over DBNL
auteursrecht en copyright
bestuur, medewerkers en adviescommissies
adressen
stages
nieuws
nieuwsbrief
Nederlandse literatuur
auteurs
beschikbare titels
Middeleeuwen
Gouden eeuw
Achttiende eeuw
Negentiende eeuw
Twintigste eeuw
Eenentwintigste eeuw
tijdschriften/jaarboeken
onze kinderboeken
buitengaats
Friese literatuur
Limburgse literatuur
Surinaamse literatuur
gescande titels
e-books
Nederlandse taal
woorden
etymologie
zinnen
klanken
betekenis
vormen
normen
taalbeheersing
historische taalkunde
taalverwerving en psycholinguïstiek
sociolinguïstiek
dialectologie
Nederlands als tweede taal
taaldidactiek
atlas voor de Nederlandse taal en literatuur
basisbibliotheek
tijdschriftenladder
literatuurgeschiedenis.nl
de langste dag
auteurs: overzichten
titels: overzichten
organisaties: overzichten
naslagwerken
audio
thema's
zoeken in de hele website
zoeken in teksten
auteur: D.V. Coornhert
bron: D.V. Coornhert, ‘Van de onwetenheyt der menschen, die daer is onschuldigh of schuldigh’, uit: D.V. Coornhert, Wercken. Deel I, Jacob Aertsz. Colom, Amsterdam 1631
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
D.V. Coornhert
Van de Onwetenheyt der Menschen, die daer is onschuldigh of schuldigh.
Eersamen, Vromen ende Achtbaren Gheraerdt Stuyver Hendricksz. eertijds Burghemeyster tot Haerlem, mijnen lieven ende ouden Vriendt.
Ghesprake in Voor-redens plaetse, tusschen Coornhert ende syne Conscientie.
Vande Onwetenheydt. Dat eerste Capittel. Onderscheyt tusschen Onvvetenheyt ende eenvuldigheyt.
Dat 2. Capittel. Dat onvvetenheydt het meeste quaet, ende ware wetenheyt het meeste goedt der Menschen is.
Dat 3. Capittel. Dat geen bejaert mensche gants onwetende, nochte alwetende en is.
Dat 4. Capittel. Van viereleye aert van onvvetende menschen.
Dat 5. Capittel. Vande onschuldige onvvetenheyt ende eerst in saken welcx weten onnodigh is.
Dat 6. Capittel. Van de onvvetenheydt die overmits die onmogelyckheyt onschuldigh is.
Dat 7. Capittel. Vande onschuldige onwetenheyt inden Bejaerden.
Dat 8. Capittel. Van onwetenheyt die overmidts nootsakelycke twyfelachtigheyt onschuldig is.
Dat ix. Capittel. Vander geenre onschuldighe Onwetenheyt die hare eygen Onwetenheyt wetende anderen na volgen.
Dat x. Capittel. Van de schuldige onwetenheydt.
Dat xi. Capittel. Vande Onwetenheyt der geenre die niet en weten by haren schulde, sonder nochtans dat sy wanen te weten.
Dat 12. Capittel. Van't niet begheeren der Wetenheyt, met sijnen oorsaken.
Dat 13. Capittel. Vande Onwetende, die qualijck begheeren.
Dat 14. Capittel. Vande Onwetende die traeghlijc begheeren.
Dat 15. Capittel. Van de onwetende, die ongeloovigh begheeren.
Dat 16. Capittel. Vande schuldige Onwetenheydt der geenre die daer hebben clare getuygnisse der wetenschap sonder die te gebruycken.
Dat 17. Capittel. Vande schuldigheyt geleghen in't niet gebruycken van sijne mogelijckheyt om te weten.
Dat 18. Capittel. Sommier bewijs van d'oorsaken daer door meest de gene die kennisse hebben, noch dickmael versuymen int selve.
Dat 19. Capittel. Vande Onvvetenheydt die in den Menschen is ende blyft door waenwijsheyt.
Dat 20. Capittel. Vande moetwillige onwetenheyt
Dat 21. Capittel. Die spotters oordeelen het waere Vveten zotheyd te sijn.
Kort Besluyt.