstigen zank
 
Van Demodoco, geëerd van borgers en van heren.
25
Ulysses' herte spoedde vast thuiswaarts zijnen gank,25
 
Zijn hoofd draaide na de zonne, de maaltijd viel hem lank.
 
Gelijk een man die al den dag een dres-akker heeft geploegd27
 
Met zijn ossen, en hoopt na 't avondmaal, na rust spijs en drank:
 
- Der zonnen ondergang is hem een wens en genoegt,
30
Hij spoedt hem na huis, zijn knien knikken, 't welk zijn verwoedheid wroegt -30
 
Zo verheugde hem Ulysses in 't dalen der zonnen.
 
Doe heeft hij hem vrindlijk tot den Pheacensers gevoegd,32
 
Bizonder tot den Koning, en heeft aldus begonnen:
 
‘Wilt mij nu, o Koning, uwen oorlof om reizen jonnen;34
35
Offert, weest vrolijk, laat mij nu scheiden met verblijen,
[p. 267]
 
Want ik heb 't al verworven dat ik wensen zou konnen,
 
Gezelschap en waarde giften, God doet 's mij wel gedijen;37
 
Hem bid ik dat ik thuiskomende aan allen zijen
 
Gezond moet vinden mijn wijf, mijn vrienden en mijn magen.39
40
Vermaakt u hier met wijf, zonen en dochters t'allen tijen,
 
God maak ze al deugdzaam, en stier ze na zijn behagen,
 
Die behoed' ook de gemeent voor alle kwade plagen.’42
 
Dit zeggen beviel iegelijk, zij prezen zijn verstand43
 
En zeiden: ‘Vordert doch zijn reis, men hoort hem recht gewagen.’44
45
Alcinous sprak tot den schenker, die hij vóór hem vand:
 
‘Pontonoe, gaat, schenkt dat kroes rondsomme van hand tot hand
 
Opdat wij zo biddende Iupiter den vader
 
Ons waarde gast mogen zenden in zijn vaderland.’
 
Pontonous schenkte den zoeten wijn, des dorsts verzader,
50
Hij bracht ze abellijk rondsom; zij dronken allegader50
 
En offerden den goden in den wijden hemel groot.
 
Ulysses stond op en nam 't kroes gevuld uit Bacchus' ader,52
 
't Welk hij de Koningin Arete in handen bood;
 
Haar sprak hij eerwaard' aan, zeggende met herten bloot:54
55
‘God geef u vreugd, Prinses, in dees koninklijke daken55
 
Totdat, na mensenwijs, d'oudheid komt met de tijdige dood.
 
Ik reis na huis; wilt gij u in uw hof vermaken
 
Met uw Koning, uw kinders en uw volk in alle zaken.’
 
 
 
Daarmede is hij vriendlijk van hun allen gescheiden.
60
Alcinous zendt een t'scheep (dat haast zal genaken),60
[p. 268]
 
Arete zand haar maagden om hem te geleiden:
 
Dees droeg schoon klederen, die zij hem hadde doen bereiden,
 
D'ander bracht een koffer uit die koninklijke stee,63
 
De derde had brood en wijn; daar was geen langer beiden.
65
Alzo kwamen zij gelijkelijk bij 't schip aan de zee.65
 
De gezellen waren blijde, dies elk met goed belee66
 
Het goed met spijs en drank in 't schip bestelden te degen;67
 
Ook maakten zij voor Ulysse zijn bult en leger ree68
 
Om zoetlijk op te slapen. Hij is in 't schip gestegen,
70
En gemakkelijk op 't bedde om rusten gelegen.
 
 
 
't Volk zwijgt; elk zit op zijn bank, men lost het touw, 't schip moet wijken -
 
Zij beginnen met heur gladde riemen de zee te vegen.
 
Een grote slape komt in Ulysses' ogen strijken
 
Vast ende diep, om bij der dood te gelijken.
75
Zo voeren zij heen, recht als vier henksten, weeldige paarden,75
 
Haar springende uitstrekken, als zij de zweep zien blijken76
 
- Zij worpen 't hoofd in de locht en meten 't land met snelder vaarden -
 
Zo rees 't schip op de vloeden, die weer ruisende vergaarden78
 
Om 't roeder en spoelden fluks achterwaart uit den ogen,
80
Daar zij 't spoor van het schip met een lange schuimige streep verklaarden;80
 
De kiel kliefde de zee, 't schip is er zo ras door gevlogen,
 
Dat geen havik, 't welk de snelste vogel is, volgen had mogen.82
 
Alzo liep 't schip spoedig door zee snel en behendelijk83
 
Met dees godvruchtigen man, die veel had moeten gedogen,
[p. 269]
85
Die veel droefheids geleden hadde ellendelijk
 
In 't oorlog en ter zee, uitwendig en inwendelijk;
 
Nu vergat hij 't lijden, met veilige lustige dromen.87
 
 
 
De morgensterre rees, 't land vertoonde hem kendelijk,88
 
't Schip genaakte de haven, drijvende door de stromen.
90
Dees haven heet men Phorcynis, daar zijn ze aangekomen;
 
Zij kromt haar met twee armen, zo veilig voor water en wind,
 
Dat daar de schepen ongebonden liggen zonder schromen.92
 
Op des havens toppe men een brede olijfboom vindt,93
 
Een spelonke daar benevens staat lieflijk ende blind94
95
Voor de goddinnekens Naiades, hemelse vrouwen.
 
Stenen kruiken daarbinnen staan, daar de bijkens bemind
 
Zwermen, honig telen, en heur wassen huiskens bouwen;
 
Aan d'ander zijde staan lange stenen weefgetouwen,
 
Waarop de goddinnekens met konsten reine99
100
Haar blauw webbekens weven, 't is wonder om schouwen;
 
Binnen is een zuiver altijd vlietende fonteine.
 
Twee doren zijn d'r, een in 't noorden, den mensen gemeine,102
 
D'ander in 't zuiden, die is heilig, van groter famen;
 
Geen mens daar komt, maar goden en goddinnen alleine.
105
Derwaarts streken zij henen, als zij 't eerst vernamen,105
 
Daar zij door 't haastig roeien zo vaardig aankwamen106
 
Dat het halve schip op 't zand gestoten werd met groter kracht.
 
Zij sprongen terstond op 't rustige land altezamen,
 
Ulysses zij daar ook met bed met al op hebben gebracht
110
En leiden hem zo slapende op 't zand zoetelijk en zacht,
 
Ook mede der Prinsen giften, zo haar was bevolen,
[p. 270]
 
Die men hem in 't scheiden gaf door Minervam groot geacht,112
 
Maar dees hebben zij bij den olijfboom verholen
 
Buiten weegs, opdat het van niemand zou werden gestolen114
115
Terwijl Ulysses sliep, en daaraf niet mocht weten;115
 
Doe zijn ze weder thuiswaarts door de zee gaan dolen.
 
 
 
Maar Neptune en was het dreigen niet vergeten
 
't Geen hij Ulyssi beloofd had met toornig vermeten.118
 
Om Iupiter's zin te weten sprak hij met begeren:119
120
‘O Iupiter, nu werd' ik bespot en t'ondergesmeten;
 
Al de goden zullen mij verachten en verneren121
 
Nu mij de Pheacenser mensen niet en eren,
 
Die nochtans uit mijn linie zijn gesproten.
 
Ulyssi voorzeid' ik veel lijdens, eer hij nog thuis zou keren;
125
Zijn weerkoomst nam ik hem niet, dat mij genoeg heeft verdroten,
 
Omdat gij 't hem beloofde, dies heeft hij 't ook genoten.126
 
Maar dit volk heeft hem slapende in Ithacam gebrocht
 
Met veel heerlijke gaven die men zwaarlijk zou vergroten,
 
Goud, zilver, koper, en klederen rijkelijk bewrocht,
130
Meer dan hij gehad zou hebben van zijn Trojaanse tocht,
 
Dat hij al behouden met zijn deel buits thuisgekomen waar'.’131
 
‘O Neptune,’ sprak Iupiter, ‘wat zegdi daar onbedocht?
 
U en verachten de goden niet; het valt ook zwaar133
 
Te bespotten den oudsten en besten in 't openbaar.
135
Maar vindi een mens zo vermetel die u geen ere doet,
 
Straft ze voortaan wredelijk, want ik daarin niemand en spaar;
 
Leeft daarmet naar uwen zin, en weest vrolijk van moed.’137
 
‘Och, had ik de macht,’ zeid' Neptunus, ‘dat waar' wel goed,
[p. 271]
 
Maar ik ducht uw toren; die zoud' ik ongaarne verwerven.
140
Nu denk ik 't Pheacensers schip, dat hem thuiswaart spoedt,
 
Tegens te gaan, ende dat ter stond te bederven,141
 
Opdat zij dus niet meer met het volk over zee en zwerven,
 
En leggen voor de stad een rotse hoge verheven.’
 
‘'t Waar' best, Neptune, als 't volk in 't stad staande op heur erven144
145
't Schip met snelder vaarden uit der zee ziet komen gedreven,
 
Dat gij er dan een klip af maakte met kiel en met steven146
 
Gelijk een schip, zo verwonderet' hun allen eendrachtig;
 
Legt dien berg dan voor de stad, zo moet heur zeevaart sneven.’148
 
 
 
Neptunus, dit gehoord hebbende, spoedde hem jachtig
150
Na Sceriam, daar zijn de Pheacensers geslachtig.150
 
Het snelle schip kwam rasselijk bij Neptuno drijven;
 
Die roerde 't met zijn goddelijke handen krachtig:
 
Het schip werd een rots, 't began stenig te verstijven
 
En wortelde in den grond. Hij reed weg, 't schip moest daar blijven.
 
 
155
De Pheacensers zagen 't, die daar wonderlijk af spraken.
 
D'een zag d'ander aan, zeggende: ‘Dit 's waard om beschrijven!156
 
Hei, wie bindt 't snelle schip daar in zee? Wat vremde zaken!157
 
Zagen wij 't niet straks heel en goed onze strand genaken?’158
 
Zo spraken ze, want zij de zake niet en verstonden.
160
Doe zeid' Alcinous: ‘Hoort vrienden, 't komt uit godlijker wraken.
 
Nu heb ik al mijns vaders profetiën waar bevonden;
 
Die hoord' ik Neptunus' gramschap overlang verkonden,
[p. 272]
 
Omdat wij elks over voeren en thuiswaarts beraden.163
 
‘Eén schip’ sprak hij ‘zal alzo uit werden gezonden
165
Ende blijven op den weerkomst, tot uwer schaden;
 
't Werdt een berg vóór uw stad, om sluiten uw vochtige paden.’
 
‘Al dit,’ sprak d'oude Koning, ‘ziet men nu geschieden.
 
Hoort mij nu, en volgt mijn bevel in al uwe daden:
 
Wacht u voorts voor 't overvoeren van vremde lieden.169
170
Offert twaalf stieren om den toren te ontvlieden170
 
Van Neptuno, opdat hij ontberm over onzen lande.’
 
Zij vreesden, en haalden de stieren naar 's Koninks gebieden.
 
Zo deden de Prinsen Neptuno een offerande
 
Met de regenten, die stonden om 't outaar bij den brande.
 
 
 
***
 
 
175
Ulysses is in zijn vaderland uit den slape ontwekt.
 
Het lang uitzijn maakte 's hem onkund, hij kende geen stranden;176
 
Ook hadde hem Pallas met een dikke wolke bedekt,
 
Opdat hem niemand en zoud' kennen als hij thuiswaart trekt:
 
't Most al geschieden, eer wijf, vriend of burger van hem wiste,
180
Der vrijers boosheid moest geloond zijn, 't hert was daartoe gestrekt.
 
Alle dingen schenen hem anders dan hij 't wel giste,
 
Want hij kennis van wegen, havens, klippen en bomen miste;182
 
Hij stond op en zag zijn land, daar hij lange na hadde gehaakt,
 
Hij weende en sloeg op zijn dije: onkund' bedroog zijn liste;184
185
Zijn handen spreiende, treurde zijn tonge welbespraakt:
 
 
 
‘Wee mijns,’ zeid' hij, ‘in wat land ben ik nu weder geraakt?
[p. 273]
 
Ben ik bij wreed en geweldig volk op dees vreemde straten,187
 
Of zijn ze vriendlijk, rechtveerdig en in deugden volmaakt?
 
Waar dool ik nu voorts? Waar zal ik al mijne gaven laten?189
190
O waar' ik in Pheaca gebleven! het mocht mij baten;
 
Ik waar' bij een ander Prins geraakt, die mij hadde bemind
 
En mij met zijn volk doen brengen bij mijn onderzaten;
 
Nu weet ik mijn schat niet te bergen dat het niemand en vindt,
 
Dat geen rover met mijn schade dees rijkdom en wint.
195
O God, is er dan ook onrecht en onverstandige waan
 
In den Pheacensers? Dit is eerst in niet wel verzind!196
 
Zij loofden mij thuis te brengen, en hebben 's niet gedaan,197
 
Maar in een vremd land gevoerd, och dies ben ik weder belaân.198
 
Iupiter wil 't haar vergelden, die verhoort het klagen199
200
Van den goeden, en kan den misdoenders met plagen slaan.
 
Maar nu wil ik gaan tellen dit goed na mijn behagen
 
Om zien oft zij mij t'schepe niet en hebben ontdragen.’202
 
Meteen heeft hij de schoon ketels, potten en 't goud geteld,
 
Ook de kleren, en vand dat alle dingen daar nog lagen.
 
 
205
Doe werd zijn herte weer door 't vaderland's begeerte gekweld;
 
Hij heeft hem treurig lanks de ruisende strand om gaan gesteld.206
 
Daar kwam Pallas bij hem als een jonk schaapherder in den schijn207
 
Teder en sierlijk, zo men van koninkskinders vermeldt;208
 
Zij had om haar schouders een gevoerd kleed zuiverlijk en fijn,209
210
Haar voeten waren net geschoeid, de hand droeg een javelijn.210
[p. 274]
 
Ulysses werd blijde, hij trad na haar en heeft ze gegroet.
 
 
 
‘God geve u blijdschap, mijn vriend, zo wie gij ook moogt zijn!
 
Gij koomt mij te wens, ook d'eerste in dit land tegemoet.
 
Ik bid u als een god, bergt mij doch met al dit grote goed!
215
Verklaart mij doch om Godswil, en zegt mij nu te hand
 
Waar ik ben, in wat land, bij wat volk - maakt mij dit vroed.
 
Is 't enig lustig eiland, of ben ik aan 't vasteland?’
 
 
 
‘Zijdi dwaas,’ sprak Pallas, ‘of komdi over zee over zand,
 
Zegt vriend, dat gij na dit land vraagt? Het en is niet onvermaard,
220
't Is van den opgang tot den ondergang der zonnen bekand;
 
't Is smal, scherp, niet zeer vruchtbaar, onbekwaam voor volk te paard,221
 
't Draagt goede tarwe, ook wijn die veel vreugden baart,
 
Het heeft een vruchtbare dauw, 't en derft ook geen regen,
 
't Is goed voor geiten en ossen, 't heeft bos van alderlei aard;
225
Veel waterrijke beekskens zijn d'r op alle wegen -225
 
Ithaca noemt men 's, wiens faam al voor Troyen is gestegen;226
 
Men zeit het van Achaien te leggen breed en wijd.’
 
 
 
De lijdzam' Ulysses heeft een borst vol vreugden gekregen,
 
't Hert gink hem open, zijn ziel werd door 't vaderland verblijd;
230
Hij sprak tot Pallas liegende met listiger vlijt:
 
‘Van Ithaca hoord' ik als ik in Creta plag te wonen,
 
Maar nu vlucht ik met mijn goeden door een twistige strijd232
 
Uit mijn vaderland ende van mijn lieve zonen
 
Door een doodslag van Orsilocho- 'k en mag 's niet verschonen-234
[p. 275]
235
Die al de jongers van Creta in ras lopen passeerde.
 
Dees dacht den buit daar Troyens verderven mij met gink lonen
 
Van mij te ontweldigen, want hij dien roof begeerde;
 
Ik hadd' er veel om geleden als ik mij manlijk weerde
 
Voor Troyen; daar hielp ik de bloedige scharen doorbreken -
240
Niet dat ik met zijn vader streed, of als meester eerde!
 
Mij volgden daar veel knechts, die mij niet en bezweken -241
 
Dezen man heb ik in den aftocht op 't land doorsteken;
 
Ik leide hem lagen met mijn vrome gezellen
 
Op een donker nacht: al 't licht was van den hemel geweken,
245
Niemand zag ons; ik kreeg hem, en zand zijn ziele ter hellen.
 
Daar lag hij dood; doe ging ik mij in de schepen stellen246
 
Van den Pheacensers; haar bad ik, en gaf ze grote vracht,247
 
Om mij tot Pylum te voeren, ook haar koers te versnellen
 
Na Elida, d'welk staat in der Epiërs macht.
250
Die zijn door een storm haars ondanks hier aan 't land gebracht
 
- Zij wilden mij niet bedriegen bij haar weten -;
 
Vandaar landden wij hier al dolende bij der nacht,
 
Ons weerstand hulp niet, wij zijn in dees haven gesmeten.253
 
Elk hongerde, maar men dacht er om geen eten,
255
Wij traden al op strand, daar ging iegelijk hem strekken.
 
Daar deed' mij een zoete slaap mij zelven vergeten;
 
Zij droegen mijn goed uit het schip op dezer plekken,
 
't Welk zij hier stelden, en zijn zonder mij te wekken
 
Na Sidoniën gezeild. Ik vand mij hier alleen
260
In zulk een druk, dat ik 's niet en mag vertrekken.’260
 
 
 
Pallas werd lachende om zijn listige reên,261
[p. 276]
 
Zij verschiep haarzelfs, zodat ze een schoon vrouwe scheen
 
Verstandig en konstig; doe streek ze over zijn wangen,
 
Zeggende tot Ulysses: ‘Voorwaar vriend, ik meen
265
Dat hij schalk moest zijn, die u in list zoude vangen;
 
Al waar' 't ook een god, hij zoud' er geen prijs in ontvangen.
 
Gij schalke man, dubbeld, loos en listig van mond,
 
Laat gij nog 't bedrog niet, daar gij na uw verlangen
 
In uw eigen land zijt en op uw eigen grond,
270
Spot gij nog mijnder, die u ooit goed hebbe gejond?270
 
Maar want ons beiden nooit kloekheid en is ontvloden,271
 
Zo laat ons geen list meer plegen, maar spreken goed rond;
 
Want mag u geen mens in raad of liste versnoden,273
 
Ik ben de wijste en kloekste van al de goden.
275
Kende gij Pallas niet, Iupiter's dochter bedaard,275
 
Die u ooit bijstand dede in allen uw noden,
 
Die u bij den Pheacensers maakte lief en waard?
 
Nu ben ik weer om u te raden bij u vergaard,278
 
Opdat den schat, die u de Pheacenser heren
280
Door mijn ingeven schonken, zekerlijk zij bewaard;280
 
Ook koom ik u het leed voorzeggen en leren,
 
Dat gij lijden moet als gij in uw huis zult keren:
 
Lijdet' al, 't is u van nood, gij hebt doch lang gekwolen,283
 
En zegt ook man noch vrouw - of het zal u deren -
285
Wat d'oorzaak is, daarom gij derwaart komt dolen,
 
Maar verdraagt der mannen geweld, lijdt uw druk verholen.’286
 
 
 
Doe antwoordde haar Ulysses wijs van zinnen:287
 
‘Kwalijk kent u de kloekste klerk in d'aardse scholen,288
[p. 277]
 
Al ontmoet gij hem, o Prinses alder Goddinnen,289
290
Want gij maakt u elkeen gelijk; wie zoud' u kinnen?290
 
Uw jonste, dat weet ik, deed' mij eertijds vervrooien291
 
Totdat men ons Grieken Priamus' stad zag winnen.
 
Maar als wij, vernield hebbende 't heerlijke Troyen,
 
In ons schepen traden, kwam ons een god verstrooien;
295
Nooit sedert zag ik u dat gij mij troost kwaamt geven
 
Daar ik t'scheep lag in driftige dolende kooien,296
 
Altijd was mijn gemoed met droefheid doordreven,
 
Totdat mij de goden vrijden van 't dolende sneven:298
 
Eer ik kwam in der Pheacensers weeldige stede
300
Gaaft gij mij moed, gij brocht mij daar, ik gink u beneven.
 
Nu meen ik niet dat ik 't zoete Ithaca betrede,
 
Maar een ander land; gij spot, denk ik, daarmede
 
Om mij met listige dromen te verhogen;303
 
Dus hoort doch, door uw Vader, mijns herten bede:304
305
Zoud' ik wel in mijn waarde vaderland wezen mogen?’
 
 
 
Minerva daarop sprak met haar blinkende ogen:
 
‘Nu gij stadelijk zulks denkt in hert, zin ende moed307
 
En mag ik u niet langer ellendig gedogen,308
 
Want gij zijt welsprekende, vernuftig en vroed.
310
Elk man die te lande keert met zijn dolende voet
 
Is begeerlijk om thuis te zien zijn wijf ende kind;
 
Maar zulks te weten oft vragen en is u niet goed,
 
Voordat gij de kuisheid van uw huisvrouwe bevindt
 
Die u nog met zo getrouwer herten bemint:
315
Om u zij dag en nacht weent, ook in haar dromen.
 
Ik wist dit ooit en heb in mijn herte ook wel voorzind316
[p. 278]
 
Dat gij al uw volk verliezen zoudt in 't wederkomen,
 
Maar ik wilde niet doen tegens den god van de stromen,318
 
Want die gram op u was: gij blindde zijn lieve zoon.
320
Welaan dan, opdat gij 't eens gelooft, tot uwer vromen,320
 
Zo is 't tijd dat ik u 't land van Ithaca nu toon:
 
Daar is des ouden zeemans Phorcynis haven schoon,
 
Waarop d'olijfboom wast in hoogheid ongemeten;
 
Hierbij staat de duister spelonk, daar gij zijt gewoon
325
Uw offerande te doen, zo gij nog meugt weten,
 
Aan de zeegoddinnekens Naiades geheten;
 
En dit 's de grote berg bekleed met het bos vol lust.’327
 
 
 
Zij verdreef doen den nevel; 't land toonde zijn secreten.
 
Ulysses zag 't - die verblijdde, zijn herte kreeg rust.
330
Hij viel vrolijk neder, en heeft zijn vaderland gekust,
 
Ook bad hij de Naiades met handen gevouwen:
 
‘O Iupiter's dochters, nu is mijn begeerte geblust!
 
Nemmermeer en waande ik u weder te aanschouwen;
 
Nu groet ik u met blijder stemmen, bevrijd van rouwen.334
335
Ik zal u weer gaven offeren als te voren,
 
Is 't dat Minerva mij in 't leven wil houen
 
En mij gezond verleent mijn waarde zoon verkoren.’
 
 
 
Pallas sprak tot hem: ‘Zijt getroost, wilt vreugd oorboren;338
 
Hebt daar geen zorge voor. Maar laat ons den schat helen
340
In 't wonderlijke hol, zo en werdt ze niet verloren;
 
Gaan wij die in 't diepste verbergen voor 't stelen,
 
Zo behoudt gij die, om mildelijk om te delen.
 
Ik zal u dan tot vorderinge wel beraden.’343
[p. 279]
 
De goddinne trad in de spelonk van de juwelen,
345
Zij zocht daarvoor in 't duister ten hol met staden;345
 
Ulysses volgd' ze, met goud en met koper beladen,
 
Ook met der Pheacensers gaven, sierlijke kleder.
 
Die schikt' ze, en stelde een steen voor des inganks paden.
 
Zij zaten doe t'zamen aan des olijfs wortel neder
350
Overleggende den dood van den vrijers teder350
 
Om haar overdaad, dies Pallas begonst te spreken:351
 
 
 
‘Zoekt nu middel, gij vrome Ulysses, om gereder352
 
Der onschameler vrijers overdaad te wreken,353
 
Die drij jaar uw huis beheerd hebben met kwade treken,354
355
Ook uw godlijk wijf met giften en dreigen verzocht. -355
 
Maar die treurt altijd om uw weerkomst, haar ogen leken;
 
Zij geeft iegelijk hoop', schoon woorden zij ooit verkocht;
 
Zij zendt boden, en heeft altijd wat anders gedocht.’358
 
 
 
Ulysses daarop sprak tot Minerva rechtevoort:359
360
‘God, ik waar' ook als Agamemnon ter dood gebrocht
 
Ende verradelijk in mijn eigen huis vermoord,
 
Had ik dit, o Goddin, bijtijds van u niet gehoord!
 
Geeft nu raad om best te wreken 't kwaad dezer knechten,363
 
Staat mij bij, en geeft mij een stoute moed door uw woord,364
365
Zulks als ik had, doen ik Troyen ter aarden hulp slechten.
 
Tegen drijhonderd man derf ik stoutelijk vechten,366
 
Heb ik uw hulp, o grootmoedige Pallas, te baten;
 
Zijt gij bij mij, ik zal die boosheid haast berechten.’368
[p. 280]
 
‘Ik zal u bijstaan,’ sprak Pallas, ‘en niet verlaten,
370
Hopende met brein en bloed van d'onkuise soldaten
 
Te zien bevlekken uw grote vloer oft pavement,
 
- Ik meen 't bloed der vrijers, die uw goeden ooit aten.
 
Maar welaan, laat mij maken dat u niemand en kent.
 
Uw schoon vel zal dorren, slap werden uw leden behend;374
375
Uw hoofd ontchier ik van zijn schone goudgeel hare,
 
Een kleed zal ik u aandoen, dat elk hem van u wendt,
 
Ook zal ik verkeren uw schoon ogen klare:377
 
Zo schijnt gij den vrijers lelijk in 't openbare,378
 
Ook uw wijf en uw zone die gij thuis verliet.
380
Gaat gij eerst tot den verkenherder uw dienare,
 
Die u, uw zoon en Penelope trouwe jonste biedt.381
 
Bij uw verkens zuldi dees vinden, daar hij toe ziet,382
 
Die benevens den steenrots Coracis weiden
 
Omtrent de fonteine die men Arethusa hiet;384
385
Zij hebben daar ekels en zwart water, van beiden,
 
Die de verkens weeldig doet groeien in vettigheiden.386
 
Blijft daar, zit bij hem, en ondervraagt alle dingen
 
Totdat ik na Sparten ga, om met mij te leiden
 
Uw lieve zone, ende hem bij u te bringen,
390
Die trok in Lacedemoniën zonderlingen390
 
Tot Menelaum, om horen of gij nog mocht leven.’
 
 
 
Ulysses sprak: ‘Waarom zeide gij 't hem niet geringen?392
 
Gij wetet al. Woudt gij hem moeiten doen aankleven393
 
En doen dolen op de woedende zee verheven,394
395
Terwijl de vrijers zijn goeden zouden verteren?’395
[p. 281]
 
Doe zeide Pallas: ‘Zorgt niet, hij en zal niet sneven.396
 
Ik zelfs zand hem daar, om behalen een naam van eren;
 
Hem geschiedt niet leeds, hij leeft rustig na zijn begeren
 
In 's Koninks hof; hem ontbreekt niet in alle stukken.399
400
Maar de vrijers leggen lagen om hem sterven te leren400
 
Eer hij in zijn vaderland komt; maar 't zal haar mislukken:
 
Het aardrijk zal eer een deel vrijers in zich rukken,402
 
En verslinden die uw goed verslinden tegens reden.’403
 
 
 
Meteen gink ze haar roede op Ulyssem drukken
405
En verkrookte zijn huid over al zijn schone leden,405
 
Zijn geel haar deed ze uitvallen ter zelver steden;
 
Al zijn lichaam scheen van ouderdom dor en verplet,407
 
Zijn schoon ogen werden hol, na der oudheids zeden.408
 
Ook trak zij hem een kleed aan, een vuil lelijk oud slet,409
410
Gelapt, gesleterd, gescheurd, en geel van roke besmet;410
 
Daarover heeft ze hem nog een hirtshuid aangedaan,411
 
Doe gaf ze hem een stok met een zak wel vuil en vet,
 
Ook vol gaten, daar slingerden veel kromme draaikens aan.413
 
Naar dezen raad scheidden zij. Ulysses bleef daar niet staan,414
415
En Pallas is na Sparten tot Telemachum gegaan.

EINDE VAN 'T DERTIENDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

2niet niets
8luchtende welriekend
10elks elk
15eerlijk edel
17schaden hinderen
18verspaden vertragen
25vast reeds
27dres-akker braakland
30verwoedheid driftige ijver; wroegt verraadt of: ‘wat zijn woedende ijver kwelt’?
32gevoegd gewend
34oorlof toestemming; jonnen verlenen
37gezelschap geleide; waarde waardevolle; doet's ... gedijen doe het mij tot zegen zijn
39moet moge
42de gemeent het volk
43verstand wijsheid, schranderheid
44vordert brengt ten uitvoer; men ... gewagen wat hij zegt is billijk
50abellijk behendig, met bedrevenheid
52ader bron
54eerwaard' eerbiedig; met herten van harte; bloot zonder omwegen
55daken woning
60een iemand; haast weldra; genaken zijn doel bereiken
63stee woning
65gelijkelijk tegelijk
66dies waarom; met goed belee met voorkomendheid
67bestelden op zijn plaats legde; te degen naar behoren
68bult strozak, matras
75weeldige dartele, uitgelaten, baldadige
76haar zich
78vloeden golven
80verklaarden lieten zien
82mogen kunnen
83behendelijk vlug
87lustige heerlijke
88hem zich; kendelijk kennelijk, duidelijk te onderscheiden
92schromen vrees
93toppe hoofd
94blind donker
99reine keurig
102doren deuren; gemeine openbaar, toegankelijk, ‘vrij’
105streken gingen; als ... eerst zodra; vernamen in 't oog kregen
106vaardig met vaart
112door terwille van
114van door
115daaraf daarvan
118vermeten aanmatiging
119zin oordeel, bedoeling, besluit
121verneren honen
126genoten verkregen
131dat hij al ... waar' zelfs al was hij
133zwaar moeilijk
137moed gemoed
141tegens te gaan tegemoet te gaan; bederven in 't verderf storten
144erven gebied
146af van
148sneven vervallen
150geslachtig afkomstig uit
156beschrijven te boek stellen
157hei ach! helaas!
158heel gaaf, onbeschadigd
163elks iedereen; beraden helpen
169voorts voortaan
170toren toorn
176maakte 's hem onkund maakte hem onbekend ermee, maakte dat hij het niet herkende; kende herkende
182klippen rotsen
184bedroog misleidde; liste schranderheid
187geweldig gewelddadig; straten wegen
189voorts verder
196in niet in niets, in geen enkel opzicht; verzind bedacht, overwogen
197loofden beloofden
198dies daarom; belaân in verlegenheid, in narigheid
199wil moge
202niet niets; ontdragen ontstolen
206hem ... gesteld zich opgemaakt, aanstalten gemaakt
207in den schijn om te zien
208teder tenger
209zuiverlijk en fijn keurig en schoon
210net sierlijk; javelijn werpspeer
221smal klein; scherp steenachtig
225op alle wegen allerwegen
226al voor helemaal tot voor
232goeden goederen, bezittingen; door om
234mag wil
241bezweken in de steek lieten
246mij in ... stellen mij in ... begeven
247bad verzocht; vracht vrachtprijs
253hulp hielp
260druk bedrukte stemming; vertrekken vertellen, beschrijven
261reên redenen, woorden
270ooit altijd; gejond gegund
271kloekheid list
273raad schranderheid; versnoden de baas zijn
275kende herkendet; bedaard bezadigd, bedachtzaam
278vergaard gekomen
280zekerlijk veilig
283gekwolen geleden
286druk leed
287zinnen geest
288de kloekste klerk de knapste leerling
289Prinses vorstin
290kinnen herkennen
291jonste gunst, genade; vervrooien zich verheugen
296driftige drijvende
298sneven ellende
303verhogen verheugen
304door bij
307stadelijk gestadig
308gedogen laten blijven
316ooit aldoor; voorzind van te voren beseft
318niet niets
320tot ... vromen tot uw geluk
327lust bekoorlijkheid
334rouwe smart
338oorboren smaken
343vorderinge bevordering van uw belang; beraden helpen
345daarvoor ernaar; met staden bedaard
350teder voorzichtig (adv.) (of: van de zwakke vrijers?)
351overdaad aanmatiging; dies waarover
352gereder spoediger
353der onschameler ... van de onbeschaamde; wreken straffen
354beheerd overheerst; treken kuiperijen, intriges
355verzocht aangezocht (om te huwen)
358gedocht bedacht
359rechtevoort dadelijk
363knechten mannen, jongens
364moed gemoed
366derf durf
368haast weldra; berechten straffen
374behend vaardig
377verkeren slecht, lelijk maken
378in 't openbare in 't oog vallend?
381jonste genegenheid; biedt betoont
382daar hij toe ziet waar hij toezicht op houdt
384omtrent bij
386weeldig overdadig
390zonderlingen bepaaldelijk, speciaal
392geringen dadelijk
393al alles
394verheven hoog op de golven
395goeden goederen
396zorgt vrees
399niet in alle stukken niets, in geen enkel opzicht
400sterven te leren te doen sterven
402een deel een aantal
403reden recht en billijkheid
405verkrookte verkreukte
407verplet versleten
408na ... zeden op de manier van de ouderdom, ‘zoals bij een oud man’
409slet vod
410gesleterd aan flarden
411hirtshuid hertehuid
413draaikens draadjes
414raad beraadslaging
prepostterug  begin  verder