
Portret van Dirck Volckertsz. Coornhert, gemaakt door zijn leerling
Hendrick Goltzius.
Dit boek is het zevende uit een reeks van twintig boeken, waarin een overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland van de middeleeuwen tot in de nieuwste tijd. Ieder boek bevat een inleiding waarin de betrokken denker aan de lezer wordt voorgesteld en in zijn tijd wordt gesitueerd, een voor zijn denken karakteristieke tekst of verzameling van teksten en tenslotte de verklarende aantekeningen die een moderne lezer nodig heeft om teksten uit een soms ver verleden te begrijpen. Het doel van de reeks is de eigen bijdrage van Nederland aan het wijsgerig denken door de eeuwen heen in het licht te stellen. In de meeste overzichten van de geschiedenis van de wijsbegeerte wordt die bijdrage onderschat. Daar verandering in te brengen is een van de doelstellingen van deze reeks, waarvan tot nu toe vier delen zijn verschenen: Marsilius van Inghen (1340-1396), Arnout Geulincx (1624-1669), Gerardus Heymans (1857-1930) en Herman Dooyeweerd (1894-1977).
Sedert Becker in de jaren twintig van deze eeuw zijn pionierswerk verrichtte, is op de historische en de wijsgerige betekenis van de geschriften van Coornhert (1522-1590) veel nieuw licht geworpen. Dat is vooral te danken aan dr. H. Bonger, die dit boek heeft verzorgd en wiens eerste studies over Coornhert bijna vijftig jaar geleden zijn verschenen. Meer dan één ander heeft hij de betekenis en de actualiteit van de denkbeelden van Coornhert op het gebied van de ethiek onder onze aandacht gebracht. Men mag wel zeggen dat het belang van de in dit boek aan de orde komende onderwerpen pas in deze eeuw opnieuw is ingezien. Coornhert was min of meer vergeten. Nadat zijn verzamelde werken in 1630-1633 in Amsterdam waren verschenen, heeft het tot 1941 moeten duren voordat van een van zijn werken een nieuwe editie werd gemaakt. Lindeboom heeft gelijk wanneer hij in 1929 zegt ‘dat een wolk van vergetelheid deze libertijnen - Coornhert was een van hen - aan de oogen van vele tijdgenooten, zeker aan die van het nageslacht onttrok’. Dank zij hen
die zich in de laatste tijd in zijn werk hebben verdiept en het weer toegankelijk hebben gemaakt, spreekt Coornhert zijn lezers nu meer aan dan ooit sedert zijn dood het geval is geweest.
Coornhert heeft geleefd in de tijd van Reformatie en Contrareformatie, hij heeft de vestiging van de ‘gereformeerde’ kerkstaat meegemaakt en het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Zijn tijd was ook de tijd van renaissance en humanisme; toen Erasmus in 1536 stierf, was Coornhert vijftien jaar oud. In zijn werk is de stem van Erasmus en van andere humanisten, maar vooral ook die van ‘stiefkinderen van het christendom’ als Castellio en Sebastian Franck, zonder moeite te herkennen.
Vreemd is het niet dat Coornhert veel over vragen op het gebied van de ethiek en vooral over gewetensvrijheid en verdraagzaamheid heeft geschreven. De boekdrukkunst had de samenleving in vele opzichten veranderd. Iedereen kon de bijbel lezen in zijn eigen taal - de eerste vertaling in de Nederlanden was in 1556 de Zwingli-bijbel ‘opt alder getrouwelijcste verduytst’, vijf jaar later verscheen de bij de calvinisten zeer geliefde ‘Deux-aes bijbel’ - en preken en stichtelijke boeken kon men tegen redelijke prijzen kopen. Wie zijn levenstaak naar behoren wilde verrichten, behoefde niet meer uitsluitend te rade te gaan bij de sacramenten en preken, bij de geleerde commentaren op Aristoteles en de bevindingen van de Inquisitie. Iedereen kon zich thuis, in zijn eigen tijd, zonder kennis van Grieks, Latijn en Hebreeuws en zelfs zonder zich veel aan de officiële kerk gelegen te laten liggen, in Gods wegen verdiepen.
In ieder geval sprak het voor hen die zich bewust waren van de grote vragen van hun tijd, niet meer vanzelf dat de traditionele organisatie van de roomse kerk van wezenlijk belang was voor de opbouw van een betrouwbare moraal. Men moest toch onderscheid kunnen maken tussen de vraag naar het eeuwig heil en die naar een goed leven. Vele landen aan de westelijke kusten van Europa waren kort voor die tijd in aanraking gekomen met een grote verscheidenheid van niet-christelijke culturen, waarvan men niet altijd kon zeggen dat zij in moreel opzicht onderdeden voor wat men thuis gewoon was. De christelijke wereld zelf was uiteengevallen, de kerkhervorming had Noord- en Zuid-Europa uit elkaar gedreven en men was zich veel meer bewust geworden van de culturele verschillen die er altijd waren geweest, maar waaraan in de middeleeuwen slechts een geringe betekenis was toegekend. De lage landen bij de zee hadden de strijd aangebon-
den tegen het gevestigde gezag, en niet alleen was het onzeker hoe die strijd zou eindigen, hij gaf ook aanleiding tot morele vragen waarop moeilijk een antwoord was te geven. De tijd waarin één morele autoriteit de wereld regeerde, was voorbij. Maar dat was niet het enige, er was meer. Mensen die nadachten, konden hun eigen lot en de politieke strijd niet meer beschouwen als zich afspelend in het kleine en besloten ‘ondermaanse’ uit de kosmologieën van Aristoteles en Ptolemaeus of in de beperkte ruimte en tijd van het bijbelse verhaal. Voor hen - voor velen van hen - was het niet eens een uitgemaakte zaak dat de fundamentele betekenis van het leven was gelegen in het goddelijke drama van schepping, verzoening en uiteindelijke verlossing en in de eeuwigdurende strijd tussen wat de kerk als goed en wat zij als kwaad beschouwde. Zelfs moest men zich afvragen of het toneel waarop alles zich afspeelde, wel zo hecht gefundeerd was als men altijd had gemeend. De denkbeelden van Copernicus, wiens boek over de omwenteling van de hemellichamen, De revolutionibus orbium coelestium , in 1543 was verschenen, waren wel naar voren gebracht als een hypothese, een mogelijkheid, maar er waren ook in de tijd van Coornhert velen die deze denkbeelden namen voor wat zij in werkelijkheid waren, de eerste schrede op de weg naar de ondenkbare gedachte van een oneindig universum, waarin de mens niet meer dan - op zijn hoogst - een marginaal verschijnsel is.
De grootheid van Coornhert is gelegen in de humaniteit waarmee hij deze zo verwarrende ontwikkelingen tegemoet is getreden. Als vele anderen voor hem en na hem zocht hij, geconfronteerd met de verwarrende wederwaardigheden van het wereldse gebeuren, de vaste grond in zichzelf en in die elementen van zijn cultuur die hij nog als een hecht en betrouwbaar fundament kon beschouwen. Hoe goed is het dat hij zich zo vastbesloten en zo volhardend heeft verdiept in de fundamentele beginselen en doeleinden van het menselijk handelen; dat hij zijn gedachten daarover niet heeft opgeschreven in het Latijn, waardoor zij voor de meesten van zijn tijdgenoten ontoegankelijk zouden zijn geworden, maar in zijn moedertaal; dat hij heeft aangevoeld en altijd staande heeft gehouden dat het eenvoudige fatsoen van gewone mensen voor de speurtocht naar het goede leven niet minder belangrijk is dan Aristoteles en de voorschriften van de kerk; dat hij tenslotte de moed heeft gehad om de op de voorgrond tredende theologische strijdvragen van zijn tijd - vragen met betrekking tot
de erfzonde, de predestinatie, de wilsvrijheid en de voorzienigheid - te laten wijken voor wat naar zijn mening de kern van de goede boodschap was: de oproep in de Bergrede om volmaakt te zijn ‘gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is’. Daarmee is hij in zekere zin de voorloper geworden van Kant en Kierkegaard: niet het vermogen om over theologische zaken dwingende betogen te houden is de voorwaarde om als een goed mens te kunnen leven, maar goed te leven is de onmisbare voorwaarde voor een goede theologie.
Bovenal is Coornhert de man geweest die onverschrokken heeft gestreden voor gewetensvrijheid en verdraagzaamheid, ook ten aanzien van de ‘ketters’ en zelfs ten aanzien van de atheïsten. Nog één keer geven wij het woord aan Lindeboom, die hem met een grote trefzekerheid als volgt heeft beschreven: ‘Intolerantie van roomsche en niet-roomsche zijde had ontvankelijk gemaakt voor een godsdienst van weten-en-doen, op den grondslag van een breede humaniteit. De behoefte aan een aanbidding in geest en waarheid, door de reformatie gewekt en gedeeltelijk bevredigd, de renaissance-drang naar eenigerlei bevrijding en emancipatie, vonden voldoening bij dezen profeet van natuurlijke, rustig-ernstige en redelijk-bewuste vroomheid, die op algemeen-menschelijk inzicht en redelijk bewustzijn een beroep deed. En die daarbij met zijn gansche persoonlijkheid ... stond voor zijn overtuiging, waarvoor hij den prijs van miskenning en vervolging niet te hoog achtte. Zoo iemand moest wel spreken naar het hart eener beschaafde burgerij, die in haar streven naar vrije ontplooiing zomin door den al te strakken teugel der gereformeerde predikanten als door een roomsche curie of Spaansche overheersching wilde worden gehinderd.’
M.J.P.
J.S.W.