terug  begin  verderprepost
[p. 345]

Het zeventiende boek Odysseae Homeri

*

Inhoud:

Telemachus, in der stad gekomen zijnde, vertelt zijn moeder Penelope de hoofdzaken van zijn reize. Daarna werdt Ulysses van Eumaeo geleidet binnen de stad van Ithaca; die* daar gaat in der vrijers waarschappe. De Poëet vertelt hier ook hoe dat de hond zijnen here kennende ztierd. Eumaeus keert weder in 't veld, maar Ulysses blijft onder de vrijers.
 
OMTRENT het oost rees de dageraad, 't en was nog geen dag
 
Als Telemachus zich schoeide met laarskens wel gedaan;2
 
Hij nam een sterke lancie in zijn behach3
 
Bekwaam voor zijn handen, die hij veel te dragen plag,4
 
Om na 't stad te treden, en sprak zijnen herder aan:
 
 
 
‘Hoort mij Eumeë, ik denk nu na 't stede te gaan,
 
Opdat mijn moeder mij zie; die stelt haar niet te vreden7
 
Van treuren en wenen, totdat ze mij voor haar ziet staan.
[p. 346]
 
Gij zult dezen armen man binnen der stad leden
10
Om daar den kost te zoeken met schameler beden;10
 
Elk dien 't belieft mag hem daar geven spijs ende drank.
 
Zoud' ik, die beladen ben met treurigheden,
 
Al d'armen moeten voeden? Dat waar' tegens reden.
 
Werdt dees man hierom gram, of weet hij 's mij ondank,14
15
't Valt hem dies te zwaarder, onwil kwetst meer dan 't vermogen krank;15
 
Ik moet de waarheid spreken, alzo is mijn zin gesteld.’16
 
 
 
‘Mijn blijven, waarde here, en is hier vanzelf niet lank’
 
Sprak Ulysses ‘de arme vaart bat in 't stad dan in 't veld.18
 
Daar gaan ik bij de huizen: elk deilt, d'een spijs, de ander geld;
20
Dus begeer ik in uw stalling niet langer te blijven,
 
Ook onderworpt mijn armoede mij eens anders geweld.21
 
Maar laat mij dees, zo gij 't beveelt, met leden gerijven
 
Ook niet voordat de zonne den koude zal verdrijven,22-23
 
Want dees gescheurde kleren zijn mij lastig bovenal;
25
Mij mocht den koelen morgendauw doodlijk verstijven,
 
Gemerkt de weg lang is tot der stad over berg en dal.’
 
Hiermede gink Telemachus luchtig uit de stal27
 
En trad spoedig door om bij zijn moeder te vergaren,28
 
Overleggende op den weg der vrijers ongeval.29
 
 
30
Als hij aan 't hof kwam, daar zij ook al op waren,
 
Stelde hij zijn lancie aan een der hoge pilaren
 
En trad binnen de zale over de dorpelstenen.
[p. 347]
 
Euriclea de voester zag hem vóór al de dienaren,
 
Aldaar zij de kussens spreidde; dees liep ras tot hem henen;
35
Zij viel hem om den hals met vreugdelijk wenen.
 
Daar verzaamden d'ander maarten mede ter banen,36
 
Die hingen aan zijn hoofd, aan zijn armen, ook aan zijn benen.
 
Penelope kwam van haar kamer door 't schreiens vermanen,38
 
Men mocht ze wel een Diana oft Venus wanen;
40
Zij heeft haar armen dicht om haars kinds hals gevouwen,
 
Zij kuste oog, wangen, mond, en wies hem met lieve tranen.
 
 
 
‘O willekoom, mijn waarde kind’ sprak zij met rouwen42
 
‘Nooit mijn dagen en dacht ik u weer te aanschouwen,
 
Nadat gij heimelijk na Pylum waart gestreken.
45
Zegt mij nu uw wedervaren in goeder trouwen45
 
Nadat gij vanhier scheidde zonder mij aan te spreken
 
Om van uw vader te horen, ook wat u is gebleken.’
 
 
 
‘Moeder’ sprak Telemachus met woorden goedertieren48
 
‘Wilt doch mijn treurig hert met geen nieuw verdriet ontsteken,
50
't Welk zorglijk ontvlucht is de moorddadige putieren;50
 
Maar treedt op uw kamer met uw kamenieren51
 
Om den goden te offeren, of zij dees boosheid kwaad
 
Nog eens wreken wilden; daar moet gij u toe verchieren.
 
Hierentussen zal ik mij gaan vinden in den raad,54
55
Opdat ik ook ontbiede en bij mij komen laat
 
Een man dien ik van Pylo metbracht door zijn begeren.56
 
Met mijn volk zand ik hem doe na de stad metterdaad;57
[p. 348]
 
Dezen beval ik Pyreum t'zijnent te logeren
 
Ende hem tot mijn weerkoomst te dienen en te eren.’
 
 
60
Dit was gezeid; Penelope sloeg die woorden acht.
 
Zij wies haar, zij verchierde haar met schone kleren,
 
Zij beloofde den goden offerand met droever klacht,
 
Zo Iupiter wraak over der vrijers boosheid wracht.
 
 
 
Ook gink Telemachus ten huize uit ter zelver stonden64
65
Met de spiets in de hand die hij daar hadde gebracht,
 
Achter zijn hielen volgden twee snelle jachthonden;
 
Minerva heeft hem doe zijn gratie toegezonden,
 
Dies elks oog verwonderd op hem in 't aankomen werd gewend.
 
De vrijers vergaarden om hem, schoon spraken haar monden,
70
Maar heur valse herten strekten na zijns levens end.70
 
Hij trad straks door dien hovaardigen hope verblend71
 
Waar Mentor, Antiphus en Alitherses zaten,72
 
Dit waren zijns vaders oude vrienden bekend;
 
Aldaar zat hij, die vraagden hem om raden t'zijnder baten.
75
Ook kwam daar Pyreus brengende den man lanks der straten,75
 
En sprak tot Telemacho, daar hij dicht stond beneven:
 
 
 
‘Zendt, Heer, t'mijnent om de gaven heerlijk boven maten77
 
Die u van den Konink Menelao zijn gegeven.’
 
 
 
‘Wij weten niet’ sprak Telemachus ‘vriend verheven,79
80
Hoe 't spel nog einden zal dat er is begonnen.
 
Nemen de vrijers in mijn huis moor delijk mijn leven,
 
Werdt mijn ouders' goed van hun gedeild en verslonnen,
[p. 349]
 
Zo heb ik 's liever u dan henlieden te jonnen;83
 
Maar brengt ze blijdelijk tot mij, ook zijnde verblijd,
85
Werden zij van mij verslagen ende verwonnen.’85
 
 
 
Zijn gast bracht hij doen binnen 't hof ter zelver tijd.
 
Daar gekomen zijnde maakten zij hun van den lijve kwijt87
 
Al heur klederen, en gingen zich reinlijk baden.
 
Gewassen en gezalfd zijnde van de maarten met vlijt89
90
Hun kleedren deden ze aan, dierbaar en fijn van draden,90
 
Daarmede zij uit der stoven na de stoelen traden;91
 
De maarte stortten handwater uit een zilveren lampet
 
Over een gulden bekken, zij wiesen met staden.93
 
Alsdoe werd er een gladde chierlijke tafel gezet;
95
Hierop bracht d'eerbaar regeerderse des huis rein en net95
 
Veel lekkere spijze, die den tafele eerde;
 
Daarover zat Penelope in kuisheid onbesmet
 
Op een stoel gebogen, daar zij fijne wol hanteerde.
 
Dees twee aten de spijze die haar honger begeerde,
100
Totdat de nature vernoegd was na reden.
 
Penelope sprak doe, die haar ter tafelwaart keerde:
 
 
 
‘Zoon, ik wil schier na mijn kamer om slapen treden102
 
Op mijn zuchtende bedde, dat ik met droevigheden
 
Ooit bedauwd hebbe met mijn tranende ogen104
105
Sedert Troyen Ulyssem van mij heeft doen scheden.
 
Nu woudi terstond mijns vragens niet gedogen106
 
Eerdat de vrijers weer binnenshuis kwamen gevlogen;
 
Zegt mij nu, wat gij van uws vaders weerkoomst hebt verhoord.’108
[p. 350]
 
‘Dat zal ik doen, moeder, zonder troostlijke logen’
110
Sprak Telemachus ‘getrouwelijk van woorde tot woord.
 
Wij kwamen tot Pylum, daar ons Nestor heeft bespoord.111
 
Die ontving mij in zijn hof zo vriendelijk gezind,
 
Zodat hij mij trakteerde als zijns zelfs lichaams geboort;113
 
Recht als een vader zijn hertelijke lieve kind,
115
Welk uit verde landen koomt, hertelijk bemint,
 
Zo eerde hij mij met zijn zonen vol eerbaarheid.116
 
Maar of Ulysses leeft, dan of hem de dood heeft verslind,
 
Had hij niet vernomen, noch heeft mij daar niet af gezeid,118
 
Dies werd daar wagen en paarden voor mij bereid
120
Waarmede hij mij om vragen aan Menelaum zand.
 
Aldaar zag ik Helenam, wiens weerhalen met bitter leid
 
Vóór Troyen veel weduwen gemaakt heeft in 't Griekse land.121-122
 
Menelaus vraagde mij met vriendelijk verstand123
 
Wat ik daar doch tot Sparten mocht komen bejagen.124
125
Doe vertrok ik hem alle de waarheid te hand,125
 
Dies hij aldus tot mij sprak met vriendlijk behagen:126
 
‘O vrienden, wat snoder mans willen 't bedde belagen127
 
Van den vromen Ulysses listig en kloek ter wapen!
 
Recht als een hinde, die haar teder kalfkens gaat dragen
130
In 't hol van een fiere leeuwe, daar zij ze laat slapen
 
En gaat over berg over dal haar weide rapen;131
 
Dan komt de leeuw in zijn spelonke oft stal ras,132
 
Hij vermoordt ze beide met zijn bloedig gapen -:
 
Zo zal Ulysses dit volk doen, dat ook zo mal was.
[p. 351]
135
O vader Iupiter, Apollo ende Pallas,
 
Mocht Ulysses, als hij nog was voor tijden136
 
Tot Lesbo, daar hij om worstelen uit ons getal was
 
Door Philomelidas beroepen, kampte van onzer zijden, -138
 
Welken hij tot allen der Grieken verblijden
140
Vromelijk al plat op der aarden gink vellen -140
 
O, mocht Ulysses, zeg ik, zo tegen de vrijers strijden,
 
Zij zouden met der dood die bittere bruiloft ontgellen.142
 
Maar op uw vragen zal ik niet dan waarheid vertellen,
 
Alle dat mij de oude zeeman vertrok in 't lank.
145
Dees had hem gezien in een eiland, daar hij door 't kwellen
 
Van Calypso in haar huis gehouden werd met bedwank
 
Vol treuren, vol lijden, vol verdrietigheid strank,147
 
Omdat hij niet mocht komen in zijn vaderland waard;148
 
Want daar was schip noch schipman om vorderen zijnen gank149
150
Over de brede rugge van der zee van wreder aard.’
 
‘Alle dit heeft mij de Koning goedlijk verklaard.151
 
Doe scheidd' ik van hem, en heb een voorwind gekregen.152
 
Van den goden, die mij thuiswaart spoedde met snelle vaart.’
 
 
 
Door dit verhaal zag men zijns moeders herte bewegen.154
155
Ook heeft de profeet Theoclymenes niet gezwegen,
 
Maar sprak daarop: ‘O Penelope, waardige Vrouwe,
 
Uw zoon weet daar niet af, maar let op mijn woord te degen,
 
Ik wil u naakte waarheid voorzeggen op mijn trouwe.158
 
Iupiter zij mijn getuig, dien ik d'opperste houe,
160
Ook de gastvrije tafel van alle de goden
 
Ende Ulysses' huis, d'welk ik als gast aanschouwe, -
[p. 352]
 
Als dat Ulysses nu in zijn land is, bevrijd van noden,
 
Hij zit of hij gaat, en hoort dit werk niet om versnoden163
 
Van de boze vrijers, haar smetsen, haar roemen en snerken,164
165
Welke hij vernielen zal, verderven ende doden.
 
Dit heb ik in 't schip zijnde gewis konnen merken,
 
Waar uw zoon een havik verscheen met roverse werken.’
 
 
 
‘O vriend’ sprak Penelope, wiens hert scheen te rijzen,168
 
‘Mocht dat zijn! wilde God uw woord met der daad eens sterken,169
170
Ik zoud' u mijn jonst met zovele gaven bewijzen170
 
Dat u elk die u ontmoette zalig zoude prijzen.’
 
 
 
Aldus spraken dees onderling tot troosts verstijven.172
 
Maar de vrijers vermaakten zich in verscheiden wijzen,
 
Zij speelden, zij schoten en zij wierpen met schijven
175
Langs den vloer, daar zij hun moedwil plagen te bedrijven,175
 
Tot der maaltijd, als de herders het vee uit der weiden
 
Van allen wegen ter stadwaart kwamen drijven.
 
Doen sprak Medon, die bij heur was in al heur vrolijkheiden,
 
Op welken zij boven alle dienaars haar jonste leiden:
 
 
180
‘Gij jongelingen, 't spels lust is geboet tot het vervelen,180
 
Latet ons nu binnengaan, ende doen de maaltijd bereiden;
 
Men vindt niet arger, als 't etens tijd is, dan spelen.’182
 
 
 
Zij stonden doen op, elk haastten naar de volle platelen.
 
In 't huis zijnde leiden ze op de banken haar kleren;
[p. 353]
185
Daar werd gedood een os en verkens door hun bevelen,
 
Ook mede vette geiten, met grote zware weren.186
 
 
 
***
 
 
 
Ulysses was met den herder in 't ordonneren187
 
Naar de stad te gaan. Daar sprak Eumeus de herder vroed:
 
‘Ter stedewaart strekt, vriend, zo ik merk, uw zin en begeren
190
Na mijns heren bevel; nochtans waar' mijn hert wel goed190
 
U hier te houden voor herder die de zwijnen hoedt,
 
Maar dat laat ik uit schaamten, uit anksten ende uit vrezen,192
 
Want zwaar valt 's heren toren voor een knecht die misdoet.193
 
Dus laat ons nu gaan, de zon is al hoog gerezen,
195
't Zal op den avond haast koud beginnen te wezen.’195
 
 
 
‘'t Is zo, ik verstaan 't, gij doet een willigen 't vermaan’
 
Sprak de geduldige Ulysses, de Prins geprezen,
 
‘Dus treedt voorheen, wijst mij den weg, end' laat ons gaan.
 
Maar staat ergens een stok, geeft 'n mij, zo leen ik eraan,199
200
Want gij zegt van scherpe en moeielijke paden.’200
 
 
 
Meteen heeft hij zijn male om den halze gedaan,201
 
Die was gescheurd en gereten met hangende draden;
 
Eumeus gaf hem een stok; ter stadwaart zij doen traden,
 
Achter rugge latende herders, honden ende stal.
205
Zo bracht Eumeus na stad zijn Koning groot van daden
 
In schijn van een bedelaar, oud, treurig en vol ongeval,206
 
Jammerlijk gekleed over zijn leden dor en smal.
 
Maar als zij nu bij 't stad kwamen over berg ende dal,
[p. 354]
 
Ende zij de schoonspringende fonteine genaakten
210
Vanwaar de burgeren hun water halen al,
 
Welk Ithacus, Neritus en Polyctor eerst maakten
 
Met elsbossen bezet, die ze ringwijs omschaakten212
 
- Uit een hoge roots sprang 't koude water, dat kwam zich spreden
 
Op een vlakke steen, daar de goddinnekens waakten,
215
Dies daar ook de wandelaars offerand deden -:215
 
Hier vand heur Melanthius, die daar geiten kwam leden,216
 
De beste van al de kudde, voor der vrijers eten,217
 
Alwaar nog twee ander herders achteraan kwamen treden.
 
Als hij ze zag, sprak hij kwalijk met spott'lijk vermeten219
220
Verwijtig scheldende - dit heeft Ulysses gespeten -:220
 
 
 
‘Gelijk’ sprak hij ‘d'een good d'ander leedt, des volks gerijver,221
 
Zo leedt hier d'een boef d'ander, dies dient niet vergeten.
 
Waar leedt gij dezen verslinder, zegt, groten verkendrijver,
 
Dees bedelaar, dees treurder, dees waarschap-bekijver?224
225
Waar brengdi dees broodzak, die kruimen, maar geen zwaarden begeert?
 
Het schijnt met den rugge een deuren-stukkenwrijver!
 
Gaafdi mij tot een herder dien groten loeris verneerd,227
 
Zoude hij rijskens tot mijn bokskens brengen, dat hun vet vermeert,
 
't Waar' rechts de man om de emmers van de melk te legen.
230
Maar zou dees wat doen? Hij heeft al te zacht een ambacht geleerd,
[p. 355]
 
Dat's bedelen; menig schandlijk brok heeft hij verkregen,
 
't Geen hem verlekkert, dies weidt hij zijn buik bij den wegen,
 
En zeg ik u vast te voren: hem genaken plagen.233
 
Gaat hij op 't hof om de vette schotels te vegen,234
235
Zijn lendens werden morruw met schabellen geslagen235
 
Van den vrijers, die hem fluks ten huis uit zullen jagen.’
 
 
 
Hij trad doen aan, en stiet met den voet voor Ulysses' schenen.237
 
Die bleef vast staan op den weg en dacht: ‘Zal ik 's verdragen?238
 
Wil ik hem een doodlijke slag met mijn stok verlenen,
240
Of wil ik hem 't hoofd stukkenslaan tegens de stenen?’
 
Maar 't best hiel d'overhand, hij bedwang zijn toornigen moed.241
 
Eumeus berispte d'ander, en bad bijna met wenen:
 
 
 
‘O goddinnekens die de fonteinen behoedt,
 
Is 't dat Ulysses u ooit met het offer heeft gegroet
245
Van schapen en bokken, zo wilt mijn wens verhoren:
 
Och mocht hij haast thuiskomen met gelukkiger spoed!
 
Zo waar' al uw vreugd, o gij schelmen, haast verloren;
 
Hij zou uw moedwillige overdaad fluks verstoren.248
 
Gij zijt meest in der stad, daar vult gij uw brooddronken zak;
250
Terwijl geven de kwade herders de kudde te voren.’250
 
 
 
Melanthius der geiten herder, weder opsprak:251
 
‘Hoort doch vrienden, wat dien hond daar uit den hoofde stak!252
 
Dies werdt hij nog van mij t'scheep uit Ithaca gezonden
 
Om voor mij den kost te bejagen tot mijn gemak.254
255
O, waar' Telemachus zo gewis van een pest verslonden
[p. 356]
 
Of van den vrijers vermoord met bloedige wonden
 
Als Ulysses' weerkomst verloren is t'enemale!’
 
 
 
Zo liet hij die twee, zij volgden met stille monden.
 
Hij trad ras vóór na 't hof, en kwam in de zale;
260
Daar zat hij over Eurimacho listig van tale,
 
Welken hem boven d'anderen minde zonderlingen.261
 
Bij dezen stond een gerecht vlees, ook wijn in de schale;
 
D'eerwaardige maart bracht brood, zij moest dat brassen gehingen.263
 
 
 
***
 
 
 
Ulysses kwam ook met den herder na 't hof toe dringen.
265
Daar hielden ze stil, luisterende na 't zoete spel
 
Van een harpe, daar Phemius op begonst te zingen.
 
Doe nam hij Eumeum's hand en sprak: ‘O goede gezel,
 
Dit is Ulysses' woninge, dat zie ik nu wel;
 
Het is goed uit alle ander huizen te kinnen:269
270
Schoon muren besluiten 't vast voor vijand's gekwel,
 
't Heeft dubbelde poorten en chierlijke tinnen,
 
't Schijnt zo sterk, geen mensen zouden 't mogen winnen.272
 
Ik merke ook aan den reuk des gebraads die opwaarts slaat
 
Dat er veelderhande luiden waarschappen binnen;274
275
Daar is ook een harpe, der waarschappen lustig chieraad.’275
 
 
 
‘Zo gij u’ sprak Eumeus ‘in als zeer wel verstaat,276
 
Hebdi dat ook lichtelijk gemerkt. Maar nu welaan,
 
Wat is best om daar binnen te komen metterdaad:
[p. 357]
 
Wildi eerst voorheen binnen 't huis tot den vrijers gaan,279
280
Dat ik daarentussen hier wachtende blijve staan,
 
Of wildi hier toeven, dat ik mij binnen ga spoeden?
 
Peinst hierop; iemand mocht u vanhier stoten of slaan.’282
 
 
 
‘Gij zegt recht,’ sprak Ulysses ‘ik kan 't wel bevroeden.
 
Treedt gij binnen, laat mij hier, ik zal mij wel hoeden;
285
Ik ben doch slaans en stotens gewoon met verzochte leden,285
 
Dus zal ik 's lijden, als die te land en op de vloeden
 
Veel verdriets - laat er dit nog bij komen - heb geleden.
 
De hongerige buik kan 't volk tot veel verdriets leden,
 
Zij doet veel lijden, en veinst haar in gene zaken;289
290
Want den built wapent de schepen, en vaart met zorgelijkheden290
 
Op de wilde zee, om den vijanden arm te maken.’291
 
 
 
Terwijlen dees twee aldus onderlingen spraken
 
Lag daar enen hond, die began hoofd en oren op te rechten;
 
't Was Argus, Ulyssis hond, die hij binnen zijn daken299
300
Gevoed had, maar niet gebruikt, eer hij Troyen ging bevechten.
 
Hij werd doe ter tijd aangevoerd van Ulysses' knechten301
 
Om jagen te leren op hart, op haas, op wilde geit;302
 
Dees lag, nu Ulysses weg was, zo de verworpen plechten,303
 
Op een mishoop van muilen en ossen vol vuiligheid,304
305
Welk daar wijd en breed voor de poorten lag verspreid
 
Totdat ze van den knapen voor mis op 't land werd gezend.306
 
Duizend vliegen werden daar van den hond Argus geweid,
 
Welk heeft Ulyssem zijn heer straks in 't aankomen gekend:308
[p. 358]
 
D'oren hingen, hij wispelstaartte, en jankte in 't end,
310
Maar hij mocht hem niet genaken met zijn oude stramme benen.310
 
Ulysses heeft des honds getrouwheid in 't herte geprent,
 
En sprak tot den herder met verborgentlijk wenen:
 
 
 
‘Hoort vriend, die hond daar op den mishoop is naar mijn menen
 
Met allen welgemaakt en zuiverlijk van leest;314
315
't Is vremd dat hij daar leit, en verrot zijn rasse zenen.315
 
Doch weet ik niet of hij zo snel als schoon is geweest,
 
Hij was mogelijk onnut in 't veld, maar bij de tafel meest,317
 
Zo de heren om lust voeden en verderven schendig.’318
 
 
 
‘Waarlijk neen, vriend’ sprak Eumeus ‘want dit beest
320
Hoort een Prins die buiten lands gestorven is ellendig.
 
Waar' 't nog zodanig in 't werk en van lichaam uitwendig
 
Als hem zijn heer thuis liet, gaande na Troyen met heerkracht,322
 
Gij zoudt verwonderen van zijn snelle vroomheid behendig;323
 
Geen wild dat hem in 't oog kwam en ontliep hem op der jacht,
325
Ook bespoorde hij 't in 't diepste van 't woud ongewacht.325
 
Maar nu zijn heer gestorven is in vreemde landen,
 
Gaat het hem kwalijk; de vrouwen en slaan zijnder geen acht,
 
De slaven doen ook niet recht met hare handen
 
Als die niet bestierd zijn van heurs heren verstanden.
330
De helft der deugd werdt den mens van Gode benomen
 
Als hij geraakt in der slaven dienstbare banden.’331
[p. 359]
 
Daarmet is hij in 't welbewoonde hof gekomen332
 
En gink recht na de vrijers stout in 't beromen.333
 
Als Argus zijn heer zag, die hem over twintig jaar verliet,334
335
Verliet hem ook straks zijn treurig leven vol dromen.
 
 
 
Telemachus heeft d'inkomende herder eerst bespied,336
 
Dien hij met stil winken tot hem te komen gebiedt.
 
Hij nam een stoel, daar leggende benevens den kok,338
 
Welken 't vlees schotelde dat men voor den vrijers bried,339
340
En zat tegenover Telemachus in zijn herdersrok.
 
Voor hem rechtte de hofmeester een lekkere brok
 
Van 't vlees, met schoon brood daarbij uit den broodkorf gereed.342
 
Na hem kwam Ulysses in, steunende op zijn stok,
 
Als een oud arm man met versleten gewade gekleed
345
En zat neder op d'essen vloer nevens de poorte breed;
 
Hij leende daar aan den dorpel, die was chierlijk gewrocht
 
Van cypressenhout, en konstig uit den winkel geleed.347
 
Zoveel brood en vlees als de herder houden mocht
 
In beiden handen heeft hem Telemachus uitgezocht
350
Van 't beste, ‘dat zuldi dien armen man gaan bringen.
 
Zegt dat hij den vrijers ook bidt, al hebben zij 's niet gekocht;351
 
Schaamt' is den behoeftigen kwaad boven allen dingen.’
 
 
 
De herder stond op, gink bij Ulysses geringen353
 
En sprak: ‘Vriend, dit zendt u Telemachus goeddadelijk.354
355
Gij zult, zeit hij, al den vrijers met bidden bespringen,
 
Want bovenal valt schaamt' den broodbidder schadelijk.’
[p. 360]
 
‘O God’ bad Ulysses vol wijsheid beradelijk357
 
‘Maakt doch Telemachum zalig hier op der aarden,
 
Verleent hem al zijn goede begeerten genadelijk.’
360
Voort zag men beide zijn handen d'aalmis aanvaarden,
 
Hij leide die voor hem neer in zijn zak snood van waarden361
 
Ende at, terwijl de zanger ter tafelen zank.
 
Hij hield op, Ulysses ook; de vrijers tierden en baarden363
 
Zodat de zale door 't rumoer aan alle hoeken klank.
365
De strijdbare Pallas nam tot Ulyssem haren gank,
 
Wien zij vermaande al den vrijers te bidden om brood
 
Om den goeden uit den kwaden te kennen eer lank;
 
Nochtans zoud' niemand daardoor ontgaan d'aanstaande dood.
 
Alzo aanrandt hij ze alt'zamen, klein en groot,369
370
Met uitgestrekter hand, of hij ooit brood hadde gebeden.370
 
Zij ontbarmden zijns, deilden zijn behoeftige nood,371
 
En vraagden onderlingen met verwonderende reden
 
Wat man dit was, ook van waan hij daar kwam getreden.373
 
 
 
‘Wilt mij, gij edel vrijers, van dezen man horen’
375
Sprak Melanthius den geitherder; ‘ik zag heden
 
Den verkendrijver hier komen met dees bloed verloren,376
 
Maar ik weet niet wie hij is of vanwaar geboren.’
 
Terstond zeid' Antinous met een schampere bek:
 
‘O snode verkenhoeder, wat hebdi doch voren,379
380
Dat gij dees broodzak in stad brengt? zegt mij, plompe gek!
 
Hebben wij hier landlopers en bedelaars gebrek?
 
Dat wij hier uws heren brood brassen, heeft u ooit verstoord;
 
Zijdi den bedelaars mild, en onsluiden dus vrek?’
[p. 361]
 
‘Gij en zijt niet goed, Antinoë, niet goed zo en is ook uw woord.’
385
Sprak de verkenhoeder Eumeus, zeggende voort:
 
‘Men haalt van buiten geen onnut volle hier binnen,
 
Maar wel daar men konst oft eerlijk ambacht bij spoort,387
 
Die met 's lands welvaart heur eigen kost mogen winnen,388
 
Als profeten, poëten van godlijke zinnen,389
390
Medecijns en timmermans, of andre van zulker aard.
 
Overal ziet men dees de wereld beminnen,
 
Maar die hemzelf onnut zijnde anderen bezwaart392
 
Is niemand willekom en t' allen plaatsen onwaard.393
 
Geen vrijer is als gij fel op Ulysses' boden,394
395
Zonderling op mij, maar voor u ben ik niet vervaard395
 
Zolange mijns heren wijf en zoon door jonst der goden
 
In dit huis levendig blijven, vremd van den doden.’
 
 
 
‘Maakt geen woorden meer’ sprak de zoon Ulyssis,
 
‘Want Antinous met veel woorden niet om versnoden
400
Twist te maken en andren te kwellen gewone is.’
 
Tot Antinous zeide hij doe met woorden geris:401
 
‘Gij bezorgt mij wel, als een vader zijn zone doet,402
 
Nu gij dees arm man drijft uit mijn huis en van mijn dis!
 
Maar dat wil God niet. Neemt gij vrij, geeft hem van mijn goed,
405
't Is mij lief, ja ik beveel 't u uit een mild gemoed;
 
Mijn moeder en ons dienaars doet maar boven 't ongemak406
 
Geen spijt - maar zulks en denkt gij niet in uw zinnen verwoed:407
 
Liever dan gij andren deilt, vuldi zelf uwen zak.’
 
‘Wat hoogmoediger toon, Telemache, uw mond daar sprak’
[p. 362]
410
Zeide Antinous ‘had hem elk vrijer zoveel gegeven,
 
Hij en worde in drij maanden van honger niet zwak.’411
 
 
 
Voorts nam hij een schabelle staande hem beneven
 
Ende wees op Ulysses, den Prinse verheven,
 
Die etende bij d'ander vrijers aan tafele stond
415
Waar zij zijn zak vol vlees en brood hadden gedreven.415
 
Hij wilde doe ook verzoeken Antinous' grond.416
 
Hij kwam bij hem, zeggende met een smekende mond:417
 
‘Geeft doch, vriend, want gij schijnt de beste in 't gelaat,418
 
Ja de Koning van alle dit Griekse verbond,
420
Zodat u 't geven boven hun ook zonderling wel staat;
 
Over de wijde wereld zal ik prijzen uw weldaad.
 
Voormaals was ik ook rijk, bewoonde een huis vol weelde
 
En stond den vremden armen bij met mijn goed ende raad,
 
't Welk ik allen behoeftigen mildelijk deelde;
425
Want het geluk mijn knapen in menigte verveelde,425
 
Ook mijn rijkdom en al waardoor men lust mag verwerven.426
 
Maar Iupiter verjaagde fortuin, die met mij speelde,
 
En heeft mij na Egypten met rovers doen zwerven,
 
Opdat ik ver van huis ellendig zou bederven.429
430
Alzo kwam ik in d'Egyptse riviere drijven.
 
Daar deed ik mijn schepen trekken op de vruchtbare erven,
 
En bevelende mijn volk bij den schepen te blijven
 
Zand ik kundschappen uit bij vieren bij vijven,433
 
Welke moedwillig bedervende dat schone land434
435
Versloegen end' vingen de mans, heur kinderen en wijven.435
 
't Gerucht kwam snel in de stad, zo wij vernamen, want436
[p. 363]
 
In den dageraad kwamen zij met zo geweldiger hand,437
 
Dat men 't veld schielijk vol voetvolk en paarden zag.
 
Ik merkte doe dat Iupiter een ankst in den mijnen zand,
440
Want zij vloden hare vijanden zonder stoot of slag,
 
Niemand hiel' voet, elk d'Egyptse zwaarden ontzag;441
 
Veel werden d'r gedood, enige gevangen tot slaven,
 
Waaronder was ik, dien zij op den zelven dag
 
De vorst van Cypers, hunlieden gemoetende, gaven.
445
Zo koom ik na veel verdriets vandaar in deze haven.’
 
 
 
‘Wat ongeluk heeft ons dezen waarschapbedroever’
 
Riep doe Antinous ‘doch herwaarts doen draven?
 
Wijkt van mijn dis, staat midden! Weest hier geen toever,448
 
Of gij werdt weer van Egypten na Cypers een proever,449
450
Want gij zijt een bedelaar onschamel ende stout,450
 
Elk randt gij aan, elk geeft u, vileinig broodbehoever.451
 
Hij is niet barmhertig die met vreemd goed d'armen bedauwt,
 
Elk van den vrijers is zelf rijk van zilver en goud.’
 
Ulysses week af en sprak: ‘O vriend, uw hert is niet fijn.454
455
Bade ik t'uwen huize, gij en gaaft mij niet één kern zout,455
 
Nu gij in vremd goed zittende niet lijdt dat men mijn456
 
Een brood deilt, daar de spijzen hier zo overvloedig zijn.’457
 
Antinous' hert bestond doe nog meer in toorn te blaken;458
 
Hij zag Ulyssem overdwers aan met een wreed aanschijn459
460
En sprak fellijk: ‘Kwalijk zuldi vanhier geraken,460
 
Nu gij verwijtelijk spreekt met uw schampere kaken.’461
[p. 364]
 
Voort greep hij een schabelle en sloeg daarmede
 
Op Ulysses' schouder, dat zij scheen te kraken.
 
Maar die bleef als een roots onbeweegd staan op zijn stede;464
465
Hij schudde 't hoofd, dacht niet goeds voor die hem dit dede,465
 
Zat op den vloer neder, en heeft den vollen zak afgeleid,
 
Zeggende: ‘Hoort, gij vrijers der Vrouwen vol eerbaarhede,467
 
Laat doch mijns herten lust met uwen oorlof zijn gezeid.468
 
Een mans gemoed en bedroeft zich niet met treurigheid
470
Als hij voor 't zijne vechtende werdt geslagen
 
In 't beschermen van zijn ossen of schapen vet geweid;
 
Maar Antinous slaat mij om den honger mijnder magen,
 
Welk den mensen met veel ellenden kan plagen.
 
Daarom, zijn d'r goden der armen of straffende goden,
475
Die geven Antinous vóór de bruiloft 't eind zijner dagen.’
 
‘Zit stil, en eet, gij gast, uw gebedelde broden,
 
Of gaat van hier’ - dit heeft hem Antinous geboden,
 
‘Zo en sleipen u de vrijers niet uit de zale
 
Bij arm en been, zo men zulke gasten hoort te noden.’479
 
 
480
D'ander vrijers straften Antinoum altemale,
 
Van welke een tot hem sprak met vrijmoediger tale:481
 
‘T'onrecht sloegdi, Antinoë, dien schamelen bloed;482
 
Ontziet gij niet des hoogsten Gods donderstrale?483
 
De goden komen ons hier wel als mensen in 't gemoet
485
Om te zien wat jonst of boosheid d'een d'ander hier doet.’485
 
 
 
Zo spraken de vrijers; Antinous sloeg dies geen acht.
 
Maar Telemachus betreurde zijns vaders tegenspoed,
[p. 365]
 
't Hert was hem vol tranen, d'ogen verdrukten die met kracht;
 
Hij knikten 't hoofd, en heeft den vrijers veel kwaads toegedacht.
 
 
 
***
 
 
490
Als Penelope 't geweld in haar huis d'arme gedaan
 
Vernam, zeide zij tot haar maagden met droever klacht:
 
‘Och of hem de weischietende Apollo ook ging slaan!’
 
‘Waarde Vrouw’ sprak Eurinome de spijswaarderse zaan493
 
‘Niemand van hun allen en leefde tot den dageraad,
495
Indien 't na ons begeren en wensen mochte gaan.’
 
‘'t Zijn alt'zamen’ zeide Penelope ‘ons vijanden kwaad,
 
Want daar en is er geen, hij en kwelt ons boven de maat;497
 
Maar bovenal Antinous, die gelijkt de zwarte dood.
 
Dees ellendige mens, die door ons hof brood bidden gaat
500
Deur de behoeftige dwingende honger's nood,
 
Kreeg van alle d'andere vrijers spijs ende brood,
 
Maar van Antinous een zware slag met een schabelle.’
 
 
 
Zij sprak dit tot haar maarten in haar slaapkamer groot,
 
Terwijl Ulysses zat en at zonder gezelle.
505
Zij riep den zwijnherder tot haar met woorden snelle:
 
‘Hoort Eumeë, brengt dien armen man bij mij hier binnen,
 
Zo vraag ik hem of hij van Ulysses' gekwelle507
 
Iet heeft vernomen; want hij schijnt verzocht van zinnen,508
 
Ook zeer bewanderd, dies mag hij mijn man ook kinnen.’509
510
‘Zwegen de vrijers’ sprak Eumeus ‘die op u wachten,510
 
O kuise Prinsesse van alle Koninginnen,
 
Deze mans zoete klap zoud' uw lieve hert verzachten.512
[p. 366]
 
Ik heb hem in mijn stal gehad drij dagen en nachten,
 
Want hij vluchtig uit den schepe eerst bij mij kwam gedwaald;
515
Maar hij heeft nog niet volzeid zijn ellendigheid's klachten.
 
Recht als iemand een poëet in wien God's geest is gedaald,
 
Dien 't volk met zoete woordekens lustige zaken verhaalt,517
 
Met onverzadelijke lust hoort zingen oft lezen,
 
Zo heeft hij mij thuis bij hem zittende met lusten deurstraald;
520
Want hij zeit Ulyssem zijn vaderlijke vriend te wezen
 
Ende woont in Creten, Minos' vaderland geprezen.521
 
Vandaar koomt hij hier, hebbende lang' ellendig gesneefd,522
 
Zeit ook gehoord te hebben dat Ulysses buiten vrezen
 
Bij 't rijke Thesprotiër volk welvarende leeft,
525
En dat hij groten schat, die hij thuiswaart brengt, bij hem heeft.’
 
‘Roept hem hier’ zeide Penelope voorzichtig end' kuis,526
 
‘Opdat hij 't tegenwoordelijk ons zelf te kennen geeft,527
 
Terwijl de vrijers daar vrolijk, ons tot een kruis,
 
Ons goed verslinden, besparende hun goederen thuis,
530
Aldaar hun brood en wijn genieten heur huisgenoten.
 
Maar binnen ons huis verkeert dit schadelijke gespuis
 
Dodende schapen, geiten, ossen met grote koten;
 
Men smetst er, de bruine