|
|
|
| |
| | | |
Comedie van Israel
Vertonende Israels zonden, straffinghe, belydinghe, ghebedt, beteringhe ende verlossinghe uyt het thiende capit. Judicum: Als een klare spieghele der teghenwoordighen tyden Ghemaackt Anno 1575 door D.V. Coornhert.
Job 34.30.
Om des volcx zonden willen laat God een Hypocrijt regeren.
Esa. 3.4.
Ick zal huer kinderen gheven tot Vorsten, ende die verwijfde zullen huer regeren.
Esa. 58.3.9.
Zy zoecken my daghelijcx, ende willen mynen weghen weten als een volck dat recht doet ende den rechten zijns Godes niet en heeft verlaten etc. Dan zuldy my roepen ende de Heere zal u antwoorden, als ghy schreyen zult zal hy spreken. Hier ben ick. Als ghy uwe lasten van u legt ende uwen vingher nederlaat met het lasterlijck spreken.
Esa. 65.24.
Ende het zal wezen, dat ick hen eer zy roepen, zal verhoren ende dewyle zy noch spreken zal ickse verhoren, de wolf ende 't lam zullen te zamen ghelijck weyden etc.
Ghedruckt ter Goude, int Iaar 1590.
| |
Personen*
| 1 | Israel | } beteeckent { | 1 | 'T volck |
| 2 | Aristobolus | } beteeckent { | 2 | De beste Raadtsman |
| 3 | Amal | } beteeckent { | 3 | Boosheydt |
| 4 | Marma | } beteeckent { | 4 | Bedroch, of die zich verheft |
| | | |
| 5 | Neregel | } beteeckent { | 5 | Onderzoeck. President | } raden |
| 6 | Achazib | } beteeckent { | 6 | Loghen | } raden |
| 7 | Amassai | } beteeckent { | 7 | Vertredinghe des volcx | } raden |
| 8 | Demophon | } beteeckent { | 8 | Doder des volcx | } raden |
| 9 | Eubulus | } beteeckent { | 9 | Welradende | } raden |
| 10 | Precatio | } beteeckent { | 10 | 'T ghebedt | |
| 11 | Cogitatio vaga | } beteeckent { | 11 | Zwervende ghedachten | |
| 12 | Iohanna | } beteeckent { | 12 | Ghenade Godes | |
| 13 | Cognitio vera | } beteeckent { | 13 | Ware kennisse | |
| |
Argument
+Israel voeghde nieuwe tot veel oude zonden, 1
Deed' quaad voor den Heer, zo dat hy afgodeerde,
Ja den Heer verliet, en hem niet en eerde.
Des wert de Heere gram. zo Israel heeft bevonden,
5
Van God onderworpen den Heydenschen honden,
Die hem zo hardt plaaghden, dat hy zich verneerde,
Zijn zonden bekende en verlossing begheerde.
God weyghert, antwoordt streng, met zijn weldaadts verkonden.
Doe sprac Israel tot God: wy hebben misdaan zwaarlijck.
10
Doet ons dat u belieft, maar vande handt vervaarlijck
Der wrede vyanden verlost ons nu en beschermt.
Dit zegghende wierpen zy uyt alle huer palen 12
D'afgoden, en dienden den Heere al tenemalen,
Die doe ghenadelijck henluyder heeft ontfermt.
| |
Eerste handeling. I uytkomen
15
Wt ghetrouwe liefde, des vrundtschaps moedere,
Straft de verstandighe zijn dolende broedere.
Ach leyder, hoe deerlijck doolt Israel mijn broeder
| | | |
Zonder enigh herder, zonder eenigh hoeder,
Op zijn eyghen weghen, by hem zelf verkoren!
20
En niemandt en helpt dit schaapken verloren,
Maar veel onthelpen hem, die door schijndoechts pleghen
Hem yverigh locken op rechtschynende onwegen. 22
Dit jammer te aanzien, zonder hulpe te bieden,
Vermagh die liefde niet, die gheen moeyt wil vlieden,
25
Om des naastens moeyten te bekeren in rust, 25
En helpt elck daar zy magh. helpen is haar hooghste lust.
Maar mijn lieve ruste my voort helpen vervaart. 27
Want luttel onderwints (zomen zeydt) veel rusten baart; 28
Oock kost het vermaan tijdt tot broodtwinnens vergeten,
30
Maer tot snaastens voedtsel laat lieft huer zelve eten. 29/30
Of 't volck mijn doen achte voor roemzuchts begheren?
Ick zoeck 't volcx eer niet, huer spot magh my niet deren. 32
Maer wie weet of herder of Prins op my zal woeden? 33
God zal my verstercken, of voor aanstoot behoeden,
35
Die weet dat ick maar zoeck Israels eeuwigh verblyden.
O, mocht hem dat worden, ick acht gheen tijdtlijck lyden.
Mijn onlust schijnt zeker, onzeker is zijn vrucht, 37
Ist al wijsheydt dat ick diet leedt ghewis beducht,
Om zijn onzeker lief in onghemack gha lopen? 39
40
Och jaat, die wyze lieft kant al dulden en hopen.
Ick hoop noch zijn betring, dus wil ick hem spoedelijck
Zijns dolens vermanen, minlijck en zachtmoedelijck 42
Tusschen hem ende my, daar kome af dat magh.
| |
Eerste handeling. II. Uytkomen
Elck belijdt zijn zonden die hij niet en wil haten,
45
Maar blijft daar in en zeydt men macht niet laten.
| | | |
Aristobolus. Israel
Daar komt hy uyt. Broeder, God geef u goeden dagh!
Ghy komt hier rechts gewenscht, ick heb u te spreken.
Waer af dat doch broeder?
Van mijn ghebreck tot my? dat en werdt geen achterklap.
50
Die doet mijn tonghe niet, die en is gheen lachter tap. 50
Dat vandt ick noyt in u, maar wel tot my u jonste
Int wel raden. O God, of ick die volghen konste.
Had icx altijdt ghevolght, het hadde my veel ghebaat.
Volght noch mijn goeden raadt, tis huyden niet te laat.
Int laten van u quade leven.
Leef ick dan zo qualijck?
Dat zie ick niet. waar in dunckt u mijn leven zo quaadt?
Dat ghy d'oude zonden niet alleen niet en laat,
| | | |
Maar nieuwen daar by voeght, met hoopen boven maat.
60
Dit doedy, al schynet dat ghijt niet en verstaat.
Ghy stopt moetwilligh 't oor voor Gods inspraack ghenadigh. 61
Ghy en zucht niet droeflijck over u wandel misdadigh.
Ghy veracht stoutelijck Godes rechtvaardigheydt
Door u herdtneckigheydt en styve onwaardigheydt.
65
Mosten deze nieuwe verdoemelyke zonden
Dan noch by de oude (veel te groot) zijn ghebonden? 66
Ick meyn niet dat u lust Goods goedtheydt te terghen
Maar wat doedy anders met dit zondigh vererghen?
Om Goods langmoedigheydt t' ontsteken ter wraken
70
Behoefde gheen nieu quaadt, 't oude konst dat wel maken.
Ghy spraackt beroemelijck zeer veel hoghe dinghen;
Ghy roemde u Goods volck heyligh zonderlinghen, 72
Nochtans zaghmen aan u veel oudt desems kleven. 73
Hebdy dees valsche roem niet al langhe bedreven?
Tis dan te recht een oude zonde.
Wijckt dees ydele roem nu oock uyt u monde?
Hoe ghy oock u broeder handelt gants onredelijck
Weet ick. ghy vergheeft niet, maar plaaght hem wredelijck.
'T viel te lang zoude ick al u oude zonden nomen,
80
Die uyt blinde doling altsamen voortkomen.
Dees oude doling, dees groote oneerlijckheydt
Is noch niet wech, maar blijft met hare begheerlickheydt
Krachtigh doort hanteren van die oude paden. 83
Ghy ontbeert het gheloof met haar loflijcke daden.
85
Ghy tast metten handen en vergheet zo gheheel 85
De ware zuyvering uwer oude zonden veel,
Dat ghy meer ende meer nieuwen daer by gaet voeghen. 87
| | | |
Zoude God, lief broeder, hier mede ghenoeghen?
Zulck verarghen lyden? u niet zwaarlijck straffen?
90
Hy straft mijn buren niet, die oock zulck quaadt schaffen. 90
Die hebben alleenlijck den wet der naturen. 91
Die hebt ghy oodt en noch Moyses wet in schrifturen.
Ende door u (van God voor zijn volck uytghescheyden) 93
Werdt Gods naam ghelastert by d'onbesneden heyden.
95
Oock heeft God u meest lief, zijn geliefden straft hy meest. 95
Maact dat my doch niet vroet, maar een onredelijck beest!
Lieft doet den lieven lief, maar diemen haat doetmen leet.
Maactmen lieft een strafster, zo maactmen liefde wreet.
Verstady dat noch niet? wel ick stelt nu ter zyden.
100
Maar ghy zullet verstaan int verzoecken van lyden, 100
Zo ghy dat niet en vermijdt door ware onschuldigheydt.
Dit rade ick u: terght niet Goods lange gheduldigheydt,
Die roept u ter dueghden uyt der zondaren percken.
Maackt dees beroeping vast door dueghtlijcke wercken. 104
105
Nemmermeer zuldy (doedy dit) meer zondighen;
Nemmermeer zal God u zijn straf verkondighen
En nemmermeer zuldy onzaligh moghen wezen.
U jonst, maer niet u raadt werdt van my gheprezen.
| | | |
'T middel doogh niet, dat is onmoghelijck.
110
Machmen gheen straf ontgaan (zo ghy zijt betoghelijck)
Dan doort niet zondigen, zo magh die niemandt ontgaan.
Wat mensch zondight hier niet? van wie wort geen zonde gedaan?
Door eens naalden oghe kroop veel eer een kemele, 113
En zonder vloghelen vloogh ick eer ten Hemele,
115
Dan dat hier een mensch na Goods wet zou wandelen.
Blijckt dees raadt dan niet spot by alle verstandelen? 116
Alle natuurlijck mensch vander joecht in zonden sneeft, 117
Maar geen recht Godlijc man den zond' hier meer aankleeft;
Daar en leeft gheen mensche die niet gezondight en heeft,
120
Maar daar leefter wel die de zond' zo gants begheeft,
Dat, zo hy in zonden vry was van gherechtigheydt, 121
Hy in doeghden vry is vander zonden knechtigheydt.
Merckt doch, lief broeder, wel op dees onderscheydt,
Want hier inne dooldy, dit let u inzonderheydt:
125
+Al de ghedaan zonden wil God ghoedigh vergheven
Als wy t quade laten ende 't ghoedt beleven.
Magh dit niemant met God, zo ghy wilt bewyzen,
Zo zijn Goods beloften, niet mijn raadt te mispryzen,
Als een spot, een zotheydt en ydel verlanghen.
130
Want dan gevet God niet, en geen mensch macht ontfangen.
Nu maackt ghyt noch argher! doet dit niet stracx lopen
Den rechten baan tot het vertwyfelde wanhopen?
Want gheen mensch ter werelt maght quade geheel laten.
Komt niemandt dan zulcke die beloften te baten,
135
Magh oock yemandt hopen 't beloofde te erven?
Moet dan niet elck mensch in vertwyfeltheydt sterven?
Neen, niet mijn, maar u gront den mensch wanhopigh maeckt. 137
'T geloof krijght de belofte ooc eermen ter daadt geraact;
| | | |
+Wie ghelooft datmen 't quaadt in God magh ontwerden,
140
Die zal (blijft hy levendt) int afsterven volherden.
Onmoghelijck ist hem eenighzins te rusten
Voor dat hy ghekruyst heeft 't vleesch met zynen lusten. 142
Dees quaadt-later verkrijght 't beloofde met verblyden;
Maar sterf een ghelovighe onder dit wel stryden,
145
Hy is der beloften mede al ontfanckelijck,
Want God den wil voort werc van hem aanneemt danckelijck.
Zo gheloofde Moyses dat het beloofde landt
Ghewonnen mocht worden door Goods mogende handt.
Hy zaght met verlanghen en gheniet dat gheestelijck.
150
D'onghelovighe niet, die storven beestelijck.
Die dan waarlijck ghelooft, en strydet vromelijck
Om 't quaadt gants te doden, hem ist niet verdomelijck,
Al starf hy voor de zeghe, want God hem bemint.
Is hy gheen volmaackt man, hy is een volmaackt kindt. 154
155
+De kleyne kinderkens kryghen oock 't beloofde ghoedt.
Daar blijct klaar dat mijn gront niemant wanhopen doet,
Maar dat het u grondt doet, zuldy nu moghen verstaan.
Zegt my: magh oock yemant het beloofde goedt ontfaen,
160
Ick schencke u een stede maar met zulcken bescheyt 160
Dat ghys niet zult hebben, ten zy dat ghy zelf betreedt
Den rechten smalen wegh, die alleen daar toe leedt; 162
Scheen dan die wegh te smal in u duystere oghen,
En onmoghelijck om gaan, zegt, zoudt ghy oock poghen
165
Den wegh te betreden met betrouwen koenlijck?
Neen. want niemandt bestaat tgunt hy waant ondoenlijc. 166
Loons hoop verzoet arbeydt. wie is zo zot dat hy loopt
| | | |
Ter plaatsen waart, daarmen te moghen komen wanhoopt?
Ghy zegt wel. maghmen oock teffens blijflijck wezen
170
Inde quade zonde en ghoede doecht gheprezen?
Int doncker en int licht? in den doodt en int leven?
Zalmen int een ghaan, men moet 't ander begheven.
Maghmen int quaadt blyven en wezen zaligh?
Neen, 't quaat maact ellendigh en tegen God weerpaligh. 174
175
Nadien ghy houdt dat elck hier int quaat moet blyven,
Hoe mooghdy heyl hopen? moet ghy niet verstyven
In wanhoop vertwyfelt doort onghelovigh swerven?
Ghy ghelooft Goods woordt niet, hoe zoudy verwerven
Zijn beloften zaligh zonder die te betrouwen?
180
Ghy treet opten wegh niet, zoudt ghy de stadt aanschouwen? 180
Ziet zo volght uyt u gront, dat de belover God,
Int schencken vande stadt met alle menschen spot
Rechts of hy die ghave door een wegh onghaanlijck. 183
Oock blijckt u hope valsch, ydel en maar waanlijck,
185
Die vant ghoedt worden klapt met een herteloze mondt
Maar wanhoop vertwyfelt bezit uwer herten gront.
| |
Eerste handeling. III. Uytkomen
Het blijckt Gods wil datmen 't quaat magh laten en moet
Wt ghebodt, verkiezing en uyt beloften zoet.
| | | |
Achazib. Aristobolus. Israel.
Ick hoorde Israel mijn schaapken deerlijck blaten,
190
Zagh uyt en merckte hem ghants eenzaam verlaten
Al diep inde kaken vanden wolve bloedigh.
Dus noopte my de lieft en ghetrouheydt moedigh,
U, verschorende wolf, vromelijck aan te randen 193
Om dit schaap te trecken uyt u felle tanden.
195
Zegt waarom bedroeft ghy, dien God niet wil hebben bedroeft?
Ick bedroef den blyden (die noodtlijck droefheyt behoeft)
Met zalighe droefheydt die hem tot vroecht zal komen.
Met wanhopens droefheyd die hem zoude verdomen!
Ghy beswaart zijn schouders met een last ondraghlijck.
200
Wie magh onderhouden Goods wet onbeklaghlijck?
+De rechtghelovighe vermacht al in Gode.
Wat is dan de ghenay en Messias van node?
Maghmen hier ghoet werden, in gehoorzaamheyt bequaam?
Moetmen hier quaadt blyven en altijdt ongehoorzaam,
205
Wat baat ons Messias en Godes ghenade?
Werdt de mensch oock zaligh, die altijdt blijft int quade?
Daer toe is de ghenay en Messias ons noodtlijck
Ons te vryen vant quaadt, dats vande zonde doodtlijck,
Ende ons te brenghen in onschults leven veyligh,
210
Doort volbrengen zijns woorts, het licht ons levens heyligh. 210
Schijnt dit onmoghelijck byden zwacken menschen,
'T valt Gods mogentheyt licht, die wercket na wenschen.
Dat zulcx Goods wille zy, most ghy eerst doen blijcken.
Maar om tot tijdtwinning die moeyten te ontwijcken,
215
Zal ick u doen mercken klaar vast en betoghelijck,
| | | |
Dat de ghehoorzaamheydt elck hier is onmoghelijck;
Niet uyt Philosophi of Heydensche blinden, 217
Maar uyt elcx ontwijflijck en zeker ondervinden,
Oock me uyt de kranckheyd van ons vleesch verschoven.
220
Zegt? wie maghmen boven 't ondervinden gheloven?
Wat magh hy oock weten, die zelf niet en verzoeckt?
Nu vindt zich alle vleesch, oock wy ons zelf zo vervloeckt
En godloos van aardt, dat hier niemandt en magh
Goods ghebodt volbrenghen na 't Godlyke behagh.
225
Dit blijckt klaar als de zon, ja, kinderen verstaant.
+Voorwaar, meer dan ghy waant.
Vint ghyt oock Israel, ondoenlijck int verzoeken?
Ghewis ende zeker, zekerder dan uyt boecken.
Ghy spreeckt voorwaar niet recht, want hebdy met al u pondt, 229
230
Wille, opzet, aandacht, ende ernstighe grondt
Int verzoecken van dien noch noyt zulcx te recht gepooght.
Hoe mooghdy recht zeggen dat ghy dit niet en vermooght?
Hoe veel jaren, maanden, daghen, ja hoe veel uren
Hebdy in dit verzoeck vlytelijck moghen duren? 234
235
Ick houde wel niet een, hoe hebdy dan bevonden
Tgunt ghy met rechten ernst u noyt hebt onderwonden?
Maar hebdy dit ghedaen, en u pondt recht besteedt,
Hoe mooghdy lochenen tgunt ghy door ondervinden weet?
Want dan weet ghy ghewis, dat hert, ziel en ghedachten
240
Na Goods ghehoorzaamheydt stadelijck konnen trachten.
Want daar dit zo geschiet, werdt Gods gebodt volbracht,
Zo God van niemandt eyscht boven zijn gave of macht.
Om wel vast te bouwen most ghy al dieper delven.
Daar valt nu, Israel, 't verzoecken in u zelven.
245
Wat mooghdy dan weten van een anders verzoeck?
Of is u, als Gode, elcx hert een open boeck? 246
| | | |
Of acht ghy u zelve van zo groter waarden
Dat ghy zijt de beste, stercxte en wijsste op aarden?
Want dan mocht ghy zeggen, ick bevint boven mijn kracht,
250
Dus vermaght oock niemant van alt menschelijck geslacht.
Waar dat niet een verwaant Luciferaansch goetdincken 251
Om uyten Hemel hoogh in d'afgront diep te zincken?
Dat zy ghenoech ghezeydt op u verzoecken ghewis.
+Nu aan des vleeschs kranckheyd. zegt oft vleesch niet en is
Voorwaar ja, de quaatste en meest,
Daar elck ghelovighe ter werlt altijdt voor vreest,
Want hy verlaat ons niet voor den lijflycken doodt.
Neen, maar kranck, ja zelf kranckheydt, dits de noodt. 258
U onbescheydenheydt wondert my hoghelijck. 259
260
Is u vyandt kranck, hoe ist onmoghelijck
Ofte oock zwaar om doen, door Gods almogende handt
Grondtlijck te vernielen een zo krancken vyandt?
Ziedy niet, Israel, dat dees man spreeckt zottelijck? 263
Wie hoorde oyt spotter spotten zo recht spottelijck?
265
Bracht hy u noch teghen int vyandtlijke perck 265
Een vyandt moghende, onverwinlijck en sterck,
'T mocht wat schynen by 't volck, die de blinde logen leyt.
Doch waart niet, gheen kracht gheldt teghen Goods almoghenheydt
Zo nu een kranck vyandt den kamp tegen u komt slaan,
270
Hoe magh die sterck quellen of krachtigh wederstaan?
Ist spotlijck en zotlijck dat ick hebbe ghezeydt,
Zo toont ons doch u ernst en hooghgheleerde wijsheydt.
| | | |
Doet ons blyken, mooghdy, dat de gheloovighe man
Een uur, ick zwijgh altijdt, onderdanigh leven can.
275
+Derft ghy oock lochenen onmoghelijck om te gheschien 275
'T gunt wy ontwyfelijck Goods wil te wezen zien?
Neen. dat waar gelochent d'almachtigheydt van God.
Maar waar blijckt Goods wille?
In zijn volmaackt ghebodt,
Verkiezinghe heyligh, en beloften milde. 279
280
+Zou God ons ghebieden 't gunt hy niet en wilde
Dat wy in zijn kracht hier zouden volbringhen?
Zou God ons verkiezen tot zodanighe dinghen,
Die hy niet zou willen dat wy hier beleven?
Zou God ons beloven 't gunt hy niet en wil gheven?
285
Dat en zegghe ick niet. maar wat ist dat God gebiedt?
+Dat wy zijn wille doen ende den onzen niet.
Zijn stem ghehoorzamen, hem dienen naacktelijck, 287
Niet ten halven int deel, maar gheheel volmaacktelijck.
Dat gebiedt God, ick kent, niet om datment zou wercken
290
Maar alleen om dat wy ons kranckheydt zouden mercken. 289/90
Dats wel des wets gevolgh, niet haar oorzaack of eyndt.
Wilt God niet, zo spreect God recht anders dan hyt meynt.
Zo ist niet doen gheen zond', want dits dan zijn wille,
| | | |
Ja 't zondighen waar doecht na 't ghezicht van u brille, 294
295
En ghehoorzaamheydt zond', als tegen Goods behagen.
Dus klapt ghy plompelijck tegen des schrifts gewagen. 296
Daar zeydt God tot Israel: mijn wet te horen wilt spoen
Die ick u huyden leer, op dat ghy die zoudt doen.
Ghy zultse onderhouden en volbrenghen metter daadt.
300
Dit spreect Gods waarheydt zelf. u dichten is menschen praat.
+Vande verkiezinghe tuyght des wets verkondere,
God verkiest u huyden tot zijn volck byzondere 302
Om te onderhouden alle zyne wetten.
Dits Goods verkiezinge, wie magh die doch beletten?
305
+Maar inde beloften streckt Goods wil immers zo verdt, 305
Daar wil hy besnyden zijns volcx zondighe hert 306
Zo dat zy hem met hert, met ziel ende met zinnen
Als huer Heer en God lieven en beminnen.
Wat mensch zijn God bemint, die doet dat God hem beveelt.
310
Dit belooft Goods waarheydt, diet den gelovers uytdeelt.
Het zijn bedrieghers valsch godloos en onmenschelijck,
Die zaken lochenen zo klaar en zo wenschelijck.
Merckt nu, O Israel, zo ghy dezen man hoort.
Zydy onghelovigh vant Goddelyke woordt
315
En zult boze lasters van God moeten ghevoelen,
Oock vry zonder wroeghen metter zonden boelen. 316
Ist u dan niet beter Goods woordt te gheloven?
Met een Godlijck leven te pryzen God van boven?
Ende een bitter wroeghen over den zonden te maken
320
Om in ghehoorzaamheydt Gode te ghenaken?
| | | |
Dit rade ick, dit bidde ick, dit vermaan ick met trouwen.
Ghelooft, wilt en begint, nemmermeer maght u rouwen.
| |
Eerste handeling. IIII. Uytkomen
De loghen treckt van God door ghedachten verkeert
En maackt valsche goden, die meest elck dient en eert.
Israel. Achazib.
325
Daer gaet hy nu binnen en laat my grontlijck bedroeft.
Dat hyt goet meynt weet ic, die dat dic heb beproeft.
Zijn reden is krachtigh, ick maghs niet wederleggen,
Oock zie ick dat ghy zelf daar niet jegens mooght zeggen.
Ancxt druct mijn druckigh hert twijflijck aan allen hoecken;
330
Ach, my is bang en weet nerghens troost te zoecken.
Wijt dat u zelfs zotheydt, zo blindt als lichtvaardigh.
Ghy betrout hem, en hy ist niet waardigh.
Tis een schalck bedriegher, een vernuftigh snappaart,
Een listigh verleyder en doecht roement klappaart.
335
Zegt doch: ist gheen zotheydt, dat ghy eens anders hooft
Boven u van u hert, dat hy niet en kent, ghelooft? 336
Dit doet ghy, ghy ghelooft zijn woorden blindt
Meer dan de waarheydt klaar die ghy in u zelf bevint.
Doch, al klapt zo schoontgens van God zijn valsche mondt,
340
Datter gheen God en is, zeyt hy me in 's herten gront.
Elck doet zulcx, zoudt u in hem wonderen?
| | | |
+Die God minst acht, zal meest heerlijck van God donderen. 342
Dits des werelts zede, dit doen alle wyzen.
Dus magh ick dees kloeckheydt in hem niet mispryzen.
345
Tis wijsheydt voor den luyden zijn gront te verberghen,
Want het naackt ontdecken zou den slechten vererghen.
Hier door, al was ghereedt d'antwoordt in mijnen monde,
Beantwoorde icx niet al, maar verbarghs in mijn gronde.
Wat gront meyndy doch hier?
Dat de dinghen anders zijn
350
Dan het gemeen volck waant, dwelc oordeelt na den schijn.
Noch versta ick u niet, willet breder verklaren.
Gharen, en mijns herten gront grontlijck openbaren. 352
Let met ernst op mijn woordt, ghy zult wonder horen.
Maar maket niet ghemeen voor Jan allemans oren.
355
Zorght niet. ick kan zwygen. 't wert tot een steen ghesproken.
Mijn grote lieft tot u heeft mijn hert zo ontloken
Dat nu voor u oren zaken zullen komen
Die noyt levendigh mensch uyt mijn mondt heeft vernomen.
Zegt, hout elck metten mont God niet voor rechtvaardigh?
Dat gheschiedt al uyt dubbeltheydt aardigh. 360
Maghmens rechtvaardigheydt te wezen toghen
Datmen yemandt af eyscht boven zijn vermoghen?
| | | |
Ghy houwet dan oock voor ongherechtigheydt?
Vindy macht in u, om met trouwe knechtigheydt
365
God ghehoorzaam te zijn na al zijns wets eysche?
Dat en is in my niet, noch in gheenen vleysche.
Nochtans eyscht dat God elck op een eeuwighe straf.
God eyscht dan 't werck van elck, daar hy noyt doens macht toe gaf.
Wat dunct u, gaat God hier al rechtvaardighe ganghen?
370
Neen zo niet. wy hebben in Adam al ontfanghen, 370
Maer weer door zijn zonde in Adam verloren.
Dus eyscht ons God het werck, dat wy mochten te voren.
Zo straft ons dan noch God om eens anders werck quaat.
Dunct u dan oock dat zulcx met rechtvaardigheyd bestaat?
375
Neen, 't was eyghen misdaat, wy waren in zijn lenden 375
Daer door wy ons met hem van Gode oock afwenden.
'T sluyt niet. die niet en is, magh zich tot geen werck spoen.
Maar mochten wy misdoen, wy mochten dan oock recht doen
| | | |
Eer hy teelde, zo ick merck 379
380
Geloofde hy en deed' boet, dit was een doechtlijck werck.
Lyden wy quaat doens straf, waarom niet weldoens loon?
Ghy zijt dan geens quaden, maar eens goeden Adams zoon.
Lijdt ghy u vaders straf nu al rechtvaardelijck?
Ick merck dat ghy dit hoort met gelaat onwaardelijck,
385
Altijdt is die waarheydt den onwyzen hatigh. 385
Dat ick hier uytspreke, zwyghen de wyzen statigh,
Die de zuyvere leer uyten Hemele bringhen.
Wildyt huer gront te zijn aanmercken gheringhen? 388
Leest vlytich huer schriften die ghy warachtigh vermoedt, 389
390
Daar staat dat het God al (niet uytghenomen) zelf doet.
Zo was dan Adams zondt, niet Adams, maar Godes daat.
Ist nu rechtvaardigheydt dat God Adam daarom slaat?
Lijdt Adam, ja oock wy, gheen straf om Gods wercken?
Wie kan rechtvaardigheydt in dees handel mercken?
395
Die reen is my te hoogh, 't magh oock niet voordelen.
Gods rechtvaardigheydt is na d'ons niet te oordelen,
Maar wel na Gods oordeel inde schrift beschreven;
Daar staat dat hy elck mensch loon na zijn werck zal geven.
U deckmantel helpt niet, noch al der wyzen vroedtheydt.
400
Van zijn rechtvaardigheyt koom ick nu op zijn goedheyt.
Zegt doch, is hy oock goedt die zich laat verdrieten
Goedheydt te voorderen, en zich te doen ghenieten? 402
Ist goedt datmen God met hert, ziel en ghedacht
| | | |
Gheeft hy u wil ende macht?
Heeft God ons dan lief? hoe magh dat warachtigh zijn,
Nadien hy 't meeste deel scheyt tot de eeuwighe pijn? 406
Dits nochtans de grontfest van ons hemelsche leere.
Gheeftmen God dan al recht, liefts en goedheydts eere? 408
Daar voor wilt niet zorghen.
410
Ick ontdeck u een gront voor 't ghemeyn volck verborgen.
Zegt noch, diemen lievet en jonstigh heeft bezint,
Gont en gheeftmen dien niet dat hem lust en dat hy mint?
Wat ghebiedt God doch allen menschen?
'T gunt ons van herten lust, en daar wy meest om wenschen?
415
Gheenssins. dat verbiedt hy en ghebiedt dat elck haat.
Is dat lieft of ghoedtheyt diemen dus prijst boven maat?
Hoe warachtigh en trou God oock is in zijn woorden,
Meyn ick dat wy beyde terstondt rechts wel hoorden 418
Als de listighe man Goods beloften voorthaalde. 419
| | | |
420
Wie krijght die doch van God? wie leeft die noyt en faalde?
Die zal God eerst gheven na dit sterflyke leven.
Neen. God belooftse hier op aarden te gheven.
Hier ter werelt, niet hier na, leeftmen na Moyses gebodt.
Nu ziedy wat waarheydt en wat trou daar is by God,
425
Oock wat rechtvaardigheyt en goedheyt zonderlingen. 425
Ghy kalt onghehoorde en wonderlyke dinghen
Die nochtans waar schynen.
En oock zo verholen, dat zy gheheel krachtigh,
In menigh mensche zijn, die haar vruchten eten
430
Zonder van dees wortel of gront zelf yet te weten,
+Recht of buyten weten op yemants noes waar ghezet 431
Een oprechte brille, zo klaar, zuyver en net
Dat zich alle dinghen zo zy zijn daar door toghen
Die gants anders schynen int ghemeen volcx oghen.
435
Al wist schoon deze man niet altoos van die brille,
Noch most hy ghenieten inder herten stille
De zalighe vruchten van dat oprechte oordeel.
Zo gheniet menigh mensch dit onwaardeerlijck voordeel,
Al kent hy dees gront niet, als die maar in hem is.
440
Hy oordeelt ghoedt en quaadt met een kennisse ghewis
Die snoer-recht anders is dan des volcx kennis verkeert. 441
Hy vliet alst meeste quaadt, t'gunt elck alst best begheert.
O had ick een brille van zo klaren ghezichte!
Begheerdy een? neemt daar, ziet of ick dit al dichte. 444
| | | |
445
Wat hou? droom ick? wats dit? noyt zagh ick zulck wondere!
Dat terstont boven scheen zie ick nu ondere.
Dat licht scheen is duyster, dat schandt scheen is eerlijck,
'T goet is quaat, 't quaat is goet en 't hatigh is begeerlijc.
+Nu zie ick met waarheydt dat het is een ghespot
450
Te dienen en te eren een onzichtbaren God,
Vande welcke niemandt zeker en magh wezen
Of hy oock is. Ick zwijgh van zijn goedheydt gheprezen, 452
Ic merck nu, 't was voormaals ooc al in mijns herten gront
Maar buyten mijn weten, nu ist my met lusten kont.
455
Hola man, hoedt u mondt zulcke dinghen te klappen!
Uyt dat zure vaatgen moet ghy zoet wijntgen tappen.
Tis zuyr int volcx oordeel, dat moet ghy verschonen,
Wildy anders vreedzaam byden menschen wonen.
Ghelaat u met woorden dat ghy alleen betrout 459
460
Opten God des Hemels, den niemants oogh aanschout, 460
+Maar wilt van die naam-God u hert gants aftrecken
Om Goden te eren die Goden konnen strecken. 462
Die waan God loont zijn volck met armoede pijnlijck
Met verachting spottelijck, ja metter doodt venijnlijck.
465
En dat zou een God zijn ghoedt en rechtvaardigh?
'T zijn toversche dromen! die Goden zijn eerwaardigh,
Die huer dienaars ghoedt doen, vant quade recht bevryen
En weeldigh doen leven in vroechden tallen tyen.
Men vinter veel in ghetal,
470
+Maar meest werden ghedient Astaroth ende Baal. 470
Wat loon gheeft elck den mensch, die trouwelijck dient zijn beelde?
| | | |
Astaroth gheeft rijckdom met haar dochter weelde,
Maar Baal macht en gebodt overt geslacht menschelijck.
Wat vintmen doch ter werelt zo goet en zo wenschelijck?
475
Dit beloven zy niet (als de waan God) na dees tijdt,
Of in een droom die niet dan den slapenden verblijdt,
Maar ghevent metter daat tastelijck en aanschouwelijc.
'T beloofde gheven zy inder waarheydt trouwelijck,
Om zaligh te maken niemandt huers ghelijck is.
480
Is hy niet recht zaligh, die machtigh, weeldigh en rijc is?
Is dat niet van een mensch een rechte God te maken?
Die al magh dat hy wil, heeft wensch van alle zaken.
Die rijck is heeft den born van alle wellusten. 483
Is dat gheen zaligheydt om heel in te rusten?
485
Zo vuyrighen liefde baart dit schoon behaghen
Dat ick in mijn hert van al mijn voorleden daghen
Noyt zo tochtighen lieft totten waangod en vandt. 487
Te ghoedt was u verstandt
Dan dat ghy mocht lieven een ydel waan ende schijn
490
'T welck al zijn dienaars loont met schandt, dro[e]fheydt ende pijn. 490
Ick ghevoel niet alleen lieft tot dees nieuwe Goden
Maar oock haat tot d'oude met al zijn gheboden,
Want die zijn een hinder mijns begherens lustigh,
Een ghequel en wroeghen mijns herten onrustigh.
| | | |
495
Waan komt dees verandering?
Door den kracht van mijn gheest,
En dees brils nuttigheydt, die u oordeel zo gheneest
+Dat nieuwe lieft en haat daar inne is gheboren.
Want watmen ghoedt oordeelt, wert gelieft en verkoren,
En watmen quaadt oordeelt, moetmen haten en vlieden.
500
Dits van lieft ende haat d'oorspronck in alle lieden.
Zo krachtigh is mijn gheest en des brils oordele
Dat zy lieft en haat baart tot smenschen voordele.
Die haat vliedt van alle dat inder waarheyd quaadt is,
Maar lieft bejaghet al, dat recht ghoedt en tot baat is.
505
Dat mijn gheest en oordeel recht zijn weet u bevinden,
Dus laat gheen tovergheest u zin meer zo verblinden,
Datmen u rooft dees bril van bevintlyker klaarheydt,
En u een valsche opzet, onder schijn van waarheydt,
Zo dat ghy weer als door, verblint ende verzot 509
510
Ware Goden verlaat om een onbekende God,
Ontrou, onghoedt, hatigh ende onrechtvaardigh,
Uwer noch gheens menschen edele liefde waardigh,
Als die maar bedrieghlijck door waan zaligheyt behaaght,
En met onzaligheydt en ware ellenden plaaght.
515
Want laat ghy dezen bril (u oordeel) veranderen,
Ick, met ware goden zullen van u wanderen.
Dan zuldy bedroghen den waan-god verkiezen
En 't warachtighe ghoedt ghehelyken verliezen.
Zo veel is aan 't oordeel, aant oordeel gheleghen.
520
Dat doet heel recht ghaan, of dolen op onweghen.
Wie mijn gheest en oordeel door verwaantheydt verlaat
Krijght flucx een valsche lieft ende oock een valsche haat,
Zo dat hy den waan-God dan met herten moet minnen,
En de ware Goden haten met alle zynen zinnen.
525
Dats geen zorge, wijst my den middel t'mijnder vromen, 525
Om zeker en haast aan dees goden te komen. 526
| | | |
Ick hebbe twee zonen, konstighe verstanden,
+Haar leer zal doen werden doort werck uwer handen
Deze beyde goden zo gantselijck volmaackt,
530
Dat ghy volkomentlijck tot u begheren raackt.
Wat wildy meer? ghy zult niemandt derren moeyen. 531
Ghy zelf werdt de borne daar u heyl uyt zal vloeyen.
Ghy zelf zult dees goden naar u zinne maken.
Ghy zelf zult door u zelf aan u wensche gheraken.
535
Wanneer werdt dit? haast doch, bluscht mijn heet verlanghen!
Ick haal u mijn zonen met spoedighe ghanghen.
Die zullen u van als grontlijck onderwyzen. 537
Volghdy vlytigh haar raadt, elck zal u zaligh pryzen.
Ick had huer al van zelfs van u dienst ghesproken.
540
Ziet doch, dit spel wil voort, zy hebben ons gheroken.
Ick zieze daar komen, ghy mooght met huer praten,
Betrout en volght haar raat, ghy komt aan gelt en staten. 542
| |
Eerste handeling. V uytkomen
Boosheyt met valsch bedrogh helpen tot hoogheyt en gelt,
Daar de werelt wyze zot hert, lust en troost op stelt.
Amal. Marma. Israel.
Zegt my, zydy Achazibs zonen?
Wildy bey met my komen wonen
En trouwelijck dienen? ick zal u eerlyck lonen.
| | | |
Veel meer metten wercken dan met schone woorden.
550
Nochtans waart my een lust dat het mijn oren hoorden.
Ghoede waar prijst haar zelf. dit dede ons zwyghen.
Maar hoort (nu ghyt zo wilt) wat nut wy doen ghekrijghen.
Wy zijn bey Doctoren inde rijcke Alchemye
Dats opt franchoys ghezeydt Un art qui nest mye. 554
555
Maar in Neerlandtsche taal heet dees Alchemy
Een konst die na wensch 't begheerde al gheeft my.
Die kan zo veranderen alderley dinghen aart,
Dat zy uyt snoey aarde gout maackt dierbaar en waart; 558
Den boer maackt zy edel, den nederen verheeft zy
560
En al des herten lust levert en gheeft zy.
Zuldy my die leren? O dats een Godlyke konst!
Ghewis, en dat alleen overmits de grote jonst 562
Die daar is tusschen u en ons lief vadere.
Hoe maactmen, hoe krijchtmen rijckdoms en staats adere?
565
Wy zullen u maken een born of fonteyne
Die altijdt overvloeyt van gout, louter en reyne,
Dat zo bevallijck is en zo wonderlijck van kracht
Dat ghy na wil bekoomt ampteren, eer ende macht. 568
Hier toe behoeft reedtschap, stof en goey handeling;
| | | |
Zorght niet, volght maar ons wandeling.
'T ghereetschap ende stof lever ick na begheren
Maar des konsts handeling zal u mijn broeder leren.
Eerst moet daar zijn een klock van maacxel als een herte
Ghenaamt Cor impium, versteent voor wroeghens smerte. 574
575
Om dees behoeven wy niet zeer verde te ghaan,
Ghy hebtse al, zo my u woorden doen verstaan.
Cupiditas prava is haar oven ghereedt, 577
Die brandt zeer lichtelijck wel gloedelyken heet
Door delectatio (inde verbeeldinghe zoet)
580
Falsi boni, kolen heet als de helsche gloet. 579/80
In die distilleer-klock lever ick dees kruyden
Tot een ghereedt ghebruyck by alreley luyden.
Falsitas by mate, by ellen, by ghewichte, 583
Item duplicitas, zwaar int woordt, in daad lichte, 584
585
Hypochrisis schijnghoedt, en Astus behendigh, 585
Die 't gout zijn rechte heer flucx maken af wendigh,
En doen dat ons fonteyn alle mans gout verovert,
Zomen de vette melck uyt vreemde koeyen tovert,
Als mijn broeder dit stof konstelyken bereyt.
590
Die zeg nu tgunt hy doet. het mijn heb ick ghezeydt.
Mijn broeder, Heer, levert, maar ick ghebruyke 't gelt,
Tot verkryging van eer, van wellust en van ghewelt.
Ten is gheen minder konst gout wel te ghebruyken
Dan dat te bejaghen in ons listighe vuyken.
595
Wat is dit recht ghebruyck?
Milt zijn ende oock sparen.
Dat is veel uytgheven, ende veel bewaren;
Ick gheef rijckelijck uyt, doch veel min dan ick magh.
| | | |
Somtijdts voort volde inden klaren dagh,
Niet om der armen nut, maar om 't volcx jonst ende eer.
600
+Doch zijn dees ghiften kleyn, ick gheef groter en meer
Den moghenden rijcken heymelijck int donckere.
Daar lijdt schenck geen getuygh. daar is gaaf geen pronckere. 602
Gheefdy den rijcken meest? dats water in zee gebracht.
+Dats waar. 't zijn machtighen en helpen gevers tot macht.
605
Merckt doch: al mijn doen streckt om te komen int hoghe.
+Hier om timmer ick hoogh voor der luyder oghe,
Koop zyden ghewaden, ghesteenten, juwelen,
Zilverwerck, tapyten, konstighe taferelen, 608
Die 't volck doen verwonderen en eerwaardelijck nyghen,
610
En dit al om boven mijns ghelijck op te styghen,
Om de hooghste te zijn in grootachtbaarheydt eerlijck. 611
+Wat meynen oock anders de maaltyden heerlijck 612
Die ick dick zo prachtigh, als lecker toe ruste?
Want behalven de vlijt tot de smakelyke luste
615
In menighvuldigheydt van weeldighe spyzen,
Doe ick mijn heer oock milt ende heerlijcken pryzen,
Door des spijs chieraden die noyt buyck en vulden.
Want ick doe pasteyen prachtelijck vergulden,
Den taarten wapenen, den vladen beschilderen, 619
620
Den sukaden verwen, en 't ghezicht zo verwilderen 620
Dat de hant twijflijck grijpt, en 't oogh twist metten kake,
Wiet wint, de diere pracht, of de leckere smake.
Door zulcken ghaafrijcken ende heerlijcken leven
Doe ick mijn meester snel in hoogheydt verheven.
625
De hoghen trecken hem door ontfanghens konste,
| | | |
Van ondren schuyft hem op des ghemeenen mans jonste.
Dats daar vant uyt gheven. hoort nu mijn verklaring
Vande voorzichtighe ende nutte bewaring.
Alsmen ghesteghen is in enighen hoghen staat,
630
+Dan meert noch die inkomst vande vruchtbare baat.
De rechter kan vet merch uyt magher twisten zuyghen,
'T heet om rechtvoordering, maar tis om trecht te buygen.
D'ontfangher is zijn zelfs, niet zijns heeren baatzoecker
En drijft metten ghelde zijns, niet zijns heren woecker.
635
De Toller schijnt zijn heer over 't volck ghoedtdadich 635
Maar tot zijn eyghen baat schat hy elck onghenadigh.
Maar daar door wert de jonst des gemeyn volcx verloren.
Daar acht hy niet meer op, die gheeft hy nu te voren. 638
'T volck moet hem wel eren, groot achten en ontzien,
640
Ja oock (spijt huer herte) met smeecken ghaven bien.
'T volck zelf behoeft de jonst der hanssen ondraghelijck. 641
Die vergharen schatten, doort nemen ontraghelijck, 642
Om hem zelf te vryen vant rechtvaardigh beklaghen,
Of om eenen nieuwen hogher staat te bejaghen.
645
Hier in dien ick ghetrou by nachten en by daghen.
U beyder konst en dienst is my een groot behaghen.
Tot rijckdom en machte porde my u vaders woort, 647
Maar nu ick u beyden hier af hebbe ghehoort
Voel ick 't begheerlijck hert veel vuyrigher branden,
650
Want een ghereedt middel spoedight gherede handen.
Nu vinde ick warachtigh onghelooflijke zaken!
Hebbe ick niet zelve macht om zelve te maken
Met mijn eyghen handen zo moghende Goden
Dat zy my verlossen uyt alle myne noden?
655
Ja dat zy my gheven volkomelijck na wenschen,
Rijckdom, macht en lust, een zaligheydt der menschen?
| | | |
Wat staan wy hier vergheefs, laat ons flucx gaan binnen!
Gheen werck magh eynden voor des wercx beghinnen,
Maar die wacker beghint hevet al half gewonnen.
660
Gaat voor heer, wy volgen. verzoeckt nu wat wy konnen. 660
Helaes ick zie 't begin van troerigh leydt
Mits inde vroecht van Israels blyde tyden. 662
Hy terght den Heer met nieuwe zondigheydt.
Men raadt hem wel dat hy het quaadt zal myden,
665
Hy acht des niet en volght de valsche loghen.
Die hem ghelooft, wert jammerlijck bedroghen.
Armoede kleyn ontziet en vreest hy meer
Dant wroeghen fel vant zondigh quaadt gheweten,
Oock dan den straf van zijn gherechte Heer.
670
Der zielen heyl wert in zijn hert vergheten.
Voort Hemelsch ghoedt heeft hy 't aardtsche verkoren.
Zo werdt om schau het wezen zelf verloren. 672
Noch roemt de zot dat hy den Heer betrout,
Dat hy ghelooft en is van Goods gheslachte.
675
Maar hoe magh een die troost en hope bout
Op rijckdom quaadt, op weelde zat, op machte
Den waren God met ghantser herten eren?
Men kan gheenssins te pas dienen twee heren.
Israel maack zelf met zijns vernuften handt, 679
680
D'afgoykens broosch, die waan zo schoon kan proncken
Dat zy tot huer trecken al zijn verstant.
Zijn herte brandt in liefde blindt zo droncken
Dat hy aanbeedt het maacxel zijnder handen
Voort hooghste ghoedt, Den waren God tot schanden.
685
Noyt amoureux door Venus lust verdwaast
Zaghmen zo heet in boelderye woelen,
Als Israel zot nu vuyrigh jaaght en raast,
Na ghelt en macht, zijn afgodische boelen.
Hy denckt noch acht niet meer op Goods gheboden,
| | | |
690
Maar dagh en nacht dient hy zijn twee afgoden.
Hy spoort na 't ghoudt met loghen onbeschaamt,
Met arghelist, met woeckers felle tanden,
Met schoon bedrogh en valscheydt, konst ghenaamt,
Recht of rijckdom hier in d'aa[r]dtsche waranden
695
Oneyndelijck zijn eyghendom zou blyven,
En of zy mocht met zaligheydt geryven.
Elck styght int hoogh door pracht met spoedigheydt
In huysraadt, kleedt, kost en veel droncken wynen,
Oock hoogh ghebou, want de hooghmoedigheydt
700
Maackt dat niemandt die neerste hier wil schynen.
Maar elck een pooght, om door zijn pomp misprezen 701
Boven ander machtigh gheacht te wezen.
Sodoms hooghmoedt en gheyle ghulzigheydt
En was zo hoogh voor God noch noyt gherezen,
705
Als Israels pracht en zatte schuldigheydt,
Die dit al pleecht zonder zijn God te vrezen.
Zou Goods ghedult dit onghestraft aanschouwen?
Neen zy, ghewis. Ick wacht Goods wraack met rouwen.
Die strenghe wraack komt traaghlijck kruypen aan,
710
Maar zy komt aan als wy daar minst op dincken.
Israel en zal haar niet ontsluypen dan,
Maar den beker van Godes toorn uyt drincken.
Hy laat den Heer, diens wet wil hy niet volghen. 713
Dit grote quaadt maackt God op hem verbolghen.
| |
Tweede handeling. J uytkomen
715
Die 't licht Goods verlaat moet int doncker zwerven, 715
Doort blinde begheren voert loghen int bederven.
Al ist zo dat my der Philosophen noeswijsheydt
Schendelyken lastert, ick weet dat mijn prijs leydt
Byden vroeden, diens gheest vernuftelyken ruyckt,
720
Dat God mijn dienst loflijck zelve dickmaal ghebruyckt.
Bruyct God mijn kloecke list niet doorgaans en gemeenlijc
Aant volck, verwerpende door verhertheyt steenlijck
Die zuvere liefde vande Godlyke waarheydt?
| | | |
Ick bent door wien hy rooft zijn recht ledende klaarheyd,
725
En verwertse voorts in een verkeerden zinne, 725
Dat ick oock ghaarne doe want tis tot mijn ghewinne.
Tis oock recht, dat loghen hem 't licht ga beroven,
Die den trouwen waarheydt niet en wil gheloven.
+Zo ghaat het met Israel, de zotste der dwazen.
730
Een verkeerden zinne zal ick hem schier in blazen, 730
Zo behendigh dat hem grondelijck zal bederven,
'T gunt daar hy weelde en macht door meynt te verwerven.
God hevet nu gheschickt dat Israels zoon zal houwen
Aant Konincx kint der Philistijns vol ontrouwen.
735
Die is eenzaam, dus zal hy daar wel na luysteren. 735
Want des kroons hoop zal zijn oogh zo verduysteren,
Dat hy geen quaad (dat veel in dees echt leyt verborghen)
En zal vrezen, voor zien, bedencken noch bezorghen. 738
Hy zal den Philistijns wanen te ghebieden,
740
Maar zal dienen als slaaf die Goddeloze lieden.
Doch moet ick hem gheenssins dit secreet bedieden.
Tis Goods schicking, die zal langzaam, maar vast geschieden.
'T bierken dat ick nu brou zal hy eerst recht proeven
Over tachtigh jaar, dan zal zijn bitterheydt bedroeven. 744
| |
Tweede handeling. IJ uytkomen
745
Wie hoogh is stijght hogher, veel hebben meer dan te veel,
Maar niemant heeft genoegh, wie is verzaat met zyn deel?
Israel. Achazib.
Hier vinde ick Achazib, mynen ghetrouwen raadt,
Mynen jonstighen vrundt en hulper metter daadt.
Waarde vader, ick moet u dancken en pryzen
750
Van u hooghwyze raadt en bystants bewyzen.
Want wat ghy my oyt riedt, vinde ick wis en warachtigh.
U raadts volghing maackt my zo rijck, weeldigh en machtigh,
Dat ick niemant en wijck, niemant magh my krancken.
| | | |
Heb ick my dan uwer niet hooghlijck te bedancken?
755
Door u heeft my 't kryghen van veel graeffschappen verblijdt,
En ben nu Hertogh van veel Hertoghdommen wijt.
Dat u mijn hulpe en raadt zo wel heeft doen ghedyen
Doet my uwenthalven oock hertelijck verblyen.
Tis den wyzen raden een grote eer ende lust,
760
Alsmen huer raadt wel volght en komt ter begeerder rust,
Ghelijckt eer en lust is voor een ghoedt Medecijn, 761
Dat de krancke raadt volght en verlost werdt van pijn.
Nu ghy zo naarstigh zijdt om goey raadt te beleven,
Als ick zorghvuldigh ben om ghoeden raadt te gheven,
765
En vermaght mijn jonst niet dat icx hier by late,
Maar wil u voorderen tot noch een hogher state.
Vraaghdy waar toe? tot de Koninclyke kroon!
Die zal ick inder echt te besteden pynen, 769
770
Aan des Konincx dochter vande Philistynen.
Dees dochter is eenigh, huer ouders zijn ghestorven.
Werdt deze u zoons bruyt, de krone is verworven.
Schroemt het aanzoecken niet, al is u staat slechtere,
Al is zy Koningin, ghy Hertogh of Rechtere.
775
Want ghy zijt de meeste Hertogh opter aarden.
Veel grote Koninghen wyken u in waarden,
In rijckdom, in machte, in landen en in luyden.
Ja Keyzer en Koning ontziet u machte huyden.
Zoeckt aan, u zoon krijghtse, zo werd hy een Koning.
780
O wenschelyke raadt! O wat groter beloning
| | | |
+Gheef ick u metter daat, terstont zal icx verghellen.
Ick ken al de Heeren, oock de Koninginne.
U zoon zal ick beelden in huer hert en zinne
785
Zo schoon, wijs, eel, machtigh van landen en ghoeden,
Dat zy al begheerlijck dees bruyloft zullen spoeden. 786
Zydy niet eerens waart, boven allen menschen,
Die my meer doet hebben dan ick zou derren wenschen?
U eerste beloften vant ick oprecht na behagh.
790
Daar door is u gheloof by my zo veel meer dant plagh,
Dat ghy geen zaack zo vreemt mooght spreken met u mont,
Of ick moets gheloven uyt al mijns herten gront.
Voordert daarom de zaack, ghy krijght na wille danck.
Ick ga dat bestellen, betrout my, het werdt eer lanck. 794
| |
Tweede handeling. IIJ uytkomen
795
'T volck veracht wyzen raadt, elck wil ander ghebieden,
Die hoogh klimt valt neder, de vrye dient vreemde lieden.
Aristobolus. Israel.
Ick zocht u Israel, des heeft my 't vinden verhueght
Om u lust en nuts wil, niet om mijn baat of vrueght.
Al zie ick meest by u mijn goeden raadt versmaadt,
800
Als die ghemeenlyken het afgheraden bestaat, 800
Zo ghy klaarlijck betoont int dienen der afgoden,
Noch laat ick niet af, in u onbekende noden
U te strecken een vrundt warachtigh en ghetrou,
Om u te voorhoeden van u aanstaande rou.
805
Ick hoor, o waarde man, dat ghy u zoon hoogh geacht
Huwen wilt aan een vreemt en hovaardigh gheslacht,
Alleen om aanden kroon te moghen gheraken,
En u moghende huys noch moghender te maken.
| | | |
Ghy zijt van zelf machtigh ontzien eerlijck en rijck,
810
+Wat huwet ghy aan meerder? waarom niet aan ws gelijc?
Waart huwen niet beter aan bekende naburen?
Wat zoeckt ghy een vreemt volck, van vreemder naturen
Van een vreemde sprake en van vreemde zeden?
Dien 't ghenoegh niet vernoeght blijft onvernoeght t'onvreden.
815
Ick weet vast, ghelooft my, dat u begheerts verwerven
U huys ende afkomst grondelijck zal bederven.
Dit voorhoedt doch wijslijck, streckt u landt een goet heer. 817
Ghy hebt nu wercx ghenoegh, al en zoect ghijt niet meer.
Dit half is meer dant heel, bevooghdyt vlijtigh en wel.
820
Maart heel wert u te veel, u, oock der landen ghequel.
Verchiert dat ghy nu hebt. wildy te veel verkiezen, 821
Dat heel met oock dit deel zal u zotheydt verliezen. 822
Dan zuldyt ick zegt u, veel te spade beklaghen.
Den Philosophen zot magh u raadt behaghen,
825
Maar my niet, noch oock gheen polityke verstanden.
Der Philosophen wet zalight allen landen,
'T ghaat oock wel als Princen ernstelijck Philosopheren.
'T zijn dromen. de vroede hoort zijn goet te vermeren.
Ick wil mijn macht meren, zo werde ick machtigher.
830
Zegt nu: is u of mijn voorstel warachtigher?
Ist u oft mijn nutter voor Prins en onderzaten?
Zal machts vermeringhe my en mijn volck niet baten
Int beschermen mijns lants, en temmen der vyanden?
Ick zwyghe vant ontzich. wie zal my aanranden? 834
835
+Die vermeerdert zijn machte die zijn jonste vermeert
By onderzaten en vreemt, zo dat hem elck mint en eert.
Maar niet die vyandt maackt zijn vrunden lieftalligh
| | | |
En onderdanen trou, oproerigh en afvalligh. 838
Dit zal u wis gheboeren om de veelheydt der volcken
840
Als u zoon door dees echt verheven inden wolcken
+Wellustigh 't volck vergheet en den landtzorgh laat dryven
Zo dat zijn persoon zelf zijn volck niet magh gheryven
In klachten te horen, en opt recht te waken.
Dan zal hy onachtzaam al zijnder landen zaken
845
+Door lieftloze vreemden afwezich doen handelen.
Die huurlinghen ghierigh zullen qualijck wandelen,
Justici verkopen, eeren-staten verpachten, 847
'T volck schatten en scheren, welcx onverhoorde klachten
U zoon zal doen haten van kleynen ende groten.
850
Dit maackt hem te vyandt zijn eyghen huys ghenoten 850
En zal dan vreemde macht met schanden behoeven
Tot zijn machts vernieling en zijns volcx bedroeven.
De waghen ghetrocken van veel weeldighe paarden
Moet hollen en storten tot pletteren ter aarden,
855
Als de zotte voerman veyligh en slaperigh sluymt,
Den paarden, toom, en wegh heel onachtzaam verzuymt.
Dat magh zo gheschieden, maar het magh oock wel zijn
Datmen veel landts teffens beheerschapt wel ende fijn.
Doch meyn ick niet dat ghy dit zult wederspreken:
860
Die meer verkryght heeft meer, des magh hem min gebreken.
Meer krijgh ick door dit landt totten mynen te voeghen.
+Veel verkryghen maght veel begheren vernoeghen,
Zo inwerp van veel houts veel grote vlammen blust.
Begheerdy werelden, één werelts krygen maackt gheen rust.
865
Ist dat ghy den palen uwer landen vergroot,
Te meer sterckten en volcx eyscht des beschermens noodt.
Zo wel alst kleyn muschgen behoeft de zwaan zijn pluymen.
Zegt dat u ghoedtdunck; mijn weyde zal ruymen,
Om weeldigh te rusten, alst my ghelieft ende past.
| | | |
870
Dits wonder, ghy zoeckt rust in vermeringhe van last.
+Want het wel heerschappen is avondt ende morghen
Zorghvuldigh het welvaart der landen te bezorghen.
Die dan zijn landen meert, vermeert de zorgh onlustigh.
Dits vermering van last, schijnt u dat licht en rustigh?
875
'T schijnt het u een lust is, my met onlust te laden
Door dit u onlustigh en hatelijck afraden.
Altijdt prijst ghy voor goet, 't gunt ic quaat moet schelden.
Daarom volgh ick u raat nemmermeer of zelden.
Die geen goeden raat volght, hem volght altijdt onraadt.
880
Die vreemde raadt volght, toont dat hy hem zelf niet verstaat.
Zulck waant hem heel raadt wijs, die zot is ende gheck. 881
Zulck beschuldight ander met zijn eyghen ghebreck.
Ghy zoudt my niet raden waande ghy u niet wijs.
Waande ghy u niet wijs, ghy volghde mijn avijs, 884
885
Of ghy zoudt een ander, die wijs is, om raadt vraghen.
Dit doedy niet, en zult te spade beklaghen
Met hopeloos berou in onnutte beweening,
Dat ghy boven mijn raadt volght u blinde mening.
+Alderliefste broeder, laat u doch ghezegghen!
890
Merckt ghy niet wat ghy int werck bestaat te legghen?
Ghy wilt met een moghender u zaken ghaan menghen. 891
'T swaarste weeght altijdt meest, 't zal u te gronde brengen.
Ghy zoect vreemde hoogheydt, u eygen werdt verschoven.
Ghelooft my goede man, 't vet drijft ghewislijck boven.
| | | |
895
Ist dat ghy aarden pot, metten koperen swemt, 895
Ghy wert in d'eerste storm aan kleyn schaarden gheklemt. 896
Zou nu een Koningrijck u Hertoghdom wyken?
Meyndy te heerschappen over zo veel ryken?
Zoudy die doen dansen na u pypen of zinghen?
900
Neen, u volck en landen zullen zy bedwinghen,
En als arme slaven na huer pijp doen dansen.
Verwacht dan teghenheydts verderflyke cansen,
Als de vreemdelinghen u volck legghen opten hals,
Hovaardigh, fel, ghierigh, onkuysch, lecker en vals, 904
905
Die u ellendigh volck ten been toe zullen knaghen.
Des zullen de vroede nu rou caproenen draghen, 906
En voor een oorzake den vraghers ghewaghen,
Dat het is overt leedt vant landts aanstaande plaghen.
Daar koom watter wille, magh ick maar ghebieden
910
Over dat Koningrijck. de plaagh maghmen ontvlieden.
Komtse, ick achtse niet. raadt ghy die u gaarne hoort,
God bewaar u. ick ga met mijn voornemen voort.
| |
Tweede handeling. IIIJ uytkomen
Waar moedtwille heerschapt met felheydt bloedelijck,
Stort zich de Tirannye int verderven spoedelijck.
Neregel. Eubulus. Achazib. Demophon. Amassai.
915
Eubulus is weer d'eerst na zijn ghewoonlijcke zee, 915
Nu ghebreeckt hier niemandt, elck neem zijn oude stee.
De schalcke is verschalckt, de jagher is ghevangen,
En diet dienstbaarheydts juck ons meynde t' aanhanghen,
Moet ons ghebodt lyden ende draghen ons juck,
920
Dat moghen wy dancken onzen list en 't gheluck.
+Nu moetmen, mijn heeren, met kloeckheydt behendigh,
Dit volck in dwang houden vast ende bestendigh,
Want zo wel leydt de dueght int zorchvuldigh bewaren,
| | | |
Als int kloeck verkryghen binnen listigheydts jaren.
925
Ende want men bewaart mette strengheydt bloedigh,
Of met vriendelickheydt zacht, zoet ende goedigh,
Zo werdt hier nu gheleydt in beradinghe wijslijck,
Welck van tween zekerst is, (want dat is meest prijslijck)
Om dees (door huwelijck) aanghewonnen Landen
930
Eeuwelijck te houden in dit Coninckrijcx banden,
Haar weeldighe rijckdom stadelijck te ghenieten,
En 't vet van haar nering in ons teyl te doen vlieten.
Met oorlof, mijn heeren, de zaack is wichtigh en zwaar, 933
Waart quaadt dat de Koning zelf teghenwoordigh waar?
935
Om zijn goet believen hier in oock te verstaan?
Ghy spreeckt wel Eubule, het waar oock alzo ghedaan,
+Zo des Konincx onlede in jachten en bancketten 937
Hem 't komen inden Raadt niet en ghing beletten;
Maar of hy schoon hier waar, zo ist buyten zijn verstandt,
940
Hy is des onverzocht en moeyt hem niet met het Landt, 940
Waar van hy de zorghe gantselijck heeft bevolen
U wijsheydt, mijn Heeren, daar aan hy niet magh dolen.
De Koning zal willigh toestemmen, tekenen,
En doen zeghelen, wat wy voor 't best zullen rekenen.
945
+Dats wel, en streckt al tot des Konincx verlichtinghe,
T' onzer eeren, oock tot onzer huyzen stichtinghe. 946
'T mishaagt my, en ly dat, nu het mijn heren behaaght. 947
Maar is hier oock yemandt (dit acht ick nut ghevraaght)
Die den aardt der landen en luyden te recht wel kent?
950
Wy zijn daar alle vreemt. waart niet een raadtslagh blendt,
Zonder die kennisse in een zake zo groot
| | | |
Dat is van gheenen noodt.
'T zijn menschen als ons volck. die een mensch kent te recht,
Kent oock te recht den aart van al 't menschelijck gheslecht.
955
Oock maghmen gheen uytheyms dit voortstel betrouwen.
Zegt nu op Achazib, wat zoudt ghy 't zekerst houwen?
Prijst ghy de goedighe of strenghe heerschappye?
Ick zal (op verbetren) zegghen mijn fantazye,
Ghenomen uyt den aardt vande ghemeene man,
960
+Daar op men hier ziende ghewislicxt raden kan.
Eerst is het Heromnes als de windt onstadigh, 961
Schandelijck ondanckbaar van goedtheydt weldadigh,
Ancxtvluchtigh voor gevaar, gierigh na der winsten vuyck, 963
En mint boven vryheydt den snoden dienst vanden buyck.
965
Zou nu Koning Adin wel vast willen bouwen 965
Opt volcx onstade jonst, het most ter noodt berouwen.
Het waar oock een zotheydt diemen dier zoude bekopen,
Opt ondanckbare volcx danckbaarheydt te hopen.
Dit bevandt Moyses wel, wiens weldaden menighvuldigh
970
Dit volck wilde lonen met een harde doodt onschuldigh. 970
Maar waart niet een plompheydt waardigh alder schanden,
Aan and'ren te stellen, datmen zelf heeft in handen?
Verstaat my. de Koning heeft macht om (spijt huer herte)
Dit volck te doen dienen door vrees van straffe smerte.
975
Wat behoeftmen dan doch met weldadighe treken
Ghehoorzaamheydt onwis den volcke af te smeken?
Wat noodt ist te bidden die verachte lieden,
Nu de Koning macht heeft om straflijck te ghebieden?
Meer laat het volck 't quade om de straf te vrezen,
980
Dant de dueght hanteert om te zyn gheprezen.
Des doots ancxt heeft meer cracht voor oproer af te schricken
Dan des duechts beloning om zich wel te schicken.
Het ancxtighe ontzich baart dan ghehoorzaamhede, 983
| | | |
En die ghehoorzaamheydt baart weeldighe vrede.
985
Alle dwang (hoe straf oock) zal 't volck duldelijck lyden,
Alst maar magh in nering door 't ghewin verblyden,
Grote sommen kryghen en weeldelijck teren.
Zo willigh dient nu elck 't ghelt en buyck, huer twee heren,
Dat zy d'arme vryheydt gheheel niet en achten.
990
Dits 't ghemeen ghebruyck, oock by dees Joodtsche gheslachten,
Dat vrye armoede min dan slavernye rijck
Gheacht werdt int herte van 't Heromnes alghelijck;
Dus is door de strengheydt gantselijck niet te duchten
Voor wederspanninghe en oproersche gheruchten.
995
Oock maghmen niet twyflen aan de veyligheydt,
Gheleghen in strengheydts ontsichlijcke heyligheydt. 996
In somma, het staat gants buyten des Konincx machte
Recht bemint te werden in 's volcx hert en ghedachte,
Ick swyghe van stadigh wel bemint te blyven,
1000
Maar ghevreest te werden en 't volck in ancxt te styven
Hangt niet aan den volcke, maar aan den Koning alleen.
Ghemerckt nu doort ontsich of door die liefde ghemeen
'T volck beheerschapt werdt van d'overheydts tomen
En lieft onzeker is, maar zeker 't vreeslijck schromen,
1005
Zo moet ick die strenghe heerschappye pryzen,
Tot dat ick beter hoor met warachtigh bewyzen. 1006
U voorts Eubule voeght nu sprekens beghinne.
Volghdy 't ghezeyde, of niet? laat horen uwen zinne.
Hoort dan Heer President met mijn Heren altsamen:
1010
Al Achazibs zegghen is teghen het betamen,
Teghen des Konincx eer, (die wy moeten bewaren)
Teghen des Joodtschen landts, oock onzer landen welvaren,
Ende oock (hoe listigh alzulcx die schoon-spreker zeydt)
Teghen de ghezochte veylighe zekerheydt.
1015
+Want eerst daar hy zeydt van 's volcx onghestadigheydt,
Die zal in des Konincx strenghe onghenadigheydt
Niet min, maar meer wercken, dan in zijn goedigheydt,
Ghemerckt niemandt meer zoeckt verand'ring met spoedigheydt 1018
| | | |
+Dan die verdruckt werden door felheyts wandering. 1019
1020
Ziecken, niet ghezonden, wenschen lijfs verandering.
Maar 't volcx ondanckbaarheydt spruyt uyt verghetenheyt;
Dees en komt niet int volck, daar des Konincx wetenheydt
Stadelijck weldoende (zonder vromen te krencken)
Door nieuwe weldaden, die ouden zo doet herdencken,
1025
Dat al d'onderzaten altijdt zijn weldoen weten;
Maar al wert weldaadt haast, misdaadt werdt niet vergeten. 1026
Int volck dan dat daaghlijcx des Conincx weldaat gheniet
Komt gheen ondanckbaarheydt. maar dien overlast geschiet,
Zo dick dat nieuwe misdaadt d'oude ontsteeckt met vierigheydt,
1030
Wast een onverzoenlijcke en dolle wraackgierigheydt,
Die vele quaadts bedrijft int heromnes verstoort.
Ondanckbaarheydt quetst niet, maar wraack werckt aan Princen moordt.
+Vlucht het volck voor ghevaar, huer hert moet oock stadelijck
Vluchten van huer Koning, wiens doen onghenadelijck
1035
Alleen oorzake is van al huer ghevaarlickheydt.
Ja dit drijft hun, alst past, met heelder eenpaarlickheydt
Tot een ander goet Prins, van huer quaadt heer vluchtigh,
Of het maacktse zo dol door wanhopen duchtigh,
Dat zy huer Koning zelf zo ancxtigh doen beven,
1040
Dat hy vlucht uyt zijn Rijck, of uyt zijn quade leven.
Belanghende des volcx winstghierigheydt na 't goet,
Weet elck wel dat zonder ghewelt in haef en bloedt
Gheen Tyran en heerschapt. daar wijckt dan de vryheydt,
Met nering en welvaart des volcx meeste blyheydt.
1045
Magh winst (zo hy oock zeydt) den volcke meest verblyden,
Het moet oock boven al zulck verlies hatigh myden,
Door muytersch opwerpen van een hooft in noden, 1047
Of door huer eyghen Heer te verjaghen of te doden.
Te meer noch als daar is die honger scherp en wreedt,
1050
Dan werdt vryheydts verlies eerst recht bitterlijck leedt,
Diemen dan zo begheert, dat elck liever wil sterven, 1051
Dan die zoete vryheydt een uur langher te derven.
+Dat volck is te vreezen, dat den doodt niet en vreest,
Dan merckt de Prins te laat zijn doling aldermeest,
| | | |
1055
Als hem 't veelhoofdigh dier omringt met dolle zwaarden,
Om zijn ancxtigh leven te jaghen vander aarden,
En dan blijckt dat het volck, die eerst den Coning maken,
Oock macht heeft om hem kroon ende leven te ontschaken.
Daar me Achazib zeydt, te staan in des Konincx macht, 1059
1060
+d'Ontzichlijcke vreeze te brenghen in 's volcx ghedacht,
Maar niet de lieft minlijck, maghmen veel min op bouwen.
Men kan haast vrees maken, maar niet lang onderhouwen.
Want als de vreezer vreest stadigh te moeten vreezen,
Moet hyt vreeslijck pynen om van vrees verlost te wezen.
1065
Vande langduyrigheydt is vrees een hoeder quaadt,
+Maar lieft voedtmen zo licht, alsmenze teelt door weldaadt;
t Wilde ghediert temtmen door weldoen, naer wenschen,
't Onzen dienst, zoudt niet zijn in redelijcke menschen?
Of maackt d'edel reden (ons natuyrs vercieren) 1069
1070
Den redelijcken mensch argher dan wilde dieren?
Weldaadt baart liefde zoet, maar misdaadt bitter haat.
+Wildy lief ghehadt zijn? hebt lief. ghewis is dees raadt.
Doet men ons goedt of quaadt, vriendtschap of schennisse,
Ware lieft of haat komt voort wt die kennisse;
1075
Zo noodtlijck als elck haat dien hy vyandt waant met leedt,
Zo noodtlijck bemint elck, dien hy hem jonstigh weet.
Want even zo veel rechts heeft het weldadighe lief
Tot liefde, als tot haat, van leedts misdoen 't ongherief. 1078
Het is onmoghelijck voor die menschelijcke kracht
1080
Yemandt te beminnen die haar misdoet dagh en nacht.
Oock ist onmoghelijck den weldoender te haten.
Dus blijckt dat die liefde vanden onderzaten
Zo wel staat inde macht van des Conincx goetheydt,
Als des volcx vreze hangt aan des Conincx verwoetheydt.
1085
Hy magh hem doen lieven als een vader gheprezen;
Hy magh hem doen ontzien als Tyran wtghelezen.
Oock magh hy des volcx lieft vesten in stadigheydt,
Door zijn lieft tot hunluy, moeder van goedtdadigheydt.
De strenghe heerschappy blijckt dan zorghlijck en onwis,
1090
En de zachte zeker, zo zy oock warachtigh is.
Des neemt maar een voorbeeldt voor veel verthoninghen:
Zo lang die Egypsche goede Coninghen
| | | |
Dit volck beheerschapten met zoetheydt goedelijck,
Diende 't volck willigh, nutlijck en ootmoedelijck.
1095
Maar zo haast als Pharo 't volck strenghelijck de quellen, 1095
En dees Raadt Achazibs int werck began te stellen,
Verloor hy al dit volck, (dat zich niet en liet dwinghen)
Oock zich zelf met zijn volck, die inden stroom verghinghen. 1098
Dit zy ons een spieghel tot waarschouwing huyden.
1100
'T was 't zelve aart van volck, ja de zelve luyden;
Oock was dat heerschappen van Pharo van eender aart
Als Achazib nu raadt, voort stelt en verklaart. 1102
Zijn raadt is dan zeker, niet om lang heer te duren,
Maar verjaaght of ghedoodt te zijn in korter uren.
1105
Daar teghen de Princen zonder 't volcx bezwaren,
+Hen goedtlijck heerschapten meer dan vier hondert jaren.
Het goedigh regeren blijckt dan zeker en heyligh
Zonder vreeslijck ontzich, heerschapt gheen Koning veyligh.
Vrundtlijcke lieft veylight meer dan zwaarden bloedigh.
1110
Verachting is ghezel vande zachtheydt goedigh.
Eer verzelt altijdt dueght, de quade moet dueght loven.
Strengheyt verdruckt het volck, zoetheyt stelt dat boven.
Een Koning sterft liever dan hy 't volck zou smeken.
Den volcke te helpen is een Koninglijck teken.
1115
De Prins dient tot hulpe, niet tot verdruckinghe,
Tot welvaarts voordering, niet tot roof en pluckinghe.
Wat baat den Koning 't rijck, gebruyckt hyt niet na lust?
| | | |
Een Koning is om 't rijcx, 't rijck niet om des Konincx rust. 1118
De Koning magh wel 't volck, maar 't volck gheen Koning ontberen.
1120
Zonder onderzaten zijn Koninghen gheen Heren.
'T volck blijft zonder Heer volck, dat maackt en breeckt een Koning.
Zonder vreeslijck ontzich heeft de scepter gheen schoning. 1122
Dien veel vreeslijck ontsien, ontziet oock velen in zijn geest. 1123
'T gaat wel, daart volc niet den prins maar voor den prince vreest
1125
En des Koninx onlust door trouwe lieft voorhoedt.
Des Konincx eer en staat wast doort zayen van bloedt.
Zo des artzs eer en baat, doort sterven van zijn krancken.
Waarmen den prins niet vreest daar moet zijn stoel wancken.
Waar niemandt zeker is voor 's Konincx felle beker, 1129
1130
Daar is de Koning zelf oock nerghens recht zeker.
De zaack is haast ghenoech aan weerzyden ghekalt.
Zegt ghy nu Demophon wat mening u best ghevalt.
Eubulus redene heeft wel een goede schijn,
Maar Achazibs mening houde ick warachtigh te zijn.
| | | |
1135
Wat dunckt u Amassai van dezer zaken zwaarheydt?
Achazib spreeckt wijslijck, al zijn zegghen is waarheydt.
Eubulus raadt schijnt my oock veel meer een wenschen,
Dan moghelijck om doen metten verkeerden menschen.
Verkeert is al dit volck en zo hardtneckigh vermaart,
1140
+Dat hy hem zelf verderft die dees verdervers spaart.
Dus besluyt ick uyt kracht vande meeste stemmen,
Datmen dit volck met macht gheweldigh zal temmen.
Men zalze heerschappen met een yzeren roede, 1143
Men zalze bedwinghen in ziel en ghemoede,
1145
Men zalze streng schatten in haaf ende goede,
Schadelijck uytmelcken van allen overvloede,
Ja zo heel arm maken, dat zy niet dencken en zullen,
Om huer Godt of vryheydt, maar om den buyck te vullen.
En om immers gheenssins voor oproer te schromen,
1150
Werden door Demophon tzijnder tijdt wegh ghenomen,
Die grootste van dit volck, de meeste en die hoofden, 1151
Door wiens macht en hulp 't volck voormaals gheloofden,
Zich zelf te beschermen of te vryen van ons macht.
Zo werdter gheen oproer onder dit muytersch gheslacht.
1155
Want niet huer, maar ons volck zal den staten van eeren, 1155
Bedienen en weeldigh zich daar op erneeren. 1156
Dees wegh streckt tot vesting vande Koninglijcke staat,
Van zijn grootheydt en eer, oock tot ons alder baat.
Daar is niet meer te doen, wy moghen nu scheyden.
1160
Elck ga na huys, ick ga deze zaken beleyden.
Chorus ij. Stem. Susanne ung Iour.
Onzeker is d'uytgang van d'Aardtsche dinghen,
Niemandt en weet wat hem goedt zal wezen,
Dan dat alleen elck mensch zijn wil gheringhen 1163
Stelt in Gods wil, los van hoop en vrezen.
| | | |
1165
Dit zoude ons al van droefheydt ghenezen;
Daarom ons Godt dat zo hoogh heeft bevolen. 1166
Hy kent het goedt daar in wy blinde dolen
Diet zuyr voor 't zoet achten en verkiezen.
Zo lopen wy uyt die Godlijcke scholen,
1170
Dit doet ons al 's herten rust verliezen.
'T is zotheydt groot, yet onbekents t'aanvaarden,
Want dat doet dick venijn voor wijn drincken.
Maar wijsheydt waart dat wy ons hert bewaarden
Voort inslorpen vant venijns inschincken,
1175
Dat lust ons biedt int roeckeloos dincken,
Daar ons begheert listelijck werdt ghevanghen;
Die doet ons dan na ons verderf verlanghen.
Zo krachtigh kan 't valsch oordeel bedrieghen.
Dan volght het hert willens met blinde ganghen
1180
Den waanlust quaadt die flucx zal vervlieghen.
Dit doet Israel met zijn verwaant aankleven
Van hoogheydt groot, de meeste wil hy werden.
Hy heeft te veel en benaarstight zijn sneven
Door meer begheerts, dat zal hem verwerden.
1185
Hy wil int hoogh men zal hem neer terden.
Waart hem niet best met zijn te veel ghenoeghen,
En in zijn nest hem schickelijck te voeghen?
Nu zal int lest zijn zotheydt hem schenden,
Als hy zich vindt in druck en bitter wroeghen
1190
Door lusten quaadt die zijn hert verblenden.
Die Philistijns gaan me de zelve weghen,
Die wanen oock haar macht te vergroten,
Doort kleyn maken van Israel neer ghesleghen,
Maar dat zal hun van haar macht verstoten.
1195
Als haar gheweldt lang 't volck heeft verdroten
Moet elck ander met doodtlijck oorlogh quellen. 1196
Die Koning zal door wreetheydt 't volck ontstellen,
Maar niet stillen. d'oproer zal hem scheynden.
Oock loert die wraack altijdt op den rebellen
1200
En Tyranny moet met schanden eynden.
Zo varen zy die goeden raadt versmaden,
En haar quaay lust vermetel na treden,
Die maeckt dat men begheert dat noch zal schaden.
| | | |
'T goedt schynend quaadt werdt meest om ghebeden.
1205
Den dieren tijdt gaat elck dwaas besteden
Aan 't gunt hy niet en weet oft hem zal baten.
Na 't ware goedt, dats een hert recht ghelaten,
Waar best ghespoedt om ooghlijck t'aanschouwen;
Nu zoeckt elck blindt het waangoedt waart om haten 1209
1210
Dwelck ons bedrieght en verderft met rouwen.
| |
Derde handeling J uytkomen
Als veel hoofden een hoofts lust moeten bezuyren,
Komt haat met verachting, zulck rijck magh niet duyren,
+O droevigh herdencken van mijn voorleden vruechde!
O ellendigh vermaan van mijn weeldighe juechde!
1215
O katyvigh verhaal van mijn beroofde vryheydt!
Ach truerigheydt bitter, uyt die zoete blyheydt
(Die ick nu ontbere) gheboren in mijn herte,
In mijn herte vervult met quelende smerte,
Hoe queldy my dus hert zonder eenigh hopen
1220
Door 't vluchten of weren u te moghen ontlopen?
Langhe queeltmen pijnlijck eermen komt aant sterven
En ick zie gheen middel om vryheydt te verwerven.
+Wy zijn zwaarlijck verdruckt door een moghende handt.
Die doet na lust en wil, niet na behoorlijck verstandt.
1225
Felheydt maackt den Wetten, men spoorter recht noch reden.
De vrome werdt berooft, vernielt, en vertreden.
Wie Godt vreest, en recht doet is der Heydenen roof.
Die ghebieden in goedt, in lijf, ja int gheloof,
Die bezitten d'erfnis vanden Heere der heren.
1230
Die verbieden den Godt des Hemels recht te eren
En dwinghen met gheweldt huer Afgoden te verheven,
Op verbeurnis van haef, van lijf ende van leven.
Zy bespiedent alles dater valt inden landen,
Want ons huysghenoten zijn ons quaadste vyanden 1234
1235
Dien 't zo wel zou wroeghen zo men ons niet beklapte
Als dees, zo huer wreetheydt ons bloedt niet en tapte.
'Want men maackt een Godsdienst vande grouwelijcke moort.
Wie heeft oyt van felder en wreeder Godsdienst ghehoort?
| | | |
Zo wie met betrouwen den waren Godt ghelooft
1240
Werdt verbrandt, ghehanghen, ghesteent of onthooft
By hopen, onder schijn van een rechtvaardigheydt.
O Godt, hoe lang lijdt ghy dees groote onwaardigheydt?
Hoe lang zal u ghedult aanschouwen door de wolcke
Dit bloedigh vernielen van u verkoren volcke?
| |
Derde handeling IJ uytkomen
1245
God straft de boosheydt wreet vant heerschappen tyrannigh
Oock des volcx yver zot, en oproer wederspannigh.
Aristobolus. Israel.
Ja vind ick u weer hier, ellendighe Israel?
Och hadt ghy raadt ghevolght, zo waar u noch al wel!
Die hebdy verlaten, maar het droevich verdriet
1250
Van u onwijs opzet en verlaat u waarlijck niet.
My deert de smertigheydt van u bittere wonden.
Ick heb loon na mijn wercken, Godt straft my om mijn zonden.
Zijn strenghe plaagh en zal oock gheenssins ophouwen,
+Zo lang ick liefdeloos dus stil zal aanschouwen
1255
Dees Afgoderyen, godloos en grouwelijck, 1255
Die de Heydens pleghen, dwingende ontrouwelijck
Die onwyze Joden tot eering van huer beelden,
Rechts of die huer eerders yet wat goedts uytdeelden. 1258
Zalmen Godlijcke eer doen, 't maacxel van albastere?
1260
Zalmen zien en lyden zulcken Godslastere?
Zalmen zien verleyden zo veel onwyze zielen?
Neen, ick niet, ick zal eer al d'Afgoden vernielen,
Met al dieze eeren, daar koom af dat wil.
Godt plaaght my om dat icx zie, lyde, en zwyghe stil,
1265
Maar zo ick dees laster uyten lande ga jaghen,
Zal Godt (ick weets) van my wech doen zijn plaghen,
My weder beminnen als zijn lieve zone,
En gheven my vryheydt met welvaren te lone.
Godt heeft die menschen lief, die zijn eere beminnen.
1270
Bemin ick Gods eere, hoe moghen mijn zinnen,
Zulck zijn grootste oneer, eenighsins verdraghen?
| | | |
+Mijn yver lijdt dat niet, en tzal Godt behaghen,
Want die verbiedt hooghlijck dees Afgodische scholen.
Hola man! heeft God u 't beeldtstormen al bevolen?
1275
Dat de mensch van zelf doet, en staat Gode niet wel aan.
Zonder Godes bevel heeft dat Moyzes ghedaan. 1276
Die was Overheydt, die, niet het volck heeft die macht. 1277
Ghy zijt nu zo verneert en gants t'onder ghebracht,
Dat ghy gheen Vorst meer zijt, dus rade ick dat ghyt u wacht.
1280
Was Gedeon een Vorst? neen, nochtans heeft hyt gewracht. 1280
'T was hem uytdruckelijck van Gode gheheten.
Zulcx van zelf na te doen waar een zondigh vermeten.
+Niet ghy, maar d'Overheyt heeft d'Afgoden daar ghezet.
Wilt ghy den Afgoden recht uyt roeden na Gods Wet,
1285
Vernielt den Afgoden ghemaackt door u zelfs handen,
Die ghy noch vuyrich dient, u Schepper tot schanden.
U troost opten rijckdom en u weelde kruysvluchtigh. 1288
Breeckt eerst dees u eyghen ghemaackte Afgoden,
1290
Die ghy boven Godt eert en betrout in noden.
Dit Afgoden stormen is elck van Gode gheboden,
Dit mooght ghy veyligh doen buyten ancxt van doden.
Breeckt ghy dees Afgoden, Godt zal d'ander doen breken
Door zynen ghezandten en zelf zijn laster wreken.
| | | |
1295
+'T inwendigh reynight eerst, door waarheyts kracht behendigh,
Op dat daar door oock recht reyn werde het wtwendich. 1296
Wat baat dat ghy Tempels van schijn-Afgoden bevrijdt
Als die ware Afgoden in u hert blyven altijdt?
Als die u hert, ziel, moedt, lust, wil ende ghedacht
1300
Boven den Heer betrout, dient, eert, en voor helpers acht?
Maar hoe magh u droomen dat ghy Gods eere bemint?
Ghy die Afgoden dient in u herte verblindt?
Ghy, die hoogheydt, wellust, ja oock het snode ghelt
Boven Godt opt hooghste vant Altaar uws herten stelt?
1305
'T is al weder 't oude. ick meyn ghy hebt ghesworen
Altijdt af te raden, 't gunt ick meest heb verkoren.
Hadt ghy mijn raadt gevolght, ghy waart noch vry en groot.
Doort volghen van u lust, volght u jammer en noodt.
Kondy dit (goede man) noch van zelfs niet verstaan?
1310
'T verzoecken leeret u, wat behoevet mijn vermaan? 1310
Ick zoeck met mijn raadt u, niet mijn zelfs baat.
Ghy weet wel wie ick ben, oock mede in wat staat.
Quaamt uyt, dat ick dit doe, de Hanssen verbolghen
Zouden my vernielen of vyandtlijck vervolghen.
1315
Tot mijn gevaarlickheyt en u nut streckt dan mijn woort.
'T zal u, niet my, baten, zo ghy navolgigh hoort.
Van u goedtjonstigheydt dancke ick u hoghelijck,
Maar 't beeldtstormen int hert is my heel onmoghelijck.
Zoude ick de Kerckgoden noch zo langhe moeten lyden,
1320
Zy bleven daar wel staan ten eeuwighen tyden.
Gods eer en 's menschen heyl ghelden my hier inne meest.
Gods woordt ghelt meer dant u. zo vuyrigh yvert mijn geest,
Dat ick nu niet langher u weerspreken magh horen.
Godt bewaar u, ick haast, om den beelden te storen.
1325
O Israel, hoe haast ghy na u verderven grondigh!
| | | |
Na eeuwighe vryheydt! 't sekreet is u onkondigh.
Dit voortstel is niet heel uyt my alleen ghesproten,
Neen. 't komt bedecktelijck uyt eenighe groten,
Diet listigh inblazen wackere Roervincken, 1329
1330
Belovende bystandt, meer dan ghy kondt dincken.
Daar op verlaat ick my. ick bent alleen niet diet brout.
Vervloeckt is de mensche die opten mensche betrout.
| |
Derde handeling. IIJ uytkomen
Volck en Prins werdt gheplaaght door oproerige handen,
Als tweedracht partydigh bederft luyden en landen.
1335
Wee, 't arme Jootsche landt, door Gods verzoeckinghe! 1335
'T was 't landt van beloften, 't werd nu 't landt van vloeckinghe,
+Want tot straf van des volcx Afgodische godloosheydt 1337
Maackt God een grijs kint heer, een hipocrijt vol boosheyt,
Een weeldigh verwijft mensch, wiens Princen vroegh ontbyten, 1339
1340
'T volck ten been toe knaghen, en treden tot het splyten.
Die belaghende 't volck (doort Goddelijck schicken)
Zelve zullen vallen in huer eyghen stricken,
Zo wonderlijck heeft Godt al de zaken verwert. 1343
'T hooft haat opentlijck 't lijf, 't lijf haat zijn hooft binnent hert.
1345
Afgheslooft door verdriet, nu zo lang lijdtzaam ghedooght,
Dat het nieu ghierighlijck na veranderinghe pooght.
De grote Cadetten zijn oock nydelyck twistigh, 1347
Die elck tot zijn zyde 't blinde volck trecken listigh.
+Maackt die lieve eendracht den landtschappen machtigh,
1350
De macht moet hier vergaan doort geschil tweedrachtigh,
Datter is tusschen 't hooft, lijf, kleyn en grote leden.
O verderf van menschen, Landen ende Steden!
| |
| | | |
Derde handeling. IIIJ uytkomen
Daar men 't schijn-quaadt verjaaght, en 't quaadt houdt in der herten,
Baart een vluchtighe lust veel langduyrighe smerten.
Aristobolus. Bode.
1355
Zyt willekom Bode, hoe spoedy zo gheringhen? 1355
Zoud' ick niet spoeden heer? noyt wonderlijcker dinghen
Door bode gheboodtschapt, dan ick nu boodtschappe.
Neen heer, houdt my niet metten clappe.
Ick moets den Koning zelf mondeling verkondighen.
1360
Verhalet my int kort, ghy en zult niet zondighen.
Want al gady opt hof, ghy blijft buyten de muren
Van 's Conincx kamer, die komt niet uyt voor elf uren,
En 't zijn daar eerst terstondt neghen uren gheslaghen.
Ist noch zo vroegh heer, zo wil icx u ghewaghen,
1365
Doch zo ick kortst magh, want spoedt betaamt den boden.
Hoe dat veel vermaarde en moghende Joden
Aan hunluyder Landtvooght eendrachtelijck hadden gheklaaght 1367
Datmen d'arme joden veel te strenghelijck plaaght
Metten ghedwonghen eer en dienst van onze goden,
1370
+Hebdy zelf wel ghehoort. nu gaan zyt noch versnoden, 1370
Door een muytersch rumoer onder 't kaf vanden volcke,
Schitterende zo snel, als blixem inden wolcke
Van d'een plaats in d'ander, zo datmen eer vernam,
Dat het al gheschiedt was, dan van waar dat het quam.
1375
Weynigh ongheacht volcx (noyt argher exempele)
Wierpen al ons Goden uyt henluyder tempele,
Daar zy voorts by hoopen stoutelijck in vergaarden,
Met ver-reyckent gheweer en met scherpe zwaarden,
| | | |
Om teghen 's Konincx wet haar wet daar te horen 1379
1380
Van oproersche schalcken, die 't volck al te voren
Heymlijck hadden ghelockt met waarschynende woorden
Aan huer partydighe en weerspannighe koorden.
Ancxt was by den rijcken, stilheydt by den vroeden,
By den Vooght verbaastheyt, die moght dit niet voorhoeden,
1385
Zo onverziens ghingt aan, en zo snellijck vloogh het voort.
Daar hebdy de zake metten kortsten ghehoort.
Nu wil ick gaan mijn heer en beveel u Gode.
'T zijn zeltsame dinghen. gaat in vreden Bode.
| |
Derde handeling. V uytkomen
Dan volght spade berou, na de haastighe daadt,
1390
Daar men den goeden straf, niet den quaden zonden haat.
Israel. Aristobolus.
+O Aristobole, vinde ick u weder hier?
Ick val vant quaadt in argher, uyten ketel int vier.
Dat my eerst gewin docht valt my schade int verzoeck.
Daar ick ernstlijck om badt werdt my een vyandts vloeck.
1395
Daar ick meest op hoopte, vrees ick nu voor met beven.
Daar ick my op verliet, heeft my trouloos begheven.
Helas, op een broosch riet stoende mijn handt verdoort, 1397
Het riet brack aan stucken en heeft mijn handt doorboort. 1398
Ach ick ben bedroghen door mijn blinde wenschen!
1400
Vervloeckt is de mensch die betrout op menschen.
Dit was (zo my ghedenckt) tot my u laatste reen, 1401
O had icx recht verstaan, ick waar niet in dit gheween.
Ach 't hadde behouden zo menigh goedt mans hooft!
Boven u raadt ghetrou heb ick anderen ghelooft,
1405
Die beloofden wonder en maackten my veel wijs.
Maar boven haar kloeckheyt heeft des landtvoochts list de prijs, 1406
Die den hoofden van een, en 't volck vanden hoofden deelde,
Ja hoofden van lyven, en fellijck daar met speelde,
Oock met een groot deel volcx. d'ander ghinghen dryven, 1409
| | | |
1410
Zonder slagh, zonder stoot, als vertzaaghde wyven.
Zo blijckt de trou zeltzaam by veel groote Hanssen.
En 't volck is onzeker als de mommeschanssen. 1412
Wee mijns, wat rijcker roof, wat moorden grouwelijck,
En wat ancxtigh vluchten zien mijn ooghen rouwelijck
1415
Aant arme Joodtsche volck! O waart noyt begonnen!
Nu zie ick gheen raadt meer noch troost onder der zonnen.
Als menschen troost verdwijnt, placht God meest te troosten,
Diet hem maar toe betrout, al waar hy vanden boosten,
Vanden boosten zondaars, die oyt leefden op Aarden.
1420
Want God helpt den mensch niet na menschelijcker waarden. 1417-1420
Maar hy ziet op haar noodt, boetvaardigh berouwen,
Recht ootmoedigh bidden en verkryghens betrouwen.
Daarom O Israel, zo ghy u zelf recht mistrout,
En ghy u ootmoedigh aan Gods beloften houdt,
1425
Dat hy zijn volck ter noodt nemmermeer zal verlaten,
Zo weet ick noch een raadt die u ghewis zal baten.
O Ja, dats al in my; zegt doch wat weet ghy voor raadt?
Men zalt Ghebedt zenden aan God voor een Ambassaat.
Rust ghy haar te recht uyt, ghy zult na wensch verkryghen.
1430
Weet ghy hier oock raadt toe? ick merck neen aan u zwygen.
Mijn recht bekende noodt.
'T ghequel van mijn vyanden groot.
| | | |
Wat vyanden? die lijf of die de ziele wonden?
1435
Zijnt de Philistynen? of zijnt uwe zonden?
Ick haat den Philistyns, die quellen mijn lijf en goet.
+De zonde is nu noch vrundt (hoor ick) met u ghemoedt.
Houdy dan noch vrundtschap met Godes vyanden?
Zo zendt daar 't ghebedt niet, want het werdt tot schanden. 1438/39
1440
Maar zegt, is Gods straf niet goet en rechtvaardigh?
Zijn u zonden quaadt en recht straffens waardigh?
'T ghebedt is dan averechts en verkeert,
Want ghy niet vant quaadt maar vant goedt verlossing begheert. 1443
Ghy begheert verlossing van Godes goede straf,
1445
Niet van u zonde quaadt, die en biddet ghy niet af.
Dat Godt u vyanden uyt den Lande zou jaghen
Bidt ghy, maar Gods vyandt wildy int herte draghen.
Houdy dan noch vrundtschap met Godes vyanden
Zo zendt daar 't ghebedt niet, want het werdt tot schanden.
1450
Zegt noch: weet ghy niet wel dat Godes straffinghe leert?
Ist niet zijn straf die u nu quellijck deert?
| | | |
Neen, maar leedt boven al.
Mijn zonden zijn honich by straffens bittere gal.
O mensch, u zonden quaadt zijn u een verblydinghe,
1455
En ghy haat truerighlijck Gods goede kastydinghe.
Zodanighe bidders werden van Godt niet verhoort.
Ghy bemint u quaatheyd en haat Gods heylzaam woordt.
Houdy dan noch vrundtschap met Godes vyanden,
Zo zendt daar 't ghebedt niet, want het werdt tot schanden.
1460
Antwoordt noch. vreest ghy niet schade in rijckdoms doornen?
Veel meer dan ghy vreest des lieven Gods vertoornen?
Moght ghy aan den Philistijns u leedt smertigh
Na lust wreken, zoudt ghy hunluy oock zijn barmhertigh?
Moght ghy verkryghen en na wensch lang gebruycken
1465
Hoghe macht, vele ghelts, met wellust der buycken,
Zoudt ghy u door alzulcx niet zaligher vermoeden
Dan doort verkryghen Gods met alder deughden goeden?
Wat wildy dat ick zegghe?
Gheen loghen, maar waarheydt.
| | | |
Ghy vreest den Here niet, is dat een kleyne zwaarheydt?
1470
Dat ghy van Gode bidt, in 's herten onrustigheydt,
Streckt om 't verkreghen te verdoen in wellustigheydt.
Oock zijt ghy wraackghierigh ende betrout in node
Op Godes vyanden, u Afgoden snode.
Houdy dan noch vrundtschap met Godes vyanden,
1475
Zo zendt daar 't ghebedt niet, want het werdt tot schanden.
Wat schaadt het ghebedt doch tot eenigher stonde?
Een herteloos ghebedt spot met Godt en is zonde.
Het bidt en begheert niet zijn beed' te verwerven.
'T middel, daar God door geeft, wildy niet, dat is sterven,
1480
Sterven van eyghen wil en van u blindt verkiezen.
Ghy wilt dueghts loon winnen, maar 't quaadt zelf niet verliezen
Is dit u zegghen recht, zo en zal niemandt beden.
Eer wy goedt zijn, zijn wy al vol quaadtheden.
Die vol quaadtheden is, is met Gods vyanden vrundt.
1485
Niemandt wilt verderven des gheens dien hy goedt gunt. 1485
De vrundt der zonden dan, zendt aan Godt geen biddens post,
Om van zynen vrunden te moghen zijn verlost.
Is dit waar, zo moet ghy het beden oock af raden.
En zegghen dat niemandt verlost werdt vande quaden.
1490
Men magh 't quaadt hebben en minnen onverstandelijck;
Men magh 't quaadt oock hebben en hatens vyandelijck.
Die 't quaadt noch hebben en dat niet en haten,
En komt verlossings beed niet een hayrken te baten.
+Maar die 't quaadt heeft, recht kent, en vyandtlijck haat,
1495
Met betrouwen biddet volherdigh vroegh en laat,
Om verlost te werden van Gods vyanden quaadt,
| | | |
Vrundt is met de straf Gods, vyandt van eyghen misdaadt,
Des lydens zuyvering nemmermeer en versmaadt,
Alzo hyt den middel van zijn ghenezing verstaat,
1500
Deze noch quaadt zijnde, bidt om goedt te werden,
Laat af van zijn zonden, pleeght dueght met volherden,
Ende verkrijght altijdt vande mildtheydt des Heren
Na wensch het begheerde, ja meer dan zijn begheren.
Want op Gods vyanden is hy vyandelijck verstoort,
1505
Dus werd oock zijn ghebedt altijdt met eeren verhoort.
Maar ghy die 't oude quaadt altijt van nieus weder pleeght,
En u lieve boosheydt nemmermeer recht af veeght,
Houdt alsnoch vrundtschappe met Godes vyanden,
Dus zendt daar 't ghebedt niet, want het wert tot schanden.
1510
Ick meyn dat deze man my noch eens dol zal maken.
Hy valt my hart teghens in alle myne zaken.
Bidde ick qualijck als ick mynen zonden belye?
U raadt mishaaght my noch, die stel ick aan d'een zye, 1513
Van 't Ghebedt naar u zin cierlijck toe te rusten.
1515
Ick wil hier inne doen zoot my zelve zal lusten.
'T ghebedt zal ick zenden onghepronckt ende slecht, 1516
Met kennisse van zonden, want dat Ghebedt is recht.
Waarlijck neen Israel, ick wil u niet verdullen, 1518
Maar zaagh u gaarn door wel bidden met dueght vervullen,
1520
En eens recht vry werden van zonde met zijn quaden,
Maar ghy veracht doorgaans mijn vrundtlijck en trou raden.
Dat zal u grootelijck, maar my gheenssins schaden.
Vaart wel, bedenck u bet, ick wijck die my versmaden.
| |
Derde handeling. VI uytkomen
Al belijdtmen zijn schuldt zonder recht leedtwezen,
1525
'T helpt niet, oock 't ghebedt niet, zonder Godt te vrezen.
Cogitatio vaga. Israel.
+Tot het beden ghestelt zagh ick u vuyrigh ghemoedt,
| | | |
Dus maackte ick 't Ghebedt ree, om onder 't bidden met spoet
Te stygen totten Heer met twee vlogelen luchtigh,
Ignorantia vroom, en Audacia Godsvruchtigh. 1529
1530
Want wy bidden meest al 't gunt wy kennen noch weten,
En by grote Heren moetmen schaamte vergheten.
Als zy antwoorde heeft zal zyt komen zegghen.
Gaan wy opten knien legghen.
+Of Godt ons bidden ghenadigh zal verhoren?
1535
Wat schaadt dat eens verzocht? tis kleyn moeyte verloren.
Waart ghy de Heer, zo behoefder gheen smeken.
Moght ick my zelf helpen, ick liet al 't bidden steken.
Maar aant beden. O Heer wy hebben ghezondight.
Dat doen alle menschen, zo Gods woordt verkondight.
1540
+Dunckt u wel dat ghy oyt den godloos zo speelde
Als de Philistijnen? die leven in weelde,
Onghestraft in voorspoedt op des ghelucx baan effen.
Most u onzalighe 't ongheluck alleen treffen?
Zoudt wel ongheluck zijn, en niet Godes schickinghe?
1545
Acht ghy Godt rechtvaardigh?
Waart Gods werc (zo ghy meynt) hy plaaghde den bozen,
| | | |
Den Heydens, den vreemden, den rechten godlozen.
En zou u zijn volcke van plaghen bevryen.
'T schijnt daarom vreemt. wy zien den vromen altijt lyen,
1550
Daar teghen die quaden ghenoeghelijck verblyen,
Die bloeyen in eeren weeldigh 't allen tyen.
Laat ons beden. O Heer, wy hebben misdaan voor u
Ende ons Heer ons Godt trouloos verlaten nu.
+Heeft ons de Heer zelve niet alder eerst verlaten?
Neen, wy verlieten Godt door zonden waart om haten.
Neen zo niet. hadde Godt met twyflijcker trouwen
Ons niet eerst verlaten, maar by der handt ghehouwen,
Nemmermeer waren wy door zonden afghevallen.
Ey hoe schendtlijck verliep dat spel met ons allen.
1560
+O of ons de tyden noch eens den meester stelden,
Hoe bitter zouden wyt den Philistijns verghelden!
Wel ter kuer! dat is noch mijn hooghste verlanghen. 1562
Wie weet wiens hondt noch eens den Haes zal vanghen?
Bidt voorts. ende wy hebben ghedient Baal afgryzelijck.
1565
Hadden wy hem ghedient te recht ende wysselijck,
Wy waren nu niet arm, verdruckt en in rouwen,
Maar hadden noch rijckdom, macht en weelde behouwen.
Wat nu? 't verzoecken leert dat hy was onghewis 1568
+En ons ter noodt verlaat.
| | | |
1570
Die (zo ghezeydt is) liet u, eer ghy hem verliet.
Wat gaf hy u oock oyt dan ellendigh verdriet?
+Ghy weet dat Baal rijckdom, macht en weelde gaf.
Waar gheeft God zulcx? die gheeft voor goudt schuym, voor koren kaf.
Die gheeft pijnlijck ghebreck, het vervolghende kruys,
1575
Met droeve benautheydt binnen en buytens huys.
'T schijnt warachtigh alzo. maar men moets nu niet dencken
Onder 't bidden. helpt my zonder dus te krencken
Met u menighfuldigh en wijtlopigh zwerven.
Ick help u voorderen tot des Ghebedts verwerven.
1580
Want ick doe u 't Ghebedt rechtgrondelijck verstaan.
Zonder mijn berichting waart verloren werck ghedaan.
Nu hebdy ghebeden met vernuftighe aandacht.
Zegt, meyndy dat het Godt al verhoort ofte acht?
Dat weet ick trouwen niet. ick zie 't Ghebedt daar komen,
1585
Die zal ons al zegghen wat zy heeft vernomen.
| |
Derde handeling. VIJ uytkomen
Wie noch vrundtschappe houdt met Godes vyanden,
Diens bidden werdt een vloeck, en lijdt ontzeg met schanden.
Precatio. Israel. Cogitatio vaga.
+Ja? zendtmen my dan tot zo eerwaardighen Koning
Te doen voor zijn oghen zo schandtlijcken verthoning?
1590
Fy! zo eerlozen zaack voor die Heerlickheydt godtlijck
Te brenghen zo haastigh, zo lichtvaardigh, zo spotlijck!
Wast u een lust om my zo leelijck te beschamen?
Hey! dat ick u dolheydt moste ghehoorzamen!
Noyt was ick zo schaamroot, noyt zo ancxtigh verbaast
1595
Als ick nu gheweest ben door u onbedachten haast.
Mijn leden beven noch alleen doort herdincken.
O dacht ick, die nu moght inden Afgrondt verzincken,
Zo haast op my zaghen Gods doorzichtighe oghen, 1598
Daar glinstrende vlammen toornighlijck uyt vloghen,
| | | |
1600
En diet teffens merckten van boven tot onderen.
Hadt ghy zijn stem schricklijck tot u horen donderen,
Met strenghe redenen en met waarheydt spytigh,
Zijn trou, aan u ghethoont, verhalende verwytigh,
Oock u ontrou godloos, en ondanckbaarheydt groot,
1605
Ghy waart van verschricken ghestorven de gaa doodt. 1605
Wie zijt ghy doch Israel, dat ghy vermetel en stout
Die Godlijcke hoogheydt zo schandtlijck verachten zoudt?
My en zuldy niet meer zo met beschaamtheydt schenden.
Hebdyer weer te doen, ghy moght een ander zenden!
1610
Wat heeft God gheantwoordt? dat laat my eens horen.
Met gelijckmoedigheydt smeert (kondy) hert en ooren, 1611
Want ghy zult vernemen dat u gants niet en lust,
Maar wel dat u ontrust, u, die vant quaadt doen niet rust.
Eerst als ick had verthoont u belyding van zonden,
1615
Was die stracx in Godes alziende oghen bevonden 1615
Zo woest, zo mistrouwigh, zo onreyn, zo schoffierigh,
Zo vermetel, zo blindt, zo zot, zo wraackghierigh,
Zo godtloos, zo vervloeckt, ende zo hovaardigh,
Dat zy afgryslijc was voor Gods aanzicht eerwaardigh.
1620
Dit bewees niet alleen zijn ghelate verthoornt,
Maar oock zijn antwoord streng met verwyting doordoornt.
Doch scheent eerst dat Godt niet en zoude antwoorden,
Wantmer maar belyding, gheen bidding in hoorden.
Met al dat wild gheklap (sprack God) is niet ghebeden.
1625
Hy heeft maar herteloos zijn misdaadt beleden,
Hoe wel my zijn meening naacktelijck staat open,
Die streckt om de roede, niet zijn zonden te ontlopen.
+Zo bidt hy dwaaslijck om zijn eeuwigh bederven,
Dat is om onghestraft in weelden wilt te zwerven.
1630
Hy bidt om verandring van mijn goede nature,
Dat ick niet lieven zou mijn eyghen schepsel dure. 1631
Hy bidt als of een zoon dien de vader recht straft,
| | | |
Om dat hy lastering van zijn vader hadt ghebaft, 1633
Tot zynen vader riep, met een lasterlijck smeken:
1635
O schelm, O dief, O moorder, vergheeft mijn ghebreken!
So lastert my Israel door zijn straffings smerte,
Midts onder zijn bidden in zijn godloos herte.
Daar twyfelt hy of ick de werelt oock bestiere,
Daar gloeyt wraackgierigheydt als root staal inden viere,
1640
Daar acht hy mijn straffing voor onrechtvaardigheydt,
En daar veracht hy zulcx mijn groote hooghwaardigheyt,
Dat hy verde boven my het snode ghelt betrout,
En menschelijcke macht grooter dan de myne houdt.
Al dit schiet bedecktelijck int hert van dees quade zot;
1645
Daar, maar niet metten mondt zeydt hy, daar is geen Godt. 1645
Zijn mondt prijst my maar 't hert is zijn afgods tempele;
Wie zagh doch van bidden oyt zulcken exempele?
+Zo ick noch maar en waar zijn schepper ende voeder,
Die hoord' hy te eeren als zijn Heer ende behoeder.
1650
Hadde hy mijn hulpe trou noch noyt te recht gesmaackt,
Kleynder waar de misdaadt daar inne hy nu gheraackt.
Nu hebben d'Egypters, d'Amorrheen, Amons kindren, 1652
Oock de Philistynen hem dickmaal willen hindren.
Ja dees met andere hebben hem voormaals verdruckt;
1655
Hy riep tot my, ick heb hem uyt haar handt gheruckt.
Al dit vergeet hy flucx, mijn weldaadt moght niet baten,
My, zijn trouwe hulper, heeft hy trouloos verlaten,
En vreemde Afgoden tot mijn verachting ghedient,
Daarom oock en ben ick niet meer dien spotter vriendt.
1660
Ick wil gheen nieuwe hulp meer tot d'oude voeghen,
Zo hy zond tot zond voeght tot mijn onghenoeghen.
Hoe dickmaal heb ick hem ter noodt heerlijck verlost?
Ick holp hem als d'Afgodt hem niet helpen en kost.
Moght mijn bevonden trou u oock niet ghetrou maken?
1665
Moght d'Afgods ontrouheydt u niet hem doen verzaken?
+Die helpen kan, helpen wil, en helpt al den dagh,
Mistrout hy, en betrout die niemandt helpen magh,
Ja die hem onthelpet, vernielt ende verderft.
Is dat niet dollijck en verkeerdelijck gheswerft? 1669
| | | |
1670
Met zulcke verkeerden ben ick oock rechts verkeert, 1670
Gheef antwoort verkeerdlijck op huer verkeerde begeert,
En zeg dat hy ter noodt nu magh gaan aanropen
Zijn eyghen Afgoden daarop hy plagh te hopen. 1673
Laat deze hem helpen uyt zijn druckigh gheschille,
1675
Zo zy moghen. ick hebs wel maght, maar gheen wille.
Dit sprack Godt zo straflijck dat icker noch af grille;
Ick stond eerloos beschaamt, God sweegh doe voort stille,
En ick magh oock zwyghen, want nu heb ick volzeydt.
O strenghe antwoorde, O wanhopigh bescheydt!
1680
Gheen schepsel en heeft macht om mijn kommer te stelpen.
Godt alleen vermaght wel, maar hy wil my niet helpen.
'T lyden wast, ick heb macht ende verstandt verloren.
Wee mijns ellendighe, wat deed ick ye gheboren! 1683
Hy zijght in onmaght ter aarden, twee draghen hem binnen
Chorus iij. Stem: Psalm xiij.
Wie hier der wyzen raadt versmaadt,
1685
Betroort te laat zijn zotheydt quaadt,
Als valsche lust werdt ware rouwe.
Maar die zijn zin te buyten gaat,
Gheniet des wijsheydts trouwe.
De zot werdt op d'Overheydt gram,
1690
En merckt niet hoe 't onnozel Lam 1690
Zijn boosheydts tyranny moet lyden,
Dat hy als een verwoede Ram
In zich fel gaat bestryden.
Die 't hert noch vol Afgoden draaght,
1695
Yverigh d'Afgoden schijn belaaght.
En d' Afgods beeldt rasch gaat vernielen,
Eert d' Afgodt zelf noch onverjaaght
Opt Altaar zijnder zielen.
Zulck klaaght vant lichaams dienstbaarheydt,
1700
Diens ziel noch vast ghebonden leydt
| | | |
In slaverny onder die zonde.
Ter zonden dienst ist hert bereydt,
En dient God metten monde.
Bruyckt Godt uyt liefden dan zijn Roe,
1705
Die zijn zy eer dan boosheydt moe,
En bidden af des strafs ghenezen.
'T quaadt minnen zy, dat neemt vast toe,
En haten 't goedt met vrezen.
Ist wonder dat de lieve Godt
1710
'T verkeert bidden van zulcken zot
Tot zijn verderf niet wil verhoren?
Zo werdt meest elcx Ghebedt een spot
Die 't quaadt noch heeft verkoren.
| |
De vierde handeling. J uytkomen
Noodt zoeckt broodt, die zich stoot, opent zijn duyster ghezicht,
1715
Mistrout den loghen valsch, en merckt opt wegh-wyzend licht.
Israel. Aristobolus.
Menschen troost te derven in verdrietelijck lyden
Valt zwaar, al waarder hoop, van namaals te verblyden.
+Wat zwaar verdriet ist dan Godes troost te derven,
Zonder alle hope van troost te verwerven?
1720
Ick ontbeer hopeloos troost van Godt ende menschen,
Daar door de doodt vreeslijck mijn hoop is en wenschen.
Om door een korte pijn de langhe af te weren,
Werdt het onzighlicxste mijn wenschelijck begheren. 1723
Ick had lydens te veel in mijn goedt ende bloedt,
1725
Most dees vertwyfeltheydt noch quellen mijn ghemoedt? 1725
Most Godt noch weygheren zo spytigh ende straf?
Ach, waar mijn moeders lijf my gheworden een graf!
Godt weyghert recht en wel, want ghy badet qualijck.
O Aristobole, 't qualijck bidden betaal ick,
1730
Met schaamten en droefheydt zo ghy my propheteerde.
Had ick u raadt ghevolght, ick had nu al 't begheerde.
| | | |
Neen leyder, dats nu al veel te laat.
Of ick u neen bewees? 1733
Maar dats niet. veel te groot zijn mijn zonden onwaardigh,
1735
En de strenghe Here is my veel te rechtvaardigh.
+Boven alle beyde streckt zijn barmhertigheydt.
Oock quaden, die 't quaadt met smertigh leydt,
Bekennen, betrueren, en haten in 's herten grondt.
Ghy verkryghet terstondt,
1740
Wildy maar verlaten den bril vant valsche oordeel.
Die bril en doets my niet, dus waar dat gheen voordeel.
'T komt aan de strengheyt Gods, al quijt die elcx misdaden.
Wat helpet my, als ick sta in onghenaden?
Vergheeft hy barmhertigh al der werlt misdadigh,
1745
Wat baats my, blijft hy my streng en onghenadigh?
'T zy nu zo ghenomen. zegt, gheschiedt u onrecht?
| | | |
Ist nu al recht dat u lamp teghen den zon vecht? 1747
Geschiedt u recht, waarom beklaaght ghy u dus schendigh? 1748
+Al is die straf schoon recht, zy maackt nochtans ellendigh.
1750
Ja voor een tijdt, recht als het smertighe korozijf 1750
In vervuylde zeeren tot ghenezinghe vant lijf,
Zo valt die scherpe straf der zielen vuyle wonden,
Oock zuyvering bitter vande veroude zonden.
Dit lijdt mensch troostelijck zonder doodt te vrezen;
1755
Godt straft niet om doden, maar om te ghenezen.
Dat is u ghevoelen, maar ick houdts anders te zijn.
Dats om dat u oordeel recht anders is dant mijn.
Wist ghy ghewis, door die zekere waarheydt,
+Dat u oordeel valsch waar, en het mijn recht vol klaarheyt,
1760
Zoudt ghy niet willighlijck met my hier in ghevoelen?
Ghy hebt int dienen van u Afgodsche boelen
U oordeel nagevolght in allen tallen stonden. 1762
Zegt hebdyt warachtigh ofte valsch bevonden?
Valsch in allen stucken. dit quelt en beschaamt my meest.
| | | |
1765
Is mijn oordeel altijdt teghen u oordeel gheweest?
Tis. had ick dat gevolght, ick laagh dus niet verschoven.
Wat let u nu dan mijn recht oordeel te gheloven?
Werpt wech het valsch oordeel, dat Godt u wil vernielen.
Ghelooft dat hy zuyvert het onreyn uwer zielen
1770
En dat hy doodt de zonde in u hert noch verheven,
Om zijn heylighe dueght daar inne te doen leven.
Wildyt zelf zeker zijn, zelf weten en zelf verstaan?
Verlaet u valsch oordeel dat u stadelijck bedrieght,
1775
En krijght een recht oordeel dat nemmermeer en lieght.
Hoe zal dat te werck gaan? wie zalt my indrucken? 1776
Treckt den bril van u nues, treedtse in duyzent stucken,
Neen, tis al te fynen bril,
Dan dat ick die zo haast aan stucken breken wil.
1780
De fijnheydt van die bril zuldy haast mispryzen,
Als de klaarheydt van dees diens valscheydt zal bewyzen.
Stelt dees eens opten nues.
Dees doet my wonder sporen.
+'T schijnt nu al weer anders dant my scheen te voren.
| | | |
My dunckt dees bril 't ghezicht grootelijck zal stercken;
Op al u ghedachten, woorden ende wercken,
En op Gods doen met u. dit maackt wyze klercken. 1787
Doch maght goedt opmercken noch 's menschen klare ghezicht,
+Gants gheen waarheydt kennen zonder het hemelsche licht.
1790
Wederom zal niemandt de waarheydt kennen moghen, 1790
Al stondt hy midts int licht, sluyt hy moetwilligh d'oghen.
Al zaagh oock een Doctor ernstlijck in een open boeck,
Hy leest noch en verstaat, ist in een doncker hoeck.
Zo komt dan de kennis door Godt en mensch te gaar:
1795
De mensch aanmerckt vlytigh, Godt schenckt hem zijn lichte klaar.
Dat zal Gods ghenade voor u ooghen doen blincken,
En u alle noodtdurft overvloedelijck schincken, 1797
Als eerst het ghelove, dadigh ende krachtigh, 1798
Dan voorts kennisse ghewis en warachtigh,
1800
Van Godt, van u zelve, van al dat ghy behoeft,
Van 't goedt dat ghy ontbeert en van 't quaat dat ú bedroeft.
Oock mede een nieu hert, nieu wil, en nieuwe gheest,
Daar door Godt den mensche volkomentlijck gheneest,
Zonder welcke dinghen niet en werdt recht ghebeden.
1805
Dan zuldy recht bidden in gheest en in waarheden,
Dan zal Godt mildt gheven al dat ghy kondt wenschen,
Dan zuldy zaligh zijn boven den ghemeen menschen,
En dan zuldy mijns raadts wel moghen ontberen,
Want dan zal u raden de wyze gheest des Heren.
1810
+Dees klare bril thoont my naacktelijck voor oghen
Mijn licht ghelovigheydt en 't bedrogh vande loghen.
Fy mijns! hoe blindelijck heeft my die bedroghen!
Hoe heb ick zijn valscheydt zo lang gheloven moghen?
Vandt ick niet ontwyflijck met smerten t'alder uren,
1815
Dat mijn ziel met waar leedt zijn valsch lief most bezuren?
Zijn leedt blijft stadelijck, zijn lief als een pijl vervliet.
| | | |
Hy beloofde my vrueghde en gaf bitter verdriet.
Hy beloofde my weelde en gaf jammer ellendigh.
+Dit bevandt ick daaghlijcx, noch behielt hy my behendigh
1820
In zijn strick bedrieghlijck door zijn arghe listigheydt
Van dit valsche oordeel, oorzaack van mijn twistigheydt. 1821
Zal my dan dit bedrogh noch langher verklicken?
Gheenssins. daar leydt de bril aan hondert duyzent sticken!
Ey godloos Achazib, ghy bracht my in schanden!
1825
Waardy, o schelm, nu hier, ick schuerde u met mijn tanden,
Ghy schalcke verleyder, listighe bedrieghere,
Dubbelde hypocrijt en zeer valsche lieghere!
Ach in wat ellenden ben ick door u gheraackt!
Adieu Israel, ick ga, ziet dat ghy vlytigh waackt.
1830
O Aristobole, zoudy my nu verlaten?
Mijn blyven magh letten, en u gheenssins baten.
Ick heb zulcke tekens in u al vernomen,
Dat wyzer raadt dan ick, u haast by zal komen.
Gods troost blijft buyten, zo lang mensch op mensch betrout.
1835
Vaart wel man! blijft wacker, ziet dat ghy goey wake hout.
| |
De vierde handeling. IJ uytkomen
Die zijn quaatheydt recht weet en ghelovigh verstaat,
Gods goedtheydt leert bidden om verlossing vant quaadt.
Israel. Johanna met een gulden zonne in d'een handt. Cognitio vera.
Most die trouwe raadtsman my dan oock beswijcken
In deze hooghste noodt, nu ick ellendelijcken
1840
Van Godt ben verlaten onder mijns vyandts handt,
Zo gheheel machteloos zonder alle verstandt?
Zeker zo ick, als voor, zijn raadt niet wilde volghen,
'T moght schynen dat hy ghing te recht op my verbolghen.
Maar nu ben ick zijns raadts zo hertelijcken begherigh;
1845
Dit weet hy, en is noch van my zo heel afkerigh.
| | | |
Godt weyghert my bystandt, de mensch wil niet helpen,
En ick magh zelf gants niet om mijn kommer te stelpen. 1847
+Waar zal ick my wenden? wien doe ick mijn gheklagh?
Maar wat ist? Godt doet recht. ick verschulde harder slagh. 1849
1850
Ick heb Godt verlaten en den mensch gheaankleeft,
Ist dan onbehoorlijck dat my Godt en mensch begheeft?
+Wee mijns, van acht'ren dringt d'onvermydelijcke noodt;
Voor wacht my 't leyde kruys, al mijnder lusten doodt.
Mijns herten onghenoeghen lijdt niet dat ick hier ruste.
1855
En 't voortgaan is zwangher met doodtlijcker onluste.
Of ick noch al met ernst bestondt voorwaarts te gaan,
+Ick heb daar gheen kracht toe, kan mijn wegh oock niet verstaan.
Blijf ick staan, my honghert op dees verdorde weyden;
Ga ick voort, ick dool meer, ick kan my zelf niet leyden.
1860
Blijf ick, de felle wolf zal my hier eenzaam verslinden,
Ga ick dan voort, ick val inden grachte der blinden. 1861
Rondtsomme verschrickt my het ancxtigh beduchten,
Daar toe ick niet kan doen dan met herten verzuchten.
Even zo weynigh als die al-vervullende lucht
1865
Het ydel ledigh laat, maar vervult dat metter vlucht; 1865
+Zo weynich alst water eenigh onbedijckt dal
In dorre droogheydt laat, maar bevochtighet al;
Ende zo weynich als die stralen der zonnen
Een open doncker huys, doncker laten konnen,
1870
Maar moeten met huer glants dat huys verlichten ghereedt 1870
Als daar opening is, al waart maar door een spleet,
So weynigh vermagh ick dat ick van troost ledigh laat
Den mistroostighen mensch, leegh van quade toeverlaat;
So weynigh vermagh ick niet te bedouwen spoedigh,
1875
Metten hemelschen douw een dor herte ootmoedigh,
En zo weynigh magh ick laten Gods licht te toghen
Den recht armen van gheest, blindt in huer zelfs oghen.
Israel is leegh van waan, die heeft hy zo verschoven,
Dat hy den loghen valsch niet meer en magh gheloven.
| | | |
1880
Hy is recht ootmoedigh en by hem zelfs zo zot,
Dat hy zich kan buyghen onder den hooghwyzen Godt.
Nu ick hem zo bequaam heb konnen bespieden,
Moet ick hem mildelijck Gods gaven aanbieden.
Wat gheldet? hy zal die begheerlijck ontfanghen.
1885
Godt groet u Israel, Godt boet u verlanghen
Met zijn troost, met zijn hulp, met zijn rijcke goedtheydt.
Noyt mijn daghen voelde ick in mijn ziel zulcke zoetheydt
Als die minlijcke groet daar nu in heeft ghebaart.
Wie zydy? waan komdy? zegt edel Princesse waart! 1889
1890
Ick ken u niet altoos, wat doet u my verzoecken, 1890
Met u Hemelsch licht in dees duystere hoecken?
Ghy zijt een Hebreeusch man, mijn naam is Johanna. 1892
Nu weet ghy wie ick ben, des ick oock daar van ga
Om u te verklaren van waar ick ben ghekomen.
1895
Ick koom stracx van Gode met gaven uytghenomen, 1895
Om u hier ligghende int wanhopigh verdomen
Lieflijck te vertroosten van u ancxtigh schromen,
En met dueght vervullen na u quaadtheydts vernielen.
O zoete Medecijn der ellendigher zielen!
1900
In my is doch niet goedts, hoe naamdy hier u ganghen?
Ick koom om te gheven, niet om te ontfanghen.
In u zagh ick maar zonde, en recht bekende noodt,
En haaste my t'uwaarts, doe ghy van u zelven vloodt,
Om u toevlucht te zijn, doe ghy niet wist waar vlieden.
1905
Zegt, wat bracht u in noodt?
Maar meest mijn verwaantheyt, die de loghen gheloofde,
| | | |
'T welck mijns herten ooren ter waarheydt zo verdoofde,
Dat ick my van niemandt, hoe wijs oock, en liet raden.
Zoudt ghy nu de waarheydt oock willen versmaden?
Dat heeft Moyzes betuyght.
Zo lang ick my had ghebuyght
Voor Godt en hem diende als mijn Heer en mijn hooft,
Gaf hy my veel meer goedts dan hy my hadde belooft.
Oock heb ick hem te recht na 't pleghen van mijn zonden,
1915
In zijn ghedreyghde straf warachtigh bevonden.
Wildy Godt wel weder ghelooven met betrouwen?
Zijn zoete beloften zo wel warachtigh houwen,
Als zijn straffe dreyghing? en alleen op hem bouwen?
Godt zo te betrouwen is my gants onmoghelijck.
Ick dancke hem hoghelijck.
O boodt Godt my dat aan, ick ontfingt begheerlijck.
| | | |
Daar ist. daar is zijn trou, des gheloofs gave heerlijck.
Blijft Godt u Heer ghetrou ende dient hem eerlijck,
Hy zal u bevryen van u jammeren deerlijck.
1925
Lof gaafrijcke miltheydt, die my zondaar quaat-aardigh
Begaaft met een kleynoodt zo dierbaar en waardigh!
Dits een kostelijcke ring, zuyver en van louter goudt.
+'T geloof lijdt proef int vuyr, maar 't verbrandt niet als hout;
Daar inne ist van aardt alst onverbrandelijck goudt.
1930
Oneyndtlijcke trouheydt beduydt des rincx rondigheydt,
Haar klare karbonckel dient tot wyze kondigheydt
In des nachts aanvechting duyster en vervaarlijck,
Want zy licht int doncker als een sterre klaarlijck.
Steeckt hem aan u vingher en wilt hem vlytigh wachten. 1934
1935
Hy is zo wonderlijck van werking en krachten,
Zo wel in dueght te doen als in verstandts betoghen,
Dat ghy al 't verstaan goedt na wil wercken zult moghen, 1937
Na dat ghy den quaden zult hebben verwonnen.
Doch behoeft daar meer toe, dat God u al sal jonnen,
1940
Zo ghy hier in trou zijt en blijft in Godes Wet.
Daar eyscht oock meer toe.
Kennis in waarheydt beproeft.
| | | |
+Van ghever, van bidder, en van behoeft.
Hoe zal ickt spoedelijcxt daar aan moghen raken?
1945
Hier staat Cognitio, die zalt u kondigh maken.
Dat doet, O vrundinne, tot mynen voordeele.
Gaarne. neemt die schalen van warachtigh oordeele.
In d'een legt u zonder zwaar en menighfuldigh,
In d'ander legt de Wet en ziet wat ghy blijft schuldigh.
1950
+Want daar zy het quaadt zo strenghelijck verbiedt, 1950
Eyscht zy ware onschuldt, die hebdy gantselijck niet.
En daar zijt goedt beveelt, eyscht zy die edele dueght,
Daar af ghy ydel zijt, maar vol quaadt al vander jueght. 1953
Dit doet dan diep zincken met nedre spoedigheydt,
1955
In ware heylighe en veylighe ootmoedigheydt.
Dan komt oock doort weten van alle dueghts ontberen,
+Onghenoeght en onrust, die baren 't goedts begheren,
Meer dan ghy hebt. weeght voorts u schadelijcke zotheyt, 1958
Met de wijsheydt heylzaam van d'alwetende Godtheydt,
1960
U quaadtheydt, zijn goedheydt; u kranckheydt, zijn moghentheydt.
+Dan zuldy klaar mercken, alst u zo voor oghen leydt,
De heerlijcke glantse van Gods wijsheydt gheeert,
Die u weyghert 't ghunt ghy tot u bederven begheert.
Zijn minlijcke goedtheydt, die u zelf komt aanbieden
1965
Zijn heyl, die u zotheydt, als 't verderf, plagh te vlieden.
Oock zijn macht oneyndtlijck, volbrenghende krachtigh
In zijn volck, 't gunt daar toe zy zich kennen onmachtigh.
+Nu merckt ghy wat daar is u noodtlijck behoeven,
Namentlijck goedt worden, dat niemandt magh bedroeven.
1970
Dit mooghdy onbeschroomt van Godt bidden met wenschen.
'T verkryghen schaadt niemandt, en betert allen menschen,
| | | |
Want het is een verlies van quaadtheydt schadelijck,
+En een zaligh kryghen van goetheydt goedtdadelijck.
Elck bidt dit voor hem zelf, oock voor zijn broedere,
1975
Want dit verkryghen maackt elck verkrygher goedere 1975
Dan hy eerst was. dit magh gheen mensch verquaden.
Och, of alle menschen ghelovigh hier om baden,
En wijslijck verlieten al 't ander blindt verkiezen,
Welcx verkryghen meest arght en rust doet verliezen,
1980
Zy zouden alle tijdt het begheerde goedt verwerven,
En Gods heylighe rust hier en hier na beerven.
+Dit waar te recht voor al het Rijcke Gods ghezocht,
En zijn gherechtigheydt. Die huysvader wijs bedocht 1983
Zoude u vant toewerpsel zo rijckelijck bezorghen,
1985
Dat onnodigh zou zijn te zorghen voor den morghen.
Zo werptmen opten Heer de zorgh van alle zaken,
Betrout zijn goetheydt wijs, die zal voor u waken;
Die zalt al wel maken, u ghenoeghlijck voeden,
En heel zorghvuldelijck voor alle quaadt behoeden.
1990
Dits de zalighe les, die wy u voorschryven.
Dits Gods woordt. neemdyt aan, wildy daar in blyven?
Daar mede een werden ende u maken ghewoen, 1992
Nemmermeer u eyghen, maar altijdt Gods wil te doen?
O moght my dat werden! ick vindt boven mijn macht, 1994
1995
Maar ghy, eel maaghdekens Goddelijck van gheslacht,
Hebt verstandt en macht, zo ick nu kan mercken,
My dit te doen verstaan en dadelijck te wercken. 1997
+Weest ghy mijn leydtsluyden, ick volghe u stille.
Ick zal ledigh rusten, doet ghy in my u wille.
2000
+O heylighe luste, O goedtwerdens verlanghen,
O zoete leringhen, zalighmakende zanghen,
Die mijn ghewonde ziel met u zoetheydt minnighlijck
Zo lieflijck bedouwet, dat zy versmelt innighlijck,
Door begheerten vuyrigh met zo hemelschen krachte,
2005
Dat mijn zin, mijn reden, mijn verstandt en ghedachte,
Als nevel verdwynen voor der zonnen klaarheydt!
| | | |
Ja mijn leden zyghen door krachteloze swaarheydt.
+Hy valt in zwijm gheheelijck van hem zelven.
Nu ist tijdt in zyn borst grondelijck te delven,
2010
Om hem te beroven van hem zelfs, t' zynder baten. 2010
Niet zonder zyn wille: want hy stondt ons ghelaten. 2011
Daar beneem ick hem met een ghenezende smerte
Zyn stenen hert en gheef daar voor een vleeschen herte.
D'eyghenwilligheydt hardt is nu uyt hem verloren,
2015
Een ghebooghzame wil is daar voor gheboren.
Nu ist met dezen mensch al gheheel ghewonnen,
Al werdt zyn lijf oock stracx vander doodt verslonnen.
+Want Godt is zyn vader, hy is nu Gods kindt,
Dien hy niet ancxtigh vreest, noch om zyn loon bemint,
2020
Maar hy lieft om goedtheydt zyn goedighe Vader,
Met een natuyr Godtlijck uyt des heylighen Gheests ader,
Door ons beyder wercking in hem nu gheworden.
Het waar nu al schier tijdt dat wy hem aanporden
Om den Heer te bidden, die bereydt is te gheven
2025
Der zonden ware doodt, en een dueghden-rijck leven.
Barmhertigh is, o God, met my u wanderinghe. 2026
Ick voel in mijn herte zulcken veranderinghe,
Dat u Wet, dien ick eerst hate doort ontrusten,
My nu zo wenschelijck is, dat myns herten lusten
2030
Onophoudelijck niet anders en bejaghen
Dan des Wets volbrenghen. niet uyt ancxt voor u plaghen,
Maar om dat zy zo zoet is, licht en lustigh om draghen,
Overmidts haar goedheydts, en schoonheydts welbehaghen. 2033
Ghy zijt blyde Israel, zo waart ghy oock voortyden,
2035
Als Achazibs bedrogh u in droom dee verblyden.
Ist nu mede gheen droom? ist gheen waans vermeten?
| | | |
+Dat was enckel loghen, die magh men niet weten.
Dits waarheydt diemen niet magh hebben met wanen.
Ick waande des loghens bedrieghlijck vermanen,
2040
Maar nu weet ick waarheydt doort ghevoel bevindelijck.
En magh ick my zelve nu gheenssins meer beromen.
+Van my komt niet dan quaat, 't goet moet van Gode komen;
Van u O lief Vader, u moet ick daar af dancken.
2045
Ghy vertroost den droeven, ghy gheneest den krancken,
En ghy helpt den swacken u wille te volbringhen.
Hadde ick macht na wil, ick dedet in allen dinghen
Na u heylighe wil, maar nu aankleeft my 't quade.
2050
Ghy krijght volkomen kracht om grondtlijck te vernielen
Al 't aanklevende quaadt en swackheydt uwer zielen.
'T quaadt hebdy van zelf, daar u ziel truerigh in sneeft. 2052
God is en heeft alleen 't goet, dat goet maakt dien hyt geeft;
Maar hy gheeft dat alleen diet recht bidt en begeerlijck.
2055
+Die bidt alleen recht, die na zijn woorden leerlijck
In gheest en waarheydt bidt met verkryghens betrouwen.
God is geest en waarheyt; dit gheldt in zijn aanschouwen.
Doe ghy om verlossing baadt van u vleeschs vyanden,
Badet ghy inden vleesch, 't Ghebedt werdt tot schanden,
2060
Ende door valsche waan int oordeel bedroghen,
Baadt ghy niet in waarheydt, maar in ontrouwe loghen.
Maar nu zalmen 't Gebedt, gheschickt na Gods behaghen
U hertelijck verzoeck voor zyn oghen doen draghen,
Zo werdy na wensch van u Vader verhoort.
2065
Waar vind ick zulck Ghebedt?
| | | |
Zy komt hier rechte voort.
Eer ghyt zelve verzint, zal zy u ghenaken,
Zo haast u begheerte zo vuyrigh zal blaken
Om verlossing vant quaadt dat in u ziel noch woont,
Dat ghy u verdoemnis zo gants niet en verschoont, 2069
2070
Dat ghy, bevrydt vant quaadt, eer den Hemel zoudt derven,
Dan dus quaadt blyvende den Hemele verwerven.
Tot dese vuyrigheydt komdy eer en bequamer,
Zo ghy gaat in u zelf, dats in u slaapkamer,
Wtsluytende buyten al uwer zielen krachten,
2075
Alle tijtelijcke swervende ghedachten,
Om met dees twee schalen aandachtigh toverweghen, 2076
Gods grote weldaden en u ondanck daar teghen.
Zo mooghdy schickelijck by gheschrifte stellen 2078
'T verzoeck om verlossing van al dat u magh quellen.
2080
Mijn zuster zalt ghebedt totter zielen verquicken,
Bequamelijck rusten, bereyden en schicken, 2081
Op dat eerwaardelijck u Ghebedts verthoning
Met vrucht magh gheschieden aan die hooghwaarde Koning.
Zy is daar eens gheweest, maar werdt zo beschaamt,
2085
Dat ghyze zult vinden onwilligher dan ghyt raamt. 2085
Zorght niet, zy werdt bereydt, zo eerlijck na 't betamen,
Dat zy dees Legaatschap haar niet en zal schamen.
Verkoren maaghdekens, mijn grote hartstoorlijck leedt
Belemmert mijn zin zo, dat ick nau zelf en weet,
2090
Hoe ende wat ick best aan den Heere zal beden.
Mijn zuster Cognitio zal met u binnen treden
En 't Request bewerpen; niet en kan ontvluchten 2092
| | | |
Haar verstandighe pen, ghenaamt 's gheests verzuchten.
Beschickt ghy haar 't papier van klare aandachtigheydt,
2095
Metten rouwighen inckt vander tranen klachtigheydt. 2095
Gaat te zamen binnen, ick zal 't Ghebedt hier beyden,
Ende haar, als zy komt na 't betamen bereyden.
| |
De vierde handeling. IIJ uytkomen
Vasten, Aalmis, met 's herten aandachtigheydt, 2098
Verzelschappen 't bidden in gheest en warachtigheydt.
Precatio. Johanna.
2100
Israel bekent zijn noodt, hy ghelooft nu Gode,
Bereydt zich tot bidden en zal my weer als Bode
Schicken, daar ick eenmaal zo schandelijcken gheweest. 2102
Maar want mijn eerbaarheydt voor nieuwe schaamte vreest, 2103
Zaagh ick gaarne voorhoedt; dat alleen zou vermoghen 2104
2105
Gods ghenade. die maackt jonstigh voor Gods oghen.
Loop ick begheerlijck eerst van zelf int ghemoedt.
Zegt op Precatio, wat is u begheren?
O Hemelsche Princes waardigh alder eren,
2110
Minlijcke troostersse der bedruckten menschen,
U te moghen spreken was mijns herten wenschen.
De mensch die zich tot bidden bereydt,
Zal my weder zenden voor die hoghe Maiesteyt.
Daar heb ick noch onlancx zulcke schande behaald
2115
Dat ick vrees voor die reys.
| | | |
Neen vrundinne ghy dwaalt,
Zulcke verandering is nu in Israels zaken,
Dat ghy gheen zwarigheydt in die reys hoort te maken.
Godes hooghwaardigheydt was hem voormaals onkondigh,
Oock zijn onwaardigheydt vol boosheyden zondigh. 2119
2120
Dat maackte hem vermetel stout ende onbedacht,
'T welck u onschuldelijck in die beschaamtheydt bracht.
+Nu kent hy na waarden die goddelijcke grootheydt,
Hy kent oock ootmoedigh zijn zondelijcke snootheydt.
Dus zit neder by my. ick wil u zo toerusten,
2125
Dat ghy daar eerlijck komt en verwerft met lusten,
Alls dat hy verzoeckt. 2126
Al schickt ghy my schoon opt best,
Dat en is niet ghenoegh; want een beter Request
Moster zijn dan laatstmaal. dat bracht my die schennisse.
Zorght niet; dat werdt ghestelt by mijn zuster Kennisse.
2130
Die bereydt oock voor u twee luchtighe wiecken,
Het Vasten met Aalmis voor ghezonden en ziecken.
+Het vasten niet alleen op zommighe daghen,
Maar oock doort heel leven tot ondueghst vertraghen;
Niet van noodtdurftighe en ghezonde spyzen,
2135
Maar van zonden doodtlijck, en vasten waart om pryzen.
God wil niet datmen 't lijf kranckt door nootdurfts derven,
Maar datmen de ziel sterckt door quaey lusten te sterven;
Daarom noemtmens vasten, dats in aanvechting vast staan. 2138
Dit gheschiedt in stryders die manlijck onbelast gaan,
2140
Of onghevelt blyven van beghering van hoogheydt,
Rijckdom, eer, lijfs wellust, die smekelijck int oogh leydt, 2141
Zo datmen vrywilligh en standvastigh kan vasten
Van overvloedt in spys of dranck (doodtlycke lasten),
Oock van pracht in kleeding, in huysraadt, in woninghe,
2145
Die elck duyr bekostight tot hovaarts verthoninghe.
| | | |
+D'ander vlueghel, aalmis, werdt byt vasten ghepaart,
Want zy deylt den armen den overvloedt bespaart.
Wie zijn buyck ydel vast om te vullen zyn kist,
Is ghierigh en vast niet, maar die 't ghespaarde mist,
2150
En door liefden wtdeelt aan den rechten armen,
Die vast. zulck ontfarmer zal Godt oock ontfarmen
Ende in zyn ghebreck beschencken rijckelijck.
Deze twee wiecken dan zullen ghelijckelijck,
U licht ende snellijck voor den Heere draghen.
'T zyn wiecken die my badt, dan die eerste behaghen. 2155
Voorts moet ick deze zack om u lichaam gorden.
+Want hy is als een zack nu snode gheworden,
In zyn eyghen ooghen en warachtigh oordeel.
Als een ledighe zack magh hy t' zynen voordeel
2160
Veel gaven ontfanghen vanden milden Gode,
Die met dierbaar goeden vult zulcke zacken snode.
+Gordt den zack dicht om 't lyf met dees bandt in trouwen,
Van verleden zonden het ghestadigh aanschouwen.
Die zal hem zyn snootheydt zo vast doen ghedincken,
2165
Dat hy zich niet verheft, maar stadigh neer moet zincken.
Die rusting behaaght my, God gheef oock wieze begeckt.
+Ghy zyt een vrou, die moet beden met een hooft bedeckt
Met kleyn verworpen stof en onnutte asschen.
Zijn kleynheyt moet opt hooft tot verwaantheyts afwasschen.
2170
'T vuyr van verzoeckinghe heeft zyn stoppelen verbrant,
Dus dient d'asch opt voorhooft, tot ontdecking van zijn schandt.
Laat die nieuwe schoenen u voeten bekleeden,
+Want zyn lusten dierlijck wilt hy stadigh vertreden.
Zyn quade ghewoonte en wert voorts meer niet verschoont;
2175
De doode huyt is nut tot een nieu levens ghewoont.
Een dode hondt zeydtmen dat niemandt meer en byt,
Ende des vyandts doodt veylight voor nieuwe strijdt.
| |
| | | |
De vierde handeling. IIIJ uytkomen
Belyding van zonden, verwilliging inde straf,
Met verkrijghens gheloof, bidden waarlijck den zonden af.
Cognitio. Johanna. Israel. Precatio.
2180
De Request is ghemaackt, de wiecken zyn bereydt,
'T ghebedt vinde ick vaardigh, nu dient niet langher ghebeydt,
Dan dat wy de Request te zamen overlezen,
Of daar in yet ghebreck of te veel moghte wezen.
Neen. elck leest best zyn zelfs handt.
2185
Ick begin dan lezens, letter op met al 't verstandt.
+Aan den almoghenden goedighen weldadere,
Der koninghen Koning, der liefhebbers Vadere,
Der bedroefden Trooster, der zonden verghevere,
En der vernederden heerlijcke verhevere, 2189
2190
Gheeft klaaglijck te kennnen met nedere ootmoedt,
Met een ghebroken hert, met waar berou ende boet,
+Israel u majesteyts ellendighe onderzaat,
Voormaals heyligh en goedt, daar na zondigh en quaadt,
Quaadt doort loghens gheloof en zijn stoute onvroetheyt,
2195
Maar goedt door die schepping van u Godlijcke goetheyt,
Die hem gekroont hadde met loflijcke eerwaardigheyt,
Die hy door onwyze en lustighe hooghvaardigheydt,
Verschalckt zijnde, verliet in u ghebodts verachten,
Daar door hy met al zijn (hem volghende) gheslachten,
2200
Ellendigh is gheraackt in 's doodts bedervenisse,
Buyten u ghenade en rijcke ervenisse,
Dat niet teghenstaande u milde goedigheydt,
Daar na aanmerckende zijn Ouders ootmoedigheydt,
+Beloften ghenadigh hem hadde ghegheven,
2205
En hun (zo langhe zy u onderdanigh bleven)
Voor allen jammeren trouwelijck heeft behoedt,
Als Noe rechtvaardigh, voor d'al-smorende zondvloedt, 2207
Den gheliefden Jacob u ghehoorzaam jonghere
Met zijn geheele huys voor d'Egypsche honghere,
| | | |
2210
Oock den Suppliant zelf voor des Meyrs verdrincken, 2210
Voor hongher, voor dorst, en voor 't vyandtlijck krincken,
Dien ghy goedtlijck vergaaft veel grove mishandeling,
Ondanckbaarlijck ghepleeght in zijn quade wandeling,
Ja hem veyligh stelde als een vruchtbare plant,
2215
Inde vette weelde van dat beloofde Landt,
Al waar de Suppliant in zijn plompe weelde
+U heel verghetende metten Afgoden speelde,
Waar door hy dan dickmaal u heylzaam straf lijden most,
Daar uyt hem u goetheydt, als hy maar riep, heeft verlost,
2220
Zo dat de Suppliant immers wel hadde behoort
Danckbaarlijck te leven na u zalighmakend woordt 2221
En gants te verlaten zijn zondighe weghen,
Hy snode Suppliant, doende plat daar teghen,
Zo gants weynigh dede dat u goedtheydt ghenoeghde, 2224
2225
Dat hy tot de ouden oock nieuwe zonden voeghde,
Verlatende zijn Godt, zijn trouwe hulp in noden,
En vlytigh dienende onghetrouwe Afgoden,
Zijnder handen maacxel, rechts of hy had ghezworen,
U langmoedigheydt zacht, tot grouwelijcken toorn,
2230
Met vuyrigher hitten teghen hem te ontsteken;
Des hy aanmerckende deze zyne ghebreken
+Zo groot, zo lasterlijck, en zo menighfuldigh,
Hem zelf te recht verstondt der verdoemenissen schuldigh,
Den eeuwighen banne van u aanzicht rechtvaardigh,
2235
En allen ghenade ghehelijcken onwaardigh,
Ja oock gants onwaardigh om immermeer te moghen
Met Bede verschynen voor uwe goedtheydts oghen;
Maar want hy, voelende met doodtlijcke smerten,
+De bittere droefheydt en zware druck zijns herten,
2240
Doort ontberen uws woorts, der zielen verzoetsele,
Die vander zonden draf en verkreegh gheen voedtsele,
Maar hongerigh verdween, midts in vleeschelijcke lusten, 2242
Daar de zondighe ziel gheenssins in magh rusten;
Zulcx dat hy nu verstondt in zijn ziele bedroeft,
2245
+Zijn groot onvermoghen, zijn zotheydt, zijn behoeft,
Oock zijn verkeert oordeel, oorzaack van al zijn quaden,
| | | |
Doort Hemelsche licht uwer milder ghenaden,
Die met haar bracht kennis van zijn boosheyt inden grondt,
Oock van u goedtheydt groot, en hem oock maackte kondt,
2250
+Dat uwe Majesteyt uyt liefden heeft bevolen,
U om hulp te bidden, al die hulpeloos dolen,
Zonder u Maiesteyts beloften te verzwyghen,
+Dat de ghelovigh bidder ghewis zal verkryghen,
Daar door zy hem gaven een ontwyfelijck gheloof,
2255
Dat voor [hem] open staat, en hem nu niet meer is doof,
Als hy bidt naar u wil, die niet en wil bederven
Den bekeerden zondaar, maar hem 't leven doen erven;
Daarom de Suppliant wetende nu waarlijck,
+Dat hy ghezondight heeft grouwelijck en zwaarlijck,
2260
'T welck hy voor u belijdt met zulck grondigh leedtwezen,
Dat hy d'eeuwighe doodt veel min zoude vrezen,
Dan langher te blyven een slave der zonden,
Als die dit onrecht, de straf zo recht heeft bevonden,
Dat hy zich vrywilligh met een lijdzaam ghedult,
2265
U straffing onderwerpt, dien hy zwaarlijck heeft verschult, 2265
+Zegghende ghelaten met troostloos berouwen,
Ghy zijt de Heer, doet dat goedt is in u aanschouwen,
Macht ghelaten herte, dat nu diep in ootmoedt is,
U niet behaghen, doet dat in u oghen goedt is,
2270
Hy wilt willigh lyden, en ghelijckmoedigh draghen;
Maar want het onrecht is en teghen u behaghen,
+Dat over u maacxel vreemde en quade Heeren
'T ghebiedt zouden hebben tot uwer oneeren,
Verschijnt de Suppliant gheheel ootmoedelijck,
2275
+Wt d'alder diepste noodt, begheerlijck en spoedelijck,
Voor u oghen Godtlijck, ghenadigh en open,
Met een vast betrouwen en ontwyflijck hopen
+Van verhoort te werden in zijn schamele bede,
Door kondt van u miltheydt en zyn ellendighede,
2280
Die hem vast verzekert inder ghenaden klaarheydt,
Dat u goedtheydt, u lieft, u zekere waarheydt
Niet moghen weygheren het bidden met smerte,
Van een bedroefde ziel en ootmoedigh herte,
+Dat met vast betrouwen u beloften aanschout,
2285
Al zijn eyghen vermoghen volkomentlijck mistrout,
Zich zelf, en de zonde recht vyandelijck haat,
| | | |
Goedtwilligh na der dueght uyt rechter liefden staat,
En lust heeft om leven na u Ghebodt eendrachtigh;
Al 't welck de Suppliant in zich ziende warachtigh:
2290
Verzoeckt nu hertelijck zonder eenigh ophouwen
Wt gheheelder zielen, met ontwyfelijck betrouwen,
Een troostelijck vermaan van u beloften ghenadigh,
Dat u doch ghelieve, O Koning goedtdadigh,
Barmhertigh, zoet, minlijck, verbiddelijck, goedigh,
2295
Goedertieren, vrundtlijck, mildt, vol goedts overvloedigh,
Hope der troostlozen, toevlucht der armen,
+Dien 't straffen niet lust, maar 't ghenadigh ontfarmen,
Spoedigh te ontfarmen over den Suppliant,
Om hem maar te vryen van zijnder vyanden handt,
2300
Op dat hy zonder vrees, alle zijns levens tijdt,
+U, o Heer magh dienen in heyligheydt met vlijt,
Die u behaaghlijck is. Heer, helpt, zo magh hy snel spoen
Tot u zalighe dienst. dit doende zult wel doen. etc.
Wat dunckt u Precatio? hoe bevalt u die Request?
2305
Die is goedt opt gheloof van Gods goedtheydt ghevest.
Die ootmoedighe bede en zal my niet beschamen;
Wy kryghen ghewislijck Fiat, ja ende Amen.
Spoedt u rasch heen, ghebedt; haast u tot Gode,
Want spoedighe hulp heeft mijn ziel van node.
2310
Een goedt Medecijn haast om 't verlanghen der ziecken. 2310
Ick gha my oock haasten met twee snelle wiecken,
Om Israels verlanghen, dien ick hoop gheringhen 2312
Tyding vant verkryghen zijns begherens te bringhen.
| |
De vierde handeling. V uytkomen
Als de boetvaardighe zyn quaadtheyt pynlijck uytspout,
2315
Zuyvert hem des Lams bloedt dat ghenadelijck bedout.
| | | |
Cognitio. Israel. Johanna.
+Voormaals als Moyses badt metten handen stedigh 2316
Opgheheven, waart ghy O Israel niet ledigh,
Maar ghy streedt dapperlijck en verwont u vyanden;
Wildy nu int bidden ledigh zyn van handen?
2320
Wat zal ick doen? kleyn is mijn verstandt en krachte.
+Doet dat ghy nu goedt weet, en vindt in u machte.
Al weet ghyt goedt te zijn dat ghy al u Heren vreemt,
Den quaden ghewoonten, terstont al haar macht beneemt,
Ja, dat ghyze al teffens grondtlijck zoudt vernielen,
2325
Die macht vindy noch niet inden grondt uwer zielen.
Zulck bestaan tenemaal waar u zwackheydt noch te veel;
Maar mooghdyt int heel niet, bestaat en doet dat int deel:
Bestaatse vry int deel te vernielen en moorden,
Dat werdt hem groot afbreck. let wel op mijn woorden,
2330
+Al ist dat Godt u een nieu hert heeft ghegheven,
Zo is noch 't oude quaadt niet al uyt u ghedreven.
Neen, tis daar met een huy niet al in ghekomen, 2332
'T werdt daar oock zo niet al teffens uytghenomen.
+'T nieu hert is maar een nieu ghebooghzame wille,
2335
Die haar buyght onder Godt in ghelatenheydt stille,
'T welck niemandt en vermagh, zo langhe de versteentheyt
Van zijn wil hardtneckigh noch int hert en ghebeent leydt.
Van dit versteende herts hardtneckighe daden
Zydy verlost, maar niet gheheel van alle quaden.
2340
Daar zijn veel Afgoden noch in u hert verborghen,
Die ghy al moet breken, vernielen en verworghen.
+Al dat ghy buyten of beneven God,
(Merckt hier doch vlytigh op, tis van grote zaken 't slot)
+Noch goedt waant, bemint, wilt en met lusten aankleeft.
2345
Ick weet wel dat ghy Godt nu zo boven al verheeft,
| | | |
Dat ghyt eer zoudt willen (vant doen zegghe ick noch niet)
Al laten, dan God, dien ghy voor 't hooghste goedt aanziet; 2347
Maar dits noch maar kennis, lieft en wil int alghemeen,
Ende niet van elck ding int byzonder alleen.
2350
+Dees krijghdy allencxkens door kennisse der waarheydt,
Int styghen uyt minder in een meerder klaarheydt.
Wildy nu klaarlijck zien hoe veelderley Afgoden,
Lusten, toeverlaten, en by-troosten in noden,
+Onder een goede schijn met listighe treken,
2355
In verholen winckels uws herten tempel steken, 2355
Zo onderzoeckt u grondt, met aandachtigh zwyghen: 2356
Wat u zou verblyden, zo ghyt moght verkryghen,
Oock wat bedroeven zou, zo ghyt moste derven,
Wtghenomen alleen dueghde te verwerven,
2360
En zond te verliezen, te laten, te sterven;
Welcke vrueght en droefheydt zaligheydt doen erven;
Want wat ghy buyten Godt na hoopt of voor vreest, 2362
Dat is een Afgoyken in u hert ende gheest.
Laat ons dit alghemeyn int byzonder beproeven, 2364
2365
En dat niet inde vruecht, maar alleen int bedroeven.
Zegt: hebdy niet een trou, bedienstigh, een vrolijck wijf?
Sterf zy, zoudy niet trueren om dat ongherijf?
Dits dan een van u Afgoden quaadt,
Die ghy buyten Godt lieft, zo heel boven de maat,
2370
Dat u het gheschieden van Godes wille goedt,
Zo zeer zou bedroeven, in u onwijs ghemoedt,
Dat ghy wel zoudt willen, dat niet Gods ghebieden,
Maar u wil en bevel daar in moght gheschieden.
| | | |
Zo ist oock met lieve Ouders, vrunden en kinderen,
2375
Want naamze Godt wech, u bedroefde het minderen, 2375
Als dieze liever zoudt teghens Gods wille houwen,
(Waart in u vermoghen) om 't vermyden van rouwen.
Zo ist oock met u gheldt, eer, ghezondtheydt en leven,
Daar u hert buyten Godt noch bedeckt gaat aankleven.
2380
Al hoe wel nu u hert int gheheel staat gheboghen
Onder Godt, zo dat ghy den doodt liever zoudt doghen,
Dan willens en wetens yet teghen zyn wille doen, 2382
Zo kondy nu nochtans hier by klaarlijcken bevroen
Dat elck deel noch ontbreeckt veel ghelaten stilligheydt, 2384
2385
Door onverstandigheydt, niet door quaadtwilligheydt.
Al magh u goede wil int gheheel niet vereelen, 2386
Daar ghebreeckt noch veel aan in elck vanden deelen.
Mijn onverstandt (daar van my de Heer moet bevryen)
Hielt die dinghen voorzeydt niet voor Afgoderyen,
2390
Maar voor gheneghenheydt, gants onverliezelijck.
'T komt uyt onverstandt en valsch oordeel verkiezelijck,
'T welck noch ghelaten heeft in u ghemoedt onverzocht, 2392
Veel valsche opinien, dien 't quaadt goedt heeft ghedocht.
En 't goedt scheen haar quaadt, in veel, niet alle dinghen,
2395
Die 't goedt ghewaande quaadt, doen begheren gheringhen,
En 't quaadt ghewaande goedt, ancxtelijck doen vlieden;
+Zo moet de waarheydt zelf dees wanen uytwieden
Met al huer wortelen, want blyven die inde grondt,
Nimmermeer werdt u hert reyn daar af en recht ghezondt.
2400
O waar mijn hert bevrijdt van al mijn blinde wanen,
Zo waar mijn trueren wech met veel onnutte tranen.
+De waan ist (zo ick merck) die my zondelijck bedroeft.
Hoe werdtmen den waan quijt? ick hebs hier niet gheproeft. 2403
| | | |
Mijn zuster Johanna heeft in plaats van een tessche, 2404
2405
Een dierbare drancke in een edele flessche,
+Daar af zy u ghenoegh gants om niet zal schincken.
Dien dranck zuldy terstondt begheerlijck inne drincken.
Die door waarheydts kennisse vande dode wercken 2408
'T hert zuyvren zal, en tot dienst van Godt zo stercken,
2410
Dat ghy niet meer en leeft der menschen begheerlickheyt,
Maar den wille Godes tot prijs van zijn heerlickheydt.
Want zy drijft grondtlijck uyt al des herten boosheydt,
Al de valsche wanen, ja de schalcke loosheydt
Van alle de quade en smekende ghedachten.
2415
Dats voorwaar een dranck van wonderlijcke krachten!
Van beter en heb ick nie mijn daghen ghelezen. 2416
Niet dan van louter bloedt,
+Onschuldige ghevloten uyt een Lammeken zoet,
2420
Godtlijck, heyligh, lijdzaam, onnozel en onbevleckt,
Een volkomen offer voor al dat den mensch ghebreckt,
Als hy dat inne drinckt, waardighlijck zoot behoort.
Aldus. let wel op mijn woort:
+'T lam sterft alst zyn bloet stort; dan sterft oock wel de mensche,
2425
Als hy zijn lusten sterft, en willens derft zyn wensche.
Als de mensch het Lam volght int lijdzaam kruys ootmoedigh,
| | | |
Dan sterft hy met het Lam, en drinckt dees drancke bloedigh.
Als de mensch onnozel het quade stadelijck mijdt,
Godes en der menschen doen gheduldelijcken lijdt,
2430
Volght hyt Lam inden doodt en werdt gantselijck bevrijdt
Vant quade. zo drincktmen dees dranck waardelijck altijdt.
En zo komtmen te recht aan der zielen ghezondtheydt.
Na dien nu menigh Afgodt noch in u 's herten grondt leydt
En ghy nu middel hebt om die te verdryven,
2435
Zo spoedt u flucx aant werck, laatter niet een in blyven.
Haast u die te breken, te stormen, te vernielen
Wt den Tempel Godes, 't inwendighe uwer zielen.
Dit doet nu, dit mooghdy, door behulp van den dranck
+Die mijn zuster u biedt. drinckt vry, ghelooft my, eer lanck
2440
Zullen uyt u ruymen al die quade humoren; 2440
Zuyverheydt zal komen binnen u 's herten doren,
Dan zuldy uwen Godt inder waarheydt aanschouwen.
Die zal zelve komen zyn waarschap in u houwen 2443
En stadelijck wonen tot elcx goedt exempele,
2445
Met alle zijn schatten, in u 's herten tempele.
Moght dat ghebueren my, o moght dat ghebueren my,
Zo waar ick ghenezen en van alle trueren vry!
Ick heb eenen goeden dronck begheerlijck in ghedroncken
Die my u zustere vol in hadde gheschoncken;
2450
Inden mondt gaft een smaack lievelijck ende zoet,
Maar binnen mijn herte vallet bitter als roet.
Daar wellet, daar ziedet, het bijt, het schuymt, het wroet, 2452
En roert al 't herte om, 't verstoort al mijn ghemoedt,
Recht als werckende wijn 't vat aan allen kanten perst.
2455
Die dranck is my te sterck, ach, my dunckt my 't herte berst;
Een stanck stijght in mijn keel, daar af ick moet grouwen.
Helpt doch, en houdt my 't hooft, ick moet bersten of spouwen!
+Huy, wat leelijcker dreck, wat vuylheydt afgryzelijck
Ruymt hier doort ingaan van die reyne dranck pryzelijck!
2460
Ziet, daar zyn gheheele, daar halve Afgoykens,
| | | |
Daar armen, daar beenen en daar halzen met hoykens. 2461
+Dats te recht een hevlzaam en godtlijck beeldstormen!
Fy, wat kruypen hier al opinieuze wormen; 2463
Wonder ist, dat zy hem 't hert niet af en staken.
2465
Daar 't hert een woning is van fenynighe draken,
+Van verkeerde wanen, van doodtlijcke lusten,
Hoe maght een oghenblick met ghenoeghen rusten?
+Och, och, hoe bang is my, hoe hardt werdt die medecijn!
'T quaat sluypt met lusten in, maar 't ruymt altijt met pijn.
2470
Zyt ghetroost Israel, ick zie u zaack ghewonnen.
Gheen medecijn en zoude beter wercken konnen,
Dan dees dranck in u werckt; zo ghy zelf voor oghen ziet,
Daar de mensch het zyn doet en verzuymt Godt zyn werck niet.
Ghy hebt u best ghedaan, tot betring uwer qualen,
2475
En door 's drancx innemen uyt al u 's herten palen 2475
+Mannelijck gheworpen alle u Afgoden,
En wandelt zo doende in des Heren gheboden,
Zo int laten vant quaadt, dats u zot begheren,
Als int goedt doen, leven na den wil des Heren.
2480
Godt zal oock niet laten u goede wil te stercken,
Om na wil het goede dadelijck te wercken. 2481
Al zydy nu noch swack, de krachte zal komen,
Zo ghewis als ghy dees quaadt-ruyming hebt vernomen.
+Lapzalvers quychelen, en laten 't quaadt int herte 2484
2485
Ghestadelijck blyven, met zyn truerighe smerte,
Makende het volck vroedt, met een bedrieghlijcke mondt,
Dat zy ghenezen zyn, al blijft de zieckt inde grondt.
Dit hebdy recht anders met Godt bevonden,
+Die gheneest de ziele doort uytdryven der zonden,
2490
En versterckt den zwacken door zyn gheest warachtigh,
Dat zy moghen na wil, int ghelove krachtigh. 2491
| | | |
Mijn hert is slap, mijn mondt heeft een bittere smaack,
Mijn hooft draayt, 't oogh schemert, ick weet zelf nau wat ick maack.
+'T hooft stil ick doort smeren met dees balsem fyn.
2495
Reynight ghy nu den mondt met die Alzem wijn. 2495
Die wijn is zo bitter, rechts of zy al vol roet hing.
'T bitter zuyvert grondigh. neemt nu de verzoeting
+Van des gheests vertroosting, dit waterken zoet en reyn,
Dat Cristallynigh vliet uyt des levens fonteyn. 2499
2500
Dit verzoet alle bitter, lieflijck in allen sticken,
En doet het swacke hert zoetelijck verquicken.
Ick danck u, Princessen, van u hulp gherievelijck,
Wat water is doch dat? noyt wijn zo lievelijck,
Zo edel, zo krachtigh, zo honich zoet, en zo klaar
2505
En dranck ick mijn daghen, dat weet ick nu voorwaar.
Het versterckt mijn herte, het verblijdt mijn zinnen,
Het verzoet mondt en keel, en doet my waarlijck kinnen,
Dat al des vleesches wellust (oorzaack van mijn zware val)
By die zoetheydt Hemelsch, niet is dan bittere gal.
2510
Dus zalt my licht vallen, die moeder alder klachten,
Die smekende wellust, nu voorts aan te verachten.
Maar zegt komt daar niet gaan met snelligheyt spoedigh
Het Ghebedt? ja zy ist, vrolijck en blymoedigh.
| |
De vierde handeling. VI uytkomen
Zo bidtmen na Gods wil, zo werdt men altijdt verhoort,
2515
En zo krijght elck zijn wensch na Gods mildt belovende woordt.
+Al dat ick, o Israel, met ootmoedigh gheschrey badt
Heeft Godt goedtlijck verhoort, op als hebben wy fiat. 2517
| | | |
Niet alleen quijtschelding van u zonden verleden,
Maar oock vryheydt van die noch heerschen in u leden.
2520
Volkomen verlossing heeft ons de Heer toeghezeydt,
Wiens goedtheydt ghenadigh nu ontfarmt over u leydt.
Dees mare Evangelisch, dees vrolijcke tydinghe,
Breng ick u blydelijck tot uwe verblydinghe.
Zendt my vry, als ghy wilt, met zulck verzoeck begheerlick,
2525
Ghy krijght al u wensch, en ick verzoeckt gants eerlijck.
Hoe minlijck neyghde Godt zijn ooren aandachtigh,
Hoe goedtlijck merckte hy op mynen woorden klachtigh,
Hoe lieflijck, hoe vrundtlijck, hoe recht ghenadelijck
Wischte hy u zonden uyt! hoe heel goedtdadelijck
2530
Loofde hy u te vryen met zijn moghende ermen,
Van al u vyanden, en voorts veyligh te beschermen!
Ende dit al met ghelaat zo troostlijck tot my ghehelt,
Dat doort zoet herdencken mijn hert noch van vrueghden smelt.
+Nu smake ende zie ick hoe zoet dat die Heer is.
2535
Groot is mijn quaadtheydt, maar zijn goedheydt al veel meer is.
Mijn quaatheyt zal vergaan, zijn goedtheydt eeuwigh duren.
Hoe vrundelijck is Godt! looft hem t'alder uren!
Mijn ziel is zo vrolijck, ick magh my niet bedwinghen,
Den barmhertighen Heer een Lof-sang te zinghen.
2540
Lof, prijs, roem, danck en eer,
Zingt nu den groten Heer,
Mijn ziel met al haar krachten.
Daalt op d' ootmoedigheydt,
2545
Die troost van hem wil wachten.
Zijn liefde mildt en zoet
Haer meer tot gheven spoedt,
Zo ons 't verkryghen rust,
2550
Is hem 't schencken een lust,
Zijn mildtheydt moet ick eren.
Zijn mildtheydt eeuwigh groeyt,
Zijn goedtheydt overvloeyt,
Om haar te doen ghenieten.
2555
Hy is des dueghdts fonteyn,
| | | |
En spoort na daalkens kleyn,
Daar in hy neer magh vlieten.
Van niemandt hy ontfangt,
Maar die na hem verlangt,
2560
Krijght al zijns herten wensche.
Gheen schepsel was hem noodt, 2561
Schiep hy den goeden mensche,
Die heeft zijn Godt veracht;
2565
Zo heeft oock zijn gheslacht,
Die daarom mosten sterven.
Ons misdaadt was zeer groot,
Int voorburgh vant verderven, 2569
Den troost van zijn ghenaden;
Zijn hulp hy ons aan biedt,
2575
Eer wy daar oyt om baden.
En maackte ons die bekent,
Oock zijn mildtheydt gheprezen,
Die schenckt met volle maat,
2580
Elck die 't ghebreck verstaat,
En wil beschoncken wezen.
Gheeft hy 't ghebedts beveel,
En looft (om op te bouwen)
Na zyn wil met betrouwen.
Godt gheeft die hem ghelooft,
Boven 't vernuft verdooft, 2589
2590
En die zijn woordt aanhoren.
Hy schenckt den armen meest,
Oock die hem lieflijck vreest,
En die in schulden smoren.
| | | |
Die d' armen troostlijck gheeft,
2595
Diens oogh droef nat aankleeft,
Diens ziel verdruckt moet zwerven,
Die bidt met recht ootmoedt,
Die 't quaadt laat en doet goedt,
Zal vast zyn beed' verwerven.
En beloften doen blijcken,
Ghy zult zijn goedtheydt pryzen.
Dat heb ick ghezonghen uyt vuyrigher herten,
Door bevonden troost na langduyrigher smerten.
Helpt die goede Godt zo d'onwaardighen uyt noden,
2615
Wiens hert zou niet lusten te doen na zyn Gheboden?
Tis 't hooghste verlanghen inden grondt mijnder zielen.
O zaagh ick daar gantselijck mijn vyanden vernielen,
Dat ick Godt moghte dienen van al 't quade bevrydt!
'T zal werden, komt binnen, waackt, bidt, benaarstight met vlyt
2620
Te blyven in Gods woordt, en wacht met ghedult den tijt
Van u verlossinghe, zo werdy haast heel verblijdt.
Eynde.
|
*De namen zijn afkomstig uit het reeds eerder genoemde werk ‘Hebraea, Chaldaea, Graeca et Latina nomina virorum’ etc. van Estienne Robert ( Robertus Stephanus), uitgeg. in 1537 en 1565.
Aristobolus: ‘Optimus consultor, vel optimum consilium. Magister Ptolemaei’.
Amal: ‘Labor aut iniquitas’.
Marma: ‘Dolus, vel fraudulentia, sive altitudo, vel extollens se’.
Neregel: ‘Explorans, vel pedester, sive lucerna discoopertum vel revolutum. Unus ex principibus regis Babylonis’.
Achazib: ‘Mendax, mendacium, aut cessans, sive fluens utique’.
Amassai: ‘Populi conculcatio’.
Demophon: ‘Populi intersector, aut populi caedes’ (Alva).
Eubulus: ‘Prudens aut bene consulens’ (Eboli?).
Johanna: ‘Domini gratia, sive domini donum aut domini misericordia. Mulier quae sequebatur Christum’ ( Luk. 8:3; 24:10).
Precatio, Cogitatio vaga en Cognitio vera spreken voor zichzelf.
Israel stelt het Nederlandse Volk voor. (Zie mijn diss. bl. 90 vllg.).
1Het Argument heeft de vorm van een sonnet. Volgens Overdiep ( Geschied. Lett. der Ned. III, 56) schreef Coornhert ook een sonnet in Jan van Houts ‘Vruntboec’.
12uyt alle huer palen buiten hun grondgebied. - Richt. 10:16.
22onwegen verkeerde wegen.
25bekeren in doen verkeren in.
27vervaart maakt bevreesd.
28luttel onderwints weinig te ondernemen.
29/30vermanen doet stoffelijk voordeel verzuimen, maar de liefde tot de naaste offert zich zelf op.
32't volcx eer volksgunst.
37het lijkt me zeker, dat mijn optreden onaangename gevolgen voor mij zal hebben, onzeker is succes.
39om zijn onzeker lief ter wille van zijn lang niet verzekerd voordeel.
50die en is gheen lachter tap die tapt geen laster.
61Gods genade eist medewerking van de mens.
66ghebonden eraan toegevoegd.
72zonderlinghen in het bijzonder (het Joodse volk een heilig volk!).
73oudt desem zuurdesem; 1 Kor. 5:7.
85vgl. vs. 80: blinde doling.
90schaffen verrichten, uitvoeren.
91wet der naturen de door de natuur ingegeven zedewet. ‘Al wat gij wilt, dat de mensen u doen, dat doet ook hun’ ( Matth. 7:12; Luk. 6:31). Op grond van deze ‘Gouden regel’ hebben ook heidenen (Socrates) ‘christelijk’ geleefd.
93(door God als Zijn volk uitverkoren).
100verzoecken (be)proeven.
104dees beroeping slaat terug op roept u in vs. 103.
113Matth. 19:24; Mark. 10:25; Luk. 18:25.
116verstandelen verstandigen.
+Wien God den zonden vergeeft
137gront grondgedachte, stelling.
+'T geloof doet den zonden sterven
142van de wereldse verlangens afstand heeft gedaan.
154man... kindt zie voor deze benamingen de inleiding blz. 6.
+Geen ongelovige verkrijgt den beloften
174weerpaligh weerspannig.
183onghaanlijck onbegaanbaar.
+Ofmen Gods wet mag onderhouden
217blinden de wijzen der Oudheid.
229pondt door God geschonken gave, volgens Luc. 19:12 (1/60 talent).
234verzoeck poging; duren volharden.
246elcx hert een open boeck ‘boek des Herten’ een beeld van Sebastian Franck ( Paradoxa, blz. 677/8); vgl. Com. v. L. en L. vs. 782.
258ja zelf kranckheydt de Zwakheid zelf.
259onbescheydenheydt onverstand.
+Waar Gods wille blijckt, maghmen aant gheschieden niet twyfelen
279verkiezinghe uitverkiezing.
+God wil dat wy hem in als onderdanigh zijn
+God ghebiedt onderdanigheydt
287naacktelijck bloot, enkel, met volledige overgave.
+Esa 58. d. 13. 1 Reg. 15. e. 22. Genes. 17. a. 1 etc.
294u brille de bril is een veel gebruikt allegorisch attribuut ter aanduiding van een ‘gekleurd’, dus onjuist inzicht.
+Deut. 4. a, 1, 6. 13, 5. 31, 6. 1. 3, 7. 11 etc.
+God verkiest den zynen tot onderdanigheydt
302huyden W.W. geeft luyden; huyden stemt overeen met Deut. 26:18.
+Deut. 26. d. 18 etc., I Thes. 2. b. 12, 4. b. 7., 2 Thes. 2. c. 13., 1 Pet. 1. a. 1. 2., Rom. 8. e. 29., Eph. 1. a. 4, 2. b. 10.
+God belooft den ghelovighen onderdanigheydt
306besnyden het hart besnijden, zie Deut. 30:6.
+Deut. 30. b. 6. Eze. 11. d. 19, 36. e. 25. 26, 37. f. 23, Esa. 54. c. 5, 65. c. 17. 18. 60. d. 18. Zach. 13. a. 2., Zoph. 3. c. 13., Oze. 2. d. 17., Joan. 8. c. 36, 17. c. 19., 2 Pet. 1. b. 10., 1 Pet. 2. d. 24, 3. d. 18., 1 Joan. 3. a. 5., Gal. 5. c. 16., 2 Thes. 3. a. 3., 1 Thes. 5. d. 23., Luc. 1. b. 17. g. 75., Colos. 1. c. 22. etc.
316zonigen zonder wroeging (vgl. vs. 293/4); boelen boeleren.
336van u hert omtrent de zaken van uw hart.
+Elck zeyt int hert datter gheen God is. Ps. 14
342donderen luid verkondigen.
375wij waren in zijn lenden wij zijn mèt hem geschapen (wij hebben dus meegezondigd).
379eer hij in het paradijs zondigde.
385hatigh weerzinwekkend.
388gheringhen spoedig; wilt gij spoedig inzien, dat dit de kern van hun leer is?
389die... vermoedt waarvan gij vermoedt dat ze waarachtig zijn.
402zich hiervoor zou ik niet willen lezen.
406't meeste deel het grootste deel (van de stervelingen).
418terstondt zoëven (zie vs. 446).
419voorthaalde voorlegde.
425zonderlingen in het bijzonder.
441snoer-recht lijnrecht.
462Goden strecken werkelijk als goden kunnen beschouwd worden.
470Astaroth ende Baal Richteren 10:6.
487tochtigh hartstochtelijk.
490W.W. geeft droefheydt.
+Oorzake van Liefde ende hate ist oordeel
+Middelen ter valscher zaligheydt
554qui nest mye qui n'est rien.
558snoey snood, eenvoudig.
574cor impium gewetenloos hart.
577cupiditas prava boze begeerte.
579/80delectatio falsi boni genot in schijndeugd.
584duplicitas dubbelzinnigheid.
585hypochrisis huichelachtigheid; astus list.
+Den rycken geeftmen meest
602bij dit schenken mogen geen getuigen aanwezig zijn.
+Pracht in gebou, huysraat ende ghewade
608taferelen schilderijen.
619wapenen met een (geslachts-)wapen (blazoen) versieren vladen vlaaien.
620verwilderen verdwazen, in de war maken.
635Toller tollenaar; zijn heer in de ogen van zijn heer.
638gheeft hy te voren geeft hij op, cadeau.
641hanssen mensen van aanzien (laatdunkend gezegd), hoogmoedigen.
672schau schaduw, schijn.
715Die 't naar W.W. (D: diet. 't).
725verwertse verandert ze (d.w.z. de klaarheid).
+Valsche waan doet begheren dat na bederven zal
735die de prinses. Het is historisch niet juist, dat ze ‘eenzaam’ was, (zie mijn diss. bl. 91).
744In 1496 huwden Philips de Schone en Johanna van Arragon, tweede dochter van Ferdinand van Arragon en Isabella van Castilië. Het gevolg hiervan is geweest het noodlottig samengaan van Spanje en deze gewesten.
794het werdt wordt bewaarheid, zal geschieden.
800bestaat durft ondernemen.
817dit voorhoedt doch verhoed dit toch.
821verchiert verfraai, breng in orde.
822dat heel dat alles, dat nieuwe rijk.
+Wìe zijn macht terecht vermeert
838oproerigh en D. geeft deze woorden aan elkaar; de zin is echter: Maar niet, die vrienden tot vijand, trouwe onderdanen tot oproerigen maakt.
+Roekeloosheyt der Princen bederft landen ende luyden
+Der vreemde landt voochden gierigheydt brengt den Princen in des volcx hate
847eeren-staten hoge ambten.
850Micha 7:6, C. v.L. en L. 872; Matth. 10:36.
+Veel krygen bluscht der begeertens brandt niet
+Mengschap met zijn moghender is zorghlijck
895als gij, zwakke, gelijk op wilt gaan met een sterke.
896aan schaarden geklemt in stukken geknepen.
904ghierigh begerig; lecker: kieskeurig, verwend.
906rou caproenen rouwmutsen.
+Of strenghe dan zachte heerschappije zekerst zy
933met oorlof met (uw) vergunning.
+der Princen onachtzaamheydt is der Raden rijckdom
946tot onzer huyzen stichtinghe tot ons persoonlijk voordeel.
961het Heromnes uit Heer + omnes (1e n.v. plur. van omnis = ieder), de grote hoop, de dwaze massa.
965Koning Adin bij Rob. Stephanus: ‘deliciosus, sive voluptuosus, aut ornatus: vel Syriace, temporalis nomen viri’.
996heyligheydt volmaaktheid.
+Oorzake van nieugierigheydt des volcx
1018ghemerckt aangezien. spoedigheydt succes.
+Der Princen stadich weldoen maackt danckbare onderzaten
1019felheyts wandering wrede practijken.
+des volcx ghevaarlickheydt is den Prince ghevaarlijck
1047verlies dat ontstaat als een tegenregering wordt gevormd.
1051die n.l. de vrijheid.
+De ghevreesde Princen moeten zelf vreezen
+Ancxtigh ontzich is een ongedurigh hoeder
+des volcx liefde tot huer Prins werdt licht verkregen ende onderhouden
1069de rede is het sieraad van de mens.
+Middel om lief ghehadt te werden
1078de ongemakken, die het leed aanricht, leiden tot haat.
1102voort stelt voorstelt.
+Die goedighe heerschappye is zeker
1118vgl. de ‘verlatinghe’ van 1581: ‘Ende dat d'Ondersaten niet en sijn van Gode geschapen tot behoef van den Prince, enz. - maer den Prince om d'Ondersaten wille, sonder dewelcke hij egheen Prince en is’.
1123wie door velen gevreesd wordt, vreest zelf ook velen.
1129beker beproeving; vgl. Matth. 26:39.
1143yzeren roede vgl. Openb. 19:15.
1151toespeling op de slachtoffers van de Raad der Beroerten (Egmond, Hoorne e.a.).
1155staten van eeren ereambten.
1166ons ontbreekt in W.W.
1196elck ander de een de ander.
1209waart om haten waard om gehaat te worden.
+De bitterste ellende ist die uyt weelden komt
1234Micha 7:6; Matth. 10:36. Zie vs. 850.
1255Afgoderyen W.W. Afgoden.
+of tvolck den beelden rechtelijck mach vernielen
+'T stormen der hertafgoden is elck gheoorloft
1288kruysvluchtigh zie Abr. Uytg. vs. 1314.
+het inwendighe moet eerst ghereynicht zijn
1296in W.W. ontbreekt ‘oock’.
1310't verzoecken de ondervinding.
1329Roervincken eig. lokvogels; oproermakers, belhamels.
1335verzoeckinge het op-de-proef-stellen; bezoeking.
+Een quaat Prins is de straf van des volcx zonden
1339wiens Princen vroegh ontbyten die veel uit de staatsruif plukken. Vgl. Vondel, Roskam vs. 108: ‘het paard vreet dag en nacht’.
1367het smeekschrift aan de landvoogdes.
1370versnoden erger maken.
1379haar wet hun eigen geloof.
+spade berou uyt haastighe daadt
13982 Kon. 18:21; Jes. 36:6.
1406de prijs de overwinning.
1412de mommeschanssen (hd. mummenschanz) mommecanssen: worp in het mommespel, een door vermomden gespeeld dobbelspel; dus: zeer onzekere kans.
1438/39deze ‘stock’ keert terug in de vss: 1448-49; 1458-59; 1474-75 en 1508-09.
1443maar D. geeft waar, W.W. maar.
1513aan d'een zye terzijde.
1518verdullen tot dwaasheid brengen.
1529Ignorantia Onwetendheid; Audacia Vermetelheid.
+Twyfel van verhoort te werden
+Twyfel of Godt de werelt oock beheerschapt
+Waan dat Godt den mensch, niet de mensch God eerst verliet
1562wel ter kuer goed zo (Kiliaen: ‘exquisite, egregie’).
1568't verzoecken de ondervinding.
+Twyfel aan Godes goetheydt ende trouwe
+Betrouwen op rijckdom ende maght
+Beschaamtheydt uyt qualijck bidden
1598doorzichtighe door alles heen ziende.
1605de gaa doodt ( gaa ontbreekt in W.W.) plotselinge dood.
1611wapent u met standvastigheid.
1633baffen bassen, blaffen.
+'S menschen ondanckbaarheydt
1652Richteren 10:11 ( Amorrheen = Amorieten).
1670met ten opzichte van.
1690onnozel Lam Christus.
1723onzighlicxte wat ik het meest vrees.
1725vertwyfeltheydt wanhopige toestand (door Gods afwijzing).
1733als ik u het tegengestelde bewees?
+Wien Godt barmhertigh is
1747dat uw nietigheid tegenover Gods grootheid staat zoals een lampje te vergelijken is met de zon.
1748schendigh schandelijk.
+Bittere straf streckt tot zoete ghenezinghe
1750korozijf bijtend geneesmiddel.
+Verlossinghe vant valsche oordeel
1776dit vers wordt in D. door Aristobolus uitgesproken.
+Kennis komt doort lichte Gods ende des menschen opmercken
1821twistigheydt tweestrijd.
1847magh... niet vermag niets.
+Veroordelinghe zyns zelfs
+Kennisse van eyghen onvermoghen
1861 grachte W.W. geeft graf.
+Wien Gods ghenade werdt gheschonken
1892Johanna Domini gratia, sive domini donum (Stephanus).
+Verwaantheydt brengt in noodt
+Beschryving des gheloofs
1937al het begrepen goede zult ge naar uw wil kunnen betrachten.
+Kennis van ghever, bidder ende behoeft, nodigh om wel te bidden
+Kennisse van onze quaadtheydt, oorzaack van oodtmoedt
+Kennisse ons ghebrecx oorzaack vant begheren
1958weeght met weeg af tegen, vergelijk.
+Kenisse van onze quaadtheydt doet Gods goetheyd kennen
+Goedt worden is ons nootlijck behoeven
+Men zal bidden em goet wordinghe
+Voor al Gods Rijck zoecken wat
1992maken ghewoen tot een gewoonte maken.
1997dadelijck metterdaad.
2010hem zelfs zijn slechte inborst.
2011hy stondt ons gelaten hij had zich aan ons overgeleverd.
2026wanderinghe gedraging jegens mij.
2076schalen vgl. vs. 1947.
2085raamt vermoeden kunt.
2095voor rouwighen geeft W.W. trouwen.
2102gheweest lees: geweest ben.
2104voorhoedt vrijwaring.
+Des ghebedts toerustingh
2138een eigen etymologie van vasten.
2141smekelijck vleiend, en vandaar verlokkelijk.
+Verlating van quade ghewoonte
+Kennisse van onze quaadtheydt
+Kennisse van Gods weldaden
+Veroordelinghe zijns zelves
2242midts in temidden van.
+Kennis van eyghen zotheydt ende onvermoghen
+Kennis van Godes milde goedtheydt
+Vermaan van Gods beloften
+overghevinghe onzes zelfs onder Gods handt
+Betrouwen van verhoort werden
+Wien God niet en weyghert
+Begheerte om yan de zonden verlost te worden
+Biddende zalmen deughde hanteren
+Doen het goedt datmen verstaat en yermagh
+Niemandt werdt teffens geheel goedt
2332met een huy (hoei) zo maar, ‘plof’.
+Vleeschen herte Steenen herte
+Goede wille int algemeen
2347laten nalaten, verlaten.
+Welck de innerlijcke Afgoden zijn
2364dit alghemeyn deze algemene regel.
2375het minderen het verliezen.
2384elck deel in alle onderdelen.
2386vereelen beter worden.
2392onverzocht nog niet beproefd.
+Waarheydt maackt vry van valsche wanen
+Valsche waan is droefheydts moeder
2403gheproeft ondervonden.
2404tessche tas, zak (zie vs. 2156).
+Hoe men van valsche wane verlost werdt
2408de dode wercken alles wat van geen betekenis is voor het eeuwige leven.
+'T bloedt Christi der der zielen ghenezen
+Waardelijck het bloedt Christi drincken
2440quade humoren verkeerde lichaamssappen (deze bepalen 's mensen karakter, volgens oude voorstellingswijze).
2443waarschap houwen te gast komen.
2463opinieuze wormen kwade wormen van eigenzinnigheid.
+De Godloze heeft gheen vrede
+Als de mensch 't zyn doet verzuymt God zyn werck niet
2481dadelijck met de daad.
2484lapzalvers kwakzalvers; guychelen goochelen.
2491moghen kunnen, hun wil kunnen volgen.
2495Alzem wijn bittere wijn.
+Verhooringhe des Ghebedts
+Ondervindtlijcke kennisse van Gods goetheyt
2561Hij heeft geen schepsel nodig.
2569voorburgh het voorgebergte van de Hel.
+'T ghebedt Wien Godt zyn gaven gheeft
2589vernuft verstand, rede.
|
|