terug  begin  verderprepost
[p. 282]

Het veertiende boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Ulysses werdt op 't land van den verkenhoeder Eumaeo beherbergd; daar vallen verscheiden redenen; Ulysses houdt zich bedekt, ende vertelt sommige geschiedenissen.
 
TERSTOND sloeg Ulysses van de haven op wegen
 
Die scherp zijnde strekten over berg en door menig woud,2
 
Derwaarts hem Pallas voorzeid hadde te degen3
 
Zijn zwijnherder te zijn, diens jonst tot hem was genegen,4
5
Wiens getrouwheid ook al Ulysses' vee toe was betrouwd.
 
Hij vand dezen zitten onder een luif of dak van hout6
 
Voor een groot schoon landhuis daar de verkens waren bewaard,7
 
't Welk de herder zelfs op een hoge plaatse had gebouwd
 
In 't afwezen van Ulysses zijn here vermaard,
10
Ook zonder zijn vrouwe ende Laërtes oud bejaard.
 
Een doornen heining singelde 't huis na zijn behagen,
 
Gevest aan een wal die buiten steen was, en binnen aard;
 
't Huis werd van grove en sterke balken gedragen,
 
Dies hij menigen eikenboom terneer had geslagen.14
[p. 283]
15
Inwendig had hij twaalf verkenskotten gesteld,
 
Vijftig uitgelezen zeugen in elks daar lagen.
 
Der beren getal was min, die lagen buiten op 't veld
 
En werden daaglijks minder door der vrijers geweld,
 
Want de herder most heur de vetste tot spijze zenden;
20
Zo waren d'r nog maar drijhonderd-tsestig wel geteld.
 
Vier felle honden wachtten daarop aan al de vier enden,
 
Welke den herder als heur voeder en meester kenden.
 
Om schoenen van koeienleder zat dees te bereiden,
 
Om zijn voeten aan geen scherpe stenen te schenden.
25
Drij knechts dreven heur verkens buiten ter weiden,
 
Eén zwijn had hij den vierden ter stadwaart doen leiden
 
Door dwang van den snoden vrijers ter zelver stonden,
 
Om dat te doden en te brassen met vrolijkheiden.28
 
Fluks werd Ulysses gezien van de bassende honden,29
30
Zij vlogen hem aan met klinkende gapende monden;
 
Ulysses zat looslijk neer, de stok schoot hem uit der hand,31
 
En was bijna voor zijn eigen stallinge verslonden.
 
Maar de zwijnherder liep snellijk tot zijn bijstand,
 
- 't Leer ontviel hem -: nu dreef hij dees, dan die aan d'ander kant,
35
Hij riep ze bij namen, hij wierp stenen, en sprak verstoord:
 
 
 
‘Hoe na bracht gij oude mij daar in zond' en schand!36
 
't Scheelt luttel dat u mijn honden niet hebben verschoord.37
 
Voorwaar, God zendt mij ander verdriet genoeg aan boord,
 
Want ik leg hier en betreur mijn godlijken Koning.
40
Zijn verkens mest ik vet - die werden van vremde vermoord;
 
Zij nemen ze geweldig tot spijs uit mijns heren zoning,41
 
Die doolt behoeftig van spijs, ver uit zijn woning,
[p. 284]
 
Bij vreemd volk in vremde landen, indien hij nog leeft.
 
Maar volgt mij na de stalling, opdat gij tot beloning
45
Van spijs en drank, verzaad zijnde, te kennen geeft
 
Waan gij zijt, ook wat verdriet u hier gedreven heeft.’46
 
 
 
Meteen treedt hij voor; Ulysses volgt bereid,
 
Die tot binnen de stallinge zijn zijde aankleeft,
 
Alwaar de herder veel lustige ruigt voor hem spreidt,49
50
Ook een grote ruiglokte vacht van een wilde geit.
 
Ulysses, blij zijnde dat hij zo wel was ontvangen,
 
Heeft dankelijk aldus tot den herder gezeid:
 
‘Iupiter's gratie strek, o waard, t'uwaarts haar gangen53
 
Om te volbrengen uw begeerlijkste verlangen,
55
Nu gij mij aldus goedlijk ontvangt uit genaden.’55
 
 
 
Eumeus sprak: ‘'t Hoort zo, vrind, want aan weldoen hangen
 
Al 's mensen hoofddeugden; kwaam hier op deze paden
 
Nog snoder mens dan gij, 'k en mag hem niet versmaden;58
 
Want elk is arm ende gast bij Iupiter geprezen.59
60
Groot-jonstig, maar zeer klein zijn mijne weldaden,60
 
Omdat ik een slaaf ben; want slaven altijd vrezen,
 
Zonderling' als men den Koningen jonk ziet wezen.62
 
Och, onzen ouden Koninks weerkomst werd van Gode belet!
 
Hij mij beminde met vriendlijker jonst uitgelezen,64
65
Wiens goedertierenheid heeft mij in dees goeden gezet:65
 
Hij gaf mij een huis, veel goed, ook een wijf kuis en net;66
[p. 285]
 
Maar God geeft hem veel leeds, ook mij (om hem) veel lijden.
 
O, had mijn Prins hier mogen oud worden, zo ging 't mij bet;68
 
Maar hij is dood, ducht ik, dus kan ik mij niet verblijden.
70
Och, waar' 't geslachte van Helena vóór dien tijden
 
Grondlijk vernield, met mans wijfs meiskens end' knechten!71
 
Zo waren daar zoveel mans niet verslagen in 't strijden,72
 
Want mijn Heer gink om Agamemnon's eer op te rechten;
 
Diens jonst deed' hem de mogende Trojanen bevechten.’74
 
 
75
Dit zeggende heeft hij zijn rok dicht met den gordel gegord,
 
En gink zo na 't kot om zijn voornemen te beslechten.76
 
Hij nam twee verkens, die doodde hij beide op een kort;77
 
Hij deelt ze, hij rijgt ze aan 't spit, hij maakt vuur met een hort,78
 
Hij braadt ze, en stelt ze voor Ulysses aan der speten.79
80
Doe heeft hij den zoeten wijn in den beker gestort
 
En bracht hem schoon wit brood om daartoe te eten.
 
Tegensover Ulysses is hij daarna gezeten.
 
 
 
‘Eet nu, vriend’ sprak hij ‘van 't zelfde dat hier is,
 
Van der slaven zwijnenvlees: 't en zijn geen lekker beten,
85
Want het vetste nemen de vrijers op haren dis.
 
Zij hebben schaamt noch meedogen, nochtans is 't gewis
 
Dat de zalige goden alle boosheid haten;
 
Zij eren deugd; weldoen en schiet na heur loon niet mis.88
 
Men vindt vijanden ende boze, die uitermaten
90
In vreemde landen ander Heder goeden aten,90
 
Den welken Iupiter nochtans groten roof heeft gejond,91
 
Daar ze haar schepen mee vulden, zeilende harer straten,
[p. 286]
 
En kwamen elks in zijn eigen woninge gezond;
 
Want zij Gods macht nog àl vreesden in heur t' 's herten grond.
95
Maar deze hebben God's stem wel gehoord in haar gemoed,
 
Zij verwachten ook kwader dood tot eniger stond,96
 
Nog begeren zij eens anders wijf uit geilheid onvroed;97
 
Niemand en keert tot het zijn, elk verteert eens anders goed
 
Overdadelijk en onmatelijk zonder sparen;99
100
Dag en nacht duurt deze gulzige overvloed,
 
Nooit offerden zij dat er maar een of twee beesten waren,
 
Ook zwelgen zij den wijn als Bacchus' dienaren.
 
Groot en hoog waren mijns Heren goeden opgeklommen,
 
Twintig de rijksten en mochten, zoveel niet vergaren
105
In Epiro, noch in Ithaca rondsom bezwommen;105
 
Maar mijn Heer was ver de machtigste in rijkdommen
 
Boyen de heerlijke mannen, de grootste en de meesten.107
 
Hoort gij maar, ik zal u zijn inkomsten sommen:
 
Hij had in Epiro twaalf kudden gehoornde beesten,
110
Zoveel kudd' schapen, zoveel verkens deed' hij meesten,110
 
En zoveel stal geiten die zijn herders daar voeden;
 
Ook elf stal geiten weiden daar bij d'uiterste foreesten,112
 
Die hij van oprechte mannen wel doet behoeden.113
 
Elk van deze brengt den vrijers, van 's heren goeden,
115
Een os, geit of schaap dagelijks, het vetste van allen;
 
Maar ik dien dees verkens, en moet mij dagelijks spoeden
 
Een te zenden; 't beste moet hun te dele vallen.’
 
 
 
Dit sprak hij; d'ander at neerstig 't vlees en liet hem kallen,118
[p. 287]
 
Ook dronk hij de wijn; nochtans werd hij grootmoedelijk gram119
120
En dacht der vrijers vreugde met der dood te smallen.120
 
Maar als zijn honger, verzaad zijnde, geen spijs meer en nam,
 
En de herder den wijn schank dat ze aan de kanten toe kwam,
 
Greep hij den beker ter hand, en sprak met herten verblijd
 
Zoetelijk tot den herder, want zijn mage was al tam:124
125
‘Zegt doch vriend, de heer die u kocht in voorleden tijd,
 
Was die zo zeer rijk en machtig, als gij hier belijdt?126
 
Gij zegt hij is om Agamemnon's wille gestorven;
 
Noemt doch wie 't is, of ik hem kende, - want ik breed en wijd
 
Door veel landen, zo God weet, lank hebbe gezworven -
130
Of zijn vrunden door mij bijgeval tijding verworven.’130
 
‘Neen vader,’ sprak de herder ‘dat zijn verloren zaken.
 
Wat vreemde luiden hier komen - 't is al bedorven -
 
Konnen mijn Vrouw' noch haar zoon meer tijdings vroed maken!133
 
Veel behoeftige vremden hebben met valser spraken
135
Geen waarheid willen zeggen, maar om baat gelogen;
 
Wat pelgrims hier kwamen hebben met dubbelde kaken
 
Vele verzierd, en mijn Vrouw met beuzeling bedrogen.137
 
Zij ontvangt ze goedlijk, die doet ze deugde betogen,138
 
Ja ondervraagt ze naarstig na haars mans dood of leven,
140
En betreurt hem klagelijk met betraande ogen;
 
Van 't wijf is dat den tol, wiens man buitensland is gebleven.
 
Dus verziert ook wat, zo werden u kleedren gegeven! -
 
Wie zulks pleegt, honden noch gieren en sparen hem niet143
 
Te verscheuren, dat geen vlees aan 't gebeent meer mag kleven,
145
Of hij verdrinkt, en werde van vissen tot aas bespied,145
 
Of zijn gebeent verdort op 't land in 't zand, dat men 's niet en ziet.
[p. 288]
 
Alzo dan is ons Heer verloren dien wij beminnen,
 
Dies al zijn vrinden treuren; maar ik heb 't meest verdriet,
 
Want waar ik ga, 'k en zal zo goede Koning niet vinnen,149
150
Al ging ik weder in mijn Vaârs en Moêrs huis binnen
 
Alwaar ik ben gewonnen, geboren en opgebracht.
 
Ik ween nu niet om mijn ouders met treurige zinnen,
 
Noch om mijn vaderland, dat ik niet klein en acht,
 
Maar om Ulysses is alle mijn wens ende klacht;
155
Hem moet ik, vriend, al is hij weg, in 't noemen eren,
 
Want hij mij beminde met hert, zin en gedacht;
 
Ik heet hem godlijk, al moet ik zijn bijzijn ontberen.’
 
 
 
‘Nu men,’ sprak Ulysses ‘wanhoopt van zijn wederkeren
 
En gij, o vriend, ongelovig zijt door zulk verlangen,159
160
Zo wil ik u van zijn weerkomst wel vastlijk zweren,
 
Daar ik - al behoef ik 's - geen giften voor wil ontvangen,
 
Voor en aleer men hem thuiswaart ziet nemen zijn gangen;
 
Mij mag men dan beschenken en sierlijk bekleden.163
 
Wie uit armoede liegt met bedrieglijke wangen
165
Haat ik niet min dan de poorten van de helse steden.165
 
Nu zij Iupiter mijn getuige, ook de vriendlijkheden
 
Van dees gastvrije tafel, dat mijn woord is waarachtig;
 
Ik wil ook vrijmoedig tot Ulysses' woninge treden,
 
Want al dit zal vast geschieden (rust uw treuren klachtig):169
170
In dit jaar zal Ulysses komen, zijt hem verwachtig,
 
Ja gij zult hem thuis zien eer deze maand mag enden.
 
Hij zal dan d'overdaad wreken met gramschap krachtig172
 
Dergener die zijn zoon en huisvrouw willen schenden.’173
 
 
 
‘'t Is te laat, vader’ sprak Eumeus ‘ons te verblenden
[p. 289]
175
Met blijde tijdinge, men zal u daarom niet schenken;
 
Want Ulysses komt nemmermeer thuis uit zijn ellenden.
 
Maar rust, drinkt, laat dat varen, wilt dies niet meer gedenken;
 
't Vermaan mijns Heren zoude mijn herte met treuren krenken.178
 
Zweert niet meer. Maar och, of wij hem hier nog eens zagen!
180
Och, zag men hem hier eens weer in zijn heerlijkheid blenken,180
 
Hoe zoud' 't zijn wijf, zijn oude vader en zoon behagen.
 
Nu moet ik Ulysses' zoon's ongeluk mee beklagen,
 
Niet anders die opgevoed en was dan een godlijke spruit;
 
Hij scheen in deugd en schoonheid de prijs weg te dragen
185
Van al zijns Vaders waarde raadslui, 'k en zonder niemand uit....
 
Dezen heeft enig god of mens iet onrechts beduid,186
 
Waardoor hij na Pylum trak om van zijn vader te horen;
 
Wiens weerkoomst belagen de vrijers met schip en met schuit
 
Om Arcesius' stam heel uit Ithaca te verstoren.189
190
Nu, dat 's daar, weer hij 't ontvlucht, weer zij hem besporen,190
 
Of weer hem Iupiter beschermt met hemelser krachten.
 
Maar spreekt gij nu, vader, uw verdriet voor mijnen oren,
 
Vertelt mij uw ongeval, tot uw verzachten,193
 
Wie gij zijt, van wat volk, van wat stad, van wat geslachten.
195
Wat schip bracht u herwaarts over de woeste stromen,
 
Wat schippers waren 't die u in Ithaca brachten?
 
Want gij zijt hier, zo ik meen, te voete niet gekomen.’
 
 
 
‘Waarheid te zeggen,’ sprak Ulysses ‘zal ik niet schromen.
 
Maar al hadt gij spijs en zoet wijn voor een heel jaar,
200
Al zaat gij in huis stille aan den dis t'uwer vromen,200
[p. 290]
 
Al werd uw werk gedaan van d'ander knechts allegaâr,201
 
Zo en mocht ik u niet vertellen al 't lijden zwaar202
 
Daarmede mij al de goden ooit wilden honen.203
 
‘Ik ben uit Creten, rijk ende machtig was mijn vaâr.
205
Die hadde binnen zijn huis veel ander eêl zonen,
 
Maar mijn moeder was eigen en boel - wat wil ik 's verschonen? -206
 
Ik heb doch niet min dan mijn broers mijns vaders jonst genoten,207
 
Diens naam was Castor Hylacides - dit 's dan om tonen208
 
Het land ende 't geslacht, daaraf ik ben gesproten -;209
210
De Cretensers eerden hem hoog - men mocht's niet vergroten -210
 
Om zijn grote rijkdommen en om zijn zonen eerlijk.211
 
Maar als hij met der dood zijn leven had besloten,
 
Ons vader's goeden deelden de zonen begeerlijk:213
 
Mij schenkten zij een weinig, dit verdroot mij deerlijk.
215
Ik kreeg doen een wijf van rijke vrienden tot mijn versterken
 
Door mijn vroomheid, want ik droeg mij stout en heerlijk.216
 
Maar dit 's nu al vervlogen met vluchtige vlerken,
 
Zo gij aan mijn gedaant en gewade licht kont merken;
 
Want ik sedert veel verdriets heb moeten lijden.
220
Mars en Pallas gaven mij moed in alle perken220
 
Als ik volk verzaamde om mijn vijanden te bestrijden:
 
Nooit mans vroomheid bracht mij doodsankst tot enige tijden,
 
Maar ik zelfs placht mijn vijanden eerst te doorsteken
 
Die zo stout waren dat ze mijn spiets niet en mijdden:
[p. 291]
225
Zulkdanig ben ik ooit in 't oorlog gebleken.225
 
Maar rijkdom en den huiszorge tegens 't gebreken,226
 
Die de kinders weeldig opbrengt in der echten,227
 
En had ik nooit lust toe; maar tot steken, tot breken,
 
Tot schepen van oorlog, tot strijden, tot vechten,
230
Tot spietsen, pijlen en zwaarden voor ridders of knechten:
 
Somma, 't vreeslijke oorlog was mij een lust om plegen.
 
God had mij deze zinlijkheid in 't herte doen hechten,232
 
Want elk volgt zijn zin, elk is tot het zijn' genegen.
 
‘Maar eer wij Grieken reisden op de Trojaanse wegen
235
Had ik tnegentig mannen onder mijnen gebode,
 
Ook snelle schepen om over de zee te vegen,
 
Met alle dat tot krijgsrustinge is van node;
 
Ik verkreeg daarna nog veel goeds door de hulp van Gode,
 
Mijn huis werd groot, ik kwam in Creten tot hoger eren.
240
Als nu die hatelijke reis, die menig man doodde,
 
Door Iupiter voortging, zo geboden mij de heren
 
Mijn schepen naar de hoge stad van Troyen te keren;242
 
Om des volks opspraak ik dat geenszins dorst laten,
 
Noch ik en mocht zulks ook met geen reden afweren.
245
‘Men weet dat wij negen jaren voor Troyen zaten;
 
In 't tiende wonnen wij 't, doen zeilden elk zijnder straten
 
Na huiswaart. Doe heeft God allen de Grieken verstrooid,
 
Maar mij arme man deed' hij een kwaden raad aanvaten;248
 
Want als ik thuis 't vermoeide hert een maand lang hadde ontdooid
250
Met mijn kindren, mij ook met een nieuwe bruid vervrooid,250
 
Zo kreeg ik lust om met mijn getrouwe gezellen
 
In Egypten te zeilen - och, dit betreurde ik ooit!
[p. 292]
 
Ik dede negen schepen vol nooddruft bestellen.253
 
Wij waarschapten doe zes dagen met vrolijk vertellen,254
255
Ook deed' ik den goden menig schoon offeranden;
 
Den zevenden dag gingen wij ons t'schepe versnellen256
 
En staken met enen noordenwind van de Creetse landen.
 
Zo zeilden wij voor wind voor waag langs de kromme stranden258
 
Zonder een schip te kwetsen, met rusten met vreden,259
260
Bestierd zijnde van den wind en van der schippers verstanden.
 
‘Den vijfden dag zijn wij op 't Egypse land getreden,
 
In wiens rivier wij ons kromme schepen drijven deden.
 
Mijn waarde gezellen beval ik daar te blijven
 
En de schepen op 't land te trekken, na oude zeden;264
265
Doe zand ik verspieders om ons 't land te beschrijven.265
 
Geweld en overdaad begonsten die te bedrijven,266
 
Zij verwoestten 't land, zij roofden der Egyptenaars schat,267
 
Zij versloegen 't volk en ontvoerden haar kinders en wijven.
 
Terstond kwam dit gerucht met zo groot rumoer in de stad,
270
Dat al 't volk in den dageraad buiten de poorten trad:
 
't Land blinkte van harnas, 't was vol voetvolk en vol paarden.
 
Iupiter nam mijns volks moed, heur herten werden mat,
 
Zij mochten geen voet houen, want zij zich àl vervaarden273
 
Omsingeld zijnde met menigt' van vijandlijke zwaarden.
275
De vijanden smoorden veel van den mijnen in heur bloed,
 
Hoewel zij ook enigen tot dienstbaarheid spaarden;
 
Maar Iupiter zendde mij enen raad in mijn gemoed:277
 
- Och had ik daar ook mogen sterven op staande voet!
 
Het hadde mij van nog duizend ellenden bevrijd -
[p. 293]
280
Ik wierp den stalen helm van mijn hoofd, ook met der spoed
 
Maakte ik mij schild, spiets en zwaard uit den handen kwijt.
 
Te paarde zat den Koning: daarvoor kwam ik doen ter tijd,282
 
Zijn knien ik kuste. Hij trok mij uit des doods vrezen
 
En bracht mij op een wagen thuis, uit dat bloedige krijt:284
285
Wenende zag ik op veel spietsen die rezen
 
Om met mijn dood heur toornigen moed te genezen,286
 
Maar de Koning verbood het, en hiel' mij in 't leven,
 
Want hij ontzag den toorn van Iupiter geprezen.288
 
‘Zeven jaren lang ben ik daar voort gebleven,289
290
Alwaar mij zeer mildelijk veel gelds werd gegeven
 
Van den Egyptenaars, dat ik bijeen heb vergaard;
 
Maar als de zonne d'achtste maal op kwam gedreven292
 
Was daar een Phoeniciër, een oud schalk vals van aard,293
 
Wiens argelist veel mensen veel leeds had gebaard,
295
Die mij door schoon woorden zo looslijk heeft gehoond,295
 
Zodat ik met hem na Phoeniciën toe sloeg op de vaart296
 
Alwaar hij mij zijn huis en goed zou hebben getoond.
 
Maar als ik daar een rond jaar met hem hadde gewoond
 
Ende die twaalf maanden nu waren verlopen,
300
Heeft hij mij t'scheep vandaar voorts na Libiën getroond
 
Uit bedrog, om mij mijn geldeken af te stropen301
 
Ende mij dan nog daar dier om geld te verkopen.302
 
Met hem trad ik t'scheep, half genoodzaakt, vol kwaad vermoeden.
 
Een noordenwind kwam 't schip van achteren nopen,304
305
Die deed' ons mids door de Creetse zee wakkerlijk spoeden;305
 
Maar als wij Creten verlieten, en mids in de vloeden
[p. 294]
 
Geen land meer, maar niet dan lucht en water zagen,
 
Zo begonst Iupiter op ons volk te verwoeden:
 
Om 't schip zand die een zwarte nevel om dat te plagen;309
310
Bruin en hol werd de zee, wij begonnen te vertsagen;310
 
't Donderde, 't bliksemde, 't bestond vreeslijk te waaien,311
 
De vlam kwam in 't schip, dat werd rondsomme geslagen;
 
't Volk viel in zee, zij dreven om 't schip als kraaien,
 
Niemand kwam daar te land, 't verdronk er al in 't baaien.
315
Als ik daar lag, bijnaar van druk en van ankste ontzind,
 
Dede Iupiter den mast tot mijwaarts draaien;
 
Hem greep ik om den dood te ontkomen die 't al verslindt.
 
‘Hierop dreef ik negen dagen voor water voor wind.
 
Den tienden nacht, die zwart was, dreef mij een grote zee
320
Daar der Thesprotiër Koninkrijk eerst begint.
 
Heur Koning Phidon ontving mij vriendlijk daar ter stee,
 
Wiens zoon mij tegenkwam en veel deugden aandee;322
 
Mij bracht dees in zijns vaders hof, vermoeid en koud,
 
Hij onderstutte derwaarts gaande mijn zwakheid mee,
325
En kleedde mij met rok ende mantel dubbeldvoud.
 
Eerst sprak mij dees van Ulysses listig en stout.326
 
‘Ik heb’ zeid' hij ‘hem na huis trekkende gelogeerd’.
 
Ook toonde hij mij zoveel ijzer, koper en goud
 
Daarmee zij hem vrundlijk begaafd hadden en geëerd,329
330
Dat het van zijn tiende nazaat niet mag werden verteerd,
 
Zulk schat lag voor hem onder de koninklijke daken.
 
Ulysses - zeid' mij dees - was na Dodona gekeerd332
 
Om uit den groten eik, door Iupiter's spraken,333
 
Te vernemen hoe hij best thuis mochte geraken,
335
Of opentlijk of bedekt, want hij lank uit was geweest.
 
Hij zwoer mij ook, op 't hof offerende, voor ware zaken,
[p. 295]
 
Dat het schip al gereed lag, ook 't volk minst ende meest,337
 
Daarmee men hem thuis zoude brengen met groter feest.338
 
‘Maar eer dit geviel, was ik al vandaar getogen;
340
Want een Thesprotiër schip lokte mijnen geest,
 
't Welk na Dulichiën voer. Heur beval hij te pogen
 
Mij eerlijk te brengen voor Konink Arastos' ogen;342
 
Maar dezen is een boze raad in 't herte gekomen343
 
Om mij nog d'uiterste ellende te doen gedogen.344
345
Want als het schip van land was, midden in den stromen,
 
Hebben zij mij mijn mantel, rok en kleren benomen
 
En gaven mij een kwaad linnen kleed, met dees rok geschoord,347
 
Zo gij moogt zien, met gesleterde hangende zomen.348
 
Het oosteind van Ithaca hebben zij doe bespoord;349
350
Zij sprongen op 't land om eten, en bonden mij aan boord
 
Om hand en om voet wel vast met sterke banden;
 
Maar een god hulp mij lichtelijk uit band en uit koord:
 
Ik daalde bij een touw in zee tot borst en tot tanden
 
End' zwam snellijk wijd van heur, met voeten met handen,
355
Tot aan een schoon eikenbos: daar bergd' ik mij in hoeken.
 
Zij kwamen zuchtende lopen door die waranden,356
 
Maar 't en docht haar geen oorbaar mij verder te zoeken,357
 
Dies gingen zij weder t'scheep met schelden en vloeken.
 
Maar God verberg mij en stierde mij ook behendelijk359
360
Tot eens wijs mans stallinge. Nog leef ik, God mag mij verkloeken.’360
 
 
 
‘O arme mens’ sprak Eumeus ‘mijn hert treurt inwendelijk,
 
't Is heel beweegd door 't verhalen uws dolens ellendelijk.362
[p. 296]
 
Maar maakt mij van Ulysses niet vroed, 't mag mij niet baten.363
 
Zijdi zulk een man, waarom liegdi dan zo schendelijk?
365
Ik weet vast dat de goden mijns Konings weerkoomst haten
 
Nu zij hem voor Troyen levendig hebben gelaten.
 
Waar' hij daar gestorven of in 't gevecht gebleven,367
 
Hem waar' een graf gemaakt ter eren van zijn nazaten,
 
Van den Grieken, om zijn vroomheid in 't oorlog bedreven.369
370
Ach, nu doen hem de Harpijen zonder glorie sneven!
 
Maar ik die hier buiten bij den verkens ben gezeten
 
En koom in 't stad niet, ons Vrouw en heeft mij eerst beschreven,372
 
Als daar boden komen die heur tijdinge vermeten:373
 
Elk staat daar om, elk hoort, elk vraagt gierig om weten,
375
Van sommig' werdt ons afwezende Koning beklaagd,
 
Anderen zijn vro om ongestraft zijn goed te eten;
 
Maar mij lust niet meer vragens, ik ben al moed' gevraagd,
 
Sedert ik bedrogen was door 't liegen onvertsaagd378
 
Van een Aetoliër, die door 't land doolde manslachtig.
380
Dees kwam hier, ik deed' hem goed, want zijn doen had mij behaagd.
 
Hij zeide Ulyssem gezien te hebben waarachtig
 
Bij Idomeum in Creten met zijn volk eendrachtig
 
Om zijn schepen van den storm gebroken te verstellen.
 
‘Weest hem,’ sprak hij,in den zomer oft herfst verwachtig
385
Met grote schat en met zijn getrouwe gezellen.’ -
 
Gij oude, nu 't geluk u na zoveel gekwellen
 
Tot mij heeft gestierd, dankt mij niet onberadelijk387
 
Met na den mond te spreken, of met logens te vertellen;
 
Want ik u niet en eer noch bemin om 't liegen schadelijk,389
[p. 297]
390
Maar trakteer u door de vreze Gods genadelijk.’390
 
 
 
‘Gij hebt een ongelovig herte, dat merk ik waarlijk,’
 
Sprak Ulysses ‘'t en gelooft niet, al zweer ik stadelijk.392
 
Welaan, laat ons geding maken, zo geloofdi 't klaarlijk:393
 
Laat tussen ons getuigen zijn de Goden vervaarlijk.394
395
Is 't dat uw Koning in dezen huize wederkeert,
 
Zo kleedt mij met een nieuw mantel en rok eenpaarlijk396
 
Om te gaan in Dulichiën, daar 't mijn herte begeert;
 
Maar koomt hier niet, zo ik zegge, uw Koning geëerd,398
 
Van een roots doet mij storten van uw knechten alt'zamen,
400
Zo zijn ander armen door mij voor 't bedriegen geleerd.’
 
 
 
Hiertoe sprak de verkenhoeder ja ende amen.
 
‘Vriend, - zo maak mij God deugdlijk en van goeder namen402
 
Nu ende altijd in der oprechtiger ogen -403
 
Ik, die u nu ontvang en weldoe na 't betamen
405
Zal u ook 't leven beroven, hebdi gelogen,
 
En aanbeden dan nog Iupiter met knien gebogen.
 
Maar 't is tijd, mijn volk komt - lank schaduwen korte staken -407
 
Ons eten te bereiden, dat wij wat brassen mogen.’408
 
 
 
Terwijlen zij deze reden onderling spraken,409
410
Zag men die verkenhoeders met heur verkens genaken,
 
En dreven ze, na de gewoont, om slapen in 't kot
 
Waar een menigvuldig gnorren rees bij de zatte kaken.412
 
‘Hoort,’ sprak Eumeus ‘gezellen, brengt naar mijn gebod
 
De beste zeuge, om te offeren onzen God
[p. 298]
415
Ter eren van mijn gast. Laat ons met hem verblijden;
 
Anderen eten doch gulzig ons arbeid's genot,
 
Als wij de beesten hoeden en sparen t'allen tijden.’
 
 
 
Hij gink doe met een scherpe bijl 't hout aan stukken snijden.
 
D'ander brochten een vijfjarig weeldig verken,419
420
En leiden 't op een rooster met zijn vette zijden.
 
Eumeus vergat ook den goden niet in zijn werken,
 
Want hij was verstandig in behoorlijkheids aanmerken,
 
Maar heeft eerst het zwijn de borstels van 't hoofd gesneden;
 
Hij werp ze in 't vier en bad: ‘O God, wilt doch versterken424
425
Ulyssem, opdat hij eens thuis mag komen met vreden.’
 
Een eiken stok verhief hij doe, die hij daar ter steden
 
In 't aankomen gelaten hadde aan dezelfde kant,
 
Ende sloeg op 't verken met zulker naarstigheden
 
Dat het dood bleef. Zij hebben 't gekeeld en 't haar afgebrand,
430
Voorts werd het vaneengehouwen met bloediger hand.
 
Daar begonst Eumeus het vel te schikken van lid tot lid,
 
Waaraf hij een deel met meel gemengd te vierewaart zand;432
 
Men deilde doe alle de leden en men stak ze aan 't spit,
 
Men bried ze wel, men streek 't af, morw zijnde voor 't gebit;
435
Men stelde 't op den dis in zeven platelen,
 
Want de verstandige Eumeus deilde dat van dit
 
In zeven zonderlinge gelijke delen,437
 
- Eén deel was voor de Nymphen en voor den god van 't stelen,438
 
Wien hij aanbeedde - en heeft voorts elk met zijn deel verneugd.439
440
Ulysses diend' hij den rug, 't was 't lekkerste der morzélen.440
 
Deze ere heeft den here in 't herte verheugd.
 
‘God geef u,’ sprak hij tot Eumeus ‘eeuwige vreugd.
[p. 299]
 
Och of Iupiter u zo minde als mijn herte u doet,
 
Nu gij mij vreemdeling' zulk een eer bewijst door uw deugd.’444
 
 
445
‘Eet vrolijk, vader,’ zeid' Eumeus ‘maakt goede moed445
 
Van 't gene dat er is; wij hebben geen overvloed.
 
God verleent ende gedoget best in allen dingen,
 
Want hij is almachtig, ook is zijn wille goed.’
 
 
 
Voorts offerde hij d'onsterflijke goden geringen.449
450
Hij schenkte doe wijn en deed' ze in den beker springen
 
En gaf's Ulysses, die hij nevens hem hadde gesteld.
 
Mesaulius diende met spijs en drank te bringen;452
 
Als Ulysses uit was, stond dees tot Eumeus' geweld;453
 
Tot zijnen dienst hem die daar gebruikte in 't veld,
455
Zodat zijn Vrouw noch Laërtes daar niet na om en zagen,455
 
Want hij hadde dezen knecht gekocht om zijn eigen geld.
 
Daar werd de hand aan de bereide spijze geslagen.
 
Als nu de honger verjaagd was na heur behagen
 
Heeft Mesaulius spijs en drank weggebracht,
460
Maar zij traden in de slaapkamer met volle magen.
 
 
 
Het werd een windige, natte ende donkere nacht.
 
Ulysses heeft daar Eumeum te verzoeken gedacht,462
 
Die zijnder zorge droeg en diende wel te degen,463
 
Of hij of zijn volk zo verde mocht werden gebracht464
465
En of hij heur herten zo zoude konnen bewegen,
 
Dat er een rok van heur lijf mocht werden gekregen.
 
‘Eumeus en gij anderen,’ sprak hij ‘wilt mij horen.
 
Ik ben nu tot roemen en tot hoogspreken genegen:
 
Mij port de zotte wijn, die de wijzen doet als doren469
[p. 300]
470
Zingen, springen en lachen; de wijn brengt woorden voor oren,
 
Die bet gezwegen waren, en den zegger beschamen.471
 
Maar, want ik snappens begost heb, is 't veinzen verloren.472
 
‘Och, had ik nog de kracht van ons jeugdlijke lichamen,
 
Waarmee wij Grieken om Troyen te bevechten kwamen!
475
Ulysses en Menelaus hadden daar 't hoogste bevel,
 
Met welk twee ik, door hun believen, moest verzamen476
 
Voor den derden kapitein als heur medegezel.477
 
Komende voor de hoge muren met wapenen fel
 
Legerden wij in ruigten en in 't riet bij de poelen
480
Rondsom de stad, in 't harnas, vermoeid door water's gekwel.
 
't Was een kwade nacht; de noordenwind begost te koelen,
 
Het sneeuwde, het vroos; kwalijk mocht men de leden gevoelen;482
 
Kristal geleken de schilden van 't blinkende ijs.
 
Elk had daar zijn kleedren om hem in te bewoelen,
485
Elk sliep warm gekleed onder zijn schild in ruigt of rijs;
 
Maar ik had in 't scheiden mijn kleedren, uit zotheids prijs,486
 
Mijn gezellen geschonken, die wisten 's mij dank;
 
Ik docht om geen aanstaande kou, maar volgde onwijs
 
Met één kleed, met mijn schild en met mijn harnas blank.
490
In 't leste van der nacht, als 't gesternte nam zijnen gank,490
 
Sprak ik tot Ulyssem, die hoorde mij behendig,491
 
Want ik lag bij hem en raakte zijn harnas dat het klank:
 
‘Edel Ulysses, hier sterf ik van koude ellendig.
 
Ik heb maar énen rok, fortuin bedriegt mij schendig,
495
Want ik misse mijn mantel in dees koude dageraad;
 
Weet gij mij niet te helpen, ik vervrieze inwendig.’
 
‘Hij nam 't ter herten, als vriend die zijn vrienden bijstaat,
[p. 301]
 
Want hij alleen was de kloekst' in 't strijden, ook in raad.498
 
Alzo heeft hij mij met zachter stemmen looslijk gezeid:499
500
“Zwijgt al, opdat geen vreemde mijn reden verstaat.”500
 
Daarna heeft hij d'ene hand onder zijn hoofd geleid
 
Zeggende: “Hoort vrienden, God heeft mij een droom bereid.
 
Iemand ga tot Agamemnon der mannen beleder503
 
Om vragen oft hij meer volks bij den schepen verbeidt,504
505
Want zij zijn weinig, wij veel en ver, dies t'ongereder.”505
 
Thoas sprang op en wierp zijn purperen mantel neder,
 
Zo liep hij snellijk na de schepen voorts henen;
 
Ik greep den mantel, en lag warm onder vreemde kleder,
 
Totdat de gulden zonne 't aardrijk had beschenen.
510
Och, waar' ik nog zo jonk en sterk van armen van benen,
 
Enig herder zoud' mij, een goed man ter eren,
 
Uit liefden in dees stal ook wel een mantel lenen;
 
Maar nu doet mij dit snode kleed alle eer ontberen.’513
 
 
 
‘Dat verhaal schijnt zeer, o vader, uw lof te vermeren,’514
515
Sprak Eumeus ‘'t is wel, gij spreekt niet één verloren woord.
 
Dies krijgdi rok en al uw behoeft, na uw begeren,
 
Zo men een schamel behoeftig mens te geven behoort;517
 
Nochtans moetti morgen nog aandoen uw kleedren geschoord:
 
Wij zijn hier luttel verschonings van kleedren gewone,
520
Want elk man heeft maar één rok die hem eigen behoort.
 
Maar u zal schenken rok en mantel zeer schone,
 
Als hij thuisgekomen zal zijn, Ulysses' waarde zone,
 
En u dan thuiswaart of waar 't u belieft doen bestellen.’523
 
 
 
Doe rees hij, en stelde 't bed voor Ulysses' persone524
[p. 302]
525
Bij den viere, en strooide 't met schapen-, ook geitenvellen.
 
Ulysses lag; dien dekte hij tegen koudheids kwellen
 
Met enen mantel dik en zacht van vachten der schapen,
 
Welk hij droeg als men den winter streng voelde verfellen.
 
Ulysses lag daaronder om warmkens te slapen,
530
Benevens hem lagen ook al d'ander knapen.
 
Eumeus en ging niet slapen ten zelven tijde
 
Ver van de verkens, maar hij trad uit voorzien met wapen,
 
Wiens wakkere zorgvuldigheid Ulysses verblijdde,
 
Want hij hink een scherp zweerd aan zijn linkerzijde,
535
En heeft zich voor den wind in een dikke rok bewonden;
 
Daarover sloeg hij een geitshuid, ruig, lang en zeer wijde,
 
Ook nam hij een sterke spiets tegen mannen en honden;
 
Zo trad hij na een holle roots ter zelver stonden
 
Bij zijn verkens, daar geen noorderbuien komen konden.

EINDE VAN 'T VEERTIENDE BOEK ODYSSEAE HOMERI

2scherp hobbelig
3te degen goed, duidelijk
4jonst genegenheid
6luif luifel
7landhuis boerenhuis
14dies waarvoor
28brassen opschrokken
29fluks onmiddellijk
31looslijk wijselijk
36na bijna
37verschoord verscheurd
41geweldig met geweld; zoning varkensstal
46waan vanwaar
49lustig lekker, geriefelijk; ruigt biezen of stro
53gratie goedertierenheid; strek haar gangen strekke zich uit (tot); waard gastheer
55goedlijk vriendelijk; genade barmhartigheid
58snoder geringer
59want ... geprezen want Iupiter zorgt voor alle armen als zijn gasten
60groot-jonstig een bewijs van grote welwillendheid
62zonderling' vooral
64met ... uitgelezen met vriendelijke uitgezochte gunst
65in ... gezet in 't gebruik van deze goederen gesteld
66net mooi, bevallig