terug  begin  verderprepost
[p. 114]

Besluit

Coornhert:

De Heer zij dank, vrienden, dat het Zijn goedheid heeft behaagd ons allen eens zo wonderlijk bijeen te laten komen, waar wij, door Zijn genade, zonder twisten, vriendelijk van gedachten hebben gewisseld, niet over interessante maar over nuttige zaken, die ons verder brengen en niet schaden kunnen. Laten wij ons best doen om onze woorden in praktijk te brengen en onze praat in de daad te brengen.

Hans de Rijcke:

De Heer heeft onze monden behoed voor kwaadspreken en om over de gebreken van onze naasten te praten, Hij heeft onze tongen naar onderzoek van onze eigen kwaadheid en van Gods goedheid gestuurd, om die te leren kennen, te haten en te verlaten en die laatste te leren begrijpen, lief te hebben en er zich aan te houden.

Gherrit Hendricksz. Stuver:

Daarin hebben wij niet gerust, om door een lustige onrust in de goddelijke zaken te speuren naar de heilzame rust van zonden en daardoor rustige werktuigen Gods te worden, opdat Hij bij ons rusten van het kwaad zelf Zijn goede werk kan verrichten, tot Zijn eer en tot onze goedwording.

Henrick Laurensz. Spiegel:

Ik vond het plezierig om de door het lichaam misbruikte wellust als even hatelijk en verwaten als waarachtig en krachtig uiteen te zetten, zodat zij de mensen die haar kennen, niet meer zal aantrekken noch aanlokken, waar door het blinde verkiezen de eigen wil boven Gods wil volgt, zodat de wijze zelfbeheersing niet haar lusten maar haar deugden zal volgen, die automatisch de goede lusten als schaduwen altijd vergezellen.

Artus van Brederode:

Wie zou het niet prettig vinden het duidelijke verschil te horen tussen wellust en deugd, omdat de deugd niet, maar de wellust wel, ja meestal, misbruikt wordt? Want de wellust behoort tot de middelbare zaken, uit zichzelf niet goed en nog veel minder het hoogste goed. En ook, dat de algemene deugden wel uit zichzelf goed zijn en middelen zijn om goed te worden, maar ook niet het opperste goed, maar de mens de weg daarheen, te weten naar God, die het doel van alle goedheid is,

[p. 115]

leiden. Want Hij is de gever en de deugden zijn de gaven. Die maken door oefening de mens deugdzaam, maar God maakt door Zijn mildheid goed en goddelijk.

Cornelis Boomgaert Adriaansz:

Dat was het, vrienden, daar gaat het om. God zelf, de gever van alle goede gaven, goed te kennen en Zijn hemelse gave, Christus, het eeuwig leven, het doel en de weg, die velen zich beroemen te kennen, maar weinigen kennen. Wie zichzelf meer zoekt dan God, kent noch God noch zichzelf, hij houdt van zichzelf, niet van God. Maar hij die zichzelf kent en haat, God kent en liefheeft, die verkiest zichzelf in God en vindt God in zijn ziel. Zo iemand heeft God, met Zijn liefde, die hij eerst zocht met zijn begeerte. Het is zalig om God met de gehele ziel te begeren, maar het is zaliger om God in Zijn heilige liefde te hebben. Men begeert God om Zijn gaven, maar men heeft God lief om God zelf. Begeerte wil hebben, liefde schenkt. Begeerte en het begeerde zijn twee, maar liefde verenigt de liefhebber met het geliefde. Die maakt de liefhebber goddelijk. Dit is het opperste goed van de mens.

Coornhert:

Daar hebben wij nu vriendelijk over gesproken. Als wij nu, even trouw in het vlijtig woekeren met deze heilzame kennis, verkregen na het in praktijk brengen, zodat zij uit de hartstocht der liefde even krachtig in de barmhartige hand komt als haar kennis door de verlichting van onze geest in ons goedwillende verstand, dan zullen wij ervaren dat wij verzameld zijn geweest niet in onze maar in Christus' naam, door wie God in ons heeft gewrocht de wil, die in ons ook het volbrengen zal tot stand brengen.

H. de Rijcke, Stuver, Spiegel, Brederode en Boomgaert samen:

Amen, amen, het zij zo.

prepostterug  begin  verder