|
|
|
| |
| | | |
Mijn Heer!
Nimmer had ik gedacht, dat ik genoodzaakt geweest zou zijn, na den
dood van den Heer Punt, de pen op te vatten, ter mijner verdediging, en
ter onderrichting van het publiecq, wegens verspreide onwaarheden, over welke
ik, en niet zonder reden, niet kan nalaten mij gevoelig te toonen. Dan, in het
verloopen jaar 1781, in een der Couranten geplaatst vindende zekere
advertentie, dat, namelijk, het Negende Deel der Levensbeschrijvingen
van eenige voorname, meest Nederlandsche Mannen en Vrouwen, inhoudende de
Levens van Jan Punt,
Anthony van Diemen,
Jan Baptista Weninx,
Prins Maurits enz. stondt uit te
komen, dacht ik bij mij zelven: Jan Punt en Prins
Maurits; die twee komen niet onaartig by elkanderen; mij naauwlijks eenig
denkbeeld kunnende formeeren, dat dit Jan
Punt, mijn gewezene Metgezel op den Amsterdamschen Schouwburg was.
O! dacht ik bij mij zelven, deze zal mogelijk een Lieutenant of
Adjudant van Prins Maurits geweest zijn, die eenige brave daden verricht heeft,
en den naam van Jan Punt droeg. Ik kon mij zoo ras niet verbeelden, dat men
in Holland, waar men de Toneelspelers, wanneer zij goed zijn, gemeenlijk
mishandelt, nog Lieden vinden zou, die eenen Tooneellist onder de beroemde
Mannen zouden durven plaatsen. Ik had in de Engelsche Chronijk van
Baker, in het Leven van Koningin Elizabeth, wel twee of drie
Toneelspeelderen, als Richardus Bourbidige, Eduardus Allen, en
Richard
| | | |
Tarleton, bijgenaamd den Boer, onder
de groote en geleerde Mannen genoemd gevonden: maar dat zulks hier te Lande
geschieden kon, scheen mij onbegrijpelijk. Ik had ook, kort na 's Mans
overlijden, wel een en ander zoet Versje tot zijnen lof gelezen, benevens twee
andere vervaerdigd door twee Poëtische Bulhonden, die mij wakker
aanblaften, en hartig deden lagchen om hunne aartige en koddige gedachten; maar
hier bleef het bij: en op Duim had ik geenen
enkelen regel gezien. Dus dacht ik natuurlijk, men heeft hen, naar de wijze
van ons Land, betaald, en zoo ook weder vergeten: ik vernam hier van dan
ook verder niets. Maar toen onze Nationale Tooneelspelers, in den jare 1782.,
op mijn Tooneel speelden, kwam het in de reden te pas, (wij spraken gevallig
van Punt) dat een van hun mij zeide, dat 'er eene soort van
Levensbeschrijving van Punt in de waereld was; hij toonde zich zeer
verwonderd, dat ik die niet gelezen had, en voegde 'er bij, dat ik 'er vrij wat
in gehavend werd, en verscheiden andere Tooneelspelers 'er eene veeg in kregen.
Ik antwoorde hem, dat ik geene van de daaglijks uitkomende papieren las; dat ik
de advertentie (hier voor gemeld) wel gelezen had, maar mij verbeelde, dat het
iemand anders betrof, die dien zelfden naam gevoerd hadt. Men maakte mij
ondertusschen door het ophalen van eenige staaltjes uit uw werk zoo
nieuwsgierig, dat ik het terstond deed halen, wanneer ik in de daad bevond, dat
het waarlijk het Leven van Jan Punt, onzen gewezene Toneelist,
behelsde.
Ik doorlas het met veel gretigheid: doch het deed mij dadelijk
leed, te bevinden, dat de Schrijver op verscheiden plaatsen toonde, geheel
kwalijk onderricht te zijn. Ik had wel gewenscht, Mijn Heer, dat gij U hadt
gelieven te verwaerdigen, bij mij eenige on- | | | | derrichtingen te zoeken;
ik zou U vrij veel lichts hebben kunnen verschaffen. Niemand heeft den Heer
Punt beter gekend, dan ik; niemand heeft meerder, tot zelfs geheime
zaken toe, van hem geweeten. En, naardien ik uit uw werk duidelijk meen te
kunnen bespeuren, dat Gij den overledenen Punt, niet dan in zijnen
laatsten tijd gekend hebt, en dus verscheiden der aanmerkingswaerdigste zaken,
hem aangaande, verzwijgt, wegens eenige andere zeer verkeerd onderricht zijt,
en mij boven dien in uw geschrift vrij wat hoons is toegeworpen; naardien ik
daarenboven in vertrouwen ben, dat Gij een fatsoenelijk man zijt, ben ik te
rade geworden, U in dezen, zoo kort mogelijk, openlijk te onderrichten, op
welke plaatsen Gij omtrent den Overledenen, mij, en anderen gedwaald hebt, ten
einde de nakomelingschap der waerheid moge deelachtig worden, en Gij, uwe
misslagen verbeterende, bij het nageslacht voor geen logenachtig
Historieschrijver moogt te boek staan. - Zie hier dan, Mijn Heer, welke
aanmerkingen ik op uw werk, onder het lezen gemaakte heb, en op welke plaatsen
Gij, zekerlijk door kwade informatie misleid, hebt mis getast.
Op bladzijde I. begint Gij uw verhaal aldus: Jan Punt, die
gedurende eene lange reeks van jaaren de luister en het hoofdcieraad van den
Amsterdamschen Schouwburg geweest is, en met reeht moet gehouden worden voor
den grootsten Tooneelspeler, dien Nederland immer heeft gezien, enz. Dit
is, neem het mij niet kwalijk, Amsterdamsche grootspraak, en doet mij denken,
dat Gij nog jong moet zijn, dewijl Gij onbewust schijnt te wezen, dat het
Amsterdamsche Tooneel eenen Adam Karelsz. en
eenen Harmanus Koning gehad heeft, van welke
ik in mijne jeugd door oude lieden zeer veel goeds heb hooren zeggen, en die
voor Punt (zonder 's Mans assche oneere aan te doen) niet behoefden te
wijken: | | | | Beiden zijn zij zeer groote Treurspelers geweest
*. Bor en van
der Sluis waren ook bekwaame lieden in hunne tijd, en Punt
zelf heeft mij van deze twee laatste veel goeds gezegd. Dikwijls heb ik hem, in
zijn huis, voor zijne goeden vrienden, dingen van den ouden Bor zien
nadoen, die zeer goed waren. Ook is Punt in zijn eerste jaaren door
Bor onderwezen; dit heb ik uit zijnen eigen mond, dien ik niet beliege:
en ik heb hem van der Sluis en Bor altijd hooren prijzen. De
Liefhebbers, die eenigen smaak en kunde hadden, plachten ook Duim een
Sluisiaan, en Punt een Borrist te noemen; en Gij kunt
deswegens, in den
Hollandschen Spectatorvan van
Effen, in de CVII en CXLI vertogen, eene juiste beschrijving van
Duim en Punt te vinden. Maar Gij plaatst Punt, als
Tooneelspeler, buiten den rang van alle deze lieden; Gij doet dus hun allen
groot ongelijk, en toont, zo 't mij toeschijnt, dat Gij Punt in zijnen
vroegeren, dat is in zijnen besten tijd, niet hebt zien spelen, veel minder
toen gekend, en dat Gij van de genoemde andere Tooneellisten geheel niets weet.
- Nu verder.
Op bladzijde 2. en 3. zijt gij billijk omtrent uwen Man; maar gij
schrijft ook: Anna Maria de Bruin schitterde in die gelukkige dagen als de
eêlste paerel aan de kroon van den Schouwburg. Hier slaat Gij den bal
zeer mis: Anna Maria de Bruin was toen ter tijd nog geene eerste
Actrice. Dit was Adriana Maas, Huisvrouw van Paulus van Schagen,
die te dier tijd, en nog lang daar na, zelfs na dat Anna Maria de Bruin
reeds met Punt gehuwd was, de eerste plaats op het Schouwtooneel
bekleede, en die ik, en meer anderen met mij, | | | | altijd gehouden heb
voor de beste Actrice, die het Amsterdamsche Tooneel bij heugenis gehad heeft.
Deze was eene schoone Vrouw, en door de Natuur met alle gaven, die haar op het
Toneel konden doen uitschitteren, begiftigd; doch zij bezat geene theorie of
kunstkennis: de Natuur echter, de Natuur alleen maakte haar groot. Dikwijls
hebben wij, Punt, namelijk, Duim, Brinkman, Schmit,
de Ridder, Helt, van Hattum, en meer anderen voor lang
overledene Acteurs, achter het Tooneel, wanneer wij, na haren dood, hare rollen
door andere Tooneelspeelsters zagen vertoonen, het groot onderscheid gezien, en
niet zelden, bij zulk eene gelegenheid, tegen elkanderen gezegd: ‘wat
scheelt dat veel! wat sprak Arriaan in haaren tijd dit of dat vers
verwonderlijk uit!’ Onder anderen, wanneer Juffrouw Ghyben Jacoba van
Beyeren speelde, en deze regels uitsprak:
Of is hij reeds geweest? mijn Heer! ach wil doch
spreken?
Wat zegt gij? zie mij aan, hoor een Vorstinne
smeeken.
zei mijn medeacteur Schmidt, wanneer wij van het Tooneel
kwamen, tot mij: ‘een groot onderscheid tusschen deze en Arriaan van
Schagen! hebt gij die wel de Jacoba zien spelen?’ ik
antwoorde, ‘neen’ waar op hij mij toevoegde ‘deze was de ware
Jacoba’ mij vervolgens de beide genoemde verzen reciteerende, op
die wijze, op welke zij die uitgesproken hadt, voegde hij 'er bij: ‘maar
men zag, het was ook een Vorstinne, die smeekte.’. De Heer Jan de Marre, de Dichter van het gezegde stuk,
* heeft mij altijd | | | | betuigd, dat niemand dan Adriana
van Schagen de waare Jacoba van Beyeren geweest was, en dat Anna
Maria de Bruin, die deze rol na haar speelde, zeer veel van haar ontleend
hadt, 't geen haar echter niet tot schande verstrekt. Ook durf ik wel betuigen,
dat ik, na dat ik de Clairon te Parijs hadt zien spelen, altijd,
wanneer ik van Arriaan van Schagen, (want zoo plegt men haar gemeenzaam
te noemen) sprak, haar den naam van de Hollandsche Clairon gegeven heb.
Punt sprak mede altijd met zeer veel aandoening en lof van haar:
Duim, Brinkman, en de gantsche troep, konden haar haren verdienden lof
niet onthouden, zoo min als het Publiek, en alle Kunstkenners.
Anna Maria de Bruin speelde, in dien tijd, in het Emploi
van de Jeunes Premieres, zoo als de Franschen het noemen; en
meenigwerven heb ik haar, zelfs na dat zij met Punt gehuwd was, de
vertrouwden aan de zijde van Juffrouw van Schagen zien vertoonen; gelijk
Laönice in den Doodelijken Minnenijd. Julia in Eneas en
Turnus, en meer andere Staatjuffers. Zij is eerst, na dat zij met
Punt gehuwd was, in aanmerking gekomen: voor dien tijd speelde zij nog
geene Agnes de Castro, nog geene Chimene in de Cid; dit
heeft zij | | | | eerst na haar huwlijk gedaan; en zij is, door den val van
Juffrouw Maas, die, naar mijn best onthoud, in de jaren 1741. of 1742.
voorviel, eerst in de eerste rol ontfangen, om dezelve geheel en al te
speelen.
Ik stel dit hier niet ter mede, om den roem van Anna Maria de
Bruin te bezwalken, ik heb die Vrouw gekend, en zou voor haar, gelijk men
zegt, door een vuur gevlogen hebben. Bij haar sterven heb ik, op den arm van
Punt, zoo veele ongeveinsde tranen vergoten, als hij zelf: en alle de
omstanders beschouden met verwondering, dat een jongen van zestien jaren,
gelijk ik toen was, en vreemd, om zoo te spreken, in het Sterfhuis, zoo
hartroerend bedroefd kon zijn. Ik beminde haar als eene Moeder: 't geen ik hier
oprecht betuig. Al het geen gij, op de vierde, vijfde, en zesde bladzijden van
uw levens verhaal, omtrent haar ter nedergesteld hebt, verklaar ik ook, geene
grootspraak te zijn, maar de eenvouwige waarheid: zij was vol verdiensten, en
een braaf mensch.
Maar hier, indien gij iets wezenlijks tot haren lof hadt willen
bijbrengen, hadt Gij behooren melding te maken van eene van die rollen in welke
zij het meeste uitmuntte; gelijk onder anderen eene rol, die ik haar heb zien
uitvoeren, en die ik altijd onder de schoonste zaken, die ik op verscheidene
Tooneelen gezien en bijgewoond heb, telle, de rol namelijk van Cornelia
in Pompejus. Dit was inderdaad iets heerlijks; en ik kan mij nog
verbeelden haar in die rol te zien, en de volgende regels te hooren
uitspreken:
Zie, Cesar! mij, geboeid, u en mijn' ramp trotseren.
Gij kunt mij kluist'ren, maar niet tot Slavin
verneêren.
Vertrouw niet dat mij 't lot zoo fel kan neder slaan,
Dat ik u hulde doe, of eerbied tot zal staan.
| | | |
Hoe zwaar ten doel gesteld van doodelijke
rouwe,
'k Blijve echter Crassus en Pompejus Weduwvrouwe,
Een telg van Scipio, een Romeinin, wiens moed
Dit alles overtreft, dit all' te niete doet;
En verder:
Waak, Caesar! waak; 't is tijd:
Men stemt, men zweert uw' val: 't verraad doemt u te
sneven;
Nog:
Ik wil rechtvaerdig u naar 't helden leven staan.
Pompejus heeft nog zoons: die moeten u verslaan;
Die moeten aan het hoofd van hunne krijgs
slagörden,
In 't aanzien van uw heir, door mij gemoedigd worden.
Gelijk ook:
Neen; nog niet naer Rome, ô Caesar! neen;
En in dit laatste, waar zij met de Lijkbusch van Pompejus
verschijnt, was zij uitmuntend.
Ik moet hier nog bijvoegen, dat, bij aldien Gij dit stuk toen ter
tijd gezien hadt, of aangaande deze omstandigheden eenigermate onderricht
waart, Gij Punt, in dat zelfde stuk spelende, zijnen welverdienden lof
ook niet zoudt hebben kunnen onthouden. Zijne opkomst in het Character van
Caesar was groots, recht groots. Als Brinkman die de tol van
Ptolemeus speelde, tot hem zeide:
Mijn Heer, beklim den throon; aanvaard mijn
rijksgebied.
was het snel en oogenblikkelijk veranderen der wezenstrekken, en
het gantsche gelaat van Punt, eer | | | | hij hem antwoorde, en op
zijn zeggend adelijk dus toesprak:
Wat snoode vleijerij! hoe! kent gij Caesar niet?
verwonderlijk; wanneer verder Septimius, hem
Cornelia komende aanbieden, tot hem zeide:
en hij antwoorde:
Ontrouwe! wil uw' Meester gaan berichten,
Dat nooit verrader mij kon met zijn dienst
verpligten.
Vertrek, ontäart Romein! keer tot uw slavernij;
Ga, dien een Vorst, daar ge eerst Pompejus diende, en
mij.
*.
sprak hij dit met zulk eene fierheid en op zulk eenen heldhaftigen
toon uit, dat ik het nimmer schooner gezien heb, en het na zijnen tijd, ook
nimmer wederom zoo schoon gespeeld is: de wijze, op welke hij deze regelen
uitsprak, maakte den Speler, die Septimius vertoonde, zoo van zijn stuk,
dat hij bedremmeld van het Toneel ging.
De volgende regels tegen Cleopatra, in het vierde bedrijf
welke rol toen ter tijd door Juffrouw Ghyben zeer goed gespeeld
werdt:
Ik wil gedenken, hoe, door eed'le zucht gedreven,
En door het bloed gewekt, uw hart hem wil vergeven.
| | | |
Vaar wel; stel u gerust. Achillas, noch
Photyn,
Kan ooit een hindring voor mijn machtig noodlot zijn.
Ik wil hun vloekgespan, om 't op de vlucht te jagen,
Door toebereidsels van een streng gerecht vertzagen;
Ik schik geen krijgsvolk, maar slechts beulen tot hunn'
val,
Wier bende een scherpe bijl tot standaart voeren zal.
werden door hem, niet als Punt, maar in het wezenlijk
character van Caesar, zoo wel uitgesproken; dat geen kundig mensch hem
hier den naam van Acteur weigeren kon.
Al dit werk hebt Gij niet gezien, dit mag ik, dunkt mij, gerust
veronderstellen, dewijl Gij 'er geen woord van rept: maar geloof mij, hetgeen
ik hier nederstel is de zuivere waarheid, die ik niet noodig geoordeeld heb met
eenige grootspraak op te smukken.
Wat verder op de 6. bladzijde door UEd. gemeld wordt, wegens het
aan UEd. gegeven bericht, dat Punt op Anna Maria de Bruin (onder het spelen
van Maria de Luxan in Don Louis de Vargas,) zoodanig verliefde, dat hij
oogenblikkelijk het besluit nam om zich door den band des huwelijks met haar te
vereenigen, wil ik niet tegenspreeken, als zijnde eene zaak, die mij ten
volle onbewust is. Dit alleen is mij bewust, dat Punt zeer veel moeite
moest doen, om de toestemming zijner Ouderen tot dit huwelijk te
verkrijgen.
Doch dat men hier aan zijne bestendige genegenheid voor dit
bovengemelde Treurspel, dat anders geene groote verdiensten bij u heeft, moet
toeschrijven; geloof ik niet: Punt heeft van zijne vroege jeugd af
reeds veel liefde voor dit stuk gehad, en plagt, nog in het huis zijner
Ouderen, de rol van Don Louïs tegen over zijne Zuster, die
dan, gelijk zij zelve mij wel verhaald heeft, de Lizandra maakte,
meenigmalen op te snijden. Wat verder de verdienste van het gemelde stuk
betreft; | | | |
Punt vondt 'er veelen in, gelijk ook zijne
voorgangers, en ik, op zijn en hun voetspoor, houde het voor een zeer goed
spaansch stuk, dat, schoon het op den Schouwburg nimmer in de Spaansche manier,
of ten opzigte der Tooneel veranderingen goed vertoond is, mij blijft
toeschijnen niet ontbloot te zijn van veele schoone zaken. Ten tijde van
Punt, vooral in de jaren 1741. en 1742, was dit stuk het bezien wel
waerdig. Ik heb, in dien tijd, de vertooning van hetzelve verscheidene reizen
bijgewoond; maar nimmer heb ik Anna Maria de Bruin Maria de Luxan zien
vertoonen. Adriana van Schagen speelde die rol uitmuntend: en
meenigmalen heb ik Punt met verrukking van haar hooren spreken, wegens
hare onnavolgbare kunst in het spelen dezer rol. Voornamelijk roemde hij haar
spelen in dat gedeelte van het stuk, waar zij den Graaf den degen met
list en schoonschijnendheid uit de hand weet te krijgen, en zich met denzelven
in den arm van Don Louïs werpt, hem dien, ter zijner verweringe,
overgevende: dit deedt zij ook verwonderlijk schoon, en natuurlijk.
Eer ik van dit stuk af stap, moet ik u nog onder het oog brengen,
dat Gij volstrekt onkundig schijnt te zijn van de wijze, op welke Punt
deze rol uitvoerde: dewijl Gij hier dingen verzwijgt, die voornamentlijk tot
zijnen log moesten dienen, en hem luister bijzetten. In den jare 1742. heb ik
hem deze rol zien speelen, (gij kunt licht begrijpen, dat Punt toen in
het best van zijnen tijd, en op zijn vurigst was,) en ik moet bekennen, dat hij
wonderen deedt, inzonderheid in het vijfde Bedrijf, en wel op dat tijdstip, als
hij, na zich van zijn masker ontdaan, en het op den grond geworpen te hebben,
zich met de volgende woorden aan den Graaf bekend maakt:
| | | |
en JULIAAN antwoordt.
o ja, uw dapperheid en moed
Wie ben ik, naar uw gissen?
Neen, gij zoudt wel kunnen missen.
hij doet zijn Paruik af, en werpt de pleister van zijn oog.
Naar ik u nu zien kan, zou 'k gelooven dat gij Don
Louïs de Vargas waart: maar die 's niet meer in 't
leven.
Ik ben die zelfde, 'k zal u daar bewijs af geven.
| | | |
Dit hebt gij ongetwijffeld nooit gezien; maar ik
betuig met waarheid, en zonder de minste grootspraak, die ik hier niet behoef,
dat het te recht een meesterstuk mogt genoemd worden. Het wezen, de houding, en
de toon, met welken Punt den regel,
Ik ben die zelfde, 'k zal U daar bewijs af geven.
Schmit, die den Graaf speelde, toeduwde, deden den
laatstgemelden in het aangezicht besterven, zoo dat het volk op de staanplaats
met eene zachte stem elkanderen toesprak: ‘Kijk! kijk den Graaf! kijk
Schmit eens veranderen!’ en de liefhebbers, die, toen ter tijd hunne
plaats gemeenelijk achter het Orchest hadden, tot den anderen met verrukking
zeiden: ‘de Graaf is om hals.’ Verder sprak Schmit de
volgende regelen, (die thans uit onkunde gekapt worden, doch 'er, mijn
bedunkens, niet alleen niet onnut, maar zelfs zeer noodzakelijk zijn):
‘De Hemel mij behoed; of is hij zoo gehoond,
Dat hij mijn misdaad in het minste niet verschoont;
Maar doet mijn' vijand hier weêr uit zijn
grafsteê rijzen,
Wiens koude romp ik zag de laatsten plicht bewijzen.
O wonderlijk geval! hoe speelt gij met den mensch!
Ik heb u, Don Louïs, mijn schuld betaald naar
wensch.
Uw Zuster weêr geërd met haar mijn hand te
geven.
Wat wilt gij meer van mij?’
met eene ongerustheid uit, en op eene wijze, die genoegsaam zijne
ontsteltenis te kennen gaf.
Het antwoord van
Dat gij niet meer zult leven,
| | | |
was verwonderlijk; en het publiecq sprak, door
elkanderen aantezien, met stomme gebaerden, ja met zachte fluisterende woorden
zelfs, om die aandacht niet te storen, het vonnis des doods over den
Graaf uit. Dit was eene schilderij, in welke men, op het gelaat en in de
houding van Louïs, die gerustheid van gemoed, bij het uitvoeren
zijner gerechte wraak duidelijk gewaar werdt, en in den Graaf de
wroeging en schielijke beschuldiging van het geweten, die hem alle beweging om
zich te herstellen benam. Ook heb ik Schmit daar na, wanneer ik aan den
Schouwburg, en Punt daar af was, als Duim Don Louïs speelde,
meenigmalen hooren zeggen, dat, als Punt tot hem zeide: ik ben die
zelfde, het was, of 'er hem een emmer koud water over het lijf ging. Het
had Schmit mede eens, bijnaar het leven gekost, want het tweegevecht,
dat onmiddellijk op de bovengemelde redenwisseling volgt, was zoo vol vuurs van
den kant van Punt, en van dien van Schmit met zoo veel
bedremmeldheids en verwarrings vergezeld, dat (dewijl zij beiden zich te dier
tijd de handeling der kling niet verstonden) Punt aan Schmit zulk
eenen geweldigen stoot toe bragt, dat zoo dezelve op den knoop van zijnen
broeksband, die door midden ging, en door den schielijken val, (dien hij met de
woorden o Jesus! deedt,) niet gebroken ware geweest, Schmit eene
gevaarlijke wonde in den onderbuik zou bekomen gehad hebben; in zijnen val
werdt hij zoo bleek als een wit linnen laken, en Punt ontstelde
geweldig, en hieldt zijne oogen op den grond gevestigd, of hij ook bloed zag
vloeijen: in de Bak vloog men over einde, om het zelfde te vernemen, want
niemand was in andere verbeelding, of de stoot was doorgegaan. Dit was, bij
toeval, eene schoone, doch zeer gevaarlijke vertooning.
Meenigmalen heb ik naderhand de rol van Gazeran
| | | | aan de zijde van Punt vervuld. Maar men begon te dier tijd het
stuk te bederven: de Heer de Marre kapte zeer veel in het zelve, en dus
werdt het herdrukt. Hij nam 'er verscheiden stukken uit, die 'er volstrekt in
noodig waren, om het Spel te verkorten, dewijl de Schouwburg altijd zeer laat
uitging, wanneer men Don Louïs de Vargas vertoonde: daar, als men
het op de Spaansche wijze vertoond hadde, het stuk, zoo wel als een ander, in
drie of vier uuren hadt kunnen afspelen; welke manier van vertoonen zo men
zulks gewild had, bij den Spaanschen Tooneelspeelers, (die toen ter tijd te
Amsterdam tweemalen per week des winters, jaar in jaar uit speelden,) hadt
kunnen gezien hebben.
Schmit veranderde naderhand van rol, en werdt
Gaurin, en Everts speelde den Graaf; dit verminderde de
waerdij van het stuk machtig, en het kwam Punt, zoo wel als mij, voor,
dat de Regenten het 'er op toeleiden, om het den aanschouweren mishaaglijk te
maken. Hij klaagde mij altijd, wanneer wij te samen weder van het Tooneel
kwamen, ‘dat de Graaf zijne rol bedierf’: en wanneer ik hem
hier op antwoordde: ‘ik zal de rol van den Graaf gaan vragen, en
Everts mijnen Garseran zien op te dringen’, barstte hij uit:
‘bak me die kool doch niet; want dan gaat het geheele stuk naar den
D.....r! met u kan ik het nog staande houwden, maar als ge van rol verandert,
of 'er uitraakt, dan gaat het geheel en al ten gronde’. En inderdaad,
de meeste Spelers waren tegen dit stuk meer of min vooringenomen; ja zelfs
waren 'er verscheiden Dichters, die het wel gaarne van het Tooneel wilden
gebannen hebben, en met afgunst zagen, dat Punt het zelve door zijn
talent, in hunnen wederwil deedt uitmunten, en voor de aanschouweren behaaglijk
maakte. Men maakte zelfs den geenen die voor stommen speelden op, om ons, van
achteren, of gevoelige slagen, | | | | of heimelijke steeken toe te
brengen, dat hun echter gemeenelijk kwalijk bekwam; want, dewijl ik de eerste
dit bedrog ontdekte, deelde ik het Punt mede: wij hielden ons dus op
onze hoede, en deden hem somtijds in hunne eigene lagen vallen. Eens is het
gebeurd, dat ik, in het tweede Bedrijf eenen stoot door mijn rok kreeg, terwijl
ik mijne tegenpartij, op het zelfde oogenblik, in den mond stiet, zoo dat hij
terstond bloed spoog en mij los liet; maar willende eene trede te rug doen, om
mij aan de zijde van Punt te sluiten, viel ik achter over op den grond:
Punt zette zich met de voeten schrijelings over mij heen, en verweerde
zich tegen vijf stommen, die op hem aandrongen, zoo lange, tot dat ik onder
zijne voeten van daan gekropen was, en wij te samen binnen geraakten; wanneer
hij tot mij zeide: ‘wat vervloekt lomp vechten is dat!’ ik
antwoorde: ‘merkte ge niet, dat het op ons gemunt was, om ons een
krouw toe te brengen?’ hij vroeg mij: ‘gelooft ge dat in
ernst; en zou zulks waarheid wezen?’ ik antwoorde weder:
‘dat ik redeneringen beluisterd had, die mij geenen twijfel
overlieten’. waar op hij zeide: ‘als dat waar is, zal ik den
eersten D.....r, die mij te na komt, (hij was anders nooit gewoon te
vloeken) zulk eenen gevoelige stoot toebrengen, dat hij wel vergeten zal,
mij ten tweede male te naderen!’ het geen ik hem verzekerde mede te
zullen doen.
Nu tot de zevende bladzijde. Hier haalt gij van der Sluis
aan. Wat dezen Tooneelspeler betreft; ik heb hem nooit gekend: maar Punt
heeft mij meer dan eens bericht, dat hij nooit lieffelijker noch schooner
uitspraak gehoord heeft, dan van hem; dat hij zoo lang hij sprak, een
uitmuntend Aucteur was, maar, als hij zweeg, gedurende de reden van den geenen;
die tegen hem overspeelde, altijd met beide de handen in de zij- | | | | den
stondt, en dus de gedaante van eenen pot met twee ooren uitmaakte. Wat hier
eigentlijk van zij is mij onbewust, dewijl hij voor mijnen tijd het Tooneel
betreden heeft: zijn pourtrait, dat men zeide dat hem zeer wel geleek, hebbe ik
bij Evers, die hetzelve bezat, wel gezien, hier was veel edelheid in.
Van Krook, wien gij hier ook noemt, staat mij eene flaauwe schets voor:
mij geheugt nog, dat ik hem in zijn huis, in eene japon, met eene groote paruik
en stijven hoed op het hoofd, heb zien wandelen; want gelieft te weten, Mijn
Heer, dat mijn rampzalig leven, in den jare 1727, in de woning van dezen Acteur
zijnen aanvang genomen heeft. Hij, namelijk, woonde beneden in een huis, dat
hem, als eigenaar, toebehoorde, in het welk zijne Huisvrouw eenen touwwinkel
deedt, en waarvan hij, de bovenkamers aan mijne Ouderen verhuurd hadt: en op
deze kamers heb ik voor het eerst het, voor mij zoo ongelukkig, dagligt gezien.
Ik heb dus, als een kind, dagelijks in het huis van dezen man loopen spelen:
hij hadt altijd veel met mij op, en ik heb nog twee eigenhandig geschreven
verjaarverzen, mij door hem in mijne kindsheid verëerd. Weinig staat mij,
gelijk gij denken kunt, van dit alles voor: doch mijne Ouders hebben mij
meenigmalen verhaald, dat Wigman, Fokke, Ariaan van
Schagen met haaren Man, Juffrouw Jordaan met haren Man, de eerste
Vrouw van Punt met hare Moeder, en meer andere Tooneelspelers en
Speelsters, dagelijks aan het huis van Krook verkeerden, daar dikwijls
met mij, als een kind, speelden, en, benevens Krook, hun altijd
voorspeld hebben, dat ik te eeniger tijd mede nog Acteur worden zou. Deze
Krook was, naar mij verhaald is, een leerling van den Hoogleeraar
Francius, en dit zoo zijnde, vertrouw ik vast, dat hij eene schoone
theorie bezeten heeft.
Wat Kornelis Bor, van wien Gij hier ter plaatse ook
| | | | melding maakt, betreft; ik heb hem wel als Castelein van den
Schouwburg, maar nimmer als Acteur gekend. Punt heeft, gelijk ik boven
reeds aangemerkt heb, altijd met veel lofs van hem gesproken. Hij heeft mij wel
van Bor verhaald, dat hij veel van den grooten Baron, dien hij,
in zijne reizen met de troep van J. van Rhyndorp, in Braband, en op den
Franschen bodem
*, onder anderen te Rijssel, dikwerf hadt zien spelen, hadt
overgenomen.
Dat Bor, gelijk gij zegt, de hartstochten en
zielsgewaarwordingen met zijne wezenstrekken wist uit te drukken, wil ik
gelooven: ieder goed Tooneelspeler behoort dit te kunnen doen, of men kan hem
met recht den naam van Acteur weigeren.
Dat Bor jonge lieden onderwezen heeft, is de waarheid, en
Punt zelf heeft van zijn onderwijs gebruik gemaakt, ja 'er veel nuts uit
getrokken. Ook heeft Punt mij verhaald, dat hij Bor meenigmalen
is aangeweest, om, wanneer hij den Achilles in de Iphigenia in
Aulis speelde, in dat stuk de Agamemnon tegen hem over te spelen, in
welke rol Duim hem nooit naar genoegen ondersteunde, waar door hij
klaagde, dat zijn Achilles veel leedt: maar dat Bor hem ten
antwoord gaf ‘Neen Neefje, ik bedank u; ik zou ver bij u te kort
schieten, gij komt zoo ver (wijzende op zijne keel) en ik moet het daar
halen, (wijzende met de hand een weinig onder de maag)’. Maar zoo
Bor de rol van Agamemnon in zijnen tijd zoodanig gespeeld heeft,
als ik het hem van Punt, op zijne kamer, heb | | | | zien nadoen,
moet het zeer schoon werk geweest zijn.
Wat Garrik belangt, van wien gij hier schrijft, dat hij,
volgens het zeggen zijner vrienden zelve, te eergierig was, om zijne
medespeleren door minzame onderrichtingen aan te moedigen: ik kan u hier
niet in tegenspreken. Het doet mij leed, dat die groote Meester in de Kunst
niet meer in leven is, ik had mij altijd gevleid, en vast staat gemaakt, hem
nog eens te gaan zien. Men heeft mij veel van hem verhaald, en de Engelsche
Tooneelspelers, die hier bij mij voor eenige jaren gespeeld hebben, hebben hem
mij, zoo ik vertrouw naar waarheid, beschreven, en mij tevens onderricht,
waarin zijne meeste kragt en behendigheid bestondt. Aan het Fransche Tooneel
heeft men zich verscheiden zijner kunstgrepen meester gemaakt; die van zeer
goed gebruik bevonden worden, dit schijnt evenwel het getuigenis, hier boven
aangehaald, tegen te spreken. Hij heeft een uitmuntend boekje over het Tooneel
geschreven, uit welk een jong Tooneelspeler, als hij 'er zich naar richten wil,
veel nuts trekken kan: ik bezit hetzelve, en het is mij veeltijds van goed
gebruik geweest.
Ik moet UEd. hier in het voorbijgaan zeggen, dat Krook de
jonge Toneelspeleren ook onderwees, en daar voor eene somme van 75 guldens
jaarlijks trok
*. | | | | Het geen Gij op de achtste
bladzijde ter nederstelt, is ook bezijden de waarheid. De beroemde Duim,
dus schrijft Gij, toen insgelijks nog jong, was evenwel tot de bezadigde
characters aangesteld, en behaalde grooten lof; doch men vondt niemand, wien
men de hevige vervoeringen van woedende heldhaftigheid vertrouwen durfde.
Duim speelde de eerste rollen recht door, als Orestes, Achilles, en
diergelijke, eer Punt het Tooneel betradt, en vervulde dus, reeds voor
Punt, de zoogenaamde woedende Heldenrollen, zoo als Gij die goed vindt
te bestempelen; en dus was 'er geene bres, zoo als het u belieft te zeggen.
Ook is het eene onwaarheid, dat Punt reeds met zijne
Anna Maria de Bruin in den echt verbonden was, eer hij op het Toneel
tradt. Hij is gehuwd in den jare 1733, en dus, na dat hij al ruim een jaar
gespeeld hadt: dewijl zijn debut voor kermis van den jare 1732, geweest is.
Daarenboven is het zeker, dat hij aan den gantschen troep, die, volgens
gebruik, zijn, en zijner Bruids kleedkamertjen, hadt groen gemaakt, eene
keurlijke maaltijd op het Toneel gegeven heeft, waar van hem de Heeren
Regenten, op zijn verzoek, het gebruik hadden ingewilligd.
Punt debuteerde met de rol van Rhadamistus; en heeft
mij betuigd, dat hij in het minst niet beteuterd, of ontdaan was; dat onder het
spelen zijne boordmouw, los rakende, over zijne hand viel, en hij dezelve,
zonder de minste bedremmelheid, onder zijn kleed, al | | | | voortspelende,
vast stak. Eene groote vrijmoedigheid van eenen Jongman van twintig jaren, die
voor de eerste maal, op een openbaar Tooneel, met zulk eene gewichtige rol, als
Rhadamistus, te voorschijn treedt! Hij gaf zeer veel genoegen. De tweede
rol, die hij op het Tooneel bragt, was Agenor in Astrate. Hier
verloor hij bijnaar alles, wat hij met Rhadamistus gewonnen hadt; ja
zelfs kwamen 'er al kleene coups de Sifflet voor den dag, het geen
Duim, die de Astrate maakte, sterk aanmoedigde, en een innerlijk
genoegen gaf, dat hij zijnen mededinger in zulk eene verwarring zag, want
Punt werdt ten uiterste verlegen. Maar in het vierde Bedrijf, waar
Agenor met Astrate dat schertzend Tooneel heeft, herstelde
Punt zig, en men gaf hem een tamelijk applaudisement. Zijne derde rol
was Karel Erfprins van Spanje, hier voldeedt hij vrij wel mede: en zijn
vierde rol was de Achilles van Huidecoper; in deze rol deedt hij
zig zoodanig uitmunten, dat de Heer Huidecoper direct naar boven bij de
Regenten ging, en tot hun zeide, zoo lang als deze Man aan het Tooneel is,
geen ander Achilles als hij, dit verzoek ik vriendelijk voor mijn stuk;
dat, zo lang Punt aan 't Tooneel is geweest, ook geschied is, en ik kan
mij niet herinneren, dat Duim denzelven in al dien tijd, maar wel na
zijn afzijn van 't Tooneel, gespeeld heeft. Het geen ik hier ter neder gesteld
hebbe, is alles door Punt zelven mij meer dan eens verhaald. Ik kan hier
niet voor bij, u te onderrichten van het geen bij de eerste vertooning van het
bovengemelde Treurspel voorviel. Punt (die zekerlijk nooit de Iliade van
Homerus gelezen hadt,) kwam, voor het begin van het stuk, gekleed in
zijn Romeinsch Pak, over het Tooneel wandelen: hij had een groote zwarte paruik
met twee staarten, waar van hem de eene over de borst en de andere over de rug
hing, op het hoofd, en hadt zig, met kurk of oostindische inkt twee | | | | knappe Moustaches gemaakt. Jacobus Jordaan, een Excellent
Acteur, die toen ook toevallig over het Tooneel wandelde, Punt dus
toegetakeld ziende, begon te lagchen. Punt vroeg hem: waarom lachje
Koos? Jordaan antwoorde hem, om mijn eige domheid. Waar in bestaat
die, hervatte Punt? Dat ik, antwoorde Jordaan, mij altoos tot nu
toe verbeeld hebbe, dat Ulisses een verstandig en doorsleepen man is geweest,
maar dat ik nu moet bekennen, het tegendeel te verneemen, en dat hy een
volslaagen gek was. Hoe dat, vroeg Punt. Wijl (hervatte
Jordaan) hij zo veel moeite deed om, (toen Achilles zich onder
de Maagden aan het Hof van Licomedes bevondt, alwaar zijne Moeder Thetis hem
verborgen hadt) zig als een Koopman te verkleeden, en een helm, zwaard en
schild bij zijne waaren voegde, door dewelke aan te grijpen Achilles ontdekt
wierdt, daar hij hem direct, zonder zo veel omstandigheden, aan zijn groote
zwarte Leeuwehairen, en aan zyn Moustasches, onder zoo veel Maagden, lichtelijk
onderscheiden kon. Punt zweeg stil, ging direct naar zijn kleedkamertje,
waschte de Moustaches af, en zette in de plaats van de groote zwarte, een
zogenaamde gepoeierde vosjes paruik op, en kwam dus weer op het Tooneel
wandelen, zeggende teegen Jordaan: is het nu beter naar uw zin? die hem
antwoorde, ja, nu lijkt gij meer naar Achilles; maar hoe kwaamt gij straks
aan die Idée? Punt zei, om hem ontzachelijker te doen schijnen,
wijl ik zeer jong vertoon. Hoe jonger aangezicht voor Achilles hoe beter,
hervatte Jordaan, ja al is 'er zelfs iets Vrouwachtigs in; dit kan voor
Achilles geen kwaad: en vooral licht van gang, wilt gij hem wel verbeelden.
Ik hebbe dit enkel als een wanbegrip van Punt, in dien tyd, alhier ter
neder gesteld, dat ieder een zoude kunnen hebben: dwaalingen zijn alle menschen
onderhevig.
Het geen gij op pag. 9. verder zegt, kan men bij | | | |
van Effen in zijn Spectator, het
CXLIV. Vertoog, naar waarheid, zoo als ik meede aangehaald heb, beter vinden;
en dat Duim en Punt, volgens uw schrijven, als edele geesten
betaamt, eene naauwe vriendschap met elkanderen slooten, hier van heb ik
nooit, dan door u, eenige onderrichting bekoomen. Ja, 't is waar, zij kwamen
met hun beiden veel in een en dezelfde gezelschappen, ook wel aan elkanders
huis: maar meer dan eene ordinaire Comedianten vriendschap, hebbe ik 'er nooit
in kunnen bespeuren; en zij hadden alle beiden doorgaans op elkanders speelen
vrij wat te critizeeren, waar van ik verscheide kluchtige critiques heb
bijgewoond, vooral hadden deeze critiques plaats in de rollen, die zij beurt om
beurt met den anderen plachten te speelen.
Wat verder belangt het vers (uit Julius Caesar en Kato ) 't
welk Punt, ten opzigte van zijnen medegenoot Duim, met veel
aandoeningen, als gij gelieft te schrijven, uitboezemde, Ach! was ik Caesar
niet, 'k zou Kato willen zijn: dit kan gebeurd zijn: maar ik geloove dan
ook vast, dat hij 'er meede gebadineerd heeft, anders komt het mij wat
zottelijk voor, van een Man als Punt; maar hij kon wel eens badineeren,
en zomtijds al vrij sterk. Men vindt onder de Amsterdammers verscheiden
menschen, die altijd een spreuk uit het een of ander Tooneelspel gereed hebben,
of het val heeft of niet. Voor eenige jaaren, twee Heeren in de Parterre van de
Fransche Comedie alhier elkander ontmoetende, waar van de een een Amsterdammer
was, en in een der Staats Collegies zitting hadt, werdt deze door den ander
gevraagd, wel mijn heer, zal morgen de zaak in de vergadering beslist
worden? ja mijn Heer, antwoordde de ander, op morgen zal men zien, of
Rome of ons Carthaag de wereld zal gebiên; waar op de eerste hernam,
vergeef mij, mijn Heer, gij lieden hebt gantsch geen overeenkomst
| | | |
met die van Rome of Carthago, maar veel meer met die van Tyrus
en Sidon.
De vergelijking van den verstandigen Man op pag. 9. van Michiel
Angelo en Raphael, zal ik met stilzwijgen voor bij gaan.
Het geen gemelde Heer verder op pag. 10. zegt, is waar, namenlijk:
dat de Natuur over al dezelfde is, enz. maar dit zijn dingen, die de
geringste Tooneelspeeler weet; ten minste behoorde te weeten.
Op pag. 11. zegt gij, wie weet of Michiel Angelo op Raphael bij
ons dat voordeel immer zouw behaald hebben? Neem mij niet kwalijk, mijn
Heer, dit is onze Natie stilzwijgend van domheid beschuldigen: doch ik zal uw
gevoelen niet tegenspreeken.
Dat de Tekenkunst, zo gij zegt, zeer veel nut aan een
Tooneelspeler kan toebrengen, is onbetwistbaar; ik heb zulks ondervonden,
en met Punt 'er dikwerf over geredeneerd. Maar dat de gramschap van
Achilles, de grootsheid van Sabinus, de woede van Orestes, de
buitensporigheid van Herodes, dikwils gediend hebben om Punts Etsnaald te
bestieren, en zijn Tafreelen met heldenvuur te bezielen, heb ik nimmer
kunnen merken. Ik heb zes jaaren naast zijne zijde gezeten, en hem vrij veel
zien Etzen, maar niet kunnen bepeuren, dat hij dan veel om al die bovengenoemde
snaaken dacht: maar ik heb hem, in zijnen eersten tijd, onder zijn etzen
zijne rollen wel overhoord, en hem, in zijne vervoering, de etsnaald wel tegen
de tafel zien werpen, zijn bril van den neus neemen, ja zelfs van zijn
werkbankje met drift oprijzen, en zijn rol declameeren, dezelve met eene
houding en stand zien paaren, veel schooner, dan hij het op het Tooneel deedt:
hier bestierde altoos de rol zijn etsnaald niet, wijl hij dezelve, in passie,
tegens de tafel of op de grond neder wierp. Wat verder betreft, dat de
Tooneellist hoe grootsch en glansrijk ver-
| | | |
dwijnt, met de
tijdgenoten, en eindelijk zoo wel als zijn oorblaazer, (door dit woord,
denke ik, dat ik den Soufleur, of Inblaazer, bij ons de Boekhouder
genaamd, moet verstaan) in de diepste vergetelheid gedompeld wordt, zoo men
geen gepaste middelen zoekt om zijn naam onsterfelijk te maaken, 't is
waar, en vooral hier in Holland, waar men eenen Tooneelspeeler gantsch niet, of
zeer weinig acht.
Op de Haagsche Kermis dezes jaars, is een Print te koop geweest,
de Vergoding van Garrik genaamd; een bewijs, dat de Britten, hoe stroef
en lomp bij ons geacht, de talenten der afgestorvene Konstenaars nog in achting
houden: een Tooneellist, die talenten heeft, is bij deeze Volken in aanzien, en
men tracht hem aan de vergeetelheid zo veel mooglijk te ontrekken; de Franschen
insgelijks. Maar wij Hollanders doen recht het teegendeel; wij vergeeten de
Lieden van Talenten, die, geduurende hunnen leeftijd, getracht hebben, ons door
hunne vlijt en arbeid te stichten en vermaaken: ja een goed Acteur is nog
nimmer in ons Vaderland, naar waarde beloond, maar wel gesmaad, als hij zich
aan geen gekken, waar van wij in ons land rijkelijk, ja overvloedig voorzien
zijn, onderwerpen wil. Punt heeft hier van zijn deel gehad, en ik zelf
ben, geduurende mijn Acteurschap, een speelpop van allerleie mishandelingen
geweest; het welk ik, bij nader gelegenheid, hoope aan het publiecq mede te
deelen.
Op pag. 13. spreekt gij weder van Garrik: ik heb een Frans
Acteur gesprooken, die hem, aan het huis van Preville te Parijs, met een
servet om 't hooft, als een kaper gevouwen, het hoofd door de opening der deur
steekende, en zijn lichaam en handen verbergende, alle de passies van le
Brun heeft zien maaken. Het geen gij van Dorat en den grooten
Baron hier ter neder zet, komt mij niet als grootspraak, maar zeer
mooglijk | | | | voor, en ik verzeker u, had ik het in mijn jeugd geweten,
dat ik niet gerust zou hebben, voor dat ik het ook meester ware geweest: men
kan deze mouvementen door exercitie machtig worden. Maar dat gij zegt: wij
twijfelen of dit laatste (namenlijk die schielijke gelaatsverandering, die
Dorat van Baron beschrijft) wel zeer oordeelkundig zou geweest
zijn, dewijl de gantsche samenzweering zo zeer niet Cinna, als wel Emilia ter
harte gaat, had Emilia het kunnen doen, het zou zekerlijk overeenkomstiger met
de belangens van het stuk geweest zijn toont, dat gij wegens deze caracters
de plank glad mis zijt. Aan Emilia voegt hier een gelaat van
nieuwsgierigheid, met verwondering doormengd, die haar in het begin als
tusschen hoop en vrees vertoonen, en naar mate Cinna in zijn verhaal
vordert, moet haar gelaat meer genoegen te kennen geeven, tot dat hij dus ver
gevorderd is:
En Maximus gaat met de helft de poort bezetten;
Wijl de andere helft mij volgd om hem te omcing'len,
al
Gereed, op de eerste leus die ik hen geeven zal.
Hier veranderen zij beide, want hier is zijn verhaal wegens het
Eedgespan ten einde, en Emiliaas nieuwsgierigheid voldaan; en,
wijl de vier regels, door u in het Fransch aangehaald, eene afbeelding van de
vergadering der Saamgezwoorenen behelzen, en men hunne houding en stand op dat
tijdstip moet verbeelden, vind ik het zeer schoon en wel met oordeel, wanneer
een Acteur dit mouvement van Baron machtig kan worden. Hier valt mij,
wijl wij op het articul van schielijke gelaatsverandering zijn, een geval in 't
geheugen, dat ik, in den jaare 1742. of 1743.; heb bijgewoond. Men vertoonde
Mithridates; Punt vervulde deeze rol, Duim die van
Xiphares, en Brinkman die van Pharnaces, welke
laatstge- | | | | noemde rol ik nimmer door iemand ter waereld zoo goed, als
door den laatstgemelden Acteur heb zien uitvoeren; Anna Maria de Bruin
speelde Monima bij uitstek; Appel, die toen ter tijd als niet
geacht werd, doch die, zoo hij thans in weezen was, voor 't minst de rol van
zogenaamden ouden Vorst zou maaken, vervulde de rol van Arbates, en
speelde dien avond meesterlijk: als men nu in het stuk zoo verre gevorderd was,
dat Monima tot Mithridates zeg, Seigneur vous change de
vizage, door Arends in onze Nederduitsche Moederspraake
onvergeeflijk aldus overgezet:
Mijn Heer gij schijnt ontsteld. wat doet u dus verand'ren?
veranderde het gelaat van Punt zo snel, even als van iemand, die, in
weêrwil van zich zelven door zijn gelaat verraden wordt, en op hetzelfde
oogenblik herstelde hij zich zoo spoedig, dat hij een bedaard gelaat vertoonde,
toen hij antwoorde: Geenzins Mevrouw: 't is wel enz. dat het te
verwonderen was. Men was ter dier tijd zo gereed niet als tegenwoordig, om een
Acteur met handgeklap te vereeren, maar ik hoorde rondom mij zeggen, kijk
Punt! kijk Punt! dat's wonderbaarlijk! zie hem zijn gezigt veranderen! Hij
deedt dit, zonder met het lijf of de handen eenige beweeging te maaken, of
eenigzins van stand te veranderen, enkel met zijn aanzigt. Ik heb het nooit
weêr zien doen. Bij zijne wederkomst op den Schouwburg heeft hij de Rol
van Xiphares voor zich gekoozen, wijl Duim, geduurende 's Mans
afweezigheid, de rol van Mithridates op zich genoomen hadt: maar deeze
speelde hij zoo goed niet als Duim, en Duim op ver na zoo goed
geen Mithridates als Punt, en ik heb het Punt altijd
verweeten, dat hij kwalijk deedt met de rol van Mithridates niet te
herneemen.
Op pag. 14. zegt gij, van onzen Punt kunnen wij met vaste
verzekering melden, dat hij altoos diep doordrongen was van het Caracter, 't
welk hij vertoonde; en van de
| | | |
edelaardigste diepst: zo dat
hij meenigmaalen, na de uitvoering van een aandoenlijke Rol achter de schermen
komende, een geruimen tijd nodig had, eer hij meester was van zijne traanen.
Alle zijne medespeelers hebben dit altoos getuigd, zonder hem ooit van eenige
gemaaktheid te verdenken. Ik betuige u met een woord van waarheid, mijn
Heer, dat ik, bij de tien jaaren, naast 's Mans zijde het Tooneel betreeden
heb, maar dat ik, het geen gij hier van Punt ter nederstelt, nimmer van
hem gezien heb: ik heb hem wel eens ontroerd en met de traanen in de oogen
binnen zien koomen, maar dit is onze Tooneelspelers meest allen wel eens
overgekoomen; is dit nu een bewijs, dat men juist van zijn Caracter diep
doordrongen is? Vergeef mij, mijn Heer, ik moet uwe kunde omtrent de
Tooneelspelers hier een weinig mistrouwen. Ik heb een jong Meisje in mijn Troep
gehad, dat men, als zij de rol van Joseph speelde, in haar traanen kon
wasschen; was zij daarom van haar Caracter diep doordrongen? Neen, het was de
haar bijzonder eigene lichtgeraaktheid van zenuwgestel, en geen werking van
haar Caracter of Rol; zij speelde dezelve, in weêrwil van die groote
gemoedsbeweeging, op ver na niet voldoende voor kundige ooren: en die
Tooneelspelers, die u dan bericht hebben, dat Punt een geruimen tijd
nodig had, eer hij meester van zijn traanen was, hebben vermaak gehad u wat te
foppen. Want, voor eerst, speelde hij geen teerhartige rollen, ten minste
zelden; ook was Punt zo schreiachtig van aart niet: doch dit kunnen alle
zijne Cameraads, die nog in wezen zijn, nevens mij getuigen, dat Punt,
al had hij ook vijf- en -twintig uitkomsten in één spel gehad,
hij altijd, eer hij naar 't Tooneel ging, eerst zijn water maakte, waarom wij
hem badineerende den pissenden Romein noemden. Maar van zijne Weduwe, die nog
leeft, heb ik wel gezien, dat haar de traanen | | | | over het gezicht
liepen, en zij eenen geruimen tijd nodig hadt om te bedaaren. Doch dit
vereeuwigt geen Tooneelspeler, wijl wij het meest allen met den anderen gemeen
hebben: maar zulks te doen, wanneer men wil, en in het caracter, dat men
verbeelt, dat is iets anders, en gaat wat verder. 't Geen gij vervolgens
klaagt, dat een Tooneelspeler niet vereeuwigd kan worden in zijn werk,
heb ik van de Fransche Tooneelspelers wel honderd maal hooren zeggen.
Nu komt gij tot het Pourtrait van den Heer Punt, door hem
zelven gegraveerd; ik beken, dat het hem volmaakt gelijkt; maar dat het
Achilles in zijn woede verbeeldt, en dat alles roept, alles dreigt,
ik zal ten strijd gaan! Ja, - en beef, Agamemnon, beef! is onwaar.
Punt deedt dit met een heele andere houding, en een heel ander gezicht,
als zijn Pourtrait aankondigt: ik twijfel hier haast weder, dat gij het nooit
van hem gezien hebt, vooral niet in zijn besten tijd.
Verders zegt gij op pag. 15. waarom heeft de liefde, die tedere
liefde, waar van zijn hart geheel vervuld was, als Anna Maria tegen hem over
stond op het Tooneel, hem ook niet ingeboezemd, haar beeltenis te vereeuwigen,
onder de gedaante van Sophonisba of Agnes de Castro? Ik antwoorde
kortelijk, om dat ze niet begeerde gepourtraiteerd te worden, en zij altijd,
wanneer Punt het haar voorsloeg, 'er den spot mede dreef; en, of zij
voor de rol van Sophonisba wel gevoeglijk kon gepourtraiteerd worden,
hier twijfel ik een weinig aan, dewijl ik mij niet kan herinneren, dat zij
dezelve ooit gespeeld heeft: echter kan het gebeurd, en mij ontgaan zijn.
Verders op pag. 17. en 18. komt gij aan het uiteinde van Anna
Maria de Bruin. Zij stierf in het kraambedde, anno 1744., na dat zij,
omtrent een maand te vooren, de rol van Lucretia, in Lucius Junius
Brutus van Claas Bruin gespeeld hadt. Haar sterfdag staat mij zeer
wel voor, en | | | | ik kan mij de houding van Punt nog zeer wel
herinneren, toen ik in zijn kamer trad, en hij tot mij zeide, uw Juffrouw is
dood! Ik heb, hier voor, zijnen en mijnen toestand op dat oogenblik
beschreeven. Hij speelde vervolgens dien winter met genoegen, en met
ongenoegen, zoo als 't viel: dat hij, zoo gij schrijft, de aandoenlijkste
Rollen uitkoos, om zijn rouw onbelemmerd uit te boezemen, heb ik niet
kunnen merken; hij speelde de rollen, zoo als hij voorheen hadt gedaan,
dezelfde die hij gewoon was te speelen: en dat de Tooneelspeler Polus,
in de rol van Elektra, de lijkbus van zijn Zoon in de handen nam, op dat
die hem zou behulpzaam zijn tot opwekking van waare droefheid, in het
uitdrukken van verdichte hartstochten, waar over gij u dus uitlaat, 't moet
wel een allerlevendigste verbeelding zijn, die dus het speeltuig van haare
eigene kunstgrepen worden kan, doet mij geloven, dat uw kennis wegens de
practijk van ons Tooneelspelers zeer gering is. Dat Punt zich, in 't
eerst, telkens op 't Tooneel zijner overleedene Vrouw herrinnerde, heeft hij
met mij, en mogelijk met honderd andere gemeen gehad. In 't jaar 1779. gaf ik
te Rotterdam voor 't eerst Pietje en Angenietje. Evers was
overleeden, en zijn Weduwe speelde de rol van Aaltje, en viel, op de
repetitie van het Stuk, onder het zeggen van deze woorden: Aaltje, zeide hij
tegen mij, mijn dierbre Aaltje, ik ga van deze aarde weg, enz... in zulk
eene droefheid, dat zij als in haar traanen smolt, en ons allen met aandoening
vervulde; op de tweede repetitie was zij gematigder, op de derde vertoonde zij
een flaauwe aandoening, en bij de eerste vertooning was zij, (schoon zoo sterk
niet als op de eerste repetitie,) zoodanig aangedaan, dat zij den aanschouwer
met alle aandoening vervulde, en zeer toegejuicht werdt: hier steekt niets
buiten gemeens in, en kan dus op Punt alleen niet toegepast worden.
| | | |
Wat belangt, dat de aanschouwers, zoo als gij op pag.
18. gelieft ter neder te stellen, het orkest niet zelden deden zwijgen, om
de vaerzen van Punt te herhaalen; hebbe ik nooit bijgewoond, schoon ik
bijna dagelijks ter dier tijd in den Schouwburg was, en veel zelfs bij
Punt mij achter 't Tooneel bevond; zoo het waar was geweest, zou 'er
mijns dunkens mij iets van voorstaan; ik denke, dat gij hier verkeerd
geinformeerd zijt.
Wat verder de Historie van den grooten Wiskunstenaar uit
's Gravenhage met zijn Zoon betreft, is een zoet sprookje, maar
heeft niets in, dat Punt een buitengewoone eer aandoet, of bewijst niet,
dat het Tooneel de hartstochten zuivert. Wij hebben verscheiden van die
Historietjes. Punt speelde eens Karel Erfprins van Spanjen, in
zijn vroegen en besten tijd: een burger vrouw verliet de tien stuivers plaats,
begaf zich bij de Suppoosten, die aan den trap stonden, en verzocht
vriendelijk, dat zij doch bij den Koning mogt toegelaten werden, dat
anders het dien jongen Prins het leeven zou kosten, dat hij verraden
werdt, en dat al zijn Hovelingen schelmen waaren, want dat de Koningin
en de Prins alle beiden onschuldig waaren; en toen men haar den doorgang
belette, begon zij te schreien, en gaf die twee ongelukkige Perzonagies, de
Koningin en Karel, den Suppoosten op haar conscientie, die haar
beletten bij den Koning te gaan, om het verraad aan den dag te brengen:
zij ging aan, als disperaat, toen zij Karel zag sterven, zoo dat men
deze aandoenlijke uit den Schouwburg moest leiden, wilde men het Spel in rust
voleindigen. Eene andere Vrouw, bij het vertoonen van Jacoba van
Beyeren, door Juffrouw van Schagen, tegenwoordig zijnde,
(Punt speelde Philips,) werdt zoodanig bewoogen, dat zij in het
vijfde Bedrijf uitborst, die Vrouw wordt mishandeld, men
| | | |
ontneemt haar alles; en, heeft 'er dan hier niemand iets voor haar over, dan
zal ik haar ten minste zo veel toebrengen als in mijn vermogen is, werpende
tevens haar hand- en oorringen en verdere sieraaden altemaal van de Gallerij,
stuk voor stuk, op het Tooneel, ja begon al aan het los maaken van haar
kleederen, om die ook op het Tooneel te werpen: Juffrouw van Schagen en
Punt, benevens al die op het Tooneel stonden, zulk een ongewoonen St.
Nicolaas regen ziende nederdaalen, meenden in 't eerst, dat men hen eenigen
schimp meende aan te doen; maar, hoorende wat 'er gaande was, veranderde alles
in lagchen, en men hadt veel moeite, om de vervoerde Vrouw te beweegen, haar
goed wederom te neemen, en haar aan het verstand te brengen, dat het slechts
een spel en geen wezenlijke zaak was, die men vertoonde.
Men vindt bij Chevrier, dat een Soldaat, die de wagt te
Parijs op het Tooneel hadt, in het Treurspel van Brittannicus, zoodanig
door den Acteur, die Narcissus speelde, in gramschap ontstooken wedt,
dat hij zachtjes zijn geweer opnam, en zich gereed maakte, om op hem aan te
leggen: een Heer die op 't Theater, zijn plaats hadt, dit, bij geluk, uit het
mouvement van den Soldaat merkende, wederhieldt hem, hem tevens vraagende,
Soldaat wat wilt gij aanvangen? waar op hij antwoorde, dien schurk,
die zijn meester zo valschelijk misleidt, en tot moorden aandrijft, door den
kop schieten: en hij zou zijn voorneemen volvoerd hebben, zoo men hem niet
belet hadt. Wat zegt dit alles nu? en waar uit ontstaat die werking? Ik heb de
bovengemelde rol van Narcissus op eenig Tooneel, op wat plaats ik het
ooit gezien heb, van niemand nog beter dan door Angemeer zien vertoonen;
echter is hem die eer nog niet gebeurd, dat hij iemand daar door zoodaanig
aangedaan heft, die hem zulk een' voor hem gevaarlijk aplaudissement heeft
willen toe- | | | | dienen, trouwens ik geloove ook niet, dat hij 'er zeer
mede in zijn schik zou zijn geweest.
Mijns oordeels komt dit zomtijds meer door den Auteur, dan door
den Tooneelspeeler voort: hoe veelen hebbe ik 'er in de Gekroonde na haar
dood, in het laatste Bedrijf, traanen zien storten, daar het mij onder het
speelen, zelfs van Pedro, nooit gebeurd is; en Genoveva heeft
mij, als zij alleen in 't bos zwerft, meer dan eens doen schreijen: en de
passagie van Sabina met haaren Man, in het vierde Bedrijf van
Horatius, welke begint, wat kan uw eedele toorn op deze plaats
verwerven, enz. (welke passagie ik wel eens wenschte goed te zien
uitvoeren, 't welk mij nog immer gebeurd is, en dat ik geloove, dat door
Anna Maria de Bruin, of Adriana van Schagen, in haaren tijd,
zoude hebben kunnen gedaan worden) doet mij altoos aan, en weet mij een' traan
te ontrukken, zo dikwijls ik hetzelve maar leeze. Dit ontstaat uit mijne
denkenswijs, die daar zekerlijk min of meer overeenkomst mede hebben moet. En
voor twee jaaren heeft mij in de Fransche Comedie alhier, zoo als ik even
binnen trad, een regel van Hippolitus in Fedra zoodaanig
getroffen, dat mij direct een traan ontsprong; dit ontstondt enkel, om dat
gemelde regel mij de denkenswijze van mijne jonge jaaren, en mijne onverdiende
rampen, die daar van 't gevolg geweest zijn, herrinnerde: de Tooneelspeeler,
die gemelden regel uitsprak, kon deze mijne ontroering zich niet als een
uitwerking zijner bekwaamheid toeschrijven; het was de regel zelf, die op mijne
gesteltenis werkte, en dus bleef de eer aan de asch van Racine.
Verscheide stukken, als le Parti de Chasse de Henry Quatre,
op het laatst van het stuk; eenige regels in de Rol van Montaigu, in
Romeo en Juliette van Sauryn, en meer andere, kunnen dit
bij mij, in mijne kamer, wel te weeg brengen; daar zij mooglijk eenen ander, al
worden ze door | | | | een goed Tooneelspeeler uitgesprooken, niet eens
raken zullen. Maar alhier heb ik in den jare 1773. eene vertooning van
Silvain gezien, die alle de aanschouweren zoodanig verrukte en
ontroerde, dat het bijnaar wel een Nieuwer-kerksche beroering geleek: dit was
alleen aan de bekwaamheid van de Heer Caljoit toe te schrijven; en ik
durf dit konststuk van gemelden Acteur onder de drie of vier Tooneelwonderen
stellen, die ik in mijnen leeftijd op de Theaters heb zien vertoonen.
Vervolgens schrijft gij, op pag. 20., dat Punt het Tooneel
verliet, met de Rol van Herodes, maar meldt niet dat hij dezelve tweemaal
achter een speelde. Hij hadt eenige weeken te vooren, alle Zaturdagen zijne
voornaamste rollen, de eene na de anderen afgespeeld, tot op veertien dagen
voor zijn afscheid, wanneer hij, op eenen Maandag, Hercules zeer fraai
vertoonde, en des Zaturdags Herodes, waarop hem verzogt wierdt, den
volgenden Zaturdag nog eens Herodes te geeven, het geen hij deedt:
Juffrouw van Schagen heeft beide de keeren, Mariamne met hem
gespeeld, ik hebbe in beide deze vertooningen bij hem achter het Tooneel,
tegenwoordig geweest; hij deedt schoone dingen op de beide voornoemde avonden,
en verliet het Tooneel met veel luister. Bij het afscheid neemen van zijne
Confraters, zeide de oude Juffrouw Jordaan tot hem: Punt, gij verlaat
het Tooneel, gij zijt gelukkig, dat gij buiten hetzelve bestaan kunt; ik zie u
met genoegen vertrekken: maar, zoo ik u hier vroeg of laat weder mogt zien
verschijnen, zal het met het uiterste leetwezen zijn. Punt antwoorde; ik
hoope, dat God mij daar voor bewaaren zal: en zij weder, dat hoope ik
van uwent weegen, vaar wel, ik wensche u veel voorspoeds en lang leeven.
Waarop hij zich met mij uit den Schouwburg begaf. Eenige dagen daar na, kwam in
een maandelijks Boekje, dat | | | | tot tijtel voerde: het Koffyhuis
der klapachtige Nouvellisten, een vinnig pasquil op Punt uit, dat
Hermanus van den Burg gemaakt hadt
*, en het geen door Brinkman direct zeer geestig gekeerd
wierdt.
Het geen gij verder op pag. 21. schrijft, dat Punt op het
voorbeeld van Baron en Garrik, naar rust verlangde, en daarom het Tooneel
verliet, is, neem het mij niet kwalijk mijn Heer, bezijden de waarheid;
voor eerst was hij veel jonger, dan de bovengemelde Baron, toen hij dit
ondernam, als hebbende ten dien tijd, den ouderdom van drie of vier en dertig
jaaren bereikt, daar Baron al hooge jaaren begon te krijgen, toen hij
zulks verrichtte; en Garrik ging in den Zomer, wanneer men in Londen
gemeenlijk van Mey tot October het spectakel sluit, meesttijds naar Italien, om
zijne gezondheid; ook heeft hij wel eens een zomer te Parijs door gebracht,
waar van ik verscheiden gevallen weet, die hem aldaar gebeurd zijn: dit was
niet, om het lastig verzoeken, zoo gij zegt, te ontwijken, want wijl de
Schouwburg in Londen geslooten was, kon dit geen plaats hebben. Of Duim,
zoo gij zegt, dikwijls voorgenoomen hadt het Tooneel te verlaaten, kan
ik met waarheid niet zeggen, maar dit is zeker dat die zich wel in dien tijd,
toen Punt zich van het Tooneel verwijderde, heeft laaten ontvallen, dat
hij, zo hij met het verkoopen der Boekjes niet begunstigd was, den Schouwburg
ook wel had willen verlaaten. Punt verliet den Schouwburg gedeeltelijk,
om het afsterven zijner Vrouw, wijl hij die aldaar missen moest, | | | | en
gedeeltelijk, om andere redenen, die niemand beter, naar waarheid, dan mij
bekend zijn, maar ik te wijdloopig reken om alhier ter neder te stellen, doch
die, bij nader gelegenheid, wanneer zij van zelve beter zullen voorkoomen,
mooglijk het licht zullen zien.
De redenen, die gij verder, op pag. 21. 22. en 23, bijbrengt om uw
bewijs, dat Punt, om de vermoeide zenuuw' te ontspannen, zijn partij, om het
Tooneel te verlaaten, gekozen heeft, is mooi geschreeven, en ten naastenbij
zoo als Voltaire zijnen Opperpriester
in Olympia schildert: gij schetst hier de Acteurs bijnaar op dezelfde
wijze af, namenlijk, zoo als zij behoorden, en niet zoo als ze zijn. Ik weet
niet, of gij van Dorat, of eenig ander Fransch Schrijver zulks ontleend
hebt, maar gij stelt het sierlijk, en in fraaie bewoordingen voor. Doch de
meeste Tooneelspeelers van den gantschen aardbodem, voor 't minst die ik gekend
heb, en die al een tamelijk groot getal uitmaaken, drijven den spot met
diergelijke uitdrukkingen: als, nu kiest hij eens zomtijds de Raadzaal voor
de Legertent, en Mithridates, of Filips van Bourgondien zal hem behaagen boven
Massanissa of den beminnelijken Zoon van Meropé. Duim en Punt
hebbe ik dikwijls, over diergelijke pedante uitdrukkingen, hooren lachen: het
gaat 'er zoo niet toe, mijn Heer: ik merk duidelijk, dat gij onze theatrale
huishouding achter de schermen niet kent.
De hooge toonen, die gij, op pag. 24. en 25, stelt, en
die gij hoopt, dat den gunstige Lezer niet zullen mishaagen, hoope ik,
dat gij mij zult vergeeven, als ik u zegge, dat dezelve mij altijd bij de
Schrijvers doen lachen, en mij dan deze verzen uit den Misantrope van
Moliere direct invallen:
Die schilderende stijl, die elk zo schijnt te
vleijen,
Gaat buiten rede, en ordre, en buiten waarheid
weijen.
| | | |
't Is zoo wat opgepronkt, doch altemaal
gemaakt.
O! de Natuur die spreekt heel anders: klaar, en
naakt.
Maar, 'k zie 't, onze eeuw vervalt geheel tot valsche
smaaken.
Onze Ouders konden 't in haar domheid beter maaken,
enz.
Ook hebbe ik zoo eene meenigte van diergelijke zoogenaamde
verhevene uitdrukkinge, bij Tasso en Arioste, in vroegeren tijd, doorblaaderd, dat het geen
nieuw voor mij is: en, na dat ik aan Longinus
en Swifft
* een
weinig kennis heb gekregen, is al dat klatergout van zeer weinig waardije bij
mij geworden.
Nu verder, van pag. 25. 26, 27, 28, 29, 30, tot 31, is eene
diergelijke beschrijving van het geen Punt, geduurende zijn
Tooneelverlaating verrigt heeft. Hier over kan ik u niets zeggen, dan dat ik
hem aan het werk van de Platfonds dikwijls heb zien arbeiden; dat ik hem
menigmaal aan het huis van de Wit, als een Discipel aan de zijde van
zijn Meester, met den hoed in de hand, van zijne onderrichting heb zien
profiteeren, waar in ik Punt, schoon hij al den roem hadt van een braaf
Meester te zijn, altijd een eer heb zien stellen, dat hij zoo gelukkig was, dat
hij door zulk eenen Man als de Wit mogt onderricht worden: en ik heb
meenigwerf de Tekeningen van Punt, voornaamenlijk die van Abram den
Aartsvader, bij de Wit ter correctie gebragt. Deze Teekeningen
waaren door Punt, zeer fraai met oostindische inkt gewassen, en extra
net uitgevoerd; maar als de hand van de Wit daar in geweest was, hadden
dezelve allerleije kleuren: deze morrelde daarin, met het eerste, dat hem voor
de hand kwam, het zij roet, chest, roodaard, of eenige verf zelfs, en maakte
'er de misselijkste figuurtjes des waerelds van. Als Punt zijne
| | | | teekening dan zoo bemorst t' huis kreeg, keek hij zeer zuinig,
maakte weer eene andere, waar in hij de correctie van de Wit zeer wel
observeerde; maar die, zoo dra ze in de Wit zijn handen kwam, al weder
hetzelfde lot onderging: dit gebeurde somwijlen drie of vier maalen achter een,
dat Punt genoodzaakt was telkens eene nieuwe Teekening te maaken, dat
hem wel verdrietig viel, maar hij zeide; de Wit maakt mijne Tekeningen
godloos toe, maar hij verschaft mij telkens nieuw licht, en zijne correctie is
mij zeer nuttig, ik wil mij hierom met geduld en genoegen dezen drie dubbelen
arbeid getroosten. Hij had veel met de Wit op, en wilde wel met
dankbaarheid zijne correcties ondergaan; ik heb altijd bespeurd, dat hij meer
eers stelde in aan de Wit, dan aan de gantsche waereld te voldoen: want,
schoon de Wit somtijds in eene gestoorde luim, wanneer ik kwam om eene
Teekening te haalen, hij nog geenen tijd gehad hebbende om dezelve te
corrigeeren, tot mij zeide: dat wij beide naar den D....r konde loopen,
nam Punt, wanneer ik hem dit bescheid woordelijk bragt, dit altoos voor
suiker op; zoodanig was zijne ijverzucht, dat hij zich zulks getroostte, wijl
hij 'er zoo zeer door verlicht wierdt, en in de kunst vorderde.
Op pag. 31. komt gij tot Punts tweede Huwelijk met Anna
Maria Chicot. Even voor dit voltrokken wierdt, ben ik van hem afgegaan, en
heb in zijn huis niet weer verkeerd, tot het jaar 1752., wanneer ik weder bij
hem kwam, toen hij op de Keyzersgragt het vierde of vijfde huis van de Leydsche
Straat woonde; toen hebbe ik bijnaar een jaar bij hem gewerkt, maar wijl de
Schouwburg mij telkens belette, om dagelijks op mijnen tijd bij hem te koomen,
vooreerst op de speeldagen, als mede door de geduurige repetitien der
Balletten, die le Roy gaf, en waar in ik moest figuree- | | | | ren,
besloot ik de Teekenkunst den zak te geeven, het geen ik hem te kennen gaf, en
dus scheiden wij ten tweedemaal van elkander.
Op pag. 32. schrijft gij, 't is tijd, dat wij tot den
Schouwburg wederkeeren, die, gelijk wij gezien hebben, zoo schielijk van zijne
twee groote lichten beroofd, zulk eene zwaare verduistering had ondergaan;
eenige weinigen, door Duim gesterkt, hielden 't niet te min nog vrij wel
draagende: maar men moest in de keuze der spellen met hunne vermogens te raade
gaan, en de partijen van Punt wierden veel al achter gelaaten. De
Tooneelmeester Brinkman, toen op het best van zijnen tijd zijnde, speelde toch
ook somtijds een Admetus of Claudius. Dit is weder ene verkeerde
onderrichting: Brinkman speelde, na Punt, direct alle zijne
rollen, die hij van buiten kende, en bij de Troup te Delfshaven gespeeld hadt,
leerde de andere van tijd tot tijd, dat hem de memorie niet weinig gekrenkt
heeft, door dien hij daartoe door de Regenten gedwongen wierdt, dat zij zelfs
daar na beleeden hebben. Ook hadt Brinkman, in Punts eersten
tijd, bij geleegenheid van eenige onenigheid, die Punt met de Regenten
hadt, en, onder voorgeving van ziekte, dat hij Herodes niet speelen kon
deze rol voor hem vervuld, waar op deze volgende versjes, die ik hier ter
nederstelle, verspreid wierden:
Herodes is nu weer gespeeld.
Heeft u dat schreeuwen niet verveeld?
Of keurt gij ook voor goede munt
Het bulderen van Monsieur Punt?
Neen, Brinkman speelde deze Rol
Wat meer bezadigd, minder dol:
En 't geen het beste was van hem,
Hij bleef steds meester van zijn stem.
De, Bak in oordeel veel verscheelt,
Wie van deez' twee het beste speelt:
| | | |
*Zelfs Michel sprak, en dat was veel,
Een fraai Copij, van 't origineel.
De Staanplaats vonniste op het lest,
Punt speelt zeer wel, maar Brinkman 't best.
Ik heb Punt dit bovengemelde versje eens, op zijne kamer,
voor een voornaam Joodsch Heer hooren opzeggen, die zoo dra hij de twee laatste
regels gehoord hadt, repliceerde, ja, maar dit was ook maar een vonnissje
van zes stuivers, wat wou dat veel zeggen. Toen naderhand Punt weder
Herodes speelde, kwam 'er weder een vaers tegen Brinkman uit, dat
dus begon:
Herodes is nu weêr gespeeld,
Maar Brinkman die is mis gedeeld.
het overige is mij ontgaan, maar digt op 't einde kwamen 'er (na
Brinkman gecritizeerd te hebben,) deze twee regels in:
Punt speelt als Vorst van 't groot Judea,
En niet van 't laauw Laodicea.
zoo dat 'er Punt en Brinkman ieder hunne cabaal
hadden, dat ter dier tijd een heel spelletje in Amsterdam verwekte.
Brinkman heeft in dezen tijd, dat Punt het Tooneel verlaten hadt,
Herodes dikwijls met veel toejuiching gespeeld, en goed gespeeld. Ik ben
'er oog getuigen van geweest, en dikwijls aan zijn zijde de Rol van
Phe-
| | | |
roras vervuld. Maar dat hij Admetus gespeeld
heeft, zoo als gij hier ter neder zet, is nooit geschied. Niemand heeft, bij
heugelijke tijden, Admetus gespeeld, dan Duim. Dat Brinkman aan min
kundige Liefhebbers tamelijk genoegen gaf, zoo als gij hier gelieft neder
te stellen, is iets, dat ik niet weet hoe ik het verstaan moet? Brinkman
voldeed altijd, als hij zijne rol kende, dat echter niet altijd gebeurde;
anders was hij bijnaar duldeloos. Hij speelde Claudius in den
Doodelijken Minnenijd altijd met teegenzin, en hakte hem tot moes, zoo
als hij 't plag te noemen. Pedro in de Gekroonde na haar Dood,
Hendrik in den Beklaaglijken Dwang, Don Louïs, welken laatsten
hij eens in zijn leeven gespeeld heeft, alle deze moesten dit lot ondergaan,
wijl hij opentlijk betuigde, alle deze met tegenheid te speelen. Maar
Rhadamistus, den Jonge Horatius, Orestes in Andromache, en
Cinna speelde hij zoo goed, en met meer activiteit als Punt: en
ik betuig, dat zij geen kunstkenners geweest zijn, die hem hier in de palm
betwisten. Mijn Leermeester, aan wien ik de gronden mijner kunst te danken heb,
die onder den Professor Vrijhof, (die een groot Tooneelkundige was,)
gestudeerd hadt, en zelfs veel in 't Latijn, uit genie, en, mag ik zeggen, uit
raazenden drift voor het Tooneel, geschreeven heeft, enkel om zich kundig in
hetzelve te maaken, die mij en andere Liefhebbers onderweezen heeft, die over
mij vijf jaaren lang een streng regter is geweest, heeft, in Julius
Caesar en Kato, in de Rol van Kato, Brinkman met zijne
kundige goedkeuring zoodanig vereerd, dat hij publiek in den Schouwburg betuigd
heeft, te twijffelen, of het wel verbeterd kon worden. Deze Heer, schoon hij
somtijds hakkelde, kon zelf wel declameeren, en zeer goed: hij was extra streng
in zijn onderwijs, gantsch niet toegeevend, en onpartijdig in zijn oordeel; hij
maakte een zeer goed vers, zelfs in de Grieksche en Latynsche | | | |
Taal, en verstondt het Grieks en Latijns Tooneel, doch heeft nooit iets
deswegens willen uitgeeven: ook heeft hij naderhand den Schouwburg, alwaar hij
vijf jaaren uitkooper geweest was, niet meer bezogt, dan nu en dan eens bij
toeval, en heeft eindelijk zijn Vaderland verlaaten, zoo dat gij
Brinkman te onregt verlaagt, met te zeggen: dat hij aan minkundige
Liefhebbers tamelijk genoegen gaf. Verder vervolgt gij van hem: deze Man
hadt veel hoedanigheeden, daar men, zoo hij zich in een reizende Troup bevonden
had, hoog meê zou geloopen hebben; maar hem ontbrak ten eenemaal die
beschaafdheid, en die bevallige zwier, welke men op het Amsterdamsche Tooneel
gewoon was te zien. Dit is zo veel te kennen gegeeven, als of een Acteur,
die in een reizende Troup speelt, geene talenten zou kunnen bezitten, en dat
dezelve maar alleen op het Amsterdamsche Tooneel te vinden zijn? Ik ben ook een
Amsterdammer van geboorte, maar heb deze laatdunkendheid gestaêg in mijne
Stadgenooten gewraakt; en de Inwooners van andere Steeden van Holland spotten
'er altijd mede, wanneer zij eenen Amsterdammer hooren zeggen, wij moeten
weer naar de Stad; even of haar Stad de eenige Stad van de waereld was. Is
het dan alleen in Amsterdam, dat men over het Tooneel of eenen Speeler
behoorlijk en rechtzinnig oordeelt? Vergeef het mij, mijn Heer, als ik u zeg,
dat ik aldaar, met mijn Confrater Starrenburg, eens andere blijken van
heb doen geeven, wanneer wij, bij eene vertooning van Faëton, eene
weddingschap aangingen, om beiden onze Rollen averechts verkeerd en dwars
tegens alle reden aan te speelen, het welke wij ter uitvoer brachten, waar over
wij met zeer veel handgeklap toegejuicht wierden; en, wanneer ik in het laatste
deel mijnen toon veranderde, en wel naar de reden speelde, ritselden 'er geen
mensch, en het scheen hun niet aan te gaan; waar op Brinkman tot mij
zeide, nu speelt
| | | |
gij wel, maar het eerste van uwe rol
hebt gij als een varken gespeeld; wat toon was dat, dien gij sloegt? Ik
antwoorde hem, dat het eene weddingschap was, om te overtuigen, het slecht
onze Stadgenooten somtijds over ons werk oordeelden; waar op hij begon te
lachen, en zeide: ja ik weet wel, dat wij voor zeer weinig kundigen
speelen. Vervolgens hebben Starrenburg en ik nog lang met dat geval
publiek geraljeerd, daar de weinige kundigen ons trouw in hielpen.
Een reizend Tooneelspeeler heeft altijd meer ondervinding, dan
een, die nimmer dan in zijn Vaderstad speelt: hij moet geduurig voor een ander
publicq verschijnen, dat aan hem niet gewoon is, en blijven gemeenlijk zoo lang
op geene plaats, om cabalen te kunnen maaken: daar een Tooneelist, die altijd
in zijn Vaderstad speelt, meer gelegenheid toe heeft. Het publicq is aan hem
gewoon, en hij aan het publicq; en dit maakt, dat zij beide met den anderen
altijd te vreeden zijn. Is 'er een Tooneelspeler in Vrankrijk of Engeland of in
Duitschland, die onbereisd is, en die niet op verscheide Tooneelen gespeeld
heeft? Spatzier heeft Punt, te Rotterdam, (wanneer deze roemde,
dat hij nimmer dan in Amsterdam gespeeld hadt,) deswegen eens een scherp
verwijt gedaan.
Verder zegt hij: zijne houding was stijf en verdraaid; zijne
stem was vrij sterk, maar hol en onedel; naderhand is hij gantsch
onverstaanbaar geworden: maar hij bezat vuur, en hierom worden dikwijls groote
gebreeken verschoond. Ik moet lachen, als ik sommigen mijner Stadgenooten,
ja zelfs sommigen mijner Landgenooten, over de Tooneelspeelers hoor redeneeren:
zij willen zelfs, na 't schijnt, de Natuur wetten stellen, om Tooneelspeelers
voor hen alleen te formeeren, daar zij naderhand godsjammerlijk mede
omspringen.
Alhier valt mij een geval in, mij, door mijn overle- | | | | dene
Broeder, in zijn Leven verhaald, dat ik niet nalaaten kan hier ter
neder te stellen. Op het eiland Curaçao, in de Westindien, alwaar hij
zich in den jaare 1761. bevondt, kwam een Fransche Koordedanser, en verkreeg
permissie, om in een huis, aldaar, zijne konst te oeffenen. Hij strekte in
zijn' eerste Vertooning bij het volk voor een wonder, en men kwam hem
daagelijks zien: hij verdubbelde zijne vlijt; en deedt, dag op dag, hoe langer
hoe meer konststukken: zoo dat zijn roem aangroeide, en hij veel gelds won.
Maar toen hij ophieldt met nieuws te geeven, (gelijk zulks voor een persoon
alleen niet lang duuren kan,) begonnen zij hem met den nek aan te zien, en
vroegen hem of hij niet meer kon? hij antwoordde van neen, maar dat hij zijn
best zou doen, om met 'er tijd iets nieuws op de koort te attrappeeren. Neen
Kaerel, (zeide zij,) wij willen dat gij zult vliegen. Vliegen zeide
de man, en begon te lachen. Ja vliegen, herhaalden zij, of wij slaan je
dood: Donderskind, kan je niet vliegen? wat doe je dan hier op
Curaçao? De man begon te beven, en deedt al wat zijn kunst toeliet,
om genoegen te geeven: maar ze riepen, vliegen zelje, vlieg Kaerel, of wij
gooijen je de deur uit. De arme Man bezweek bijnaar van schrik, en zij
zeiden tot elkander, och, mijn Heeren wat doen we met den Vent, hij kan niet
vliegen; laten we hem maar op straat bruijen. Zoo gezegd zoo gedaan, men
wierp den ontstelden Man op de straat in de slijk, daar hij, van eenige slaven
en jongens, zoodanig gesold wierd, dat hij het besturven is. Zoudt gij wel
gelooven, mijn Heer, dat ik, hier te land, dingen omtrent Tooneelspeelers heb
zien practiseeren, die al zeer veel gelijkenis met dit Curaçaoos werkje
begonden te krijgen?
Brinkmans houding was, voor de Rollen, die hij gewoon was
te speelen, goed, en niet verdraaid, zoo als gij gelieft te zeggen, maar zoo
als zijn natuur hem die | | | | opgaf: hij outreerde somtijds een weinig,
dat is waar; en, wat zijne stem aanging, veele kenners vonden die zeer goed en
behaaglijk. Ieder oordeelde in dien tijd op eene bijzondere wijze, en
Duim oordeelde zelve, dat Punt in zijne stem iets vrouwachtigs
had; dit heeft hij, voor zijn dood, tot mij zelf gezegd: en dat
Brinkman, zoo gij meldt, op het laatst in 't geheel onverstaanbaar
wierd, kan ik niet van zeggen, want ik ben in dien tijd niet aan den
Schouwburg geweest. Ik weet wel, dat men 'er in zijn eersten tijd over klaagde;
dit kwam, om dat hij niet schreeuwen wilde, en wijl de Schouwburg zeer nadeelig
voor de stem gebouwd was, zoo wierdt hij nu en dan wel eens onverstaanbaar:
maar in den tijd, dat ik met hem gespeeld heb, heb ik den Heer Pater, en
andere Dichters wel tot hem hooren zeggen: zoo, Brinkman, wij zijn u
dankbaar, wij hebben u zeer wel verstaan; dat is een teeken, dat gij ons ook
wat begint te gunnen; voor dezen hield gij alles voor u zelven. Hij hadt
toen zijn gebrek, door een weinig sterker te articuleeren, gecorrigeerd.
Dat, om zijn vuur, zijn groote gebreeken verschoond
wierden; is niet oordeelkundig geredeneerd. Hij was een Man van
bekwaamheid, maar niet met natuurlijke gaaven bedeeld; doch hij was echter
Acteur. Het verwondert mij, dat ik u van Emanuel Robijn niets hoor
reppen? Deze speelde ook eenige rollen van Punt, met veel genoegen van
den Aanschouwer. Ware zijn Levensgedrag zo wild niet geweest, hij hadt ver
kunnen komen. Hij hadt geen kwaade dispositie, maar een schor geluid. Hij
verliet den Schouwburg in 't jaar 1747., was te genereus om half geld aan te
neemen, wierdt Waardgelder, en, bij 't sluiten van den Vreede, afgedankt
zijnde, wierdt hij weder genoodigd, om het Tooneel te betreeden: maar hij
vervloekte hetzelve, benevens al de Regenten tot in den afgrond, zonder zijn
besten | | | | vriend, den Heer de Marre te verschoonen. Hij ging
zijnen Broeder, die ook aan 't Tooneel geweest was, maar al voor lang eene reis
naar de Indiën gedaan hadt, en nu, als Oppermeester op een
Oostindiesch Schip, in Texel lag, bezoeken, zeilde onwetend met
hem in zee, kwam te Batavia aan Land, alwaar hij nog het ongeluk gehad heeft,
van dood gestoken te worden.
Nu noemt gij de Blijspeelers van dien tijd, doch stelt
Brinkman daar niet bij, daar hij echter een zeer goed Acteur in 't
Blijspel was; wie zijnen Vetlasoepe in Don Quichot, zijnen
Karel in de Boere Rechtbank, zijn Eenzinnigheid in de
Mode, zijnen Dobbelaar, en meer andere gezien heeft, kan dit
getuigen: deze speelde hij zeer goed; den Glorieus zelfs heb ik van
verscheide Fransche Acteurs vrij wat minder zien speelen.
Van Hattum, dien gij roemt, begon ten dien tijde al af te
vallen. Hij bezat vrij veel theorie: doch, schoon hij mijner overledene Vrouws
Vader geweest is, en met mij zeer minzaam heeft omgegaan, ja zelfs zeer veel
van mij hieldt, kan ik, zonder der waarheid te kort te doen, hem voor geenen
grooten Acteur houden. Had Krinsje, van wien gij niets meldt, zijn
aangebooren schroom kunnen wegwerpen, deze hadt ver kunnen vorderen, men hadt
op dien tijd, goede hoop van hem, maar ze verdween wel ras: echter hadt van
Hattum sommige dingen, die hem zeer eigen waaren, als, in het Ontdekt
geheim, den Tuiniers Knegt: o! dit was uitmuntend, en wel waardig,
om te zien.
Nu spreekt gij van Spatzier, dien gij den geestigen Kamerling
van Thalia gelieft te noemen; dat is van u wel geestig uitgedrukt: en ik
twijffel hier, als gemelde Acteur in leven was, hij zou, op 't hooren van dien
eertijtel, zich zeer beklaagen, dat deze Parnas Hoer hem, in Amsterdam,
altijd zulk een zwaaren ijzeren sleutel, in de plaats van een gouden, die hij
waarlijk wel | | | | aan haar verdiendt hadt, heeft doen draagen;
bijzonder in 't jaar 1747, en 1748, wanneer hij, tot haar' onvergeefelijke
ondankbaarheid, genoodzaakt was, wilde hij met zijn Vrouw van honger niet
sterven, het montuur van Haagsche Barend aan te trekken, en men hem,
even als dezen, met een schootsvel voor, en een hoosje, voor 't kerven van 't
pikdraad, aan de hand, langs de straat schoenen zag thuis brengen; eene schoone
belooning van deze Zangnimf aan haaren Kamerling! en hij heeft mij altijd
naderhand betuigd, dat hij en anderen aan mij, (door dien ik dier Amsterdamsche
Nimph Thalia's, benevens haaren Zuster Melpomenes dienst
verliet,) veel verplichting hadden, dewijl haar speelloon, door dit geval,
verhoogd is geworden.
Spatzier is in Amsterdam nooit naar zijn
merites betaald geweest, in vergelijking van Punt of Duim. 't Is
waar, zij trokken een en dezelfde speelloon, bij mijnen tijd; naderhand is hij,
zoo hij mij zelf verhaald heeft, tot agt honderd guldens toe verhoogd: maar de
twee laatste hadden sterke buitenwinsten, de eerste als Castelein, en de tweede
als Boekverkoper van den Schouwburg.
Tweemaal is de Schouwburg, vervolgt hij, sedert het
stilzitten van Punt, geslooten geweest. Dat is waar; in den jaare 1747, is
dezelve geslooten geweest, tot den 28. Julij 1749, wanneer men hem weder
opende. Dit sluiten heeft de arme Tooneelspeelers lang door de leden gezeeten;
zij kregen half geld, zoo dat Spatzier, hier boven aangehaald, in de
plaats van 400 gl. maar 200 gl. getrokken heeft.
*
| | | |
Juffrouw van Thil en Robyn, verwierpen het half geld, en
bedankten. Mij, die ten dien tijde ook aangenoomen was, wierd niets
gepresenteerd, maar ik wierd koeltjes afgezet, met toezegging, dat, als de
Schouwburg weder geopend wierdt, en ik mijnen dienst wilde presenteeren, men
mij weder aan zoude neemen. Ik maakte een diepe buiging en ging heen. Toen ik
bij Punt, bij wien ik in dien tijd nog Discipel was, wederkwam, en hem
mijn wedervaaren verhaalde, nam hij gelegenheid, om mij voor te houden, dat ik
nog te rug moest treeden, en het Tooneel verlaaten; dat het, in ons land, een
laage broodwinning was, mij teffens de gantsche directie van den Schouwburg
voorhoudende, waar in hij de Regenten niet spaarde: maar, schoon ik alles, wat
hij zeide, ja noch veel meer, naderhand ondervonden heb, kon dit toen ter tijd
op mijn gemoed niets winnen. Ik bleef volstandig met dat Enthusiasmus
ingenoomen, en heb mij in het jaar 1749. weder aan laten neemen. Maar hadde ik
mijn Landgenooten zoo wel gekend, als ik hen tegenwoordig heb leeren kennen, ik
zou die Tooneelzucht liever in een ander gewest, waar de vrijheid zoo niet op
den throon zit, hebben gaan oeffenen, ik had, met zulks te doen, veele
mishandelingen, mij in mijn Vaderland aangedaan, ontweken.
In den jaare 1751. is de Schouwburg, om het overlijden van den
Stadhouder Willem den IV., drie weeken geslooten geweest. In den jare 1758, om
het overlijden van de Prinsesse Gouvernante, weder twee weeken. Dit gebruik
heeft in alle Landen plaats, dat men, om Gekroonde of uitstekende Hoofden, bij
hun afsterven, de Schouspelen sluit, zekerlijk om het volk tot schreien en
droefheid aan te maanen: eene oude staatkunde, men moet dan bedroefd zijn, het
zij met of tegenzin, al waar zulk een Vorst of Hoofd, bij het publiek, naar
verdienste ge- | | | | haat, evenwel moet het volk bedroef wezen, of 't wil
of niet; 't is grappig, niet waar, mijn Heer? Ik twijffel niet, of gij hebt het
Testament
* van Herodes wel geleezen, en wat deze daar in
gesteld hadt, om het volk na zijn overlijden tot schreijen en rouwbedrijven te
noodzaaken; maar het geen door zijne Zuster Salome niet ter | | | |
uitvoer gebragt, maar wel aan het volk bekend gemaakt wierdt, waar door zij
hetzelve weder tot haar trok; daar zij anderszins, zoo wel als haar Broeder,
als de pest van de Joden gehaat was? Zouden onze gebruiken in Europa, van rouw
over hooge personagien te bedrijven, van diergelijke zaken haaren oorsprong ook
hebben?
Nu komt gij tot het weder openen van het Tooneel, in den jaare
1749., en, bij die gelegenheid, heb ik de eer, dat mijn naam in uw papier te
voorschijn komt; dus uit gij u: Starrenburg begon de grofheid van zijne
geduchte stem te verzagten, en beschaafder houding aan te neemen: de jonge
Corver, toen nog een waardig leerling
van Punt, schoon te zwak tot groote zaken, gaf echter in jeugdige karakters
genoegen. Wat Starrenburg belangt, hij hadt eene sterke stem, 't is
waar; maar 't heeft nog wel eenige jaren geduurd, eer hij dezelve onder een
redelijk bedwang kon brengen: zijn houding was beschaafd genoeg, als hij zijne
natuur volgde; maar men moest ten dien tijde altijd iets gemaakts bezitten, en
dat noemde men Romeinsch, en dan maakte Starrenburg misselijke figuuren.
Wat mij betreft, ik was jong, en 21 jaaren en 7 maanden oud, toen ik, tot mijn
ongeluk, Amstels Tooneel betradt: maar dat ik toen nog een waerdig leerling van
Punt was, hebt gij mis, Mijn Heer. Ik ben, als ik hier voor reeds gezegd
heb, in het jaar 1748. van hem afgegaan, en zijn leerling in het Tooneelspeelen
ben ik nooit geweest. Hij heeft mij eens een gedeelte van de rol van
Orestes in Elektra, een gedeelte van Hercules, en een
gedeelte van Ajax in Palamedes, op mijn 18de jaar, voor hem doen
opzeggen. Toen ik Ajax reciteerde, en eenige verzen gevorderd was, zeide
hij, schei 'er maar uit, want het deugd niet met al; en hij hadt gelijk,
want het zeide ook niet met al. De twee andere bovengenoemden | | | |
stonden hem beter aan, en hij zeide, dat, als ik langzaam op wilde klimmen,
en mij niet te schielijk aan groote rollen wilde vergapen, ik het door den tijd
zeer wel meester zou worden: maar dat ik de Societeit Tooneelen, of onze
zoogenaamde Liefhebberijen verlaten moest; want dat deze pesten waren voor die
geenen die zich op het Tooneelspeelen wilden toeleggen, vermits zij 'er zulke
kwade aanwensels krijgen, die ze zomwijlen nooit kunnen afleeren, en door het
geduurig speelen van groote rollen, in den grond bedurven worden dat hij zelf
niet meer dan drie keeren in eene Liefhebberij, en slegts bij toeval, gespeeld
hadt, en terstond op het groot Tooneel gevraagd wierdt. Trouwens, dit is
mij kort daar aan, na drie reizen te speelen, ook overgekoomen. En het geen hij
van de Liefhebberijen zeide, heeft de Heer de Marre mij ook altoos
gezegd, en ik heb de waarheid van hun beider zeggen ondervonden: Ik ben het met
hun volkomen eens, dat ze niet, dan bedurvene voorwerpen voor het Tooneel
voortbrengen. Doch dit is waar, dat ik, geduurende den tijd van zes jaaren, die
ik bij Punt verkeerd heb, een getal van bij de honderd rollen, alle van
het eerste emplooi, Helden uit den stoet van Melpomene, alle Romeinsche en
Grieksche snaaken, ongevoelig, zo vast van buiten geleerd heb; 't geen
eenige jaaren daar na, toen ik het gemelde Emplooi op mij nam, mij zeer te pas
kwam, wijl ik dat getal voor uit in de memorie had, en die dus niet van buiten
behoefde te leeren. Maar ik ben eigenlijk een Leerling van Punt in de
Plaatsnij, en Tekenkunst, geweest, welke kunsten ik, om het Tooneel, verlaaten
heb: doch in het Tooneelspeelen heb ik sterker meester gehad, schoon hij het
Tooneel niet betradt. Dat ik toen te zwak tot groote zaaken was, is
waar; zulks wist ik zelf wel, en weigerde dus beleefdelijk de rollen van
Eneas in Eneas in Turnus, Xiphares in Mithridates,
Agenor in Astrate, en anderen, verzoekende daar van | | | |
verschoond te wezen, tot ik beter geformeerd was, volgende hier in getrouw den
raad van mijnen meester. Juba in Cato is de eerste rol van
aanzien geweest, die ik met zeer veel schroom, op het aanraden van Duim
en J. de Marre, den 13 December 1749, op mij nam.
Nu vervolgt gij, Smit, (Schmit spelde de man als hij
zijn naam teekende) die, naderhand zich op de Blijspeelen toeleggende, den
Treurtoon verlooren heeft, wierdt toen onder de goede Tooneelspeelers
geteld: met reden, want hij had veel natuurlijke gaven, en veel talent daar
bij; hij was een zeer nuttig meubel voor den Schouwburg.
Verders zegt gij, van Duim hoeven wij niets te zeggen: wel
nu, ik ben te vreden, en zal van hem stilzwijgen.
Dat men Punt, zo als gij vervolgt, van alle kanten
aanzocht, om weder op het Tooneel te verschijnen, is waar. Men hadt, in het
jaar 1746., Jan Bor al in zijne rollen geplaatst, maar deze viel. Men
wilde den Heer Frankendaal, die, als Liefhebber, Massanissa,
Orestes in Elektra, Herodes, en Hercules, voor
pleizier gespeeld hadt, voor deze rollen engageeren; maar deze wilde niet, dan
zonder loon, nu en dan wel eens speelen, en dus bleef dit achterweegen. Men
deedt Punt dan aanbiedingen, die, men voor Amsterdam, zeer
aanzienlijk kon noemen: Punt kwam, van zijn kant, van langzamerhand ook
ter halver baane, en dus geraakte men door den tijd klaar.
Het geen gij verder, op pag. 34., van dien Jongen Heer met zijn
Vader verhaalt, is dat nu der pijnewaardig om, als een gedenkstuk van
Punts bekwaamheid, op te geeven? Een Vader, die gij voor een
Tooneel-Liefhebber, en een man van oordeel wilt aangezien hebben, is
voorneemens, om door eenige Jonge Liefhebbers, daar onder zijn Zoon, op zijn
verjaardag, een gemeen Treurspel, dat niet veel om 't lijf heeft, te doen ver
toonen, zendt daar op zijn Zoon bij Punt, die hem op zijne rol les geeft, maar
een schrikkelijke moeite vindt, om hem dezen regel, | | | |
Vaar wel! ik ga ter dood; vaar wel in
eeuwigheid!
wel te doen zeggen, waar op gij ons de kragt dier regel zo
verbazend onder 't oog brengt, en ons duizend wonderen in een tijdstip! (als
gramschap tegen Vespassiaan, diepe droefheid over zijn rampzalig kroost,
medelijden met Eponina, maar tevens onvertsaagdheid op den oever des doods: zoo
veelerlei gevoelens in zoo weinig woorden, en dan nog, in houding en gebaren,
tred, gelaad en oogen, die ontroering op 't onverwagt gezigt van Eponina, die
laatste omhelzing, dat geweldig afscheid; alles onderscheiden en op een
gestapeld, strijdig en overeenkomstig; poëzij muziek en schilderkonst in
een gesmolten,) afschildert; en ons zoo veel te kennen geeft, als of
Punt dit alles in dien eenen regel voor 't oog kon brengen, weerspreekt
zig zelf. Want, zoo het al waar is geweest, dat Punt alle deze
bovenstaande driften en passien onder het uitgalmen van dezen regel waarlijk
gevoeld heeft, is het volstrekt onmoogelijk, dat hij zulks, door zijn gelaat en
houding, aan den aanschouwer konde mededeelen. Ik heb noch van Punt,
noch van Duim, noch van Brinkman, naast wier aller zijde ik
meenigwerf de rollen van Sinorix, Titus en Domitiaan
vervuld heb, nooit alle deze aandoeningen kunnen ontwaar worden: en gij gelieft
te begrijpen, dat ik, wanneer ik Domitianus maakte, in dat tijdstip al
digt bij, en genoegsaam naast Sabinus stond. Maar hoe is het moogelijk,
dat op eenen afstand van ruim dertig voeten, alwaar gemeenlijk, op den
overledenen Schouwburg, deze passagie voorviel, waar het middeldoek, dat de
Alkove van Laires genaamd was, en dat wij gemeenlijk voor de
legertent waaren gewoon te gebruiken, het licht zoodanig belemmerde, dat het
daar ter plaatse altijd schaduwachtig was, dat daar een aanschouwer, zegge ik,
in eenen Acteur, die op dat tijdstip met den rug na hem toegekeerd is, of, zoo
| | | | hij wat theathreeren wil, niet meer dan in profil beschouwd wordt,
al deze voorverhaalde ontroeringen kan ontwaar worden? Hier sta ik stil voor,
en wil wel bekennen, dat uw gezicht, uit de bak, veel doordringender is
geweest, dan het mijne, daar ik op het Tooneel naast 's Mans zijde stond, en
dus zo veel digter bij hem was.
Het verdere gedrag van dien oordeelkundigen Vader, omtrent
Punt is vrij eenvoudig, vooral wanneer hij zegt, maar, mijn lieve
Punt, doet mij dan 't pleizier, dat gij een Romeinsch kleed aanschiet;
even, of Punt zoo een half douzijn Romeinsche kleeren tot zijne
dispositie in zijn huis hadt. Ik twijfel bijnaar niet, of Punt heeft met
deze ontmoeting zelf de gek geschooren: ik heb wel meer soortgelijke
gevalletjes in zijn huis bij gewoond, maar wij raljeerden 'er gemeenlijk
naderhand mede.
Nu komt gij tot het wederbetreding van het Tooneel door
Punt, in den jare 1753. Hier in kan u niemand beter naar waarheid
onderrichting geven, dan ik; en zie hier, hoe het zich heeft toegedraagen.
Punt ontboodt, omtrent 3 of 4 weeken, naar mijn best onthoud, eer hij
weder het Tooneel betradt, mij aan zijn huis; alwaar ik kwam; hij verzocht mij,
mijnen helm eens te mogen zien, alzoo hij zeide, gehoord te hebben, dat
dezelve bijzonder, en met een Draak vercierd was, (gelieft te begrijpen,
Mijn Heer, dat een Helm, met een Draakje onder de Kam, al een zamdsaam ding ten
dien tijde op het Tooneel was, in het oog van 't publiek,) ik voldeed aan zijn
verzoek, en bragt dezelve aan zijn huis; hij vond 'er genoegen in, en vroeg
mij, wie 'er de maker van ware; ik noemde hem den man, hij verzocht mij,
dien aan zijn huis te brengen, het welke ik des anderen daags deed; hij belaste
hem verder in alle stilzwijgen een dito Helm, naar het model van den mijnen,
ten spoedigste te vervaardigen. Toen bemerkte ik, wat | | | | 'er te
gebeuren stondt; en gaf hem mijne gedachten hier omtrent te kennen: hij
glimlachte, en ontkende niet, dat hij weder het Tooneel betreden zou, mij
verder verzoekende, dat ik het voor eerst geheim wilde houden, en hem een
mooije Hartsvanger koopen bij eenen Zwaardveger in de Kalverstraat, dien hij
mij noemde. Ik volbragt deze commissie, en hij zocht uit een half douzijn, dat
ik hem deed toekoomen, 'er eene naar zijn genoegen. Verder verzocht hij mij,
hem mijnen Schoenmaker te zenden, om hem een paar Tooneelschoenen te
vervaerdigen, mij voor 't overige de commissie, om zijne slingers en broozen,
benevens een stelsel pluimen te bezorgen, overlatende; welk ik alles voor hem
in alle stilte heb volbragt. Ik bleef dan gemeenlijk des middags bij hem eeten,
bij welke gelegenheid ik bemerkte, dat zijne Huisvrouw, Anna Maria
Chicot, met de aanstaande entré, die haar Man op den Schouwburg
stondt te doen, gansch niet in haaren schik was. Zij hadt al vrij wat tot
nadeel van Amstels Helikon, benevens het grootste gedeelte der Dienaaren
en Dienaressen van Thalia en Melpomene te zeggen, en, schoon zij
eene Francaise was, hadt het Tooneel geenen grooten lof van haar te hoopen: zij
voer 'er heftig en scherp tegen uit, en wat zij zeide was juist zoo ongegrond
niet. Nadat zij op zekeren middag hare gedachten hier omtrent vrij sterk, over
tafel den vrijen teugel hadt gegeven, en ik mij, na den maaltijd, met
Punt alleen bevond, gaf ik hem te kennen, te gelooven, dat de haat, dien
ik in zijne Vrouw tegen het Tooneel bevroedde, hem in deze nieuwe onderneeming
veel onaangenaame uuren zoude verwekken, waar op hij mij antwoorde: o dat
zal wel overgaan; ik bekreun mij des weinig; ik denk, dat het een's braaf mans
plicht is, wanneer hij een dreigend ongeval over zijn huis van verre ontwaar
wordt, bij tijds zich op eene eerlijke wijze te dekken: en, wanneer de zaak
eens
| | | |
haar volle beslag heeft, zal ze wel veranderen. Ik
nam hier op de vrijheid, hem te vraagen, of hij dan in zijnen stand te rug
geraakt ware, en hij gaf mij openlijk te kennen, dat het werk van de Platfonds
hem eenen gevoeligen slag hadt toegebragt, dat hij, benevens de Witt,
dit ondernoomen hadt, in verwachting, dat het greetig en met genoegen, als iets
ongemeens, zoo als het waarlijk was, door alle liefhebbers en kunstkenners
zoude gezogt worden; maar ik hebbe tot mijn leedweezen ondervonden,
zeide hij, dat met zulk eene onderneeming, alhier te lande, in de plaats van
zich eer en voordeel te bezorgen, ongenoegen en nadeel te behaalen is; men
heeft veel op het werk te critiseeren, en men heeft 'er ons mede laten zuchten;
ik heb er, met den grootsten iever en arbeid gelijk gij gezien hebt, aan
gewurmd, ik heb 'er bijnaar alles voor laaten leggen, om het in de waereld te
krijgen, en nu blijven wij 'er mede zitten; ik heb om mij niet geheel te
ruïneeren, de onderneming van het Paradebed en de Lijkstatie van zijne
Hoogheid, gelijk gij weet, gedaan; het eerste is wel, maar het laatste zeer
kwalijk uitgevallen, men heeft 'er mij ook mede laten zuchten: en nu ik met
alle eer en reputatie weder op het Tooneel kan verschijnen, en mij een
* schoon Tractement aangeboden wordt, oordeel ik
het mijnen plicht te zijn om daar van te profiteeren, en ik kreun mij aan geene
praatjes. Ik antwoorde hem, dat hij zeer wel deedt, en dat het mij een
groot genoegen verwekte, dat ik, naast zijne zijde, mijn talent verder zoude
mogen beoeffenen. | | | |
Ik had, voor lang, al hooren mompelen, dat
Punt met zijn finantie niet al te wel stond, en zelfs veel schertzende
en stekelinge redenend daar omtrent hooren uiten; dat mij ten dien tijde
bewoog, mijne Stadgenooten, met een weinig meer oplettendheids, dan voorheen,
te beschouwen, dewijl men eenen Man, die een dubbel talent bezat, en die men
geloofde dat in eenen verminderenden toestand bestondt te vallen, ja die zelfs,
zoo het gerucht liep, na bij zijn ruïne stondt, met schimp en smaad achter
zijnen rug in openlijke gezelschappen behandelde. Ik wist niet, | | | |
wat ik van zulk eene denkenswijze maken moest: maar ik was jong, en deze dingen
gingen mij weer schielijk uit het hoofd. Ik was al vast met groote blijdschap
vervuld, dat Punt maar weder op het Tooneel zou verschijnen, en ik
stelde zeker, dat hij een heerlijk model voor mij zoude verstrekken, om mij
verder te formeeren: en, wanneer het achter het Tooneel bekend wierdt, en ik
mijn genoegen deswegen aan mijne Confraters mededeelde, zeide Brinkman
tot mij: gij schijnt, met de wederkomst van uwen ouden baas alhier, zeer in
uw schik te zijn; maar wacht, gij zult 'er het meest bij lijden, want hij zal
u, die thans in uw opkomst zijt, eene onoverkoomelijke hinderpaal zijn, en dus
verheugd gij u om eenen strop, die u om den keel zal geworpen worden. Ik
antwoorde: dat ik zulks niet geloofde, maar dat ik, ter contrarie, van
gevoelen was, dat ik 'er veel bevordering door zoude verkrijgen; hier op
begon hij te lagchen: wel nu zeide ik, zo het dan mogt komen te
gebeuren, dat ik echter niet verhoop, dat uwe voorspelling mogt bewaarheid
worden, zal ik zoo dra den strop niet om mijnen hals gevoelen, of ik zal wel
middelen weeten, om mij, eer hij toeknelt, daar schielijk uit te draaijen. Gij
spreekt vrij stout, hervatte Brinkman, maar wacht maarl ik zal u door
den tijd wel anders hooren spreeken.
Intusschen naderde de tijd, dat Punt zijn debut zoude doen:
hij verzogt mij, drie dagen voor dien tijd, om, alle morgen een uur of twee,
met hem, de passagien, die wij te saamen (alzo ik Patroclus moest maken)
te verrichten hadden, aan zijn huis te probeeren. Dit dede ik; wij waaren het
ras te saamen eens, en onze ensemble was schielijk geformeerd. Hij had 'er iets
nieuws in gebragt, namelijk, dat hij mij op het Tooneel wapende, mij den Helm
opzette, het Schild en den Sabel toereikte: dit was een stom Tooneel, 't geen
hij gemaakt hadt, en in vervolg van | | | | tijd altoos behouden heeft.
Hij tradt dan, den 22 September, zijnde Zaturdags voor Kermis, 1753., weder op
het Tooneel te voorschijn. Hij speelde Achilles uitstekend: de
Schouwburg was opgepropt van aanschouweren, maar men vondt 's Mans stem wat
doffer, dan eenige jaaren te vooren; en, in het tweede bedrijf, merkte ik zulks
ten eersten, toen hij naast mijne zijde kwam, en was genoodzaakt, mijnen toon
een weinig naar den zijnen te voegen, 't geen ik hem, zoo als wij binnen
kwamen, te kennen gaf, hem zeggende: dat het beter geweest ware, dat wij
onze passagie in plaats van aan zijn huis, op het Tooneel overloopen
hadden. Hij antwoorde mij, dat hij geloofde dat ik het regt had, dat hij
zelf wel gevoelde, dat zijn geluit zijnen ouden galm niet hadt; dat hij echter
geene confusie ontwaar wierdt; maar dat hij niet begrijpen kon, waar het van
daan kwam. Ik zeide, dat als hij een keer of zes gespeeld hadt, hij
bespeuren zoude, dat het over zou gaan, dat hij zich eerst weder met het
Tooneel gemeenzaam maken moest. Hij speelde, in de vierde Acte, met zulk
een force, en zoo schoon, dat Passagietje, ik zal ten strijd gaan enz.,
dat een algemeen handgeklap hem vereerde, benevens een algemeen geroep, de
d....r dat is speelen! dat is schoon! dat is fraai! dat is het regte, enz
en waarlijk het was ook schoon, en heel anders, dan 's Mans Pourtrait ons
aanduit, 't scheelde nog al iets. Dat Patroclus leeft niet meer, dat
gij, Mijn Heer, ons, op pag. 37., beschrijft, is grootspraak van U. Ik heb hem
dit, op verscheidene wijzen, in zijnen tijd, hooren uitspreken, en het wel
zeggen van deze woorden, hangt gemeenlijk al veel af van de wijze, op welke de
Acteur, die Ulisses speelt, hem den dood van Patroclus bekent
maakt. Brinkman deedt dit zeer goed, met een zeer fraai mouvement van
Panthomime vooraf, eer hij de woorden: Helaas! die leeft niet meer! uit
zijnen mond liet vloeijen. Punt heeft altijd bekend (gelijk al, wie
ken- | | | | nis hadt, insgelijks gedaan heeft) dat Brinkman eenen
schoonen Ulisses maakte.
Het was op den 29. September, daar aan volgenden, dat hij ten
tweede maal verscheen, met de rol van Achilles in de Iphigenia in
Aulis van Racine. Het was 'er weder vol,
deze Achilles, die zo wel aan den Achilles van Homerus
niet voldoet, als die van Huidecoper, speelde hij echter met zeer veel
waarheids: maar in de passagie met Agamemnon, die begint, een wonder
vreemd gerugt is mij daar aangebragt, mijn Heer, enz. was het het regte
niet. Toen hij binnen kwam, ging ik in zijn Loge, en vroeg, wel hoe is 't?
ben je te vreeden? Och! wat d....r was zijn antwoord, het is immers, zoo
als gij mij altijd hebt hooren zeggen; ik kan het op zulk eene wijze niet doen,
als ik wel wil; verder dit gantsche Tooneel op 't oogenblik zeer goed voor
mij over reciteerende: waar op ik hem zeide: nu doet gij 't beter, dan op
het Tooneel. Hij haalde zijne Schouderen op, en zeide: 't is niet
anders, de Duivel mag het doen. Zoo ik de eer had, van U eens te spreeken,
Mijn Heer, zou ik U onze samenspraak hier over breedvoeriger bekend maken.
Op den 1. 2. 4. 6. 8. en 11. October, speelde hij de rol van
van der Werf, in het Beleg van Leyden. Deze rol speelde hij zeer
goed, en met veel waarheids, maar hij heeft 'er zig nooit goed voor gekleed
gehad, want als hij den mantel, de Carrépruik en de bef hadt moeten
missen, dan hadt het gansch niet wel geweest: en schoon deze Equipagie nooit
door eenigen Burgermeester van Leyden gedragen is, was Punt echter daar
zoo mede ingenomen, dat hij naderhand, zelfs te Rotterdam, wanneer
hij daar dezelve rol moest vervullen, Carrépruiken van Amsterdam deed,
ontbieden, in weêrwil van al wat men hem voorhieldt, dat het tegen de
rede was, om van der Werf met een Carrépruik te vertoonen. Hij
was in deze rol met die caprice ingenomen, | | | | en dat was maar niet te
veranderen. Op den 13 October speelde hij Orestes in Andromache,
en al weêr volk in den Schouwburg; het was de derde Zaturdag van Kermis:
maar de week daar aan, wanneer men, op Donderdag den 18 dito, Elektra,
waar in Punt Orestes moest maken, stondt te vertoonen, was het hek al
verdraaid. Hij hadt Dingsdags een koorts gekregen, en ontboodt mij 's Woendags,
wanneer hij mij vroeg, of ik Orestes in de Elektra nimmer gespeeld had?
Ik antwoorde, ja, dat ik hem tweemaal op Delfshaven gespeeld had. Gij zijt
Itijs, morgen, niet? zeide hij: ik antwoorde, neen, ik ben vrij. Wel
nu hervatte hij, ik geloof niet, dat ik morgen zal kunnen speelen, zoud gij
hem klaar kunnen krijgen? Ik zeide, och ja, deezen avond nog wel, als 't
wezen moest. Dat denk ik ook wel, sprak hij: gij kent hem door hem mij
te overhooren. Dat is zoo, zeide ik, ik heb hem nooit geleerd. Kom; dat
is goed, vervolgde hij, dan kan het stuk voortgaan; ik heb het Duim niet
willen laten vraagen: die heeft hem voorleden jaar gespeeld, zeide ik.
Hij zoude misschien zwaarigheden maaken, zei Punt, maar 't is goed,
dat gij hem klaar hebt; dan is het stuk, zo ik niet beter word, geborgen.
Ik bleef dien ganschen middag voor zijn bed zitten. Hij begon, volgens zijne
gewoonte, wanneer hij ziek was, te ijlen; reciteerde uit Don Jeronimo
Maarschalk van Spanje, nam zijnen Hond, die op zijn bed gesprongen was,
voor den Helhond Cerberus, dien hij, onder het uiten van dezen regel,
en gij, ô Cerberus, kom aan mijn regterzij, Drikoppig op de Wagt,
dan om zijn kop sloeg, en diergelijke dingen meer, die iemand, als hij bazelt,
verricht. Hij wierdt des 's avonds, tegen zijn wil adergelaten, daar hij altijd
schrikkelijk tegen was. Ik verliet hem, en kwam den volgenden morgen weder. Ik
bevond hem beter: ik vroeg, of hij zelf zoude kunnen speelen? dat ik, zoo
hij niet kon, tot zijn dienst was? maar, dat het beter
| | | |
was,
wijl het publiecq hem voor Orestes verwagtte, en dat 'er zekerlijk, om die
reeden, veel volks in den Schouwburg zoude weezen, dat hij zelf verscheen.
Wij spraken dan af, dat ik mij, ten half drie, op den Schouwburg zou laten
vinden, en mijnen toestel prepareeren; en, zoo hij ten drie uuren 'er niet en
was, ik de Heeren, die 'er waren, behoorlijk kennis zou geeven van zijne
ziekte, en dan verder van het geen wij met den anderen overeen gekomen waren.
Ik begaf mij, voor half drie uuren, naar het Theater, maar ten drie uuren kwam
Punt in zijn Japon gebakerd, met zijnen mantel daar digtjes over heen,
en bedankte mij voor mijn moeite, begaf zig na zijn Loge, en kleedde zich. Ik
bleef bij hem, tot het begin van het spel, wanneer ik mij naar vooren begaf, om
hetzelve te zien; maar stond ik wel zeer verwonderd, in de plaats van eene
volle, een bijnaar ledige zaal te vinden; geen volk noch in de Loges, noch in
de Bak, 14 St., 10, St. of Staanplaats: hier en daar was overal zo wat
verstrooit. Hoe moet ik dit begrijpen, dacht ik, geen volk met een goed stuk?
en daar men weet, dat Punt de Orestes speelt? de kundigen zijn
bewust, dat het geene van zijn minste rollen is, (want hij speelde dezelve zeer
goed, en beter, dan die in Andromache,) waar is nu dat verlangen naar
den man? om wien men, bij de agt jaaren, zoo geroepen hadt? Ik murmureerde daar
over, (begrijp, mijn Heer, dat ik toen onze Natie zo goed niet kende, als ik ze
naderhand heb leeren kennen): maar, des Maandags, den 29, wanneer wij
Arminius gaven, en Punt dus weder, voor het eerst, zijne oude rol
vervulde, vermeerderde mijn verwondering. Alweder weinig volk! Des Zaturdags,
den 10. November, kon ik mij de zaak niet begrijpen. Wij gaven Abenzaid;
Punt was vrij; ik speelde zijne rol van Abenzaid, die hij in
zijnen eersten tijd gespeeld hadt: wij hadden eene volle zaal. Maar des
Maandags, den 12. November, hadt mijne verwondering geen eind: | | | | men
gaf Karel, Erfprins van Spanje; Punt maakte Karel; en waarachtig
weer geen volk! Ik wist niet, hoe ik dit moest begrijpen. Ik had gedacht, zoo
dikwijls als de man speelde, dat de Schouwburg te klein zoude weezen, zoo als
de eerste dag, dat hij op het Tooneel verscheen. Wel ja, Mijn Heer, zoudt gij
met mij zulks ook niet gedacht hebben? een man, dien men, als met geweld, weder
op het Tooneel gehaald hadt: dien men absolut zeide niet te kunnen ontbeeren!
die 'er wezen moest, het ging zoo 't wilde! en ik betuig u, met een woord van
waarachtig, dat al dat geschreeuw, en al die nieuwsgierigheid naar 's Mans
talent, in zoo weinige dagen voldaan was, dat het naderhand evenveel was, of
hij speelde of niet. Het kwam mij, toen ter tijd, als onbegrijpelijk voor: maar
thans, nu ik, door de jaaren en door de ondervinding, onze Natie grondig
gepenetreerd heb, zou ik even verwonderd staan, als ter dier tijd, wanneer ik
het tegendeel zag gebeuren.
In dit stuk van Karel, Erfprins van Spanje, kwam aan
Punt een geval over, (dat mij, twee jaaren te vooren, in hetzelve spel
en in dezelfde rol, toen ik die voor 't eerst speelde, ook gebeurd was, maar
daar ik mij schielijk uit had geholpen). Het bestondt hier in: in het vijfde
Deel geeft de Koning last, om de Zaal van Karel in het zwart te
steeken; hier op verandert het Tooneel in 't gezicht: zo dra dit gebeurde,
verloor Punt eensklaps zijne stem, die zoo dof wierdt, dat men hem pas
hooren kon; hij wist niet, waar hem deze verandering van daan kwam, en wierdt
verleegen. Maar, wel haast bemerkende, dat het het Rouwtooneel was, dat hem die
kool bakte, zocht hij zich te redden, met achteruit te retireeren, op de
hoogte, waar de schermen zig scheiden, denkende, daar soulaas te vinden: doch
dit was mis; hoe dieper hij in 't Tooneel geraakte, hoe erger het wierdt; in 't
end kon hij niets uitvoeren, en moest | | | | zich getroosten, zijne rol
te laaten afloopen, zoo als 't best kon. Hij was 'er zeer moeijelijk over, en,
eenige dagen daar na, met mij 'er over spreekende, zeide ik hem dat mij
hetzelfde gebeurd was. En hoe stelde hij het 'er mede? vraagde hij.
Wel ik liep uit het Tooneel, en begaf mij direct op den voorgrond onder de
boog, zeide ik, en toen hinderde het mij niet. De Duivel noch toe,
hervatte hij, daar heb ik niet om gedacht; ik dacht het, met achterwaards te
retireeren, te krijgen. Ik zag het wel, antwoorde ik hem, maar ik was in
de bak, en kon u dus niet toeroepen, om te avanceeren: ware ik tusschen de
schermen geweest, zou ik u direct gewaarschuwd hebben. Gij zoudt 'er mij dienst
mede gedaan hebben, zeide hij; maar 't zal mij nu niet weêr
gebeuren.
Gelieft te weten, Mijn Heer, dat deze rouwschermen, van laken, of
zwarte baaij, over andere Schermen heen gespijkerd waren, en bovendien nog voor
de Hofschermen, die, gedurende dit Tooneel, daar achter bleeven staan, heen
geschooven wierden: dus kunt Gij begrijpen, dat deze drie dubbele dikte eene
groote dofheid moest verwekken.
Dat Punt van het vuur der levendigste Jeugd niets
verlooren hadt, is waar; hij was toen 43 Jaren oud, en het is hem zeer wel,
tot in zijnen laatsten tijd, bijgebleeven: hij hieldt zijnen stand zeer wel.
Maar dat hij zijne caracters zo wel trof, als in zijnen eersten tijd, ontken
ik: hij liet zich door eenige Dichters van zijnen ouden heldentoon afleiden,
dat hij nimmer gedaan moest hebben, maar volhard, op het voetspoor van
Duim, die altijd bij zijn stuk gebleeven is. Maar Punt, willende
veranderen, heeft de lessen van zijne oude Meesters verlaten. De Heer
Feitema heeft hem hier dikwijls over onderhouden, en in mijne
tegenwoordigheid, achter het Tooneel, in de rol van Pyrrhus, wel straf
gecorrigeerd. De Heer Feitema, schoon hij met een kluchtig geluid, ons
| | | | somtijds onze gebreken wel eens (voornamelijk als wij zijne
stukken speelden,) onder 't oog kon brengen, was wel in staat, om eenen Acteur
de Declamatie wel te doen begrijpen, en ik was altijd met zijne correctie wel
in mijn schik.
Gij vervolgt verder, in zijne speelwijze stak nu een zeker ik
weet niet wat, dat zig altoos meester maakt van de algemeene toejuiching. Dit
was, zegt gij, gebooren uit zijn daagelijksche gemeenzaamheid met het
verheevenste gedeelte der Schilderkonst, maar het was ook gestoffeerd, met eene
zekere waereldkunde, die niemand voor zijn veertigste jaar bezit, die haaren
grondslag heeft in de kennis van Oudheden en Geschiedenissen, enz. Vergeef
het mij, Mijn Heer, hier hebt gij ver mis, Punt was vrij onervaaren in
oudheidkennis, als mede in geschiedenissen: hij heeft mij zelf betuigd, (als
hij mij berispte, dat ik te veel des nachts mij met leezen ophield,) dat hij
niet zeer veel in zijne jeugd in de oudheid gestudeerd hadt; dat hij
Plutarchus doorlezen, maar anders niet veel tijds aan het leezen besteed
hadt. Trouwens hij werkte sterk door aan zijne Etskunst, en, als hij een weinig
uitspanning nam, was de kaart en het verkeerbord zijn geliefd vermaak. O! hier
was hij als verzot op, en ik heb hem 'er wel zo vervoerd in gevonden, dat ik,
hem bescheid van het een of ander, dat hij mij bevolen hadt, brengende, hij
niet eens ontwaar wierdt, dat ik tegen hem sprak. Maar hij liet ons, zijne
Discipelen, gemeenlijk twee of drie uuren daags, voor 't minst twee of driemaal
per week, hard op leezen, en ik herinner mij nog, dat wij bij hem hebben
doorlezen Wouter Schoutens Reizen, tweemaalen; Flavius Josephus;
't Leven van de Markgraaf***; de Doorluchtige Minaressen;
Treurtooneel der Doorluchtige Mannen en vrouwen; Pamela; Don
Quichot de la Mancha; Gilblas van Santillane; Ourson en
Valentyn; en de Historie van
| | | |
de Vier
Heemskinderen. Hier dunkt mij, zie ik uw met verachting lagchen, en gij
denkt moogelijk, dat ik u wat op de mouw spelde. Neen, Mijn Heer, het is
waarheid dat ik u verhaal: en waarom niet? De vier Heemskinderen zijn
ook nut voor eenen Tooneelspeeler: en zie hier een bewijs. Spatzier op
zekeren dag de rol van Maskariljas moetende vertoonen, klaagde voor het
begin van het Spel, daar wij te zamen op 't Tooneel wat heen en weder
wandelden, dat het stuk zoo duister, op sommige plaatsen, was, dat hij betuigde
het niet te verstaan. Brinkman, die 'er tegenwoordig was, betuigde
hetzelfde. Wat wil dat zeggen, zeide Spatzier, begrijp je een van
beide die regels?
Hou moedt, mijn knaap, Fortuin vereert ons weêr haar
gaven,
Rukt Vlamberg uit de scheê, en laat Rosbayaart
draven.
Maakt hem Olibrius, d' onnoosle 'er moordenaar.
wel ja, antwoorde ik, dit kan ik u voor een gedeelte
uitleggen; Vlamberg beteekent een zwaard, want het zwaard van Reinout van
Montalbaan voerde dien naam, en Rosbayaard was de naam van zijn Paerd: gij kunt
het vinden in de Historie van de vier Heemskinderen. Mijn beide Confraters
begonden te lagchen, en zeiden: wie zou denken, dat
de Historie van de vier Heemskinderen ons te pas zou
koomen? Ik hervatte, waarom niet? het blijkt, dat Moliere ze ook gekend
heeft, anders zou men deze dingen in zijn stuk niet vinden. Dat is waar,
hervatte Spatzier; maar wat wil hij nu met Olibrius zeggen? dat weet ik
niet, hervatte ik, dat zal moogelijk op een Reus uitkomen, die Reinout
dood geslagen heeft. Ik zal hem 'er maar voor nemen, zeide Spatzier.
Zoo dat gij ziet, mijn Heer, dat deze voornoemde boeken, zoo wel als
verheevene, eenen kunstenaar ook van nut kunnen zijn: ook is mij bericht, dat
'er van Ourson en Valentyn een
| | | | schoone tragedie, in het engelsch is; dus glimlach niet, om dat ik
zeg, dat wij die boeken gelezen hebben: ik zal nog meer zeggen, dit valt mij nu
in; wij hebben de Historie van Rijntje de Vos, en die van
Thijl Uilespiegel, ook doorlezen.
De verhandeling, die gij, van pag. 33. tot 53., over het Tooneel
geeft, vervat in zich voor mij geene andere zaken, dan die ik op mijn 25 jaar
al geweeten heb, bij mijnen meester zo dikwijls heb hooren verhandelen, en zoo
vele tegenwerpingen heb hooren ondergaan, dat ik dezelve, als schoollessen,
bijnaar van buiten ken. Het bedroeft u, zegt gij, dat die heerlijke
kunst, met de laatste snikken van twee zulke heerlijke mannen, den adem
uitgeblazen heeft. Duim en Punt, die ik hier zekerlijk door moet
verstaan, heb ik, voor 30 jaaren, al hooren klaagen, dat die kunst haare
ziel reeds kwijt was; en het is niet te denken, dat die ziel in haar lichaam
zal weder keeren, al ware die vermaarde Toveres van Lukanus 'er
zelve bij, die zoo kunstig de ziel van den verslagenen Soldaat, om Sextus
Pompeus waar te zeggen, in zijn lichaam wist te tooveren, het zou niet
lukken: zij is vervallen, dat is zeker, ik ben het met u eens; en de middelen
tot herstelling, die klaar en voor de hand leggen, om maar te grijpen, laat men
leggen, ja men verwerpt ze, of men moest ze niet kundig zijn; een van beide is
waar. Velen onzer Dichteren zijn zelf oorzaak van dat verderf, de Heer S.
Feitama heeft, in zijn leeven, dit verval al voorspeld, en, om dat ik het
wel voorzag, verliet ik Amsterdam, denkende (door het reizen, dat ik in de
provintien in den Zoomer gedaan had, alwaar wij met zoo veel gretigheids
ontfangen wierden,) dat hier die kunst beter opgang zoude maaken. Trouwens,
mijn Heer, ik moet aan de waarheid regt doen; ik bevond, dat men hier, in
's Hage, en te Rotterdam, met meer juistheids een
Tooneelspel, en een' | | | | Tooneelspeler beoordeelt, dan te Amsterdam.
Maar het getal der Liefhebbers is in gansch Holland klein, en het getal der
kundigen, als ik 'er de Vreemdelingen uitzonder, zal in gansch Holland ter
naauwer nood op 50 of 60 persoonen kunnen berekend worden: en dan zijn er nog
zoo veele geheime redenen, die wel de zwaarste beletsels zijn: hoe wil dit dan
hier op zulk een goeden voet, als in andere Landen, komen? Men moet, naar mijn
gedachten, in de vroegere eeuw meer liefhebberij en gegronder oordeel onder den
burger gehad hebben, want ik heb lieden, en onder anderen eene Vrouw van 80
jaaren gekend, wier Vader Koster in de Wester Kerk was geweest, die mij
verhaalde, hoe zij, op eenen Zondag in 't jaar 1672., uit Utrecht, alwaar zij
met haaren Broeder haare Famielie was wezen bezoeken, zijnde zij, benevens
denzelven, toen 11 of 12 jaaren oud, voor de Franschen gevlugt was, en, bij die
gelegenheid, dat verlegen gewoel van Amsterdam beschreef. Deze Vrouw had altijd
veel den Schouwburg bezogt, en op Kerstijd moest haar Zoon, toen al een Man van
bij de 40 jaaren Gysbrecht van Amstel voor haar lezen, en
dan reciteerden ze maar vrij goed ook: 't was gen bulken noch verzen brommen,
dat thans voor reciteeren doorgaat, neen het was spreeken op maat en rijmtrant;
en wanneer ze uit Joseph, of eenig ander stuk van Vondel, of uit Genoveva reciteerde, wist zij
wel natuurlijk te beduiden, op welke wijze Hermanus Koning en van Malsem
dat uitgesprooken hadden, met gebaarden en al, en, naar mij haar veduidenis en
geluid nog voorstaat, zijn die voornoemde Lieden zeer goede Acteurs geweest.
Al, wat gij hier dan omtrent het Tooneel ter neder stelt, mijn Heer, zegt
niets; en alle de recepten wegens den toon en uitspraak, alle die nuttigheden
van het Tooneel, dat het een worstelperk van deugden en ondeugden is,
alle die tierlanteintjes, hebben tot de | | | | wezenlijke zaak
niets tebeduiden. Eene Claus uit de Hamlet van Shakespear,
daar hij de Tooneelspeelers onderricht, is voor eenen Tooneelist van meer nuts,
als al die omslag: maar zoo deze geen ziel bezit, zal 't doch niet helpen; hij
zal 'er dan mooglijk Comediant, maar geen Acteur door worden. Deze laatste
moeten het gebooren zijn, en dan kan goede onderrichting hen ver brengen.
Moliere geeft, in zijn Impromptu de
Versailles, eenen schoonen zweepslag aan dat valsch declameren, 't geen de
Acteurs in zijnen tijd deden, en noemt het, niet onaartig een Ton
Demoniaque: hij leefde egter in den tijd van Corneille en Racine,
en Baron zijn Eleve is vermoedelijk geen valsch declamateur
geweest. Thans begint de Opera veld op Amstels Helikon te winnen. Te
Parijs klaagen tegenwoordig de Kundigen, dat de kleene Opera het verderf van
hun goed Nationaal Spectakel is geweest, ('t is 'er tegenwoordig ook zo goed
niet als voor 20 jaar). De Tragedie en Comedie ziet zich daar van goede
Sujetten beroofd, wijl de jonge lieden, die talent bezitten, zich meest op de
Opera toeleggen; en het is niet denkelijk, dat ze, in Amsterdam, aan het
Parnaswerk veel goeds zal toebrengen: Melpomene en Thalia konden
van Madame de Opera wel wat klop op de vingers krijgen
*.
Op pag. 53. citeert gij
Karel van Mander, en wijst
daar de Acteurs na toe, om hunne houding en contrasten wel te reguleeren. Dit
is alles goed en waarheid; weinige Tooneelspelers, zoo wel elders als bij ons,
weeten 'er het waare gebruik van, en voor sommigen is het | | | | zelfs
Hebreeuws: maar een goed Balletmeester, die schoon ernstig dansen verstaat, zal
dit noch beter, dan de Tekenkunst te weeg brengen. Men teekent te Parijs, in de
groote Opera, onder het dansen, de Actitudes van de Dansers af; en ik
heb 'er de Group van Hercules en Antheaus, die in pleister
uitgaat, door twee Dansers uitnemend schoon zien maken. Doch dat de Teekenkunst
nut voor eenen Tooneelspeeler is, heb ik bij ondervinding; en dat Punt,
omtrent zijne houding, 'er veel voordeels uit trok, is mij zeer wel bewust. Wij
hebben 'er meenigwerf te samen over geredeneerd. Maar dit is te verwonderen,
dat hij, die een Teekenaar en Inventeur was, zich altijd verleegen vondt,
wanneer hij een Coup de Theatre, een Group, of een Tableau
moest maken: hier in waren wij het zelden eens; en in Pyrrhus heeft hij
het laatste Tableau wel driemaal verschikt, en het was nooit goed;
Feitama zeide telkens, het deugd niet, het
moet anders zijn, maar wist het ook Punt niet ter deeg aan 't
verstand te brengen, en zoo, als ik het voorsloeg, wilde hij het niet doen. Op
't laatst weigerde ik het volstrekt op die wijze langer te doen, en toen
schikte hij het zoo wat, maar 't is nooit goed gedaan. Ik schrijf dit niet, om
's Mans Assche te hoonen; o neen: maar om aan de waarheid regt te doen.
Dat in groote en volkrijke Steden een overvloed van aanlokselen
en vermaaklijkheden is, die den geest verstrooijen dat men daar zelden 't
geduld heeft, om, buiten dringende belangen, een zaak van alle kanten gade te
slaan, zoo als gij op pag. 56. gelieft ter neder te stellen, is
onwederspreekelijk. Maar ik kan dit volkoomen op Amsterdam niet toepassen. Het
hadt, bij mijn tijd, eenen Schouwburg, 90 avonden in een jaar, en twee
beneficie-avonden; eenen Doolhof, met een Spel van Automates daar bij,
op de Princegraft; en een Dier- | | | | gaarde, van ouds Blaauw Jan
genaamd, op Trippen Burgwal; eenige Concerten in den Winter: en
zie daar al, wat men eenigzins aanlokkelijk in deze groote waereldstad zoude
kunnen noemen. Wandelwegen heeft Amsterdam gemeen met alle Steden van ons Land,
en zelfs die aanloklijk en fraai zijn. Van de Musikoos, of
Speelhuizen, wil ik niet spreeken, ik denk dat gij die met mij, voor
luiden van eenen goeden smaak, niet onder de aanlokkende vermaaken zult willen
gesteld zien. Dus kan iemand, die wat leêg tijd heeft, 'er nog al vrij
wat gadeslaan: hoewel men zegt, dat het thans vol weelde en aanloksels is, en
Parijs tragt naar te bootsen; wel nu des te beter voor de
Inwoonders, als 't maar goede zaaken zijn, daar die dingen uit bestaan.
Dat het 'er in de meeste gezelschappen, inzonderheid bij
Vrouwen, tegen de welleevendheid strijden zoude, dat men, over fraaie kunsten
spreekende, zich met geen oppervlakkig oordeel vergenoegen liet, is ook al
waar. Maar onze vrouwen zijn thans in de fraaije kunsten niet zeer ervaaren;
men vindt zeldzaam eene Anna Maria Schuurmans: zij willen nu, voor een
groot gedeelte, altemaal Francaizes worden; en, och hemel noch toe! 't staat
'er zoo kluchtig; en de Heertjes, die uit Vrankrijk somtijds koomen, met een
Magazijn Ariettes in 't hoofd, zullenze met 'er tijd nog gekker maaken. Evenwel
moet ik u zeggen, Mijn Heer, dat ik voor 24 jaar, toen ik in Parijs was, onder
den burgerstaat, de Vrouwen aldaar heel anders, dan men mij alhier wijs gemaakt
had, en dat ik haar meer, dan onze Vrouwen, overeenkomstig met de zeden der
voorouderen bevond. Ik wil hier niet, wanneer ik onze Vrouwen noem, bij gesteld
hebben de zulke, die door haare schriften reeds hebben doen blijken, dat het
aan haar niet zou ontbreeken, zoo het in haare macht stondt, haare Sexe eene
betere denkenswijze in te boeze- | | | | men. O neen, met deze kan men een
verstandig rezonnement voeren: maar hoe klein is dat getal? Trouwens, met de
meeste mannen is het bij ons te land al 't zelfde gesteld, en ik ben van
gedachten, dat het 'er niet veel op beteren zal. Dat men de bondigste
gesprekken slechts in eenen kleinen kring van liefhebbers ontmoet, die noch
dikwijls door ingevoerde vooroordeelen of door eenzijdige gunst gezwenkt
worden, is al, zoo lang mij heugen mag, geweest. Bij de groote waereld
heerscht te veel een superficieele smaak, die niet wel met de gepaste reden te
samen kan gaan; het geestige gaat te veel boven het sentimenteele; en onder de
liefhebbers heerscht gemeenlijk te veel pedanterij, waar door zij altijd een
naald in een voer hooi willen zoeken: en dat is, en blijft hier maar zoo, en
brengt al, wat gij vervolgens ter neder stelt, voort. Het waare schoon,
gelijk gij zegt, wordt dan met schimp en smaad onthaald; geen sterveling,
hoe hoog in roem gesteigerd, vleie zich voor zulk een lot beveiligd te zijn: en
zoo de groote Corneille thans in Frankrijk opstond, Diderot of Mercier mogt hem
den voet ligten. Dit laatste is juist niet waarschijnlijk; van
Diderot speelt men slechts den Pere de Famille, en de stukken van
Mercier wil men immers te Parijs niet speelen; dat echter zeer
onredelijk is, want daar zijn goede dingen onder. Maar omtrent
Corneille, vroeg ik, voor eenigen tijd, aan een Franschen
Tooneelspeeler, of nu Corneille, en meer andere goede Dichters van dien
tijd, in 't geheel niet meer geacht wierden, en hij gaf mij koeltjes ten
antwoord: ah! ce Moulin est cassé! maar zij zullen het binnen een
jaar of zes of acht moogelijk wel wat herstellen; bij de Franschen mott het
goede wel weêr boven komen, daar wordt door de waare kenners altijd tegen
den onwetenden hoop al te ernstig krijg gevoerd; en de goede smaak kan 'er wel
eens in verval geraken, maar | | | | nooit geheel uitgeroeid worden, en
het kan aldaar veel gemakkelijker hersteld worden, dan bij ons ter halverwege
gebragt, ten waare wij van Systema wilden veranderen, 't geen ik niet geloove,
dat licht gebeuren zal. Ik herinner mij nog, het geen de hoogduitsche Directeur
Abt eens tot mij zeide, bij gelegenheid, dat hij vroeg, wat mijne
gedachten omtrent zijn sujet Pilotti waren, en of ik hem voor eenen
Acteur hield? Ik antwoorde kortelijk neen: en zeide hij, daar
schreeuwen de Hollanders zoo van, als of 'er zijn weêrga niet te vinden
was? Dat verwondert mij niet, zeide ik, dat komt, om dat hun begrip met
zijn werk overeenkomt; schreeuwt men wel half zoo sterk van uwe Vrouw?
vroeg ik hem; neen, antwoorde hij, en hoe vindt gij die? ik
antwoorde, ik vinde haar eene zeer goede Actrice, vol talent; zij heeft maar
eene zaak, die ze gemakkelijk corrigeeren kan. Wat is dat? vroeg hij.
Dat ze zomwijlen al te sterk convulsioneert, zeide ik. 't Is
waar, hervatte hij, dit is ons meer gezegd; maar dat men zoo van der
Pilotti schreeuwt, kan ik niet begrijpen; ik had gedacht, dat de Hollanders
meer kennis van de Schouwspeelen hadden. Liber Her Corver, vervolgde hij,
wij Duitschers hebben door den Francoisen, zoo veel ligt gekreegen, dat wij
hun zeer nabij gekoomen zijn, en wij zullen ons best doen, om hun, zoo wij
kunnen, voorbij te streeven; wij hebben reeds goede Aucteurs, die smaak
bezitten, en goede Schouwspeelers, maar, Liber Her, der Hollanders hebben nog
wel tzweij honderd jaaren tijd, eer zij lieden zoo ver komen zullen. Liber Her
Abt, zeide ik, geeft ons vrij vier honderd jaaren tijds, en wij zullen
'er nog niet zijn: a! zeide hij, gelooft gij dat ook? het is wel
zeker, zeide ik. Maar Liber Her Corver, vervolgde hij, waar komt
dats van daan? Ik weet het niet, antwoorde ik, moogelijk door de
drukking van den Dampkring, en om dat wij een vrijgeboren volk zijn. Ach
swernaut, hervatte hij, zijt gij lieden een
| | | |
vrijgebooren volk, dan wis ich het nicht; nein waarhaftig, neeme het mij niet
kwalijk, dan ben ik in mijn Land vrijer, en wil onder deezen dampkring dan niet
langer zijn: mijn meeste volk is hier bedurven, zij waren hups en wel, wan wij
hier kwamen, nu zijn zij wild wie kraaijen geworden, zij zullen alle te
Amsterdam bedurven worden. Dit was de lof, dien hij onze Natie gaf, en de
Schouwspeler Hengsel, ja de zoo geliefde Pilotti zelf, hebben zig
te Utrecht tegen mij openlijk in deze termen van het publiek hier te Land
beklaagd; wats d....r Her Corver moes ich van uw Landsliden zagen? was
kleugtig volk ies das? zij zijn Liefhebbers van de Schouwspielen voor een tijd;
evenwel zij bezitten das gelds genoeg om die te soutinceren, en der d....r haal
mich, zoo ze verstand of smaak van die Schouwspielen bezitten, hoe komt
das? Ik haalde mijne schouders op, en antwoorde, dat ik al, wat zij zeiden,
voor lang al ondervonden hadde: maar, zeide ik tot Pilotti, waar
beklaagt gij u van? men doet immers regt aan uwe talenten? gij wordt hier
als aangebeden. Ach, wats d....r neemt gij mij dan voor ein Nar? zeide hij,
wanneer ich iets goeds spiel, dats ich zelfs gevoel, dats het goed is, laat
men mij koelkens vertrekken, en wanneer ich Narrerijen en Hansworterijen
vertoon, klapt men in der handen tot aan de wolken, en schreeuwt, bravo! bravo!
wun 't wonderen waren, die ich verrichte. Wel antwoorde ik hem, als gij
den Deserteur speelt, klapt men immers ook in de handen, voor u. Ter d....r
dats waar, zeide hij schielijk, en waarhaftig 't is het slegste, dat ik
doe: vind gij 't goed? zeide hij. Neen, antwoorde ik, gij speelt
hem vrij slegt. Zeg vrij, duivels slegt, zeide hij, en uwe Natie houdt
het voor mooi; nein zij bezitten kein kennis van dat Schouwspiel.
Zie daar, Mijn Heer, met welken lof de vreemdelingen van de
Tooneelkennis onzer Natie spreeken; en ech- | | | | ter wil men ons mede
voor voorstanders van Kunsten in andere Landen doen doorgaan! Ik moet, bij
dezen gelegenheid, u nog een geval verhalen, dat mij op de Buitencingel, te
Rotterdam, toen ik daar speelde, ontmoet is: op eenen middag naar den
Schouwburg gaande, ontmoette mij een Joodsch Heer, gekleed als een Poolsche
Jood, met lange kleederen, en een bonte muts op, hij had, een achtbare baard om
de kin, was zedig en deftig van opslag der oogen, en circa tusschen de 30 en 40
jaar, op het uiterlijk aanzien. Ik had dezen Heer, eenige weken te vooren, in
de trekschuit aangetroffen, alwaar ik, benevens een verstandig Dichter van
Rotterdam, een zeer aangenaam discours over den Schouwburg met voornoemden Heer
gevoerd had, dat onze reis zeer verkortte. deze Joodsche Heer, mij hier door
kennende, vroeg mij, na dat wij alvoorens naar elkanders welstand gevraagd
hadden, in 't Fransch, of ik mij naar den Schouwburg begaf? Ik antwoorde
hem ja; hij vroeg mij, moet gij speelen? ik antwoorde neen,
maar moet 'er echter weezen; komt 'er veel volk? vroeg hij mij; ik
antwoorde neen, het zegt niet veel. Hij schudde zijn hoofd en zweeg
stil. Ik vervolgde, wijl hij niet sprak, en zeide: onze Natie, mijn Heer,
schijnt voor de Tooneelspeelen niet langer geporteerd te zijn, voor al niet
voor 't Nationale. Hier op zette hij groote oogen op, en, zijn hoofd een
weinig voorwaards steekende, vraagde hij mij, met het ironickste gezigt, dat
men zetten kan, & pour quoi sont-ils? Ik schoot in zulk eenen
vreeselijken lach, op het hooren van dien toon, en op het zien van 't
gezigt, waar mede hij die woorden verzelde, dat ik hem niet antwoorde
kon. Wij spraaken vervolgens nog een poos over deze zaken te saamen, te lang om
hier ter neder te stellen, waarop na ik mij naar het Theater, en hij zich
zijn's weg begaf. Ik zoude hier noch eene reeks van diergelijke ontmoe- | | | | tingen
kunnen ter nederstellen, maar zal zulks tot eene nadere
gelegenheid bewaaren: ik heb dit alles hier slegts aangehaald, om te toonen,
hoe fraai wij overal te koop gedraagen worden. Het valt niet aangenaam, mijn
heer; maar ik kan tegen de waarheid niet spreeken; 't is niet anders: en, ik
herhaal het nog eens, wij bezitten de middelen tot herstelling, hebben die, zoo
wel andere andere Natien, altijd bezeten, maar hebben die nooit willen
gebruiken; wat baat het dan, of ze 'er al zijn?
Het geen gij, op blz. 57. en 58. van den Dwerg en Kajanus en
Damon en Celadon, uit la Bruyere tot de zaken van den Schouwburg
overbrengt, en u billijk doet uitroepen: Brinkman is middelbaar; Corver kan
groeien, zo hij gezond blijft; Starrenberg munt uit; Duim is groot; maar Punt
alleen is Punt! Ook heeft hij die algemeene toejuiching onverflaauwd genooten,
zo lang hij 't Amsterdamsch Tooneel betrad, zoude men voor ene soort van
eene stuip, die eenen Schrijver of Dichter wel eens overvalt, kunnen neemen. Ik
zal hier alleen op zeggen, dat Brinkman, zoo als ik hier voor gezegd
heb, een goed Acteur was, zeer goed, boven het middelbaare, wanneer hij zijne
rol kende, en gehumeurd was, om te speelen: en wat mijn Persoon belangt, ik
had, ten dien tijde, mijnen vollen wasdom, en heb daarna niets in de lengte,
maar wel een weinig in de dikte aangenomen; ik was somtijds gezond, somtijds
ziek, en Punt en ik speelden dikwijls, met spaansche vliegen in den nek,
of achter 't oor, de wijl wij alle beiden zeer met zinkingen gekweld waaren,
dat somtijds al kluchtig stondt, wanneer wij die niet wel konden verbergen.
Starrenburg muntte uit, als Saul, onder de Kinderen
Israëls; en Duim was niet groot van postuur, dat is mis.
Behalven de Paerden, die wij in Tamerlan, tegen alle recht en reden,
gebruikten, en het Paerd in Don Quichot, als mede | | | | dat in
het Spel van Hester, die wij altijd, wanneer ze achter het Tooneel
geleid wierden, de grootste Acteurs plachten te noemen, was Starrenburg
de grootste van de gantsche Troup. Dat Punt alleen Punt was, is
een waarachtige waarheid, maar zijn Vader voerden ook den naam van Punt,
en zijn Zoon, en Klein-zoon voeren immers ook dien naam. Dat hij altijd de
onverflaauwde toejuiching, zo lang hij 't Amsterdamsche Tooneel betrad, genoten
heeft, is te veel eer aan 't Amsterdamsch publiek gedaan.
Nu komt gij tot 's Mans Casteleinschap in den Schouwburg. Ik hebbe
hem in die qualiteit gekend; ik heb hem aldaar meenigmaal, op den zolder boven
de bak, zelfs onder het speelen, als hij maar een bedrijf vrij was, in zijne
speelkleederen, met den grootsten iever, zien schilderen. Hij bezat eene
ieverige en werkzaame ziel, en hadt, hier omtrent, een beter lot verdiend, dan
hem, op het laatst zijns levens te beurt is gevallen: maar hij heeft mij
meenigwerf gezegd, wanneer ik klaagde over eenige onaangenaamgheden, dat
niemand zijn lot, waar hij zig ook naar toe begeve, ontgaan kan. Ja, mijn Heer,
hij kon somwijlen zoo sterk als een Turk praedestineeren. Dat hij weinig
trotsheid, zoo gij zegt, bezat, is ook waar; als mede, dat hem
veele loftuitingen lastig vielen. Echter hoorde hij, even als ieder een,
zijn werk gaarne prijzen, en dit is natuurlijk. Deftig was hij, en dat
het scheen dat hem ongevoelig iets heldhaftigs aankleefde, is ook al
waar; als mede, dat het zo met zedigheid gemengd was, dat het niemand
mishaagen kon. Maar, schoon wij, als Leerlingen, van welken ik de eer heb
gehad, zes jaaren lang 'er een te zijn, hem wel beminden, en alles voor hem
wilden doen, kon hij echter somtijds duivels ongemakkelijk wezen, voornaamlijk
des morgens, wanneer hem het geluk des avonds te voren in 't kaartspel niet wel
gedient hadt
*; als
dan konden wij het zeer licht bij | | | | hem verkerven: Zie, mijn Heer,
hij was een Mensch; hij hadt dus gebreeken, en dit strekt hem tot geen
schande.
't Geen gij, op bladz. 59. en 60., van Punt zegt, is ook al
waarheid, dat hij namelijk gaarne voorname Gezelschappen bijwoonde, zoo wel
tot hunnent, als tot zijnent, maar of zijne middelen, zoo als gij
schrijft, het hem toelieten, kan ik niet zeggen. Dat Gierigheid hem
onbekend was, en dat hij in zijne uitspanningen zijne neiging, zonder
ongeregeldheid, volgde, zijn altemaal waarheden; maar dat hij, met alle
zijne wellevendheid, niets minder dan een vleier was, dat is zoo.. zoo..
zoo als men 't nemen wil; 't was eigenlijk geen vleien, maar hij kon zeer mooi
praaten: en wat het oud Hollandsch, rond Amsterdamsch betreft, dat
wederspreekt zich zelven. De Amsterdammers hadden, voor het jaar 1711., waar in
Punt gebooren was, voor 't grootste gedeelte hunne rondheid al
verlooren: zij waaren al meest agtkantig geworden; en die rondheid had in
Punt zijn tijd geen plaats meer
*; men was toen al redelijk gevorderd in intrigues, en
Punt verstondt ze ook vrij wel.
Gij zegt verder: de ondervinding heeft hem naderhand wel
geleerd, dat de achting van Grooten grillig is, dat waare vriendschap tusschen
gelijken best bestaat, en dat de gunst van vermogende Heeren voor den braafsten
Burger nooit warmer wordt dan een wintersche Zonneschijn. Hij had dit in
het Boek van Cats al kunnen vinden, in dat
Plaatje, waar de Grooten Kersen zitten te eeten, en eenen minderen, die met hun
van de partij tracht te zijn, met | | | | steenen werpen; en de
vriendschap van 't menschelijk geslagt, in 't algemeen, is in den Timon van
Lucianus klaar te ontdekken. Ik heb mij al lang verbeeld, te hebben
ondervonden, dat vriendschap, niets dan eene chimere, en geene wezenlijke zaak
is, even als eer, deugd, liefde, trouw,
christelijke pligten, enz. enz. enz., altemaal
mooije klanken, die in proze en in verzen cierlijk pronken, en op den gantschen
aerdbodem bijnaar niet te vinden zouden zijn: een arm onnozel mensch, die geen
onderwijs, dan van de natuur en het licht der rede ontvangen hadt, zou ze
moogelijk, in een ver afgezonderd leven, kunnen bezitten; maar ik wenschte zulk
eenen wel eens aan te treffen. En, wat de gunst van vermogende Heeren
belangt, de Grooten, de Geestelijken, de Geleerden, de
Doctoren, de Practisyns, de Dichters, de
Tooneelspelers, en tevens alle Konstenaars, willen niet van al te
naarbij gezien zijn: men moet al dezen niet, dan op eenen zekeren afstand,
beschouwen, anders verdwijnt de illusie, en dan zijn ze zoo mooi niet, als zij
ons wel toeschijnen. Maar Punt was gaarne booven 't burgerlijke
verheven; hij mag zekerlijk, als Kunstenaar en Tooneelspeeler, die ten dien
tijd, toen hij Castelein was, naar mijne gedachten, met zijn schilderen en
graveeren, daar bij gerekent, een 7 à 8 duizend guldens gewonnen hebben;
ja, mijn Heer, ik denke niet, dat het veel minder zal geweest zijn: hij was
altijd een liefhebber van Paerden geweest, en voldeedt nu aan die liefhebberij,
met dezelve te koopen, en een Faragon, Wagentje, en een Narrenslede aan te
leggen. Dit stak sommigen Grooten in de oogen, zelfs eenigen Burgeren, en ik
heb eens een Heer, die veel middelen bezat, daar over in dien tijd zich al vrij
sterk hooren uitlaten. Wat beeld Monsr. Punt zich in? zeide hij tot mij,
is hij zoo een groot Heer, dat hij Rijtuig houdt? het staat hem fraai, hier
de Zoon van een Waagdrager! 't is wat te
| | | |
zeggen! wat
beleeft men niet al? en wat moet men niet al zien? Ik antwoorde; maar
consideer, mijn Heer, dat hij een Kunstenaar is. Hier op wierdt mijn Knaap
gram, en zeide, wat, Kunstenaar! is dat manier? Zijn Houbraken,
Tanjé, en de Wit, ook geen Kunstenaars? houden die Rijtuig? Ik
antwoorde, neen, dat doen ze niet, maar ze zijn geen Tooneelspeelers. Wat is
Duim dan? hervatte hij, slaat die Man zoo een front als zijn Confrater?
deze behoudt zijnen Burgerstaat, en heeft zijn Koetjes bijnaar op 't droog,
maar Punt trotseert, met zijn Rijtuig, mij en anderen, die meer zijn dan hij,
en zulks past hem niet, al was hij, zoo als je zegt, honderdmaal een
Kunstenaar. Ik zeide hier op, Duim heeft geen zin in brillant te leeven,
en Punt is daar mede ingenomen: maar ik kan niet zien, dat hij zulks doet, om u
of anderen te trotseeren. Wat d....r! stoof hij op, begrijp je dat niet?
ik denk, dat ik van wat grooter afkomst ben, dan Monsr. Punt, en zoo wel (en
vrij wat beter denke ik,) als hij, Paerden en Rijtuig kan onderhouden; maar ik
zou het niet durven doen, om die grooter dan ik zijn, niet in het oog te
loopen: begrijp maar, als zoo een vent, als Punt, zoo een front slaat, wat moet
ik en anderen dan doen? waar in moeten wij, die capitaal bezitten, dan
uitmunten? In deugden en goede hoedanigheden, gaf ik hem ten antwoord; hij
wierdt kwaad, naar ik merkte, en anderen, daar tegenswoordig, braken ons
discours af. Gelief, te weten, mijn Heer, dat de knaap, die dit gemelde
raisonnement voerde, voor geenen barspenning deugd, en zeer weinig gtoede
hoedanigheden bezat, en wel wist, dat mij zulks niet onbewust was: maar hij
bezat in tegendeel veel gelds, en was een groot Heer. Diergelijke
raisonnementen wierden meenigvuldig over zijne staatvoering gehouden, die ik
dikwijls, zelfs toen wij gebrouljeerd waren, tegengesprooken heb, en ook wel
stilzwijgend beantwoord. Kunt gij, mijn Heer deze afgunstige raisonnementen van
iemand, die den naam | | | | van een fatsoenlijk man voert,
overeenbrengen, met den naam te willen hebben van eenen Kunstenaar voor te
staan, en te ondersteunen. Anderen plakten een Biljet van den Schouwburg achter
op zijne Faragon, om hem te bgespotten: laagheden en laffe beschimpingen...
eenen Hollander waardig, zoude ik bijna zeggen! Zoude men te Londen, te Parijs,
of in eenige plaats van Europa, eenen Tooneelspeeler, dien men zegt te
beminnen, en niet te kunnen derven, om dat hij het geld, het welk hij met zijne
bekwaamheden won, naar zijn geneigdheid verteerde, wel zulk eene laage
mishandeling aandoen?
Nu gaat gij tot den dood van 's Mans tweede Vrouw Anna Maria
Chicot, en vervolgens tot zijn derde Huwelijk met Catharina Elizabeth
Fokke, over. Hier van weet ik niets; dan dat mij, beide het afsterven
zijner Vrouw en zijn derde Huwelijk, door hem bekend gemaakt zijn. Ik was toen
hier, in 's Hage, reeds voor lang woonachtig. Maar dat gij Orfeus en
Euridice daar zo wonderlijk bijbrengt, komt mij voor om van lagchen uit
te schateren: een Orfeus van 62, en een Euridice van dicht bij de
45 jaaren, knap kloek van gestalte, in de dikte wel toegenomen, maaken zulk
eene wonderlijke Schilderij. Beschouw ze eens ter deeg: zoud gij het zelf niet
zeggen?
Op pag. 61. wilt gij ons doen gelooven, dat de Schouwburg toen
omtrent zijne Speelers en Speeleressen in eenen goeden toestand was. Na den
dood van Juffrouw Ghyben, die met dien van mijn Huisvrouwe, op
eenen nacht voorviel, hebben wij lang gesukkeld, eer wij het loch, dat die
sterfgevallen gemaakt hadden, weder gestopt konden krijgen. Al wat gij hier van
ter neder stelt, zijn loutere onwaarheden. En, dat de Regenten in de
verdeeling der rollen geweldige misslaagen begingen, is ten allen tijde
geschied. Dat zij Punt en Duim op hun woord geloofden, was
somtijds ook al gek genoeg. Bij de verdeeling der Rollen, in het stuk van de
Vriendschap, waar van de Poëet naderhand zulk | | | | een
schrikkelijk berouw hadt, is zulks klaar gebleeken. De Historie is te lang om
hier ter neder te stellen; bij nader gelegenheid zal zulks mij wel eens te pas
komen, en zal ik 'er als dan gebruik van maken. De kunst, zegt gij,
wierd toen gehandhaafd in haare volle rechten: en ik zeg, dat men ze
toen begon te verdrukken, in weerwil het zeggen van Punt. Dat hij,
wanneer men een spel van statie vertoonde, daar elk in zijne kracht geplaatst
was, geene Vorstelijke Bruiloft voor zulk eene verheuging wilde
bijwoonen.
Ik weet niet, wat ik door een Spel van statie verstaan
moet, ik ken Treurspelen, Blijspelen, Tooneelspelen, Zinnespelen, Dramen
* enz.: maar gij hadt hier voor 't minst zo
goed moeten zijn, van ons uit te leggen, onder welke soort de
Statiespelen behooren; ik beken, dat ik 'er nimmer van heb hooren
spreeken.
Dit zeggen van Punt, zoo 't waar is, is immers te
belagchelijk, om het, als eenen eeretak, in 's Mans leven te plaatsen, ik zou
ze als niets tot zijn roem toebrengende, maar met stilzwijgen voorbij zijn
gegaan.
Dat men ons begon te drukken, ja, zoo 't scheen, zelfs moede te
worden, bleek, wijl men in 't jaar 1760. Damicis, met zijne Dochter,
benevens Singoni, welke laatste hier thans nog in 's Hage woonachtig is,
† in de maand van Augustus, naar mijn beste onthoud, op den
Schouwburg zag verschijnen. Deze menschen, die uitstekend goed waaren, zoo als
Punt ook niet nalaten kon te betuigen, trokken niet alleen de Grooten,
maar zelfs het gemeene volk, dat hunne taal niet verstondt, maar uit hunne
gebaarden en houding hen volmaakt kon verstaan, naar den Schouwburg. Deze
menschen gaven, met hun driën, aan ieder een genoegen, en het was ook
| | | | zulk goed werk, als wij ooit hier te lande gezien hebben. Men zag
Damicis als een God in de kunst aan; ieder sprak met de uiterste
verrukking van dezen Acteur; de Grooten deden hem alle politessen, en hij kon
zig beroemen, dat hij bij iedereen met het uiterste genoegen gezien was, en aan
zijn talent alle regt gedaan werdt, dat hij hadt kunnen verwagten. Maar dit was
niet genoeg; hij was nu de rechte man, dien men lang vergeefs gezocht hadt, om
nu eene goede Opera te hebben, en hij moest volk maken te krijgen, want met hun
driën persoonen, die zij sterk waaren, konden zij geene groote Opera
geeven; dat Santo Lapis en Ferrari, die voor hem in Amsterdam
Directeurs van Opera's geweest waaren, het kwalijk aangelegd hadden, en getoond
geene directie te verstaan, dat hier door hunne Troupen vervallen waaren; maar
dat aan een Man, als Damicis, die de zaken in den grond verstondt, zulk
een uitmuntend Acteur was, en zulk eene Actrice, als zijne Dochter, bij zig
hadt, het niet missen kon, of de vlieger moest opgaan, en hij kon verzekerd
zijn, dat zijne fortuin gemaakt was; en dit was maar eene afgedaane zaak. De
Italiaan, hoe doorsleepen anders die natie ook is, liet zich het net
over 't hoofd halen; bewilligde in de voorslagen aan hem gedaan; deedt volk
overkomen, onder anderen eenen schoonen Zanger, den heer Magalli, die ik
niet beter weet, of is nog in Holland, en formeerden eene zeer goede Opera. Hij
liet kleederen vervaardigen, en begon zijne groote Opera's alle Dingsdagen, met
veel toeloop en veel genoegen te geeven. Alles ging in den beginne naar wensch,
maar het begon van langzamerhand te verflaauwen, en daar moest nu en dan al
eens een ander Sujet bij koomen, dat ook geschiedden. In 't einde geraakte
gemelde Directeur in een geschil met eene zijner Actrices, die maar
middelmatige Talenten | | | | bezat; eenige Heeren trokken partij, ten
voordeele van haar; en op den 1 April 1761. geraakte de gansche Schouwburg in
Oproer: dit was een geweld niet om te stuiten. Damicis wilde zijne zaak
op 't Tooneel voordraagen, maar werdt met uitfluiten gedwongen te retireeren,
en eenige dagen daar na kwam 'er een papier in druk, waar in deze Heeren niet
onaartig wegens hun bestaan gehekeld werden. Straks was 'er een van hun, die
hier over gevoelig, zijnen geest toonde, het zelve op zulk een armhartige
manier beantwoorde, dat men wel kon zien, hoe hoog het met zijn vernuft gesteld
was. Dit werdt weder niet onaartig beantwoord, hij schreef wederom, en dus
begon het van publieke geschriften over deze zaak te grimmelen. In 't eind,
Damicis had het zo bij hun verbruid, dat men 's Mans talent, (dat hem
niemand geeven noch ontneemen kon,) begon te lasteren, en, daar men hetzelve
voorheen niet genoeg naar verdienste hadt kunnen volprijzen, werdt hij nu, zoo
eensslags, een Hansworst, een Hans beuling, in hunne oogen, een
Kwakzalvers Comiecq, en gansch geen Acteur, maar een
Grimassenmaaker en een Armhartig Directeur, die zig gansch geen
directie verstondt, en niets waerdig was. Gelukkig voor den man, dat het
op het laatst van het saizoen voorviel, anders hadt hij van eene gewisse
benadeeling kunnen verzekerd zijn, en nog gelukkiger voor hem, dat hij in
Amsterdam zijn brood niet behoefde te zoeken, want in zoo een geval waren
armoede, hoon en smaad, in weêrwil van 's Mans
Talenten, vast zijn deel geworden. Wat zegt gij van deze Historie
mijn Heer? Het Talent van eenen Man, dat goed is, wordt gebrandmerkt en
vervolgd, om eene zaak, daar het geen deel aan heeft. Eene groote billijkheid:
niet waar? Intusschen geloove ik niet, dat hij veel voordeels behaald heeft,
gedurende zijn speelen, want de man hadt veele kosten gedaan, en | | | |
speelde maar een maal s'weeks, op Dingsdag. Hij hadt veel abonnees, maar die
werden (zoo als 't gemeenlijk met die Heeren gaat) de stroppen, om hem te
verworgen. Wij leeden intusschen door deze Opera ook, want 's Maandags was 'er
gemeenlijk geen volk, en de afkeer der Lieden van de Bon Ton voor het
nationaal Schouwtooneel werd 'er niet door verminderd: en dit was in dien tijd,
dat gij zegt, dat de kunst in hare volle rechten gehandhaafd wierd.
't Geen gij verder, op pag. 62., van die verrukkende
avondstonden zegt, vergeef het mij, mijn Heer, gelijkt zeer naar iemand die
begint te kolderen. Was dat zoo verrukkend, als Punt en Duim
elkanderen, zoo gij schrijft, het hoofd booden of in eene groep tegen
Starrenberg kontrasteerden; Egmond en Hoorne tegen
Alva; Konradijn en Fredrik tegen Robbert Bar en 't
gansche Hof van Napels? Zijn 'er in het stuk van Egmond en
Hoorne zoo veele wonderen te verrigten? Punt en Duim
zeiden altijd, dat deze Characters meer naar Kruiers of
Schoenlappers, dan naar twee Eedellieden geleeken; en de rollen van
Sophia en Sabina vergeleken ze bij Visteeven, en zij zijn
waarachtig niet veel beter dan Visteeven en Kruijers die in
rijm spreeken: en de rol van Alva wat zegt die, schoon zij nog de
beste in 't stuk is? Vindt gij dit zoo een schoon Contrast, en was dat
zoo een verrukkende Avondstond voor u? Mijns oordeels, behoorde men, zoo
men een begin van Reforme wilde maken, dit stuk, (even als de
Reformatie, ten tijde der gemelde Graven, met de beelden uit de Kerken te
werpen, begon) ten eerste van het Tooneel te werpen, met zijne mooije
vertooning van het schavot, en de twee koppen van de Graven, die daar op te
pronk staan. Wat het spel van Konradijn belangt, dit is vrij beter; men
zegt, dat ter dien tijde het Spel van Egmond en Hoorne gemaakt
is, enkel om het spel van Konradijn te onderdrukken. 't Is echter ook
geen | | | | schoon stuk, zoo als men gemeenlijk van een stuk spreekt;
doch het kan 'er mede door. Maar mag ik u vragen, mijn Heer, waar dat schoone
contrast tusschen Frederik, Konradijn, en Robert
Bar, in het gemelde stuk, plaats heeft? Zij hebben eene kleene passagie in
het derde deel met Robert Bar, daar Konradijn hem voor
eenen Schelm, en eenen snooden Hofslaaf van eene nijdige Gravin
uitschelt, en Robbert hun maar spoedig, in éénen
halven regel, den dood aanzegt, en zich schielijk weg pakt. En hadden
Punt en Duim, als Konradijn en Frederik, hier zulk
een schoon Contrast met Starrenberg, die Robbert Bar
maakte? Ik moet bekennen, mijn Heer, dat in deze verrukkende
avondstonden, van welke gij hier gelieft te spreeken, uw gezigt verblind
van verrukking moet geweest zijn, wijl Duim, na de wederkomst van
Punt op het Tooneel, nooit, zoo lang ik 'er geweest ben, Frederik
gespeeld heeft; en dus moet ik bijnaar denken, dat gij, in uwe
verrukking, mijn persoon voor Duim aangezien heb. Wat hun
Contrast met het gansche Hof van Napels betreft, niemand van
het Hof van Napels, dan Klotilde en Alphonsus, die toegenegene
van Konradijn en Frederik zijn, komt bij de Jonge Prinsen op het
Tooneel, en Reinoud is de afgezant van Konradijns Moeder, en
behoort dus tot het Hof van Napels niet: waar vertoont zich dan dat
Contrast, daar gij zoo van opheft? 't Zijn de verrukkende
avondstonden, die u hier doen doolen, mijn Heer, en door die
verrukkingen zullen u de zaken ontgaan zijn; gij zult mogelijk eene
andere Vertooning meenen.
Verder vervolgt gij op dezelfde bladzijde, voorts Brinkman, en
zomtijds ook Spatsier, in 't verschiet, dit komt zoo een weinig smaadelijk
aan den Lezer voor, en zou, in later tijden, aan die hen niet gekend hebben,
toeschijnen, of deze dwaallichten bij de eerstgenoemde
Flonkerstarren waaren geweest, daar zij evenwel in talent voor
Duim noch Punt behoefden te wijken. Gij hadt hen ook | | | |
wel op den voorgrond van dien tijd moogen zetten.
Verder zegt gij: tusschen beide Corver, (dat is mijn
persoon) op zijn best, en nu en dan een aankomeling van goede hoop, gelijk
onder anderen Jacob Wéémeijer, die vervolgens, had Corver den
Schouwburg niet verlaaten, hem dreigde voor bij te streeven. Hoe ik nu het
woord op zijn best omtrent mij verstaan moet, weet ik niet; of ik
het bij gedoogzaamheid moet neemen, of dat gij mij, ten dien tijde, in
mijn beste licht gelieft te beschouwen? Maar dit is waar, dat, zoo de
aankomeling Jacob Wéémeijer, mij, zoo ik den Schouwburg niet
verlaten had, dreigde voor bij te streeven, ik gansch geen, of voor het
minst zeer weinig, Naturel of Talent moet bezeeten hebben. Andere
aankomelingen van goede hoop, weet ik niet in dien tijd aan ons Tooneel gekend
te hebben. Zoo Punt of Duim in wezen waaren, en deze
perioden van uwe verrukkende avondstonden lazen, ik durf mij
verzekerd houden, dat zij u op de lijst der pedante aanschouweren zouden
plaatsen. Vervolgens gaat gij voort, maar nu? ja nu is het tijd om de
schoone kunne recht te doen!
Dochters van Thalia en Melpomene, staat nu vast! gij
komt voor eenen geoeffenden Rechter, die de Rechten en
Konstregelen grondig verstaat! Eenen onpartijdigen Rechter, die
de weegschaal in zijne balans zal weeten te houden!
Maar vergun mij Heer Rechter! dat ik uwe
Rechtspleeging van nabij mag aanschouwen; en, wijl ik een getrouwe en
oprechte getuigen van al, wat voor uw rechterstoel verschijnt, kan verstrekken,
zoo laat mij toe, dat ik u, somtijds, door u de zuivere waarheid onder 't oog
te brengen, voor dwalingen mag bevrijden. Daar opent zich uwe
Regtspleeging, met eene betooging, dat het Vrouwlijk geslacht, ook in
weêrwil van de reden, op meest alle waereldsche bedrijven en daaden eenen
onbepaalden invloed heeft, enz. en bevestigt gij dit met een getuigenis van
Anakreon, die zegt: | | | |
Eene schoone Vrouw is vuur en staal
te sterk. Eene enkele omhelzing, een lonk, bedremmelt den achtbaarsten Raad,
verdeelt het machtigste Rijk, sticht brand in alle Steden, en doet aanzienlijke
legers in bloed verzinken: een traantje van tederheid herstelt alles op zijne
beurt, zegent den Staat met vrede, vrijheid en voorspoed, en ontwapent de
snoodste Dwinglandij.
Waar Venus schreit, gaan hoge vloeden slecht;
Zingt Vondel wel te recht.
Dit laat gij volgen.
Het eerste van uwe betooging mijn Heer de Rechter, is wat
al te waar, en mocht wel wat minder zijn, op dat de Tooneelpoëzij,
die, gelijk gij zegt, daar van haar gereedste hulpmiddelen
ontleent, zich ook eens van andere middelen mogt bedienen, om,
buiten dat, mede te flikkeren. En wat het getuigenis van Anakreon
betreft, dit steunt meer op dartelheid, dan op waare achting voor
't Vrouwlijk geslacht. Anakreon was een ongebonden Dichter, en dus gaat
zijn getuigenis bij mij niet door; als hij zegt, dat eene schoone Vrouw vuur
en staal te sterk is. Deze regel is ook niet zonder exceptie,
mijn Heer de Rechter. Cato de Oude zeide, de menschen beheerschen de
mindere schepselen, wij Romeinen de menschen, maar de Vrouwen ons. Dit is
ruim zoo sterk, als van Anakreon, en komt uit achtenswaardiger mond
voort; en, als men gelooven mag, dat het schoon character, dat Corneille
ons van de Vrouw van den Jongen Horatius geeft, ons een getrouw
afbeeldsel van eene Romeinsche Vrouw voor oogen stelt, dan behoeft 'er, mijns
oordeels, niet veel bewijs, dat Cato de waarheid sprak: maar dit
caracter is bijnaar eenig in zijne soort; schoon de Cornelia in den
Pompeus ons ook tot eene bevestiging zou kunnen dienen; en de
Cornelia, Moeder der | | | |
Grachen, kan ons ook een
waardig voorbeeld van brave Vrouwen opleeveren. Maar de sterkte, die
Anakreon ons in de Vrouwen voorstelt, verlaagt het Mannelijk
Character, daar het zeggen van Cato de beide sexen eere aandoet.
Als men zegt, dat eene enkele omhelzing, eenen lonk, eenen ganschen Raad kan
bedremmelen, en een machtig Rijk verdeelen, Steden in brand steeken,
aanzienlijke legers in bloed doen verzinken, en een traantje van tederheid dit
alles weêr herstelt, enz. verheft dit het Vrouwlijk geslacht
geenszins, maar verlaagt het manlijk geslacht oneindig, en stelt het laffer,
dan de Vrouwen zelve voor.
Ik weet wel, dat de Raad van Corinthen, in een Rechtsgeding tegen
de befaamde hoere Laïs, op het aflichten van haaren sluier,
zodaanig door haare schoonheid zich getroffen vondt, dat hij bewogen werdt, het
vonnis in haar voordeel uit te spreeken. Maar dit was voor de Rechtbank van het
weeldrig Corinthen, het zou nog te bezien zijn geweest, of haar voor de
Rechtbank van Sparte, zulk een geluk zou te beurt gevallen zijn.
Men verhaalt, dat de Hertog, Regent van Vrankrijk, door zijne
Minnares zeer gedrongen werdt, om een zeker Staatsgeheim haar te openbaaren, op
eenen morgen, wanneer zij hem door vleien en liefkoozen, terwijl zij beide te
bedde laagen, hem hetzelve dacht te ontwringen, en dat hij tot haar zeide:
wel Mevrouw, zijt gij dan zo verlangende, om dit geheim te weeten; dat gij
mij geen rust kunt laaten, voor ik het u openbaar? ja, antwoorde zij met
begeerte; wel nu, zeide hij, laat ons dan opstaan, en ik zal het u
kenbaar maaken. Zij begaf zig terstond met veel verlangen uit het bedde, en
hij volgde haar. Opgestaan zijnde, nam hij haar hand, geleide haar voor eenen
spiegel, en zeide met vriendelijkheid, Mevrouw bezie u zelve eens, moet gij
zelve niet bekennen, dat gij een schoon hoofd hebt? Zij zag hem hier op
grimlachende aan. Neen; neen, zeide | | | | hij, voldoe mij op
mijne vraag; bezit gij geen schoon hoofd? bezie het ter deeg? Zij keek in
den spiegel, en, hem weder grimlagchende aanziende, antwoorde zij, wel ja,
ik beken het, dat ik een zeer schoon hoofd hebbe. Wel nu, hervatte hij, op
eenen straffen toon, weet dan, dat ik dat hoofd, zo schoon als het is, van
uwen romp zal laten slaan, indien gy weder de stoutheid hebt, om, door gevlei
of liefkoozingen, my staatsgeheimen te willen ontwringen. Zij verflaauwde
bijnaar van ontsteltenis, maar liet den goeden Heer daar na wel in rust. Hier
was eene schoone Vrouw, zoo als Anakreon gelieft te zeggen,
geen vuur en staal te sterk. En Mahometh de Tweede toonde ook
wel, door Irena, in het gezigt van 't volk het hoofd af te slaan, dat
zijn minnedrift voor de waare belangens van zijnen staat moest wijken. Ik weet
wel, dat men veel omkeeringen door Vrouwen in de waereld heeft zien
veroorzaaken, maar zulks is altemaal aan de lafheid der Mannen te wijten, die
verdarteld verwijfd zijn, waarachtig verliefd rekenen. Onder de Vrouwen, die
gij vervolgens op dezelfde bladzijde noemt, zijn immers Fedra,
Semiramis, Hermione, noch Cleopatra, al waaren zij zoo
schoon als de Grieksche Venus, welker volmaakt schoon, op den ganschen
aardbodem, in geen eene Vrouw te vinden is, de achting nog liefde van een
eerlijk man waerdig. Ook is Thezeus, in de Fedra van
Racine, de waare Thezeus niet; en Ninus in
Semiramis is een laffe Assirische Koning, die gemeenlijk vrij verwijfd
waaren. Orestes is een Jongeling zonder ondervinding, die door
Hermione zich als een muis door een kat laat sollen; en Cleopatra
van Egipten hadt Antonius, die een Romeinsche Petit Maitre was,
licht naar den duivel te helpen, maar zij heeft het Cezar niet kunnen
doen, schoon deze haar, in Alexandriën des nachts onverwagt, op eene
wellustige wijze getooid, in zijne slaapkamer vondt; en Octavius
Augustus was haare | | | | schoonheid en verleiding ook te kloek: zoo
dat al die Vrouwen, hier boven genoemd, hunne magt op verwijfde Mannen besteed
hebben. Maar Dirce, dat is een lief Character, deze maakte geen
misbruik van haare bevalligheden, noch Timantes tot eenen verwijfden
Held: en Andromache, de leelijke Andromache, die geene schoonheid
bezat, en ook bij Racine eene Francaize, en geene waare
Trojaninis, o! wat een beminnelijk Character. Waarom, gij Dichter, maakt
gij van deze Vrouw geen Tooneelspel, waar in gij haar afscheid van
Hektor, die tegen Achilles ten strijde trekt, beschrijft, met het
kind Astianax op haaren arm? Homerus kan uw leidsman zijn, maar
zorg, dat gij als Racine, die zijne Helden en Heldinnen meest alle
verfranst hebben, 'er geene Hollanders van maakt; maar treft de Characters zoo
wel, als Huidecoper in zijnen Achilles gedaan heeft, en het zal
goed zijn: vergeet ook niet, u aan de les van Diderot in uw werk te
houden, dat is, dat gij eerst uw plan in eene volkomen order brengt, eer gij
het werk begint; besteed liever eenigen tijd langer aan hetzelve, eer gij, uit
een al te grote drift om aan 't werk te vallen, u zelven voorbij loopt. Dat
Dorat, zoo gij zegt, in zijn declamation theatrale, zich alleen tot
de Speeleressen bepaalt, zal zekerlijk zijn, om dat die de meeste
onderrechting nodig hebben. Het gaat in Vrankrijk ook zo gemakkelijk niet met
de Tooneelspeelsters, men vindt 'er doorgaans meer goede Tooneelspeelers dan
Speeleressen. Ik heb dikmaals verscheiden Fransche Tooneelspeelers alhier
hooren klaagen over de schaarsheid van goede Actrices in hun Land: ik noem hier
Actrices, mijn Heer; deze moeten gebooren worden, en alle lessen der
declamatie, ja al die fijne sophisteryen, kunnen geen Acteur of
Actrice, maar wel Tooneelspeelers en Speeleressen voortbrengen.
Het aanmerkelijk zeggen van eenen onzer grootste Poëeten,
dat een Spel zonder Vrouwen een Huis zonder
| | | |
glazen
gelijkt is, mijns oordeels, kwalijk gefondeert. Is de dood van Cezar van
Voltaire een Huis zonder glaazen? Ik verzeker u, dat het wel een
braaf stuk is. En thans vertoont men te Parijs eenen nieuwen
Philoctetes, die zonder Vrouwen, en alleen met vijf Mans persoonen,
speelt; welk stuk men zegt, dat schoon is. Ik weet wel, dat Huidecoper
niet heeft durven wagen, zijnen Achilles zonder Vrouwen op het Tooneel
te doen verschijnen, en daarom Brizeis en haare vertrouwde, een weinig
als bij de hairen, daar in gesleept heeft: echter heb ik bij ondervinding, door
het eens in eene Societeit te speelen, daar wij geene Brizeis hadden,
dat het stuk zonder haar zijne kragt behieldt, en niets minder dan een huis
zonder glazen geleek.
De Directeur en beroemde Tooneelspeler Jacob van Ryndorp
zeide, dat een Tooneelspel zonder Vrouwen een lichaam zonder ziel was,
en hadt, om die reden, in Vondels Palamedes, daar Hecuba de
eenige Vrouwe Rol, (wanneer men Megeer echter uitzondert,) in 't stuk
is, die nog maar twee regels spreekt, de zotheid, om de Reij van Eubeers
door Amazoonen te laaten vertoonen, om dus met geweld Vrouwen in 't stuk
te brengen, in welke zotheid hem de Amsterdamsche Directeuren ook getrouw
gevolgd zijn. De Vrouwen noch de Mannen zullen waarlijk de waardij van een stuk
uitmaken, en een stuk, door Vrouwen alleen uitgevoerd, zonder Mannen, zou ook
wel goed kunnen zijn: Holberg heeft 'er een gemaakt.
Nu gaat gij, op bladz. 64., tot Juffrouw Fokke, of liever
de laatste Juffrouw Punt, over, die gij zegt, onmoogelijk te kunnen
volprijzen. Zij is actueel nog in leeven, en schoon zij niet meer op het
Tooneel verschijnt, zijn 'er echter lieden van kunde genoeg, die haar hebben
zien speelen, en deeze moogen oordeelen, hoe verre uwe lofreeden, omtrent haar,
op de waarheid gegrond zij. | | | | Maar sta nu vast, hier verschijnt
Juffrouw Ghyben voor uwen Regterstoel. 't Is wonder dat gij in
deze beschrijving niet door eene geweldige beroerte zijt aangetast geworden.
Met welk eene Enthousiasmus is dit alles door u ter neder gestelt! Dus uit gij
u: misschien is op geenen wezenlijken troon de achtbaarheid van eene trotse
Vorstin ooit beter uitgedrukt, dan op het Amsterdamsch Tooneel door Juffrouw
Ghyben. Ik antwoord op dit misschien: dat ik nimmer eene
Vorstin op haaren Throon, en slechts twee maal eenen
Koning, namelijk Lodewyk den XV., doch niet op zijnen throon
zittenden, maar wel in zijn Hof, gezien heb, en dus niet durf zeggen, of de
achtbaarheid van eene wezenlijke Vorstin op haaren Throon, of die van
Juffrouw Ghyben, op haaren Tooneelthroon, hier omtrent den prijs
moet strijken. Haare houding was vrij wel voor de eerste Rol: in 't vervolg
speelde zij de Koninginne Moeder ook zeer wel; schoon haar Organe
daar niet toe geschikt was, en zij het 'er niet toe formeerde; maar haar
houding was niet kwaad in dit emploi.
Nu vervolgt gy; om ons haare Schilderij voor te stellen, aldus:
rijzige gestalte, kloeke houding, vaste en bijna mannelijke tred,
schoonheid, die veeleer aanbiddelijk dan beminlijk was met een hoog voorhoofd
en dreigende wenkbraauwen, waar onder een snel en schitterend gezicht, met
eenen beslissenden mond; als of Juno van den Olympus kwam, daar de Koningen der
Aarde geknield lagen om haaren Scepter te kussen. Ik weet niet, mijn Heer,
wat ik, in deze laatste omschrijving alhier, van u moet denken. Die
Juno, die daar van den Olimpus komt, en die Koningen der
Aarde, die geknield haaren Scepter kussen, komen mij zoo wat misselijk
voor: met een klein bijvoegseltje, aan deze omschrijving gehecht, zou het
parodie worden; en, met eenige woorden 'er bij te voegen, zou men het voor een
paskwil kunnen neemen. Wat de rijzige gestalte van Juffrouw
Ghyben aanging; het is waar, haar postuur was vrij | | | | kloek; haar
tred was vrij vast: dit is alles waar. Maar schoonheid, daar gij van
spreekt, dat is mis. Zonder haar in 't graf te affronteeren, betuig ik met
waarheid, dat zij meer naar de leelijke, dan naar de schoone kant helde. Zij
hadt een hoog voorhoofd, maar dat was zeer vooruitpuilend, als dat van
een doodshoofd; zij hadt kleene en schitterende oogen; zij hadt in de
mond iets bevalligs, dat is waar; maar zij was niets minder dan schoon, doch in
haare conversatie zou zij boven eene schoone Vrouw den prijs behaald hebben.
Zij bezat veel geest, en was anders een aardig wijf, zoo als men (om kort te
gaan) gemeenlijk zegt. maar, haar, voor eene Juno van den
Olimpus, tot een model, voor te stellen, is bij mij poëtisch
kolderwerk, of het geen ik hier voor gezegd heb.
Vervolgens zegt gij: voeg hier bij eenen schellen toon, die met
overreedende leiding door hart en nieren drong, en de uitvoerigste werkzaamheid
van gebaaren, met bekoorlijker handen bestierd, dan immer door van Dyk
geschilderd zijn. Het is waar, haar toon was schel, wat volle schel; maar
voor de eerste rol kan 'er dat door: dan voor de Koninginne Moeder, die
zij daar na speelde, was deze toon niet goed: zij hadt een ander Organe
voor dit emploi moeten formeeren. Haare gebaaren waren vrij geregeld; op het
laatst van haaren tijd waren zij geoutreerd: en wat haar armen en handen
belangt, deze waaren schilderachtig.
Gij vervolgt: zo had zij alle driften en hartstogten elk
oogenblik tot haaren dienst, hoe wel zij doorgaans eene grootschheid vertoonde,
die boven 't wuft geval verheven is. En zich door geenen hartocht slingeren
laat. Dit is weêr zoo opgesmukt, mijn Heer; zeg maar eenvoudig, dat
zij haare passiën zeer wel wist uit te drukken, en dat zij haare Rollen
vrij goed naar haare eigenschappen verbeeldde; dat is goed duits: waar toe
dient al die omslag | | | | van gezogte woorden? die ingewikkelde, niets
betekenende omschrijvingen? Nu verder: maar wanneer zij éémaal
uitborst, om, bij voorbeeld als Octavia of Camilla, Romen in brand te vloeken,
dan rolde 'er eene algemeene siddering door den ganschen Schouwburg. Ik
antwoord: zij speelde Octavia, na Juffrouw van Tongeren, en
Arriaan van Schagen, zeer wel, en Camilla in Horatius nog
beter: maar 't stuk is ook beter. De Camilla van Juffrouw Ghyben
was zeer schoon: maar, wij moeten de waarheid zeggen, deze Rol is de Triomph
van haare Dochter, Cornelia Bouhon. Verder zegt gij: zij wist in
zommige rollen ook genoegzaame tederheid te brengen, doch op eene wijze, die
haar alleen in eigendom behoorde. Gij hadt niet kwaad gedaan, wijl gij deze
wijze, die haar alleen in eigendom behoorde, schijnt kundig te zijn, die uwe
lezeren mede te deelen, maar niet voor u zelven te bewaaren: nu is het eene
dubbelzinnige uitdrukking, daar een Spreeuw misbruik van maken kan.
Voorts: de eerste ontmoeting van Zenobia met Rhadamistus was
altoos verrukkelijk, zelfs wanneer zij tegen Brinkman speelde. Al weder
dubbelzinnig, zij speelde Zenobia goed, en zeide, toen Punt van
den Schouwburg was, dat zy dezelve altijd met vermaak met Punt gespeeld
hadt. Maar bij zijne wederkomst op het Tooneel heeft zij anders
geredeneerd, en betuigde, dat Punt haar nu kwalyk assisteerde, en zij
dezelve Rol veel liever met Brinkman' en mij zoude speelen. Verder vervolgt
gij, dat wonderlijk mengsel van tederheid en woede in de vervoeringen van
Roxane, bovenal in het angstvallig tooneel, daar zij Statira den ponjaard op de
borst zet terwijl Perdikkas aan den anderen kant haren vergeefs beminden
Orondates doorstooten wil; dat scheen voor Juffrouw Ghyben geschapen: en geen
wonder, dewijl geen Speeler noch Speeleres ooit zo veel gemeenschap had met den
heldentoon van Antonides, die hier geduurig
| | | |
onder
dondert. Was nu de rol van Roxane voor Juffrouw Ghyben, of
Juffrouw Ghyben voor Roxane geschapen? Hoe komt dat overeen met
uw gezegde, dat zij eenen schellen toon, die door hart en nieren drong,
in 't declameeren, hadt? Wordt 'er dan bij u een schel geluid vereischt, om den
donderenden Heldentoon van Antonides, (die echter in het begin van 't
eerste deel van dit stuk maar plaats heeft, want de rest is van
Antonides niet) op te dreunen? Dit is dubbelzinnig, en die van zaaken
weet, zou hier niet onvoeglijk mogen twijfelen, of gij hier in ernst lof
geeft,dan of gij deze goede Actrice, met geheime streeken, zoekt te verlagen,
om u met uwe vrienden mooglijk over uwe geestigheid, van uw werk zoo te kunnen
besluijeren, te vermaaken: maar ik vermeen, zoo 't aldus zijn mocht, door den
sluijer heen te kunnen zien; doch ik kan ook missen.
Verder zegt gij: Juffrouw Ghyben moest geene Monima, noch
Iphigenia speelen, ten minsten niet in Aulis. En waarom geen Monima?
dit was haare Rol, die haar volgens recht naar den dood van Juffrouw
Punt toekwam, en die ik haar ook zeer goed heb zien speelen.
Iphigenia is geene eerste rol, en was buiten haar emplooi. Zij heeft
dezelve nooit gespeeld, maar maakte altijd Erifile, in 't gemelde stuk,
uitmuntend goed: eene schoone Erifile heb ik haar zien maaken. Daar na
werdt zij Klitemnestra. Maar gij zegt: ten minste niet in Aulus.
Zoude Iphigenia in Tauris beter voor haar geweest zijn
*? Vergeef
mij, mijn Heer, dat ik u de verdeeling der Rollen, in eene Troup, alwaar ik
meester was, niet gaarne zou toevertrouwen: ik geloof, dat gij den boel gaauw
in de war zoudt haspelen.
| | | | Nu zegt gij verder, de dood van Ninus was het
meesterstuk van deze natuurlijke Semiramis. Zij speelde Semiramis
goed; en zeer goed: zij kon in deze Rol met Juffrouw van Schagen en
Punt zijn eerste Vrouw, egalizeren: maar dat dit caracter in haar
natuurlijk huisvestte, zo als gij bedektelijk wilt te kennen geven, is
ver mis. Ik heb haar zeer wel gekent; maar nimmer bekwaam geagt, om haar man
uit heersch- of wraakzucht den kop te laten afhouwen; ver van daar, hier
schijnt gij mij te kwaadaardig tegen deze Actrice. Phedra was eigentlijk
de triomph van Juffrouw Ghyben en ik verbeelde mij, haar levendig op den
17 April anno 1751. deze rol te zien vertoonen: ik stond met den Heer de
Marre achter de eerste scherm, die mij vroeg, wat zegt ge daar van?
ik betuigde dat het mijns oordeels (ik was toen nog een aankomeling) zeer goed
was: zoo goed zeide hij, als ik het hier nog van eenig Vrouwspersoon gezien
hebbe; 't is heerlijk. Duim maakte dien avond Hipolitus: deze Acteur
was toen bij de 53 jaaren oud. Ik heb in 't vervolg de Rol van Hipolitus
naast haar zijde gespeeld. Zij speelde Phedra altijd goed, maar op den
bovengemelden 17 April 1751. had zij zig zelve overtroffen.
Nu komt Juffrouw van Thil voor uwen rechterstoel: hier
redeneert gij dus. Had Juffrouw van Thil, die 't geen haar aan schoonheid
ontbrak door een onbeschrijvelijke kunst vervulde, die kunst wat beter weten te
verbergen, zij had in verscheidene opzigten nog eene geduchte mededingeres voor
deeze Tooneelvorstin (namentlijk Juffrouw Ghyben.) mogen
schijnen. Waar hollen deze termen na toe? Juffrouw van Thil bedankte
den Schouwburg, zo als ik gezegt heb, in 't jaar 1747. in Augustus of
September, zijnde toen 25 jaaren oud. Zij was het mooiste en bevalligste
Meisje, dat ten dien tijde aan het Tooneel was. Zij is in 't jaar 1763. weder
aan 't | | | | Tooneel gekomen, en Juffrouw Ghyben is in 't jaar
1759. overleden. O! wilt gij mij dan eens zeggen, op wat wijs zij haar
mededingeres kon weezen? een levendige hond, is immers, naar men zegt, beter
als een doode Leeuw, en men heeft immers omtrent een doode, geen
mededingerschap te gebruiken? Zijt gij hier ook weder verkeert onderrigt? of
mist gij ook weder in de tijdrekening? 't Gebeurd u wel meer, en in 't vervolg
van uw vertoog, zal men 'er groove bewijzen van vinden.
Nu vervolgd gij: 't scheen dat zij in den grond beter geschikt
was, om Leerlingen tot het Tooneel op te leiden, dan om zelfs te speelen.
Waar zijn die Leerlingen mijn Heer, die zij tot het Tooneel heeft opgeleid? en
waarom was zij tot het onderwijs beter als tot het spelen geschikt? Zij heeft
de beide Iphigeniaa's, Agnes de Kastro, Genoveva en meer andere Rollen
van haar emplooi, wel zeer goed in haar tijd gespeelt. Zij had de bekwaamheid
van te kunnen schreien als zij wilde, wanneer zij de gemelde Rollen
speelde.
Haar oordeel, vaart gij voort, was altoos onberispelijk,
haar vuur was hemelsch; maar haare manier had veel overeenkomst met die van
sommige beeldhouwers, ook wel deegelijk groote meesters, doch die u een
Hercules houwen, als of zijne spieren van alle bekleedzelen ontbloot, en door
het snijmes van Eustachius van een gescheiden waaren. Juffrouw Ghyben wist
beter hoe men die scherpe kantigheid verschommelen moest, en zulks word voor al
in Vrouwelijke personaadien vereischt. Hier gebruikt gij negen regels om
alleenlijk te zeggen, dat Juffrouw van Thil outreerde: maar indien 't
zoo was, zou het mij zoo vreemd niet voorkomen. Zij speelde in hare jeugd, de
Jeune Premieres, zo als de Franschen het noemen, en ook eenige eerste
Rollen in het Tedere. Zij had 12 ja- | | | | ren van het Tooneel
geweest, en debuteerde in April van het jaar 1762. met de Rol van
Klitemnestra in Iphigenia in Aulis, (voorwaar geen klein onderscheid,)
en moest vervolgens het geheele emplooi van de Koninginne Moeder op haar
nemen. Denkt gij dat dit onderscheid van emplooi geen Exercitie
vereischt? en dat maar terstond de natuur van een Speleres hier toe gereed is?
'er verloopt somtijds een jaar 6 a 7, eer zulks getroffen word; en vooral in
Amsterdam, daar men geene Rodogune, geene Iphigenia in Aulis, of
andere stukken, waar in de Koninginne Moeders verschijnen, zes, zeven,
of meermalen in een jaar vertoond; wanneer vele kort op elkander volgende
vertooningen van hetzelfde stuk plaats hebben, heeft men gelegenheid zijne
manier en houding te corrigeren. Dit emplooi bestaat juist in geen groot getal
van Rollen, maar vereischt groote studie, en dus zoude het zo een groot wonder
niet zijn, dat iemant, eer hij de slag van weg heeft, in den beginnen
outreerde. Juffrouw van Thil deed evenwel ook zomtijds verbaazende
wonderen, zegt gij verder. Onder anderen heugd ons de stervende
Cleopatra in het laatste bedrijf van Rodogune. Zie daar een bewijs van mijn
gezegde; deze Rol heeft zij gedurig gecorrigeert en verbeterd, en zij valt haar
ligt en los om te vertoonen. Nu zegt gij verders, een voornaam Schilder, op
dien avond naast ons zittende, had een schoonen inval. Wierd zij nu, zeide hij,
als Niobe in marmer verandert, dat zou een eeuwige weerga zijn voor den alouden
Laokoön! Deze inval van dien Schilder komt mij al zeer kluchtig
en geoutreerd voor. Wie moet om zulk een schoonen inval niet lagchen? een
mooije wensch voorwaar, die hij aan Juffrouw van Thil deed, en een
schoone belooning voor hare moeite en kunst, om zig zoo maar eens heen en weer
in marmer herschapen te zien, om in een kabinet, of op eenige andere plaats,
voor een eeuwige weerga van Laokoön te dienen. Wel gevon- | | | | den.
Ik geloof niet dat Juffrouw van Thil gaarne deze eer zoude
willen genieten; en schoon het al mogelijk was, ben ik met uw welneemen, met
deezen voornaamen Schilder van een contrarie gevoelen. Ik heb een schoonen
romp, zonder hoofd, armen of beenen van den alouden Laokoön tot
mijnent; een schoon stuk werks; zoo groot als het origineel dat in Rome
berustend is; maar hoe eene Actrice in een theatraal kleed, en min of
meer na de hedendaagsche smaak gecoifeerd, met dit veritabel antiek
zoude overeenkomen, wil ik wel bekennen niet te begrijpen. Ik geloove dat het
'er alzo wel tot een weerga bij zou passen, als de Pleistergroep van
Henry Quatre met Sully, al was zij zelfs egaal van groote.
Dat een Actrice somtijds wonderlijke invallen bij sommige
aanschouwers kan verwekken, weet ik door verscheidene staaltjes, waar van ik
'er u een, hier niet te onpas, mededeele. Wanneer ik in 't jaar 1761. met onze
Zomertroep, op zekere plaats in ons Land eenige weken speelde, was 'er onder
onze Aanschouwers een zeker bejaard Heer van Fransche afkomst, die zig alle
speeldagen, met zeer veel attentie, zonder mankeeren achter het Orquest bevond;
en ook na het einde van het groote stuk, benevens anderen, voor eenige
oogenblikken achter het Tooneel kwam, en dan zig weder na zijn plaats begaf:
deze Heer was zoo ingenomen met het spelen van Juffrouw Bouhon, dat hij
op een morgen mij eene vizite komende geven, na zeer veel tot haar lof, wegens
de Rol die zij den voorgaanden avond gespeeld had, gezegt te hebben, in dezen
inval uitborst. Mijn Heer, zij heeft mij gisteren heerlijk voldaan, zij kan
mij krachtig ontroeren en aandoening verwekken, ik kan zo door haar speelen
verrukt worden, Mijn heer! dat ik op hetzelve oogenblik het Vrouwspersoon wel
een stuk uit haar bil zoude hebben willen bijten. Ik | | | | had alle
moeite van de waereld, om mijn lagchen in te houden. Des avonds na het spelen,
deelde ik Juffrouw Bouhon en haar Man deze historie mede, waar op
zij antwoorde, de duivel noch toe, dan zal ik hem wat mijden, den ouden
knaap mogt het eens werkstellig willen maaken, en ik wil mijn bil heel
behouden; laat hij met zijne aandoeningen na de galg loopen. Wij lachten
'er verders mede, en als wij te zaamen op het Tooneel stonden, en ik den ouden
Heer in 't oog kreeg, gaf ik haar altoos een wenk of met een woord zagt te
verstaan dat ze wat voorzigtig moest wezen; daar wij dan als we binnen kwamen
om lachten. Wat zegt gij van zulk een inval? moet gij niet bekennen, Mijn Heer,
dat een Actrice door haar spelen wonderlijke passien in het hart eens
Aanschouwes kan verwekken.
Nu zijn wij tot pag. 66. gekomen, hier gaat gij uwe gantsche
tijdrekening het onderste boven werpen, en holt als Faëton met de
Zonnewagen, zonder spoor, of onspoor aan te zien. Het schijnt dat gij hier
niet schroomd te liegen, ja zelfs te lasteren, met aldus te schrijven:
Juffrouw Maas en Juffrouw Bor gaan wij voorbij, dewijl zij veel eer
verhevelingen, dan vaste lichten geweest zijn. Had gij hen maar voorbij
gegaan, in plaats van ons loogens te verhalen; gij had beter gedaan. Van
Juffrouw Maas hebbe ik in het begin van dit werk gewag gemaakt; en
herhaal noch, dat zij de Koningin van alle de Actrices mogt genoemd
worden, die wij bij ons geheugen aan den Schouwburg gehad hebben; in Treur- en
Blijspel beide goed; dat ze geen theorie bezat, maar alles bij haar Natuur en
Talent was. Men kon gevoeglijk den laatsten regel, die onder het afbeeldsel van
Dangeville le Jeune staat, op haar toepassen.
La Nature a tout fait, l'Art n'a plus rien à faire.
en gij hebt de onbeschaamdheid van deze Vrouw een ver- | | | | heveling en
geen vast licht te noemen. Het is goed dat 'er noch menschen in wezen zijn, die
haar in haar besten tijd gekent hebben, en u hier, benevens uwe onderrichters,
van onweetenheid en loogen overtuigen kunnen. Zoo Duim en Punt in
leven waaren, ik verzeker u mijn Heer, dat zij u wel anderen lof van
Juffrouw Maas zouden doen hooren.
Dus vaart gij voort ons al meer onwaarheden op te disschen, van
de eerste (namentlijk Juffrouw Maas) verdient nochtans verhaalt
te worden, dat zij, voor af een huisbediende van Juffrouw Ghyben zijnde, door
haar Meesteres dikwils wierd gebezigt tot het overhoren der Rollen; waar door
zij allengskens den edelen Treurtoon begon te vatten, en, van dag tot dag
verder aangemoedigt, zich wel haast op het Tooneel begaf, alwaar zij voor
eenigen tijd grooten roem behaalde, wegens de geringheid van haare
beginselen. Is dit nu uit ECHTE STUKKEN opgemaakt? zo als gij voor op den
tijtel van uw boek gelieft te zetten? daar behoorde veel eer te staan UIT
LOGENACHTIGE BERICHTEN VERZAMELT, EN OPGESMUKT TER NEDERGESTELD. Juffrouw
Maas, (die gij, als blijkt, niet gekent hebt,) was, gelijk Punt mij
zelfs bericht heeft, de Dochter van een Biertapper en in hare jonge jaren een
Naaister, die bij de luiden, (zoo als meer Burger Meisjes te Amsterdam haar
bestaan vinden, met aan haar Medeburgers huizen 2 à 3, ja somtijds 8
dagen linnen of wollengoed te naaien, of te verstellen,) haar brood won. In die
kwaliteit kwam zij bij Juffrouw van Tongeren, Huisvrouw van den
Tooneelmeester Jordaan, (eene goede Actrice, waar van ik u niet eens
hoor reppen, als schijnende uwe opgesmukte pen onwaardig: doch schoon gij haar
voorbij gaat, zijn 'er noch levendige getuigen genoeg, die aan haar talent regt
kunnen doen, en die ten dien tijde de eerste Rollen speelde, en bij mijn tijd
nog de Koninginne Moeders, en ver- | | | | volgens de Ouderwetse
Moeders in de kluchten gespeeld heeft) haar kost winnen. Deze Actrice liet
zig door haar dikwils hare Rollen overhooren, en vond zoo veel naturel en
talent in haar, dat zij haar voorsloeg om het Tooneel te betreden. Adriana
Maas, die 'er veel genegenheid voor betoonde, liet zich niet lang noodigen,
maar begaf zich onder het geleiden van Juffrouw van Tongeren aan den
Schouwburg; alwaar zij op het voor dragen van gemelde Actrice, die haar als een
Meisje van groote verwachting, aan de Regenten aanbood, aangenomen wierd, en op
het Tooneel verscheen. Met welke Rollen, of wat emploi is mij onbewust: doch
dit weet ik, dat Juffrouw van Tongeren van haar, na dat deze haar een
jaar of twee onderweezen had, getuigde, dat zij haar niet meer onderrichten
kon, en dat hare leerling haar ver voorbij gestreeft was. Zij kwam binnen
korten tijd met den Tooneelspeler Paulus van Schaagen te trouwen, van
wien zij, eenige jaaren daar na Weduwe wierd. In dien tijd heeft zij zig
opgehouden met een beunhaas in actien, (zijnde een Jood die veel geld won,)
wiens jongen, bij haar door hem verwekt, wij lang door Amsterdam hebben zien
loopen; en die moogelijk noch leeft: doch dit zegt niets ten opzigte van haar
talent. Ten dien tijde was men 'er zeer over ontstigt, en zij verloor door dat
geval, schielijk al haar crediet; zoo wel bij het publiek als bij de Regenten,
die haar Anna Maria de Bruin in 't licht begonden te stellen; (vooral na
dat deze met Punt getrouwd was, dewijl Punt zijn Vrouws opkomst
kragtig ondersteunde, waar van ik nog gevallen weet, te lang om hier ter neder
te stellen) 't geen haar zodanig chagrineerde, dat ze zig aan den drank uit
wanhoop te buiten ging. Hier door verscheen zij wel eens buiten staat op 't
Tooneel, en het publiek begon haar uit te fluiten, en ontstak, tot deze wel eer
zo | | | | geliefde Actrice in zulk een haat, dat zij haar, na dat
ze in Didoos Dood, van de pedestal, waar op zij in schijn van
Pallas of Diana, in het derde deel, stond, afgevallen was, 't
welk het publiek haar als door dronkenschap overkomende, toerekende, hoewel ik
van Brinkman en anderen naderhand, want ik heb het niet bijgewoond,
gehoord heb, dat ze op dien stond niet minder als beschonken was, maar een
overval gekreegen had,) niet meer op het Tooneel wilde dulden. De Regenten
echter met haar bewogen, lieten haar niet tot armoede vervallen; maar besteden
haar bij een bedaagde Vrouw, (wiens Dochter bij Punt als Werkmeid
diende,) in de Looijers Dwarsstraat: en hier heb ik bij haar uit naam van
Punt, wel boodschappen verricht. Deze Vrouw, bij wien ze besteed was,
leerde haar het drinken af, met haar somtijds helder aftekloppen; en binnen
drie jaren was Adriana weer een ander mensch. Juffrouw Punt kwam
in dien tusschen tijd te sterven, en Juffrouw Ghyben speelde de eerste
rol door dit geval in 't geheel. Juffrouw van Thil de Jeune
Premieres, en Juffrouw Jordaan de Koninginne Moeders, en op
deze volgde Juffrouw Schmit. Dus resolveerden de Regenten te onderstaan
of men Adriana weer bij het publiek ingang kon doen vinden; ten dien
einde lieten zij haar op een Liefhebberij, ten huize van Jan Jordaan, de
rol van Hermiona in Andromache spelen. Dit werk kwam de Heer
de Marre, benevens noch twee Heeren examineeren, en zij vonden dat men
Adriana weder het publiek vrijelijk mogt aanbieden; die zo dra zij weder
op het Tooneel trad, schoon zij zeer bol en slap van aanzigt en wat dik van
lichaam geworden was, weder als voorheen met hetzelfde genoegen gezien en
ontfangen wierd. Ik heb haar, toen Punt zijn afscheid nam,
Mariamne zien spelen, maar goed; en men kon, zo als men gemeenlijk zegt,
aan den klaauw den Leeuw kennen. Zij | | | | kwam kort hier op, ik meen
omtrent een jaar daar na, in een armoedigen staat te sterven
*. Zie daar haar geval
naar waarheid beschreven, 't geen de jonge Actrices, zig wel tot een exempel
mogen voorstellen. Gij hebt derhalven; mijn Heer, deze Actrice in u
geschrift zeer gehoond: gij hadt u beter behooren te informeeren.
Wat juffrouw Bor betreft, deze was noch een verheveling
noch een vast licht. Zij debuteerde, op den 20 September 1749. met de Rol van
Elektra. Punt, die toen nog van den Schouwburg af was, had haar zoo men
ons bericht heeft, die Rol onderwezen; men kon ook zien, dat het een geleerd
lesje was. Zij had een goed postuur, was vrij onbedwongen, maar het vervolg
toonde dat 'er nooit iets van groeijen kon, en dat 'er geen Actrice in zat. Zij
bedankte vervolgens den Schouwburg, en is met den Heer Berewouts in 't
Huwelijk getreden. Haar ouder Zuster, Lysje Bor, heb ik niet gekent,
maar Punt en Duim spraken van haar met veel lof, en noemden haar
eene goede Actrice. De oude Bor had zijne kinderen in een strenge tucht
opgevoed; en zoo lang hij in wezen is geweest, getoond, dat hij een goede Vader
omtrent de opvoeding zijner Kinderen was: hij was gantsch niet mak, in het
bestieren van zijn Huisgezin. Zijn Dochter Lysje wierd door den Heer
Vork van hem ten Huwelijk verzogt en door hem toegestaan. Zij verliet
door dit Huwelijk het Tooneel, en wierd een rijke Koopmans Vrouw: zij waaren op
de Keizers Gragt, tusschen de Leydsche Straat en Leydsche Gragt, woonachtig.
| | | | Verders zegt gij van Adriana Maas sprekende,
een rijke Jood heeft haar bedorven: gelijk mede van Juffrouw Bor getuigd
word. Van de eerstgemelde is zulks publiek geweets; maar van de tweede
betuig ik hetzelve nooit gehoord te hebben: als dat waar was, vertrouw ik vast,
dat wij Comedianten onder elkander, het wel geweten zouden hebben. Ik geloove
dat u onderrichter hier weder een lasteraar geweest is, want dat gij haar
gekent hebt, blijkt geenzints aan u schrijven. Verders wordt gij geestig
critiek en zegt met een zucht, Helaas! de onnoozelheid is nergens
veilig. Mij dunkt ik zie uw hier de schouders een weinig ophalen; de handen
buitenwaards gebogen, en door de buiging der ellebogen, omtrent op de hoogte
der oogen gebragt, of wel te samen gevouwen; het hoofd een weinig na de regter
of linker zijde vooruit gebogen; de oogen medelijdende, de een of ander
aanziende, terwijl u mond zich in een satirike grimlag tracht te plooijen, als
of gij zeggen wilde, geef ik daar geen bedekte fijne streek aan die twee
Dames? Helaas! de onnoozelheid is nergens veilig. Maar zo zulks waar is,
mijn Heer, wilde gij haar dan het Tooneel tot een veilige wijk doen strekken?
zulks zoude voor de onnoozelheid gantsch niet kwaad zijn. Ik voor mij zou geen
half bedorven, veel min een onnoozel Meisje, zonder de allerstrengste opzicht
aan deze wijkplaats toevertrouwen: en dan zou het nog niet zonder gevaar wezen.
Gij zoud voorwaar de onnoozelheid, al een aardige wijkplaats om zich te
beveiligen, aanwijzen. Nu komen wij tot Juffrouw Bouhon, wel aan laat
ons hier hooren, wat dit weer worden zal.
De Dochter van Juffrouw Ghyben, Juffrouw Bouhon, die misschien
wegens haar verdiensten, eerst had mogen genoemd worden, komt hier nochtans op
haar eigene plaats niet alleen wegens de tijdordre, maar ook om als een
schoon
| | | |
juweel deze ring te sluiten, alweder een mooije
omschrijving. Volgens tijdordre kan ik niet zien, dat zij hier in komt;
want gij hebt Juffrouw van Thil al in later tijd als Koninginne
Moeder, gehad, (want in haar vroeger tijd merk ik dat gij haar ook al niet
gezien hebt,) en dus al in het jaar 1760. geweest; en Juffrouw Bouhon
heeft in 't jaar 1752. op den 16 September haar debut met Ismene in
Scilla gedaan: dus vind ik uwe tijdordre, daar gij van spreekt, al zeer
geregelt. En wat het schoone juweel om den ring te sluiten belangd, deze
woorden kan men nemen voor een blijk die gij van uwe bekwaamheid wilt geven, in
niets beduidende omschrijvingen te kunnen maken.
Verder zegt gij: haar te roemen is genoeg; haare bekwaamheden
in 't breede te beschrijven noodeloos, vermits dezelve noch dagelijks op den
tegenwoordigen Schouwburg, dwars door den valschen smaak die daar heerscht,
heen schitteren: haar te beklaagen, om dat zij niemant heeft, die haar te hulp
komt, om die nevelen van woestheid te verstrooijen, is de uiterste billijkheid,
maar de gedachtenis van den ouden Schouwburg is ons noch te waard, om hier ten
minste niet voor een oogenblik dezelfs jongsten luister in deze doorluchtige
Speeleres te bespiegelen. Ik zegge alleenlijk hier op, dat 'er wel een
vreeselijke valsche smaak op uwen Schouwburg moet heerschen, dat 'er niemand
gevonden word, die 'er remedie tegen weet. Gij moest de hand eens aan 't werk
slaan, om dien valschen smaak te verdrijven, dewijl gij zo veel kennis, volgens
u schrijven, schijnt te bezitten. Mij dunkt dat was beter, als Juffrouw
Bouhon te beklaagen, en u met de gedachtenis van den ouden Schouwburg bezig
te houden, of een doorluchtige Speleres te bespiegelen, dit zegt immers
niet met al, en zal geen verbetering aanbrengen? Nu voorts zegt gij, ter
goeder uure trad zij te voorschijn, om op de bevallige eenvoudigheid van
Juffrouw
| | | |
Fokke, die men bij Psyche vergelijken mogt, af te
steeken met een edele fierheid, Diana waardig, en gemengd onder de Deftigheid
van die Juno, door welke zij gevormd was. Recht Helicons geredeneerd:
Amstels Helicons! Juffrouw Fokke Psyche, Juffrouw Bouhon Diana en
haar Moeder Juno; magnificq, en regt Poëtisch gevonden. Had gij
Venus en Pallas, in de plaats van Psyche en Diana
genomen, gij had u zelve gevoeglijk bij Paris kunnen vergelijken, dan
was 'er een tweede Paris Oordeel, daar een verwoesting van
Troijen op had kunnen volgen, voor handen, en dus weer voor hondert
jaaren stof voor Treurspelen geweest, maar met Diana en
Psyche kan 't niet lukken, en dus is men 'er van verstoken, 't welk
jammer is.
Nu Verder: in haar oogen stak een Romeinin. Ik ontken hier
niet, dat Juffrouw Bouhon, een zeer goed theatraal gezigt heeft; ver van
daar: haar geheel masque is voor 't Tooneel zeer geschikt, en zij is altijd,
waar ik ook met haar gespeeld heb, daar in geprezen, en dus kan 'er deze uwe
uitdrukking door.
Vervolgens: ook beminde zij terstond die Rollen, daar de
gevoelens van een grootsche ziel in een gedurigen zelfstrijd worstelen tegen
diepe rouw en treurige wederwaardigheden. Gij had niet kwalijk gedaan,
indien gij die rollen had gelieven te noemen. Maar wat kon het tog baaten, of
zij die rollen al terstond beminde, als ze haar door de Regenten niet toegelegd
wierden, die volgens u eigenzeggen, op pag. 61. zomtijds geweldige misslagen
in de verdeeling der rollen begingen. O wat helpt het dan veel, of een
Actrice of een Acteur al een zekere geneigtheid voor deze of gene rollen
betoonen? Ik geloove dat ik beter weet, welke rollen Juffrouw Bouhon het
meest beminde, dan gij, maar dewijl dit niets ter zake doet, wil ik 'er niets
van zeggen. Verder zegt | | | | gij, een hoffelijke beschaafdheid,
haar zo eigen, als of ze aangeboren waare, weêrhield haar eenigzints van
de woedende partijen, daar ze echter, zo 't vereischt wierd, wonderlijk in
slaagde. Worden 'er dan, volgens uwe meening, tot de woedende
partijen, onbeschaafde Acteurs en Actrices vereischt? Deze
uwe stelling, is niet onaardig. Juffrouw Bouhon was dan zekerlijk, in
het tijdstip, wanneer zij in die woedende partijen zo wonderlijk
slaagde, van alle beschaafdheid ontbloot? Ik kan geen ander gevolg, uit uwe
aangehaalde woorden trekken.
Al verder: 't heugd ons noch, hoe zij, bij de vertooning van
Andromache, de Minnenijd van Hermione wist uit te drukken; en hoe een gemeen
Man van de Staanplaats, op die nadrukkelijke, en in 't Fransch ook zoo beroemde
woorden, Ach! moest ge luisteren na een Minnares vol woede? luidkeels uitriep:
dat kan geen sterveling op den aardbodem u na zeggen! waar op een ander volgen
liet: dat kon haar Moeder niet. Dat is waarlijk geen kwaad bewijs van
voldoening; en een gemeen Man kan op de Staanplaats, somtijds, in zijne
eenvoudige oplettendheid, beter en regtzinniger een Tooneelspeelster of Speler
beoordelen, als een Geleerde of een Dichter in de Bak, of in de Loges, en
bevestigd dus het gezegde van Longinus, dat de Kunst tot volmaaktheid
gebragt is, wanneer ze kundige en onkundige tevens behaagd.
Al verder zegt gij: zij was ook tot de teedere partijen
geenzints onbekwaam; maar die bleeven aan die Lieve Psyche verpand. Ik heb
verscheide tedere rollen door Juffrouw Bouhon, aan mijn zijde zelfs,
zeer wel zien uitvoeren, en zij was 'er geenzints onbekwaam toe; doch Juffrouw
Fokke speelde die meerendeels op den Amsterdamschen Schouwburg. Maar die
vergelijking van Psyche komt mij om met Holberg te spreken, zo
Heidens voor. Waarom laat gij Juffrouw Fokke haar christelij- | | | | ken
naam niet behouden, in plaats van haar een Heidensche te geven?
Vind gij zelfs niet dat deze gelijkenis van Psyche met haar, zoo wel
overeenkomt, als de in marmer veranderde Cleopatra van Juffrouw van
Thil met de groep van den Alouden Laokoon. Verders weid gij in
haaren lof breed uit, en zegt: dit weeten wij met onderscheiding te
getuigen, dat zij, zo lang het op ons Nederduitsch Tooneel geoorloofd was,
verstaanbaar te spreeken, de uitdrukkinge der taale met een zuiverheid
betrachte, die voor alle Dichters verplichtende was. Ik moet bekennen dat
ik niet weet, wat gij hier mede zeggen wilt: ik zou een schrikkelijke groote
omschrijving noodig vinden, om dit raadsel te ontknoopen. Ik zal het dus tot
een nader gelegenheid laaten steken: maar het is een misselijk raadsel. Nu
vervolgt gij, ons een aangenaame gekheid, kleinigheid wil ik zeggen, te
verhaalen, die voor eenige jaaren op zeker Poëtenmaal voorviel, een dag
voor dat Juffrouw Bouhon, de rol van Jacoba van Beieren stont te
speelen. Eenige Liefhebbers roemden haar op 't hoogst; onder anderen was 'er
een, die verklaarden zo veel genoegen in haar te neemen, dat hij, al beging zij
duizend fouten op eenen avond, voor een enkelen schoonen trek, alles zou kunnen
vergeeven. Dat was al zeer toegevend, zo 't mij voorkomt. Zulke toegevende
aanschouwers waren 'er in mijn tijd niet: en klaagt gij dan noch dat de
Schouwburg vervalt, als men zo maar duizend fouten om éénen
schoonen trek door de vingeren ziet: zulks is gemakkelijk voor de Spelers
en Speleressen. Als het publiek zo voortgaat, kan 't niet missen, of alles zal
eerlang ten top van volmaaktheid stijgen. Vind gij niet dat Dorat, in
zijn Reponse a une lettre sur la Declamation des Demoiselles Dumesnil,
Clairon en Vestris, het ook maar zo kort had moeten maken? dan waren
deze Actrices in een oogenblik van alle critiekes bevrijd geweest. Zulke
aanschouwers, die | | | | zo toegevent zijn, van duizent fouten om
éénen schoonen trek te vergeven, brengen het ware in de
verbetering te wege: zulks kan niet missen
*.
Fouten! vervolgd gij, riep een oud Heer, die tot nog toe
gezweegen had, Juffrouw Bouhon fouten? bedenk u wel, mijn Heer! Noch al
mooijer! de andere wilde zich ontschuldigen, met te zeggen, dat hem deze
uitdrukking ontkoomen was; maar dat dit evenwel ook een stoute vraag scheen,
dewijl men geen Sterveling volmaaktheid toeschrijven kon, twee anderen
beweerden dit nevens hem. Welk een diep en doordronge kunstkundig dispuut.
Eindelijk ging de oude Heer, tegens deze drie zeer kundige Liefhebbers,
(kundig zonder twijfel, dat blijkt klaar,) een weddingschap aan,
(zekerlijk om een kunstkundig Soupé,) dat Juffrouw Bouhon den
volgenden avond geenen misslag, hoe gering ook, begaan zou, dien zij alle drie
op hun woord van eer, voor zodanig hielden. Dit was bijna zulk een stoute
weddingschap, als het bestaan van den Engelsche Dichter Bay, die
zich presenteerde, door een verschrikkelijken knaap, die met een bonte muts op,
achter hem op het Tooneel verscheen, den kop af te laten slaan, zo zijn spel
het publiecq niet behaagde. Had het publiek geroepen, het zal ons niet behagen,
weg was den kop geweest; één en foutje van Juffrouw
Bouhon, deedt den ouden Heer de weddingschap verliezen.
Zijne overwinning wierd onbetwistbaar, dewijl ze na gedane
zaken, gezamentlijk bekende, dat hunne uiterste oplettendheid, om slegts een
voorwendsel tot berisping te vinden, vrugteloos was geweest. Zonder gebreken te
zijn, is dikwils een voorrecht van de middelmatigheid; maar zo verre boven de
middelmaat op te streeven, zonder de minste
| | | |
struikeling,
dat is een soort van volmaaktheid, die men zien moet, om overtuigd te worden
dat zij wezentlijk bestaat. Ja dit is waarachtig wel waar Mijn Heer.
Doch wie eenmaal Juffrouw Bouhon op het Tooneel gezien heeft, zou haar ook
zonder dat ze genoemd wierd, lichtelijk aan deze beschrijving kennen.
Ik beken, dat deze Historie mij verstelt doet staan, wijl ik iets
diergelijks nooit gezien, gehoord of gelezen heb: ik dacht dat de tijden der
mirakelen al lang voorbij waren, en ik vind 'er op 't onverwagst een in
Juffrouw Bouhon voltrokken, die zich door uwe pen tot de hoogste heilige
van uwen Helicon verheft. Zoo zij op de beschrijving van dit mirakel aan
haar gedaan, niet in lagchen uitbarst, en gij geloovigen vind die uwen ouden
Heer met zijne drie kundige Liefhebbers voor geen vier narren aanzien, zal uw
mirakel lang in aanzien zijn.
Verder gaat gij over om te bewijzen, hoe de Hollandsche Helicon
gedurende dat tijdperk in achting toenam, en rijk van glorie bloeide, door
bij te brengen, dat de beroemde Feitama zo dra Punt het werk hervatte, een
menigte van de beste Fransche Stukken, te vooren reeds door hem vertaald, op
nieuw overgezien, en achter een ten Tooneele gevoerd heeft. Hier van was op
den 9. December 1754. Pyrhus, dat twee maal achtereen vertoond wierd, de
eerste; en op den 10 Februarij 1755. volgde Gabinia, dat vijf maal
achtereen gespeeld wird. Den 10 Mey daar aan volgende, gaven wij Pyrhus
weder voor ons Benefice. Den 17 November des zelven jaars, kwam
Stilico te voorschijn, dat driemaal achter een gegeven wierd; tweemaal
zonder, en eens met de staart, die Feitema 'er dwaaslijk aan gezet had.
En op den 15 Maart daar aan gaven wij Pertharitus twee keeren achetreen;
dat nog door de Aanschouwers nog door de Spelers regt verstaan wierd, 't geen
de Heer Steenwyk deedt zeggen, dat niemant in Amsterdam het fraai van
dit stuk, dan de | | | | Heer Feitama en Hij verstond, waar
op ik antwoorde, dat hij 'er mij wel bij had mogen voegen, want dat ik
mij verbeelden het zo wel als zij lieden te weeten. En inderdaad, het stuk is
wat hoog voor Amsterdam, om het zelve wel te verstaan, en moogelijk wel voor
meer plaatsen hier te Land. Punt en Duim railleerden 'er wat laf
mede, Pertharitus een hals noemende, en maakten meer anderen critikes
die mij al ontgaan zijn, waar door in 't eind het stuk viel, want het wierd met
spelen gerabraakt, behalven dat Juffrouw Ghyben, haar Rol zeer wel
soutineerde. Feitama was zeer te onvreeden, en zeide dat ze zijn stuk
niet begrepen. In het jaar 1756. den 16 September kwamen wij met Brutus
in de weer, ook tweemaal, 't geen goed ging, maar de vertaling van
Haverkamp behield het veld. Den 7 Februarij 1757. gaven wij
Marius ook twee keeren achtereen, en den 19 Maart nog eens
Pyrrhus, en in Maij daar aan noch eens Brutus voor ons Benefice.
Op den 12 November des zelven jaars speelden wij Pyrrhus weder; en den
19 dito Gabinia tweemaal, en den 5. December Darius twee maal;
die stuk had ook zijn val aan de uitvoering te danken. In Mey 1758, gaven wij
weder Gabinia voor ons Benefice. Zie daar nu die meenigte van stukken
van den Heer Feitama, uit het Fransch vertaalt, en ten dien tijde, daar
gij zo van schreeuwt, ten Tooneele gevoerd. Zij maken al een getal van zes
stukken uit, waar van Pyrrhus en Gabinia staande gebleven zijn,
en Gabinia, dat het minste van al die bovengenoemde Spelen is, altoos
het meeste volk getrokken heeft. Een schoone smaak in dien zoo beroemden tijd;
gij moogt 'er wel dus breed van opgeeven. Feitama was maar gantsch te
onvreden, en corrigeerde de uitvoering sterk. Punt kreeg vrij strenge
cretikes van hem, mij dunkt ik zie hem nog bij ons achter komen, en het hoofd
schuddende zeggen, 't deugt niet, ge begrijpt het
| | | |
niet;
ik meen het zo niet; zoo moet ge 't zeggen, enz. Ja, mijn heer, hij kon wel
zeggen, hoe men het doen moest, maar hij kon het zelfs niet doen; men moet de
man wel begrijpen, en dan was het goed.
Veele anderen, zegt gij, volgden dat voorbeeld, en
verbeterden insgelijks de slegte vertaalingen, die men van goede stukken
had. Het was gek genoeg, dat men aan eens anders werk, (even als of men
zeggen wilde, ik kan beter spelden als gij,) zijn tijd door bragt, en dus zijn
armoe van geest opentlijk liet blijken; echter weet ik niet dat dit zo dikwijls
voorgevallen is, alleen is Horatius, door den Heer Stamhorst met
zo veel eer vertaald en in 't licht gebragt, (want de Horace en Curace
van Jan de Wit kan geen vertaling genoemd worden) een zeer goed werk; en
was 'er wel nodig; maar ik vinde 'er geen meer. Waar zijn dan die verbeterde
stukken van dien tijd? Gelieft zo goed te zijn, van ze mij eens aan te wijzen
* mijn heer, want ik kan ze waarach- | | | | tig
in mijne aantekeningen niet vinden. Hoe in later tijd deze
zotheid toegenomen is, om met geweld door spelden te leeren de eernaam van
Poëet te verwerven, is bij mij niet als door overlevering bekend.
Zomtijds, vervolgt gij, kwam 'er ook een oorspronkelijk
stuk: zo dat men schier dagelijks de liefhebbers op een nieuw gerecht
onthaalden. Dat is waar, zie ze hier van den jaare 1753. at. Na dat
Punt weder ten Tooneele was gekeerd. Op den 21 Januarij 1754, deed 's
Lands Gravinne Ada, door den heer Steenwijk vervaardigt, op een
treurige wijze haar intreede, want het Spel begint in een rouw Tooneel, en alle
de Personages verschijnen in den rouw in het eerste Deel. Dit stuk is zo straf
van verzen, dat geen een van onze Troep, ten dien tijde, het onthouden kon: het
wierd vier malen bij zijn intrede, achter elkander vertoond. Op den 29 April
deszelven jaars, gaven wij Krispijn Filosooph. Dit Blijspel, kan 'er
even door. In 't jaar 1755. was de geest der Dichteren, zo 't scheen, niet
werkzaam in eigen vindingen. Maar den 26 April des jaars 1756. trad
Mustafa en Zeanger ten Tooneele: dit elendig stuk, moesten de
arme Tooneel- | | | | speelers, tegen hart en zin, als een spoegdrank in
nemen, om het op de planken van het Tooneel voor het oog van 't publiek uit te
spuwen. Punt heeft het ook moeten inneemen, en ik deed duizend
dankzeggingen, dat ik van het gebruiken dezer Drogues gelukkig bevrijd was. Men
sloot 'er het Tooneel mede, en om de fraaiheid, wierd het 'er weder mede
geopend. In het jaar 1757. 1758. en 1759. zijn in de Haven van Amstels Helicon
geen eige vindingen gearriveert: zo 't schijnt was de wind hier toe niet
gunstig: maar den 10 Maart 1760. arriveerde de Vriendschap; dit wierd
vier maal achter een vertoond, en in dit stuk is waarlijk veel goeds. Ik heb de
eer gehad van den Poëet, die een zeer braaf Man was, te kennen; maar wat
deze van de uitvoering van zijn Stuk te dien tijde tegen mij zeide, zal ik tot
een nadere gelegenheid verschuiven. In 't jaar 1760. opende wij, op den 4
Augustus met de opening van 't Saisoen; een Alegoriesch stukje,
door Starrenburg vervaardigt, dat niet gedrukt is, het is vier maal
gegeeven. In het jaar 1762, den 12 Januarij, gaven wij Aruntius twee
maal. Wagt mijn Heer, ik kan de Guasker en Rozamire van
Elverveld, het geen men waardig oordeelde om in de Min in 't
Lazarus Huis vertoond te worden, hier niet voorbij gaan; die is ook een
eigen vinding, en op dien tijd mede in Helikons Haven gearriveerd. Nu vind ik
'er tot het jaar 1763. geen een meer, als de Juichende Schouwburg van
Pater, die wij op de 125 verjaaring van den Schouwburg, den 4 Januarij
des gemelden jaars, met gesloten Deuren, voor Heeren Burgemeesteren en verdere
voorname personen, na het Treurspel Polieukte, en vervolgens publiek agt
maal achter malkander gaven
*; zo dat in tien jaaren tijds, drie Treurspelen, waar van
twee mid- | | | | delbaar, en het andere een zeer slegt stuk was; een
tamelijk middelbaar Blijspel, eigen vinding, (doch daar Punt niet in
speelde,) van drie Bedrijven, een zoet Zeedespel, twee Alegoriesche
Tooneelspelen, met een Parnas Bergje, en een Apollo 'er in, welke ik in beiden
de eer hebben gehad te maaken; en eindelijk een Marionetten Spel, dat ik ook
mede gedaan heb, maar waar voor spoedig bedankte: alle gerechten door zuivere
Vader en Moederstadsche Koks toebereid, daar gij met zo veel ophef van spreekt,
en ons wilt doen gelooven, dat dezelve ter eere van Punt gemaakt zijn,
om zijn bekwaamheid in de uitvoering te beproeven. Hij heeft 'er slechts in
vijf gespeelt, drie tegen; en twee met zijn zin, deze waren de Eduard in de
Vriendschap en de Aruntius. Geeft gij hier den Man geen schoone eer?
ik laat zulks aan het oordeel van alle onpartijdige Lezers.
Nu zegt gij, de Schouwburg was zijne opkomst verschuldigt
geweest aan den iever van groote Dichters: en nabij zijnen ondergang heeft hij
op zijn beurt groote Dichters uitgelokt en aangemoedigt. Het eerste is
onwederspreekelijk, en wat het tweede belangd, ik heb na Langendijks
dood, wel Vertalers en Rijmers, maar geen Tooneeldichters, die iets zeggen
wilde gezien. Wat 'er zedert het jaar 1777. gebeurd is, weet ik niet net, want
ik houde mij 'er zoo niet meer mede op als in dien tijd; ik heb geen
gelegenheid en ook geen lust, om al wat 'er uitkomt, wegens het Tooneel te
lezen. Het grimmelt tegenswoordig van Knaapen, die zich Dichters laten noemen.
Zeker Poëet zeide eenige tijd geleden, tot mij, hunne naam is Legio,
want zij zijn veele, maar konde ze met hun alle maar een vierde van een
Hoofd of Vondel maken; het zoude beter zijn: en wat
aanmoediging van Dichtkunst betreft, in mijn tijd, kreeg een Dichter voor zijn
Stuk een vrije Entré, volgens ordre, voor een jaar, maar hield haar
gemeenlijk | | | | voor al zijn leven, en vier Lootjes in de Bak, zo
meenigmaal als zijn Stuk vertoond wierd. Hoe het 'er nu toe gaat, weet ik niet,
ik spreek maar van dien tijd, toen de Schouwburg volgens U zeggen, zo rijk in
glorie bloeide.
Zo vast gaat het (vervolgt gij) dat de staat der fraaie
Kunsten van gelukkige omstandigheden afhankelijk is, en van deze staat en
gelukkige omstandigheden geeft gij hier zulk een verwonderlijk blijk, dat ieder
van de onwaarheid overtuigd moet staan.
Gij zegt: men rabbelt tegenwoordig met een gesmoorde stem,
koude drames, daar men het verhevene inbrengen wil, met gillen en krijten, dat
U, als een gescheurde klok in de ooren klinkt. En ten dien tijde vond men
Lieden die zeiden: men vertoond tegenwoordig met een lamentable stem,
elendige en somtijds, dat jammer genoeg is, goede Treurspelen, daar men het
verhevene in brengen wil, met zo almachtig te schreeuwen, dat men de Regenten
bewegen moet, hunne Tooneellisten meerendeels van Breukbanden te voorzien wil
men zorg voor hunne behoudenis dragen, en dat ons als het vijlen van een zaag
in de ooren klinkt: als men nu deze twee gezegdens tegen elkander
overstelt, komen de voorlede en tegenwoordige tijden wel overeen.
Nu tot het Blijspel, voor 't laatst moeten wij hier
bijvoegen, vervolgd gij op bladz. 70. dat de Blijspelen insgelijks
goeden opgang maakten. Spatzier en Smit waren de voornaamste zuilen van het
komiecq. Smit was een geestig Manneke; een vlugge Krispijn, een koddige Sanche,
een vrolijke Waterlandsche Boer, maar Spatzier wist alles op zijn duim te
draaijen.
Wat Smit betreft, hij was geestig, maar geen
Krispijn, een beste Sanche, en in de Panthomimes, in zijn
tijd, door la Chausé gegeven, een uitmuntende Piero. Maar
van dien vrolijken Waterlandschen Boer, weet ik mij niets te herinneren.
Verders herhaale ik het geen ik | | | | reeds gezegd hebbe, dat hij veel
natuurlijke gaaven en talent bezat: en wat Uw gezegde van Spatzier
aangaat, hier zoude men uit kunnen opmaaken, dat hij een duimdraaijer was
geweest, en het publiek somtijds zand in de oogen wist te gooijen: het is wel
eens gebeurd, trouwens hij was de eenigste niet, wij konden het altemaal wel,
geene uitgezondert; en het is zomtijds al nodig ook. Van Krelis Louwen, zegt gij verder, heeft hij zo veel
eer gehad als
Langendijk. Dat is wat sterk, hij
speelde, dat is waar, Krelis Louwe zeer goed, hij was een schoone Boer,
maar Gerrit de Ridder, waar van gij niets rept, en dien gij ook al niet
gekend hebt, was ruim zulk een sterke Krelis Louwe als Spatzier,
en van Fokke, hoor ik U niets melden; van deze heb ik wonderen gehoord,
en gij haalt hem niet eens aan, het is al wat mijn geheugen bereiken kan, dat
ik hem de Rol van Orvitaan in de Verliefde Doctor heb zien
maaken, maar ik kan 'er niets van zeggen, als dat hij op iederen vinger een
peperhuisje had zitten, en zijn Actitude op dien stond zou ik nog na
kunnen doen, maar dat is ook al wat ik 'er van weet, want ik was een kind. Maar
ik heb van zijn Flip in 't Spookent Weeuwtje, wonderen gehoord,
en hem van kundig en onkundig altijd hooren prijzen. Schmit heeft mij,
toen wij beiden voor het eerst van ons leven de twee gelijke Sofiaas
zouden speelen, verhaald, dat hij Fokke deze Rol onverbeterlijk had zien
speelen, en bij die gelegenheid wees hij mij een trek aan, die hij zeide van
hem gezien te hebben, in die passagie, wanneer Amphitrion hem gebied het
Koffertje te openen, en hij den Steen, dien hij vast verzekert houd, daar in
beslooten te zijn, komt te missen; en zegt: hoe Duivel is het hier? de Steen
is weggelopen! die onbetaalbaar was, maar Schmit kon het niet
nadoen. Ik heb dezen Rol van de grooten Professor Preville te Parijs,
benevens die Passagie, | | | | ook zoo schoon zien bewerken. De
Ridder heb ik gekent, ô dit was ook een overaartig comiecq Acteur,
zulke susjetten komen 'er niet weer; het is belet; 't werk is met te veel
geweld den bodem ingeslaagen: geen Jacobus Jordaan, dat een excellent
Acteur was, geen Verkuil zelf, dien hem opgevolgd heeft; nog geen
Spatzier in eenige Rollen die hij meesterlijk vertoonde, zullen huns
gelijken hier licht weer vinden.
Nu verder, en met den Docter tegens dank, scheen hij een
professoraat te verdienen. Een Professoraat overeenkomstig met
Filebout zekerlijk? ô dien gierigen Geerard zegt gij, wel
nu dien Gierigen Geerard? wat was die nu? hij was goed, maar de oude
Duim had hem ook goed gemaakt in zijn tijd: en Duim heeft hem ook
eens zeer wel gespeeld; dien Lubbert Lubbertze, zegt gij verder wel die
was geen van zijn beste Rollen. Dien Rykert in 't Gedwongen
Huwelijk, schreeuwd gij, die speelde hij ook goed. Maar had gij in de
plaats van die Rollen, die gij faar nedersteld, Thales in
Democritus, Lizimon in den Glorieus, Gerontes in
de Getrouwde Philosooph, Argantes in de Wedergevonden
Zoon, Joris in Nanine, de Boer in Nieuwe
Beproeving; en noch meer, te lang om hier te noemen, genomen, dat waren
zijn triomphen, in deze Rollen was hij excellent. Santilane, in 't
School voor de Jaloerschen, was regt goed. Het heugt mij dat ik in het
jaar 1762. te Parijs aan 't Huis van le Kain, met hem over onze
Schouwburg spreekende, alwaar hij in den jaare 1760. op den 5 April,
Philoctetes met het School voor de Jaloerschen had zien
vertoonen, hij Punt zeer prijs over de Rol van Santilane in het
School voor de Jaloersche; zeggende, Bon Acteur, Belle Masque.
Waar op ik hem uit den droom hielp, met te zeggen, dat het Spatzier was,
die hij voor Punt genomen had, wijl Punt even als hij, niet als
het Treurspel alleen bezigde, en dien avond niet gespeeld had, | | | |
hebbende ik zijn Rol van Pijrhus in Philoctetes waargenomen. Waar
op hij zeide: He bien ce Spatzier est un fort bon Acteur il travaille fort
bien. Alle Fransche Tooneelspelers die hem gezien hebben, en verdere
Vreemdelingen, schoon zij de taal niet verstonden, hadden behagen in zijn
Panthomimen, prezen bij uitneemendheid zijn masque, dat een gave der Natuur
was. Hij speelde in sommige Treurspeelen ook niet kwaad, hij hadt in zijn Jeugd
het gantsche eerste emplooi zo wel in Treurspel als Blijspel gespeeld, het
staat mij noch voor, dat ik hem in 't jaar 1746. Golo in Genoveva
zeer goed heb zien speelen, als mede Jonker Jan in Jodelet, of
de Knecht Meester; en Gabinius in Gabinia, speelde hij
zeer fraai. Ik zou hier heel veel van deze mijn gewezenen makker kunnen zeggen,
maar zal dit tot nader gelegenheid bewaren.
Nu roept gij uit, al geest, al zout; zuiver Athisch;
Moljere, Lucianus, en Aristofanes waardig!
* Dat
Attisch Zout komt daar al apropo, en is weer een Dichtstuip, mijn Heer, zoo
nadeelig voor de gezondheid, inzonderheid voor die der hersenen, daar kunnen op
zulk een wijs valsche plooijen in koomen, die 'er, al is men | | | | nog
zo jong, daar na zo bezwaarlijk uit te wisschen zijn. Wat de drie Knapen die
gij dat Athisch Zout waardig acht, betreft, zoo Lucianus in wezen was,
hij plakte U misschien in zijne samenspraken, en Moliere of
Aristofanes zouden U mogelijk tot een model in een van hunne Spelen
gebruiken.
In sommige gevallen, vervolgt gij, scheen Starrenburg
ook onnavolgbaar: In den Zwetser was hij 't waarlijk. Dat waarlijk ontken
ik. Ik heb een
* Acteur van mij in 't
graf leggen, die hem in zijn Leven ruim zo goed uitvoerde; en Wighman,
die dezelve lang voor Starrenburg speelde, zoude ik ook boven hem in
deze rol prefereeren. De Vader in de Wedergevonden Zoon was zijn
triomph: ik heb hem Iman in de Deugdzame Hoveling eens excellent
zien speelen: het was jammer, dat hij altijd zo sterk outreerden.
Nu komt Juffrouw Bouhon weer in dansen: onze verhevene
Juffrouw Bouhon, zegt gij, wist zich ook naar dien toon te schikken, en
speelde somtijds, onder anderen, een onbetaalbaare Xantippe; al weer
onbetaalbaar; wel zeg maar, dat zij die Rol wel speelde, of bezigt gij dat
onnavolgbaar en onbetaalbaar, om dat die twee vokaalen in dat baar zo
mooi in 't oor klinken? en die men door baar zo poëzijachtig zou
kunnen uitgalmen? wel verstaande, poëzij uit de Kikkersloot van
Parnus, geen zuiver hengstebrons werk; zulks is 'er te heilig toe.
Verder vervolgd gij, op deze lijst verdient ook gesteld te
worden de Jonge Wéémeyer, van wien wij nog eens in 't voorbij
gaan gewaagd hebben. Deze bevallige Speler, tot het Treurspel geboren, wierd in
zijnen voortgang, door
Corver, die beter vleijen kon,
eenigzints verhinderd; waar door hij genoodzaakt was zijne Talenten
| | | |
in alles te beproeven. Was de Jonge
Wéémeyer zulk een baas? was ik een hinderpaal voor dien
Jongen Knaap zijn opkomst? en was die Borst juist voor het Treurspel
geboren? (hier is vast weêr wat van uw Atiesch Zout, mij dunkt ik
proef het al.) Ik ben U zeer verplicht, dat gij het mij doet weten; ik was 'er
waarachtig onkundig van: ik heb hem nog al veel Rollen van mij overgegeven, als
Aurelius in Fausta; Patroklus in Achilles, en
andere, die mij nu niet in willen schieten, op dat hij voort zoude komen, maar
het wilde in dien tijd niet lukken. Hij speelde in den Zomer in onze Reistroep
veeltijds den Koning: hij kon verbaast gaauw van buiten leeren, alsmede
knap schreeuwen, dat ik hem altoos getracht heb af te wennen: het beste dat ik
hem heb zien speelen, was te Leyden Arzames in Rhadamistus en
Zenobia. Hij had redelijk don Naturel, maar weinig talent. Hij
was mede in onze conspiratie om den Schouwburg te verlaten, maar handelde met
mij als Jaffier in 't Gered Venetië, met Pedro
handelt: hij verried ons, daar hij ook bitter voor gestraft is. Maar dat gij
mij voor een vleier wilt doen doorgaan, is grappig: die mij kent zal het niet
zeggen. Ik ben nog wel voor een koppigen d....r, en voor een onverzettelijken
Satan uitgemaakt, maar een vleier ben ik nooit geweest. Ik wil ieder die het
toekomt zijn behoorlijk respect betoonen, maar ik wil van niemand een vleier
zijn. Wat is 'er op den Schouwburg doch te vleien? en waarom zou ik doch
gevleid hebben? om Rollen te spelen? ik stak 'er dagelijks aan
Wéémeyer en Evers af, ik partageerde met
Punt in de Jeune Premiers, en uit deze partage ontstont onze
oneenigheid.
Zelf deed hij Corver, vaart gij voort, dikwijls afbreuk
in de galante Rollen, die hij veel natuurlijker uitvoerde; want bij Corver is
alles Petit Maitre. Ik weet niet dat die jonge Knaap mij ooit eenige
afbreuk gedaan | | | | heeft. Gij redeneert van ons Tooneel, dat ik bijna
denken zou, dat gij ten dien tijde, mijn Heer, vergeef mij deze uitdrukking,
een van die jonge Kalfjes moet geweest zijn, die gemeenelijk door de
Schouwburgen slenteren, en al mede een oordeel vellen, als jonge
spreeuwtjes, een gebroed dat de oude snappers volgen moet, zegt
Diogenes in Xantippe. Ook weet ik niet, dat hij galante Rollen,
gelijk gij zegt, bij mijn tijd gespeeld heeft, als de Eelhart in 't
Valsch Vooroordeel, die bitter was, om te aanschouwen; hebt gij van hem
in later tijd zulke galante dingen gezien? ik kan 'er niet van oordeelen. Na
dat ik den Schouwburg verlaten heb, ben ik 'er zelden weder in geweest; en heb
die jonge knaap niet weer, als omtrent twee jaar daar na, eens te Rotterdam
aangetroffen, daar hij mij verzogt het voorledene te vergeten; en hem bij mijn
Troep weder aan te nemen, bij welke gelegenheid hij Amstels Helicon, zijn
Pindus, zijn Pegazus, zijn Parnassus, zijn Hengste Bron, ja zijn Apollo zelf,
met al zijne Dichterlijke klanten, zeer smakelijk eenige dozijnen vervloekingen
na 't hoofd wierp: maar ik bedankte hem vriendelijk, hem zeggende, dat hij daar
zeer wel was, en 'er zich maar houden moest. Dat bij mij alles Petit Maitre
is, vind ik een aardige reflectie van U, daar ik niet weet, dat ik de eer
heb U te kennen. Het is even zo veel, als of ik mij omtrent een jong
Dichtertje, om dat hij een bejankt Treurspel in 't licht gebragt had, aldus
wilde uiten, want bij N.N. is alles poëet. Een veritable Petit
Maitre mijn Heer, is zulk eene lelijk figuur niet als men hem uitschildert.
Men vindt 'er somtijds beminnelijke Menschen onder, die zeer wel oordeelen; ik
kan deze in zekere opzichten met een waar Dichter in één daglicht
beschouwen. Ik zeg in zekere opzichten. Maar een Petit Maitre
Forcé of een Fat, kan met een jonge Parnas Huppelaar,
| | | | volmaaktelijk in zeker opzicht monsteren: het zijn twee dieren die
al zeer veel overeenkomst hebben. Ik blijve U echter dankbaar voor mijn
Petit Maitreschap, schoon het mij tot een overtuiging zoude kunnen
strekken, dat gij niet veel Petit Maitres gezien hebt.
Wéémeyer, zegt gij verder, was een
onvergelijkelijk Lichtmis. Of gij dit nu op Helicons planken of in practijk
meent, is hier twijffelbaar; maar volgens het eerste, is de Rol van den
Lichtmis een Rol die meest alle Jongelingen zeer wel spelen. Ik heb
haar, ik weet zelf niet van hoe veele differenten zien maken, die ze allen wel
speelden, den een wat meer, den anderen wat minder. Verder zegt gij, wij
hebben hem met een algemeene toejuiching voor Overdaad in de Mode zien speelen.
Trouwens 't is ook waar, dat hij daar omtrent tot zijn ongeluk de Natuur te
baat had. Hier van kan ik niets zeggen: ik heb hem die Rol nooit zien
spelen: ik heb dezelve altoos gespeelt zo lang ik op den Schouwburg geweest
ben, zo dat het na mijn tijd moet voorgevallen zijn. Zo hij daar omtrent te
baat had, zo moet dan ook die Natuur na mijn tijd in hem gearriveerd zijn, want
bij mijn tijd weet ik niet dat hij zo overdadig leefde.
Nu vaart gij voort te zeggen, men meent dat Punt en Duim,
waaren zij in dien smaak gevallen, tot het Blijspel ook zeer bekwaam zoude
geweest zijn. Het is om te lagchen als men zulk eene redenering hoort.
Waren ze in dien smaak gevallen? Heeft Duim van 't jaar 1727. af,
toen hij op zijn 31 jaar voor 't eerst met de Rol van Juba in
Cato het Tooneel betrad, niet altoos in al de kleine Naspelen en in de
groote Blyspelen, de minnaars moeten spelen? heeft hij tot het laatst dat ik
met hem gespeeld heb, in de Verstrooide van Gedachten de Leonard
niet gemaakt? heeft hij de Rol van Gysbrecht, en Lysje Bor, hier
voor aangehaald, die van Badeloch ver- | | | | vult? en hebben zij niet, terstond
daar na, Krelis en Elsje, in Kloris en Roosje gezongen? Heb ik
hem Ferdinant in de Min in 't Lazarus Huis niet zien spelen?
(Robyn erfde die Rol van hem, en ik weêr van Robyn,)
Eelhart in de Wiskunstenaars, de Vermomde Minnaar, in 't
eind het gantsche emploi, zo als ik het naderhand bekleed heb, heeft
Duim dat niet vervult in zijn eersten tijd? heeft Punt in den
beginne Valerius in de Min in 't Lazarus Huis, Eelhart in
de Waarschijnlijke Tooverij, de Belachelijke Jonker (deze laatste
op een privaten dag, met gesloote deuren, zo hij zelf verhaald heeft,) niet
gespeeld? heeft hij Valerius in de Dobbelaar, en de
Glorieus, zelf niet gespeeld? en Duim 'er de Rol van
Likander in vervult? Punt had maar in zijn tweede of derde Jaar
aan de Schouwburg den heeren verzogt, of wel geconditioneerd, dat hij in geen
Blijspelen mocht verschijnen, voor reden gevende, dat hij zijne affaires buiten
't Tooneel had, en dus telkens door geen meenigte van Rollen wilde overkropt
worden, en ook niet wilde genoodzaakt zijn alle speeldagen te spelen, en dus
verzuim in zijn Kunst te verwekken. Dit ging aan, en dus kon Punt
rekenen dat hij maar 40 maal in 't jaar speelden. Hij deed zijn Vrouw Anna
Maria de Bruin ook van het Blijspel ontslaan, ja zelf van den Dans, 't welk
omtrent twee jaar voor haar dood voorgevallen is; tot dezen tijd toe, is zij
noch middel Danseresse geweest. Zij danste zeer wel mijn Heer. De Heeren lieten
Duim uit hun zelf langsamerhand, ook uit de Blijspelen; en dit is, ik
zeg het opentlijk, de eerste grondslag tot verderf geweest, waar van ik bij een
andere gelegenheid wijdloopiger hoop te handelen.
De Liefhebbers, vervolgd gij, gewagen noch van eene
Vertooning van de gelijke Tweelingen, voor veele jaaren; waar in zij de beide
Quirijns met groote kunst uitvoerden. Het is waar; dat heb ik gezien, en 't
was zeer goed. | | | | Zij speelden ook de Twee Advocaten in de
Boeren Rechtbank zeer schoon, zoo men mij gezegt heeft; ik was 'er niet
tegenwoordig. Duim speelde somtijds Democritus in de verliefde
Philesoof zegt gij. Die heeft hij gespeeld van dat het stuk uitkwam, tot
dat Starrenburg hem 'er van ontlaste, 't welk bij mijn tijd geschied is.
Punt, Allardus vervolgd gij, in den Wedergevonden Zoon,
dat is bij mijn tijd voorgevallen; maar hij speelde dezelve niet somtijds, maar
altoos.
Verders zegt gij, doch deze Rollen kunnen eigentlijk niet wel
comiecq genoemd worden. Sorteeren de voorgemelde Rollen dan onder het
comicq emplooi? Men noemt ze gemeenlijk het emplooi van 't hooge comicq. Het
comicq emplooi bestaat in de Knegts, Kamerdienaars,
Krispijns, Mantel Rollen, Financiers, Boeren, enz.
en het Bas comicq, Niais en mindere comicque. Ik denk niet
dat gij Punt en Duim daar ook aan gesteld wilden hebben. De
Advocaten in de Boeren Rechtbank zouden eigentlijk aan het
emplooi van 't hooge comicq niet behooren, maar al de andere wel. Meent gij dat
het altemaal aan een Tooneel te doen is, met een helm met pluimen 'er op, een
fabel in de hand en een schild aan den arm; en met te dreigen alles dood te
slaan, wat 'er voorkomt? Het gaat 'er altijd zo niet toe, daar moet ook ander
werk gedaan worden, dat ook goed diend te wezen; 't is altijd niet met
Juno, Diana, of Psysche te doen, 'er hoort meer tot een
Tooneel.
Nu vaart gij voort ons te berichten, dat Eduard in de
Vriendschap Punt zijn laatste Rol te Amsterdam is geweest; en geeft ons
vervolgens eene Beschrijving van den Brand des Schouwburgs, die op den 11 Mey
1772. is voorgevallen; welke Beschrijving volkomen overeenkomt met het geen ik
uit den mond van Punt, op den 20 Augustus deszelfde jaars, zelf gehoord
| | | | heb. Alleen vind ik in Uw verhaal niet, dat hij, Punt
namelijk, wanneer hij zijn Vrouw weder vond, tot haar zeide: Kind, wij
hebben zo dikwerf die groote zielen, die door hunne rampen gedrukt, echter
boven het geval verheven bleven, op het Tooneel verbeeld: laat ons nu toonen,
dat wij het wezendlijk zijn, en 'er niet meer van spreeken. Waar op hij
over iets anders begon te redeneeren. Ik vind dit groots in zulk een
omstandigheid.
Op pag. 81. vervolgt gij aldus: maar de plooi die zijn geest
gezet had voor het Tooneel, was nu al te diep geprent, om uitgewist te worden,
zo lang hij adem haalden. Dus verlangde hij vurig naar gelegenheid om insgelijk
in dat beroep hersteld te worden. Het was, mijn Heer, zo ik het zeggen mag,
een groote dwaasheid op zijn 62 Jaar, nog te verlangen, om, na zulk een droevig
ongeval, weder op het Tooneel te verschijnen, daar hij duidelijk, zo hij alles
wel ingezien had, kon bemerken uit het ophouden en traineeren, dat men in
bedenking stond, of men weer een Schouwburg zoude oprechten of niet. Heb ik
immermeer in mijn leeven aanmerkingen op onze Natie gemaakt, het is in dien
tijd geweest. De Schouwburg brande op den 11 Meij 1772. door onvoorzichtigheid
van de Vlaamsche Operisten, zo men zeide, af; men laat de Tooneelspeelers, die
een lange reeks van jaaren hun brood aldaar gewonnen hadden, in onzekerheid, of
zij wel immer hun bestaan weer zullen krijgen; in plaats van hun, zo als men
bij andere volken, die onder eene dispotike magt staan, dadelijk in zulk een
ongeval doet, (waar van Parijs ons tot een bewijs strekt, alwaar tweemaal de
Opera afgebrand is, en zonder verzuim de Operisten de eerste keer op 't Theater
in de Thuilleries, en de tweede keer in een Tent, waar in zij actueel nog
speelen, terwijl men hun verbrand Huis weer op bouwd) een plaats aan te wijzen,
om hun half verlooren | | | | brood weer te zoeken; zo liet men hen in 't
lange pak heen loopen; en, dat noch in 't gantsche Christenrijk na mijne
gedachten geen plaats zoude hebben, permiteert men (als om hun smaad aan te
doen) den Vreemdeling op Kermis in zijn Tent te spelen. Ik prezenteerde mede
een Request, op aanraden van Spatzier, doch zonder hoop op een goed
gevolg als kennende te wel mijne Stadgenooten, om een gunstig apui te erlangen,
en het ging als ik verwagt had; nihil op mijn Request. Maar Neits die
ten dien tijde naast mijn zijde, te Rotterdam aan de Oostpoort speelde, kwam op
een morgen bij mij, tot mij zeggende: ik heb permissie te Amsterdam bekomen,
God zij lof, ik ben 'er zoo verheugd over, want dit is een teeken dat 'er wel
weer een Schouwburg zal komen, en dus zullen dan die arme Luidtjes, daar ik in
mijn hart en ziel mededogen mede heb, hun broodje behouden. Terstont schoot
mij dezen regel uit Nicomedes in den zin, daar hij tot Flaminius
zegt: wat is dit een teeder en barmhartig afgezant. Ik wensch 'er u veel
geluk mede, antwoorde ik hem koeltjes, maar danke God, dat ik met het
Amsterdamsch Theater in dit geval niets te schaffen heb; want zoo ik 'er noch
in dienst was, zou zulk een schreeuwend ongelijk, mij mogelijk disperate
invallen doen krijgen, die voor ons beiden niet zeer aangenaam zouden kunnen
zijn.
Verder zegt gij: den verdienstigen Starrenburg stierf, juist
niet van honger, maar ten minsten van hartzeer. Dat is niet waar, van geen
van beide; maar zijn dood heeft zeekerlijk eene oorzaak gehad.
Zuiderhout, die zich van mijn Troup op den Amsterdamschen Schouwburg
begeven had, en aldaar in een jaar, zo ver was achteruit geloopen, als hij bij
mij in vijf jaar geavanceerd was, 't geen ik hem zelf verweten heb, en hij ook
wel erkennen wilde, en kluchtig den spot met uw Helikon dreef; deeze geloove
ik, dat in zijn sterven, wel een | | | | drachma hartzeer, wegens het
Tooneel kan gehad hebben. Punt maakte een plan, om een soort van een
Societeit-Theater in Amsterdam op te rechten; hij heeft mij op den
20 Augustus 1782. zoo als ik hier vooren aangehaald heb, te Schoonderloo aan
mijn quartier zijn ontwerp komen mede deelen, mij 2000 gl. 's jaars
presenterende, zoo ik 'er in wilde treden, waar voor ik hem hartelijk bedankte,
wijl ik mijn eigen dingen deed en bestaan kon. Hij hield mij voor, dat ik dan
van het zwerven en reizen af was, en dat dit werk veel goeds beloofde; maar ik
antwoorde hem, dat ik niet meer zwierf, als toen ik in Amsterdam was
geweest: dat ik altoos des zomers gereist had; dat ik zulks geen zwerven kon
noemen, wijl gantsch Holland mij maar als eene Stad voorkwam, daar ik nu aan
het eene, en dan aan het andere einde mij bevond, en dat hij wel wist, dat ik
een reizend, voor een stil leven stelde. Ook gaf ik hem te kennen, dat
zijn plan, in mijne oogen, niets meer als een Lucht-Casteel was, en dat ik niet
geloofde, dat het zijn beslag zoude krijgen, wijl hij buiten kennis van
Regenten, achter het scherm werkte, en als deze 'er achter kwamen, zij het zeer
onvriendelijk zouden nemen. maar hij scheen bijna van den uitslag verzekert
te zijn: doch weinig daagen daar na, verstond ik al, dat zijn plan ontdekt, en
hij in groote disgratie bij zijne Heeren Regenten gekomen was, die hem, (wijl
zij hem na den Brand, direct van een vrije wooning en van turf en licht
voorzien hadden, en dus, even of de Schouwburg nog in wezen was, als hun
Castelein aanzagen.) van snoode ondankbaarheid beschuldigden.
Op pag. 82. zegt gij: op 't onverwagtste boodt zig van buiten
eene gelegenheid aan, die alle klagten stilde. Te Rotterdam,
alwaar men dikwijls gewoon was de Amsterdamsche Speelers en Speeleressen,
buiten
Punt en
Duim, geduurende den Zomerschen
stilstand des Schouwburgs te zien, begre-
| | | |
pen de Liefhebbers
nu, dat zij, ten minsten voor eenigen tijd, dit genoegen bestendiger konden
smaken, en nodigde met dat oogmerk de Amsterdamsche Vrienden zeer sterk, om tot
hen over te koomen, mits den grooten Punt aan 't hoofd hebbende.
Deze Rotterdamsche Historie, heeft zig dus toegedraagen. 'Er, was
zedert het jaar 1763. geen Amsterdamsche Troup buiten Rotterdam geweest; en
wanneer ik, in October 1772. aldaar de eer had, voor het Wijnkoopers Gild, twee
dagen agtereen, in den Doelen te spelen, werd mij in stilte door zeker Heer van
de Regeering gezegd, dat 'er kans zoude zijn, om tegens Mey aldaar in de
Comedie van Erkelens te speelen; en dat, zo ik wilde, 'er nu mogelijk
gelegenheid zoude zijn om de Comedie aldaar wat bestendiger te maken. Ik
antwoorde, dat ik niets meer wenschte, als dat ik des Zomers onder den wal
van Rotterdam eenigen tijd door mogt spelen; maar dat ik mijne eigene Tent had,
en dus niet zeer genegen was, bij een ander huur te geven. neen! dit zoude
moeten zijn, hervatte hij, in de Schouwplaats van Erkelens, zoude het
moeten geschieden; mij verder zeggende: voor Mey zullen wij elkander
nader spreken; neem het eens in u bedenking. Ik liet dit loopen, want
hebbende al zoo veel chemerike dingen bijgewoon, had ik meenigwerf bevonden,
dat mijne oude Moeder in haare eenvoudigheid zeggende, (wanneer zij hare
Kinderen, de zugt voor 't Vaderland, trachte in te prenten) och Kind,
Holland is zo een zoeten dal, het ware Land van Beloften, wel de waarheid
gesprooken had, want het zijn meest beloften daar wij doorgaans hier te Land
mede gepaaid worden; en dus stelde ik dit praatje uit mijn hoofd: maar in
Januarij van het jaar 1773. vernam ik alhier in 's Hage, dat Punt zich
te Rotterdam bevond, en aldaar goede hoop had, om tegens Mey in de Comedie van
Erkelens te spelen. Ik liet mij infor- | | | | meeren, en bevond, dat
de Tooneelspeler Evers, dit Punt, die nergens van wist, aan de
hand had gedaan; en wijl dezen eerstgenoemden in Rotterdam zeer bekend was,
vertrok hij met Punt in December 1772, daar naar toe, en addresseerden
zich bij twee particuliere Heeren, die dit aanstonds zoo ver van de hand wezen,
als of 'er geene mogelijkheid toe was. Evenwel het wierd zoo zagtjes rugtbaar,
en heeft vervolgens, zoo als ik verder zeggen zal, zijn beslag gekregen. Zij
verzuimden ook niets, vervolgt gij, om hen in het bijzonder daar toe te
beweegen, door de voordeeligste aanbiedingen en beloften, die ook in 't
verschiet eene onderneming van grooter gewicht te kennen gaven: zo dat hij, aan
den eenen kant zo zeer aangemoedigd, als hij aan den anderen in zijn billijkste
verwachting was te leur gesteld, en dagelijks meer en meer getroffen door het
ongelukkig lot van zijne Konstbroeders, wier behoudenis nu grootelijks van hem
afhing, eindelijk zijne toestemming gaf.
Of men Punt te Rotterdam met beloften of streelende
vooruitzigten in zijne onderneming gevleid heeft, is mij onbewust; maar dit
weet ik, dat hij de verzoeker en aanlegger van dat nieuwe werk is geweest; en
eerst met het begin van Mey 1773. de permissie bekwam, na dat zijne Troup al te
Rotterdam gearriveerd was en hij zijne kosten gedaan had; doch zulks kon niet
wel eer geschieden, dewijl den nieuwen Dijkgraaf, van welken hij het verlof
moest bekomen, eerst in Mey aangesteld wierd. En wat het medelijden met zijne
Kunstbroeders betreft, zoo deze hem zijne toestemming hebben afgedwongen, zeg
ik, dat het zeer onvoorzigtig van een oud Tooneelspeeler gehandelt was, iets te
onderneemen dat hij nooit te vooren bijgewoond had, en 't welk zeer veel
verscheelde met te Amsterdam, niets als enkel in de Treurspelen, de eerste rol
veertig of vijftig maal in een jaar te speelen: doch | | | | de Historie
heeft zich geheel anders toegedragen Mijn Heer! Zie hier hoe men het mij
bericht heeft. De Heeren Regenten, die zelf geen uitsluitsel van Burgemeesteren
kregen, lieten in de Maand Junij, alle de Tooneelspelers in het Weeshuis bij
elkander komen, en presenteerden hun, wijl het niet wezen kon, dat zij in
Augustus, zo als men gewoon was, weder een Tooneel zouden kunnen openen, en zij
echter allen voor het aanstaande saizoen geëngageert waaren, geld voor dat
saizoen, tot Mei 1773. toe. Aan mijn Schoonmoeder de Weduwe Brinkman,
presenteerde zij 500 gulden, aan Juffrouw van Thil 700 gulden, en aan
Punt en zijn Vrouw 1000 gulden, onder voorwaarde, dat zij zich allen,
wanneer 'er een nieuwen Schouwburg kwam, weder zouden engageeren. De Dansers
wierden hun volle geld, waar voor zij in dat saisoen geëngageerd waren,
toegelegd, en, dat verstreken zijnde, bedankt, wijl men die ten allen tijden,
zo veel men 'er begeert, kan krijgen. Deze aanbiedingen der Heeren Regenten
waren redelijk; zij waren geen meesters, om op hun eigene authorieteit te
beginnen; en het zij dat zij de bovengestelde presentatien, uit eigene
beweging, of uit last der Regering gedaan hebben, het is doch niet, zo als gij
zegt, de menschen van honger te doen sterven: en Punt, die vrij wooning,
vuur en ligt, benevens 1000 gulden voor dat jaar gepresenteerd werd; had hen
niet moeten trachten te onderkruipen, met een Societeit Tooneel te willen
oprichten; en hier toe Burgemeesteren een plan aan te bieden. Ik kan het niet
onrechtvaardig vinden, dat de Regenten, zo dra zij zulks vernamen, hem direct
aanzeiden, dat hij tegen Mei hunne woning verlaten moest. Ik had even als zij
gedaan, en hem mogelijk op het oogenblik uit mijn huis gezet. Wat de overige
betreft, deze heeft hij overgehaald, door hen aan zijn | | | | huis te
ontbieden, alwaar hij hen den voorslag wegens Rotterdam deed, en hun een
contract aanbood, waar bij zij zich verbinden zouden, dat geen een van allen,
zig weder bij de Regenten zouden engageeren, al kwam 'er ook een nieuwen
Schouwburg, ten zij die Heeren hem en zijne Vrouw ook engageerden. Dus begreep
hij zelf wel, dat de storm t' avond of morgen, op hem zoude nedervallen. Ik
moet u zeggen, mijn Heer! ik kan deze handelwijze van Punt niet
goedkeuren: velen hebben het ook niet willen teekenen, daar ze gelijk in
hadden. Toen wij in het jaar 1763. met ons zevenen den Schouwburg verlieten,
heb ik zulke voorwaarden van mijne conspiranten niet gevergd: 'er wierd wel
gezegd, geen een of altemaal weder aangenomen, maar ik lachte daar mede, en
zeide tegens Bouhon, dat wij wel in zulke omstandigheden konden geraken,
dat wij God zouden danken, dat wij maar weder bij den Schouwburg, die wij nu
verlieten, ons brood zogten: dat, wat mij betrof, het mijn voorneemen niet was;
maar wel onverschrokken mijn plan te volgen, doch dat ik niet wist, zoo lang ik
in leven was, wat mij over kon koomen; en hij zo min als ik. Maar hij met drift
bezet, antwoordde dat hij zich eer een kogel door den kop zoude jaagen, als
weder keeren. Waar op ik antwoorde, ik niet, wij zijn tot dat vrolijk werk niet
bevoegd, zoo lang wij beiden opkomende Kinderen hebben, die zouden ons de
berooving onzer zorg, met reden kunnen verwijten. Maar de uitslag heeft doen
zien, dat zij alle wedergekeert zijn, en dus meer drift als ik, ter dier tijd,
in 't hoofd gehad hebben. Had hunne drift zo wel in 't hart gezeten, wij hadden
wel wat anders uitgevoert. Had Punt de woning, brand en ligt van de
Heeren Regenten niet aangenomen, hij zou hebben kunnen zeggen, ik verklaar mij
als vijand: dan was zijne zaak goed geweest, maar nu was het een soort van
verraad. 't Is waar, hij heeft voor | | | | de 1000 gulden bedankt, maar
had de woning, brand en ligt ook van de hand moeten wijzen. De anderen hebben
het geld getrokken. De Heeren Regenten, (toen mijne conspiratie ontdekt was,)
beleiden in Februarij aanneem-dag, waar op wij ook verschenen. Zij
presenteerden mij 200 gulden opslag, zoo als ik in de Kamer kwam: ik bedankte
vriendelijk en gaf hun mijn voorneemen te kennen, gelijk de overige ook deden;
en dus was de zaak eerlijk getracteerd. Ik heb hun verders tot de maand Mey
toe, wijl mijn contract tegens dien tijd eerst ten einde liep, met dezelfde
getrouwheid als te voren gediend. Bouhon en zijn Vrouw waren in December
al van den Schouwburg afgegaan.
Op pag. 83, vervolgt gij, na ons te willen doen gelooven, dat
Punt deze zijne Rotterdamsche onderneming, meer tot nut van zijne nieuwe
Maatschappij, dan voor zijn eigen belang in 't werk stelde, ons een zaak van
weinig belang, als een groot wonder voor te stellen; dus uit gij u:
Weinige dagen voor zijn vertrek na Rotterdam gebeurde 'er iets
van dien aard, het welk alle zijne Huisgenoten verbaasde. Op zekeren morgen,
dat hij zeer klaagde over eene onpaslijkheid, die, reeds eenige dagen geduurd
hebbende, merkelijke bekommering begon te geeven, wordt hem een nieuw Romeinsch
kleed t'huis gebracht, waar mede hij te Rotterdam zijne intré dacht te
doen. Straks rijst hij lustig op, beschouwd het, past het aan, en treed op het
oogenblik in de verbeelding, als of hij het Tooneel geopent zag, om 'er een
grootsche Rol te speelen; zijn bleek gelaat hernam een blozende kleur, en het
heldenvuur van Achilles, of den jongen Horatius, schitterde uit zijne oogen,
straks daar na eenige schoone vaerzen uitgeboezemd hebbende, keerde hij te rug
uit deeze verrukking, en bespeurde zelf met verwondering dat zijne
onpasselijkheid gantsch verdweenen was. Meermaalen had hij zich gezond
| | | |
gespeeld; nu scheen hij door die enkele voorsmaak van die
geneuchten zelfs verjongd te zijn, 't liep echter aan tot den 26 Mey 1773, eer
hij de gewenschte voldoening genieten mogt.
Is dit nu zulk een verbaazend geval, om eenige beroemdheid aan
Punt toe te brengen? Ik beken, dat Schmit dan ook alle
speeldagen, als hij speelde, een beroemde daad deed; want die veranderde
gantsch en al, zo dra hij zijn speelkleed aantrok: en ik heb een Fransch
Tooneelspeler gekend, die alhier na eenigen tijd kleine Anonces gespeeld
te hebben, in de tragedie zou verschijnen, en met Pijlades in
Andromache zijn debut stond te doen: hij had, volgens 't gebruik der
Fransche Tooneelisten, zijn kleed voor zijn emplooi in gereedheid doen brengen,
en kwam het bij den kleedermaker, alwaar ik mij juist met twee zijner makkers
bevond, aanpassen; zo ras hij het aan had, beschouwde hij zich voor den spiegel
en begon aanstonds zijn rol van Pylades te declameeren, met zo veel
drift, dat een van hen tot mij zeide, voila un homme bien fou de la
Tragedie. Hij speelde des anderendaags de gemelde rol op een zeer
barbaarsche wijze; zoo dat zijn vuur daags te vooren, niet veel te beduiden
had. Diergelijke verrukkingen, kan een gering, zo wel als een groot
Tooneelspeeler, bezitten, en kunnen Punt geene buitengewoonheid
aanzetten, al zoo min als zich een Koorts van 't lijf te spelen. Dit is mij in
de rol van Sigismundus, toen ik die voor 't eerst speelde, ook gebeurd;
en andere Tooneelspeelers hebben ook die gevallen gehad. Hij kreeg dan
evenwel in Mei die gewenschte voldoening; 't is waar, hij heeft 'er zijn
rekening niet kwalijk bij gevonden, maar de uitslag die hij verwacht had, ging
ver buiten zijn gedachten; en dit had hij, zo hij wijs ware geweest, moeten
voorzien.
Nu begint gij op pag. 83. zo vreeselijk te dwa- | | | | len,
en zo grof van de waarheid af te wijken; dat het 'er in 't geheel niet door
kan. Vreest gij niet, mijn Heer! dat gij bij het nageslagt een oorzaak tot
groote disputen zult verwekken? en dat men wegens de plaats of plek daar
Punt zijn Tent gestaan heeft, zal kunnen twisten, even als over den
grond waarop de muren van het oude Jerusalem, en den Tempel Salomons gestaan
hebben, waar van thans bijna geene zekerheid, door de verwarring der
Reisbeschrijveren, meer te bekomen is? Jerusalem legt ver van hier, en dus kan
een ieder de waarheid niet onderzoeken; maar Rotterdam legt dicht genoeg bij
Amsterdam, om door iemand, die een zaak naar waarheid onderzoeken wil, bezogt
te worden. Gij wilt schrijven als of gij alles bijgewoond had; en ik twijffel
sterk, of gij wel immer een anderen Schouwburg, als den Amsterdamschen gezien
hebt, zo gij al ooit verder als den Singel of den Overtoom buiten die Stad
geweest zijt.
Op den Singel, zegt gij, even buiten de Schiedamsche
Poort, was op zijne kosten eene Tent opgeslaagen, waar in hij een treffelijk
Tooneel, benevens eene welgeschikte Schouwplaats, had doen vervaardigen;
Dit is een groote onwaarheid mijn Heer, daar is door niemand een Tent
opgerecht, en even buiten de Schiedamsche Poort heeft niets van die natuur
gestaan. Op den Binneweg, buiten de Binnewegsche Poort, in de op een na laatste
Laan, stond de Comedie, die de Stalhouder Leendert Erkelens, voor zijn
eigene rekening, in den jaare 1766. of 1767. had laten bouwen, om 'er de
Fransche Troup van Chalaize in te doen speelen; die 'er drie keeren en
niet meer in gespeeld hebben. Deze Comedie huurde Punt van gemelden
Erkelens voor agt Ducaten per speelavond: hij heeft in dezelve vele
onkosten gemaakt, met die zeer te verbeteren; maar na dat Punt het
verandert heeft, was het een zeer mooi en proper Schouwburgje. | | | |
Verder zegt gij: ook waaren alle Tooneel
Sieraden, Kleederen, en verdere noodwendigheden, voor zijne Rekening, zo wel
als volgens zijne ordonnantie, uitgevoerd; en wel zonder moeite of kosten te
spaaren: al het welk zijn sterke zucht voor dit beroep ten klaarsten bewijst,
dewijl zulk eene onderneming andersints met zijne omstandigheden niet
overeenkomstig schijnen kon.
Zijne Tooneeltjes waren niet onaartig, en zijn Hofzaaltje van
Lairesse, dat hij zelf zeer zorgvuldig en mooi gecopieerd had, toonde
zijne achting voor dat verbrande meesterstuk, wiens weerga ik op geen Tooneel,
nog in Braband, Vlaanderen noch Parijs gezien heb. Men had het op den nieuwen
Schouwburg te Amsterdam, ook behooren te laten copieren, om het voor de
vergetelheid te bewaren, trouwens dat zoude noch kunnen geschieden, want 'er is
een plaat van; het Tooneeltje van Punt is voor het meerder gedeelte, ook
noch in wezen, en de couleuren bij weinige noch in memorie.
Zijne Kleederen waren vrij slecht en zuinigjes aangelegd. Zij
waren meest van Durand, Calamink of Grein; Satijnen of Taffen waren 'er niet
onder; en de modellen die hij opgaf, waren zeer onnoozel. De Kleermaker, die
mijn Magazijn, alhier voor het grootste gedeelte gemaakt heeft, betuigde aan
Punt zelve, dat hij van de bovengemelde stoffen zulk eene goede
Drapering niet kon maken, als hij voor mij gemaakt had. Zijne Turksche
kleederen waren infaam, en zijn Romeinsche waren de ouderwetsche van Amsterdam,
voor welker model hij zoo fanaticq was, dat hij, toen ik tot twee keeren
ondernam, om op het Amsterdamsch Toneel te wagen, de nieuwe Costume van de
Franschen, (die ten dien tijde veel beter als de onze was, maar nu ook al
begint te bederven,) in te voeren, hij mij bij de Regenten, als een ketter uit
maakte. Ja mijn Heer, zo 'er maar inquisietie-regt plaats had kunnen krijgen,
ik ware tot den brandstapel ver- | | | | wezen geworden, zulks was een
afgedane zaak geweest. Deze kleeding stak te Rotterdam aanstonds in 't oog: men
was van mijne Troup beter smaak van costume gewoon. Zoo dat zijne zucht voor
het Tooneel, wel, zoo gij zegt, door zijne onderneming bewezen
werd, maar geenzints zijn goeden smaak als Directeur. Hij heeft bij mij,
toen hij al aan 't spelen was, noch om twee Costumes tot modellen gezonden, die
ik hem, volgens het gebruik der Vreemdelingen, direct gezonden heb.
Maar, vervolgt gij, de grootmoedigheid was ook
onafscheidelijk van zijne inborst, en 't scheelde weinig of deze deugd zoude
hem op nieuw ten top van eer en aanzien gevoerd hebben. 't Is waar, hij
bezat somtijds iets grootmoedigs, doch niet altoos; ook was zijn gemoed al te
dikwijl op heele zware toetzen gesteld geweest, waar van mij een gedeelte het
best bewust is, om altoos juist zo grootmoedig niet te denken; en of deze deugd
hem bijna op nieuw ten top van eer en aanzien gevoerd zoude hebben, buiten
Amsterdam, zoude bij mij noch twijffelachtig zijn. Punt was te zeer aan
Amsterdam gewend, en dus vooringenomen met zijn Vaderstad; en een groot
gedeelte zijner Compatriotten met hem: maar toen men zijne onderneeming te
Rotterdam vernam, wat werd hij toen leelijk bij de Amsterdammers! een
*o jemeni, o
jemeni, werd 'er op hem gemaakt; zijn speelen werd lager vernederd, als het
| | | | eerst opgeheven was. Alles was toen slegt bij den Man geworden,
en op mijn Persoon viel aanstonds het oog: ik had het waare nu, en men had
verkeerd van mij geoordeeld: nu zag men het klaar. Ik heb nog onder mij
berustende, mijn Heer! drie Brieven met eene gemaakte hand geschreven, een
zonder datum of handtekening, en een van den 6 februarij 1773, benevens een van
den 16 Febr. 1773, die ik altoos kan toonen, waar in men mij aanbiedingen van
het emplooi van Punt, tot zijn Casteleinschap toe, deed; men wist dat
wij gebrouilleerd waren, en dacht mogelijk, dat ik dus denken zoude, ha! nu
kan ik wraak van Punt krijgen; nu is de tijd geboren. Maar mijn antwoorden
toonden wel haast, dat ik niet laag genoeg was, om het werktuig van eens anders
wraak te zijn. Ik heb alles van de hand gewezen.
Tot zijn ongeluk, vervolgt gij: had hij te doen met
menschen, die, door zijn voorbeeld ontvonkt, hem daar in poogden te evenaaren,
en, op de proef te zwak bevonden zijnde, vervolgens wilden toonen, dat zij
sterk genoeg waaren om hem te bederven. 't Was in sommige opzichten hetzelve
beginsel, waar uit de
Kardinaal de Richelieu, aanleiding nam,
om den grooten Corneille te haren. Wie gij hier met die menschen in 't oog
hebt, beken ik niet te begrijpen; dit is mij te hoog, en de Kardinaal de
Richelieu en Corneille, komen daar
weder aan te pas, als de Marmre Cleopatra, bij de groep van den al ouden
Laökoon.
Gij zegt verder: in den aanvang ging alles naar wensch. Eenige
Liefhebbers hadden hunne pogingen vereenigd om een zinnebeeldig voorspel te
dichten, (dat zo mij verhaald is, vrij zot was) 't welk zij de opening
van Apolloos Tempel noemden. Diergelijke winderige tijtels doen mij altoos
lachen. Hier mede werd het Tooneel op den reeds gemelden avond ontslooten,
en Punt kwam 'er in den vollen luister van Apollo
| | | |
te
voorschijn, weinig denkende, dat hier ooit een Marzyas of Pan tegen hem konde
opstaan; veel min..... doch hij wist wel dat het nergens aan Midassen
ontbreekt. Zoo hij hier van onbewust ware geweest, was hij een volslagen
gek, want hij kwam uit Amsterdam, dat een groote en volkrijke Stad is; en in
groote en volkrijke Steden, willen de Midassen gemeenlijk wel voorttelen, en
Pans en Marzyassen vindt men 'er gemeenlijk ook in overvloed. Hij
maakte dan Apollo, en in Gabinia, 't welk volgde,
Galerius. Ik heb deze Vertooning door een Rotterdammer horen verhalen,
en zal 'er dus niets van zeggen, als dat zij geschied is.
Hetzelve genoegen (zegt gij verder) vertoonde zich een
geruimen tijd bij de volgende Vertooningen, doch men bespeurde wel haast dat
deeze bestendigheid meer het uitwerksel was van een blinde verwondering, dan
van een beredeneerde smaak. Men vleide zich niet te min dat die smaak wel
schielijk volgen zoude, zo dra de verstandigsten bij meerder bezadigdheid
gehoor verwierven, om hunne oordeelkunde voor te dragen. Doch men wist ook dat
het gezond verstand bij de menigte kwalijk zijn Hof maakt: men toonde zich dan
bij voorraad ten uitersten verheugd over loftuitingen, die men in den grond
niet hoog waardeerden. Dit was nochtans een misslag; want hier door kreegen de
Heeren
*Ragotijns een
gril in 't hoofd, die alles in verwarring bragt. Zoo Punt, of iemand
anders geloofd had, dat die bestendigheid het uitwerksel van een goeden smaak
was, was hij wel onnoozel; is die in Amsterdam te vinden? was men daar van zulk
een goeden smaak? en maakt daar het gezond verstand bij de meenigte haar Hof?
Uw Schrift bewijst zelfs immers het tegendeel. En wie waren doch die genen, die
gij | | | | hier, zo Moomusachtig, Ragotijns gelieft te noemen? en
wat voor een gril kregen zij doch in 't hoofd, die alles in verwarring bracht?
Ik zal u, door de waarheid klaar ter neder te stellen, duidelijk bewijzen, dat
gij mijn Heer, hier niet vrij van logen- en lastertaal zijt. Zie hier hoe gij
de Historie van Punts verwisseling van Directeur in Castelein
valschelijk beschrijft, waar na ik u zal doen zien, hoe, en bij welke
gelegenheid zij waarlijk is voorgevallen. Dus begint gij: 't Regeeren is
zoet; maar onder de zon is geene zoetheid, die zo licht aan 't gisten slaat, en
in 't wrangste zuur verandert. De Rotterdamsche Liefhebbers hebben zo wel het
een als het ander ondervonden. Zo dra ze begreepen dat deze Liefhebberij
eenigermaten den naam van een stichting voeren kon, oordeelden zij insgelijks
dat zulk een opklimming verscheide aanzienlijke posten aankondigde. Men
besloot, buiten de Binnewegsche Poort eenen nieuwen Schouwburg te bouwen, die
ook zekerlijk niet zonder Regenten zoude kunnen bestaan. Maar hoe dan met Punt,
die nu alles zo geregeld bestierde? Wel; die zou Kastelijn zijn, gelijk hij te
Amsterdam geweest was. Maar zouden deze Regenten de bekwaamheid hebben, die tot
het bestier van zo veelerlei zaaken vereischt wordt? Ouderwetsch vooroordeel!
als of men niet dikwijls zag met hoe weinig bekwaamheid ook de gewichtigste
staatszaken gelukkig bestierd worden. In alle gevallen, de Amsterdamsche
Regenten waaren ook geen Tovenaars. Neen, zeker; maar die hadden de ervarenis
van schier anderhalven eeuw te baat. Goed: wat men te Rotterdam niet had, zou
men door den tijd machtig worden. Ook was men daar niet onbedreeven in den
Lauwer-Oogst, dewijl er zelf een Dichtkunstig Genootschap bloeide onder de
veelbeduidende Zinspreuk PRODESSE CANENDO. Latinisten waren de
Amsterdammers niet. Dat besliste.
Zo vreeslijk als de Heerschzucht in 't groot is, zo
| | | |
kluchtig is zij in 't klein. Evenwel bereikt zij dus ook
gemeenlijk haar oogmerk, om dat haare iever onvermoeid is, terwijl de
verstandigen zich met haaren ernsthaftigheid te lang vermaaken. Binnen vier of
vijf maanden, was het zo verre gebracht, dat de Heer Punt zijn magnificaat
moest afleggen, om de waardigheid van Kastelein uit handen van zijn Heeren en
Meesters te ontfangen. Hij wierd voor eerst Kastelein van de Tent; en zou het
vervolgens van den nieuwe Schouwburg zijn, op Amsterdamsche voorwaarden, die
echter op verre na geen Amsterdamsch voordeel aanbrachten. Ondertusschen
betaalden men rijkelijk de Kleederen, de Sieraden, en al den toestel, dien men
van hem overnam. Men vertrouwden hem ook het opzicht over den aanleg van het
nieuwe Gebouw; men raadpleegden noch dikwils met hem over de gewichtigste
zaaken; zelfs volgden men ook wel eens zijnen raad, en men beschouwde voor het
overige zijne Kunst noch met dezelve hoogachting als ooit. Tegen den Winter van
het jaar 1774. was de nieuwe Schouwburg, benevens het huis van Punt, in
gereedheid gebragt; zo dat men den 27 December, ter Inwijding van het Tooneel,
aldaar vertoonde Maria van Bourgondien, een der schoonste Treurspellen van
Hollandsch grootste Dichteres. Punt had 'er de Rol van Adolf; en dit begin was
inderdaad zo luisterlijk, dat men alles van de gevolgen mogt verwagten. Men had
ook voor hem eene aanspraak in Dichtmaat opgesteld, welke hij na het Treurspel
onder de gedaante van Apollo deed, aan de Heeren van de regeering, en veel
andere Heeren van het eerste aanzien, aldaar genodigd. Dus scheen zyne glorie
noch uit haaren oppersten trans te straalen.
Wie zou, die al dit bovenstaande, door u op pag. 83. en 84. ter
nedergesteld, leest, niet geloven, dat Punt als met geweld, door de
Heeren Commissarissen uit den Schouwburg gezet is, op dat zij 'er zich doch
meesters van zouden maken. Het is | | | | 'er zo niet toegegaan mijn
Heer! uw onderrichter heeft u een allervalscht bericht gegeven; en gij hebt de
onbeschaamdheid gehad, om dit, zonder nader onderzoek, zo maar los weg, aan het
publiek mede te deelen. Zie hier de waarheid, die ik tegens u valsch bericht
overstelle: Zie hier hoe de zaak zich heeft toegedraagen.
Toen Punt te Rotterdam met zijne Troup gekomen was, en ik
de tijding daar van kreeg, voorspelde ik dadelijk zijnen val, als wel overtuigd
zijnde, dat hij geen Man was, die eenige bekwaamheid tot het besturen van een
Troup Tooneelspelers had; en geene de minste kennis om een aanleg van dezelve
te maken, of iets dat 'er na geleek. Ik wil 's Mans assche niet honen: maar 't
is waarachtig zoo. Hij wist niets van dat werk, en was 'er niet voor geschikt;
eer het Delfsche Kermis was, kon ik 'er al zes van zijne Troup krijgen, die mij
aangeboden werden. Bouhon kwam mij den voorslag doen, doch ik zeide, dat
ik in mijne emplooien gedekt was, en hem dus bedankte, wijl ik niemant noodig
had. Deze zes, waar onder Bouhon, zijne Vrouw en zijne Kinderen waren,
deserteerden allen, en gingen voor eigen rekening op de Utrechtse Kermis
spelen. Punt vervolgde hen wel, maar kon aldaar op Kermis niets
uitvoeren, en na de Kermis liet hij 'er gras over wassen, dat hij niet moest
gedaan hebben: zoo zijne contracten goed hadden geweest, had hij, al had het
hem 1000 gulden gekost, een exempel moeten statueeren, dat rigoreus was; ja al
had 'er zijn eigen Zoon zelfs bij geweest, had hij het zoo sterk moeten
doorzetten als in zijn vermogen ware, indien hij blijken had willen geeven, dat
hij een goed Directeur was. Ik was zo mak in mijn Directeurschap niet.
Hij was toen in een schrikkelijk verlegenheid, maar dit gat gevuld
zijnde, naderde de Kermis, alwaar alles ge- | | | | permitteerd wierd,
behalven ik met mijne Troup, om Punt geen afbreuk te doen; dit had hij,
zoo men mij gezegd heeft, weten te bewerken; zoo zeer vreesde hij mijne kleine
bende, daar hij Directeur van een groote was, met zang en dans, 't welk ik niet
had. Deze onrechtvaardigheid moest ik verkroppen: trouwens het was de eerste
niet, die ik in mijn Vaderland geleden heb: het is de laatste ook niet geweest;
ik ben het mishandelen in Holland zo gewoon, dat ik nog al meer verwacht, daar
ik geene andere reden voor weet, als dat ik mijne zaken behandel als een
eerlijk man, 't welk men hier met afgunst schijnt te beschouwen. Ik wierd dan
afgewezen; doch Neits, als zijnde een Vreemdeling, werd gepermitteerd,
aan wien ik toen mijn Tent verhuurt heb. Na de Kermis, ging het met Punt
den weg van alle dingen: het verviel, en de toeloop verminderde, volgens den
gemeenen loop hier te Lande. Punt, verwonderd, had gedacht dat nu de
goede tijd eerst zoude aankomen, zoo als hij het te Amsterdam gewoon was; maar
hij was onbewust, dat het in de overige Steden van ons Land anders is gesteld.
Nu dit was hem te vergeven; hij had nooit als Tooneelspeler buiten Amsterdam
geweest, en was gevolglijk onkundig, hoe deze zaken in de Provintie toegaan.
Zijn Volk begon te klagen, en zeide dat dit niet op zou nemen, en begonnen na
de Vleespotten van Amsterdam om te zien. Punt versterkte hen, en zeide,
dat 'er wel haast iets anders zich zoude opdoen, waar door de zaak een anderen
keer zou neemen. Hij had zijn Troup, mijn Heer, zeer zwaar geëngageerd, en
zou het nu wel wat minder hebben willen aanleggen, maar de Spelers verwagten,
zo als het altijd gaat, tegens een nieuwe aanneming, nog meer: zij hadden
bespeurd, dat 'er, bij hunne aankomst, twee | | | | Heeren Kooplieden,
gedurig bij Punt, achter 't Tooneel, aan zijn Huis, op de repetities,
als anderzints, altijd tegenswoordig waren, en zich met alles bemoeiden, waar
door in hun een verbeelding ontstond, gelijk ook waarschijnlijk is, dat deze
twee Heeren, hem met geld assisteerden; en in 't eind, in de maand van October,
in de stillegging, die om het Nachtmaal voor 14 dagen in gebruik is, even voor
dat de Regenten te Amsterdam hunne aanneming aanleiden, kwam een dezer twee
Heeren bij Juffrouw van Thil, haar den voorslag van het ontwerp doen,
dat zij met Punt gemaakt hadden; hierin bestaande, dat Punt zijn
Directeurschap aan gemelde twee Heeren, en nog twee die men 'er stond bij te
voegen, zoude afstaan, en dat men geïntresseerdens tot het Fonds zoude
zoeken, om de zaak tot stand te brengen: en men vroeg haar teffens, of zij zich
bij hun wilde engageren. Juffrouw van Thil zeide, zich te moeten
beraden, en ging dien dag bij Spatzier, die al van de zaak wist, en haar
tot antwoord gaf, dat men zich ligt voor een jaar verbinden kon: dat 'er van
Amsterdam zich niets liet zien: dat hij aan den Heer Hartzink een Brief
geschreeven had, doch van hem geen ander antwoord, als dat hij hem tot noch
toe niets tot opening geven kon, had gekregen:
*dat zij
na zijn gedachten, die aanbieding veilig | | | | kon aannemen. Kort hier
op werden alle de Tooneelspelers bij de Heeren ontboden, en hun den voorslag
onverwachts gedaan, op denzelfden tijd dat de Regenten van Amsterdam, mede Volk
aannamen. Sommige maakten zwarigheid, maar werden door vriendelijke woorden van
Punt, en de vier Heeren overgehaalt; en dus werden die vier Heeren,
Commissarissen van de Geïntresseerdens, en in die qualiteit Bestuurders
van den Schouwburg, en Punt leide vrijwillig zijn bestuur neder, dat een
dwaze daad van hem was. ik had van 't begin af reeds voorspeld, dat het zoo
gaan zoude, en ware ik in zijne plaats geweest, zou ik 'er nooit toe overgegaan
zijn. Hij werd met zijne Vrouw voor 3200 guldens geëngageerd: werd
Castelein en kreeg terstond vrij woning in een huis, dat 700 guldens van huur
deed, onder de Boomtjes te Rotterdam. Men nam zijne Decoratien en Kleederen
over, voor 7- of 8000 guldens, zoo mij gezegd is; en bij het openen, ging de
nieuwe directie haar gang. Men vertimmerde nog 1800 gulden aan dit
Schouwburgje, en verbeterde het. Men hadt met noch een kleine verbetering, het
'er zeer wel in kunnen stellen.
Men speelde voort met vrij goed succes, tot Kermis 1774. wanneer
de Commissarissen moede wordende, van alle avonden 8 Ducaten huur te geven, den
eigenaar voorsloegen, om het in ééne som voor het gantsche
| | | | jaar te huren; en dewijl de decoratien, bekleedsels van banken en
lôges hen toekwamen, als mede de kleedkamertjes op een na, 't geen zij
alles uit hunne eige beurs, of uit die der geintresseerdens hadden laten maken,
en de bloote romp slechts, benevens het overige houtwerk, aan meergemelden
Erkelens behoorde, zoo presenteerden zij voor dit laatstgemelde 1400
gulden 's jaars aan huur te geven: hier na wilde de knaap maar gantsch niet
luisteren: dit scheelde te veel met het geen hij was gewoon te trekken, en hij
dacht niet, dat men eene andere plaats kon vinden. Maar toevallig werden de
Geintresseerdens de plaats, alwaar nu de Schouwburg staat, en dat ten dien
tijde een Tuin was, aan de hand gedaan: men kogt die in stilte, en men zeide
Erkelens aan, dat men zelf zou bouwen: dit verbaasde hem, en het koste
hem het leven, zo men zeide. Men begon te bouwen, en het werk wierd in 32 weken
voltooid. Het Tooneel wierd zeer goed, doch de Zaal heel slegt geordonneerd.
Dat men Punt het opzigt over den aanleg van het nieuwe Gebouw
toevertrouwde, is niet waar; men was kort na dat hij zijn Directeurschap
nedergelegd had, reeds met hem in onmin geraakt, (om welke reden, kan ik met
waarheid niet zeggen,) ja 'er was zelfs order gegeven, om hem bij het werk geen
toegang te vergunnen; en hij is 'er ook niet naar wezen zien, voor dat alles
voltooit was. Men opende dan, zoo als gij schrijft, en Punt maakte weder
een Apollo, dat dwaas genoeg was: ik zoude, ware ik in zijne plaats geweest,
mij daar van ontslaagen hebben. Een aanspraak op zulk een tijd is billijk; maar
om in de gedaante van Apollo, of een diergelijke godheid, een vleijend vers,
vol complimenten te komen opzeggen, is wat laag voor een goed Tooneelspeler:
een Alegoriesch stukje, met drie a vier Personages, kan 'er | | | | door,
mits het goed gemaakt zij, maar al die Apolloos aperijen zijn naar mijn
oordeel, zigtbare merkteekenen van een bedorven smaak. Het heeft ook al wat in,
om een Apollo, den God der Dichtkunst, wel te doen spreken. Een Dichter
verlaagd hem geweldig, als hij hem ten Tooneele voert, om gunst of bescherming
voor zijn Tempel aan de grooten en het publiek af te vergen, en menschen van
slechts middelmatige kunde, kunnen niet nalaten te lachen, wanneer zij gemelde
Godheid zien buigen, en winderige verzen hooren opsnijden om dat oogmerk te
bereiken: een Zinnebeeld van den Schouwburg, kan dit, mijns oordeels, veel
gevoeglijker doen. Dus heeft de zaak zich toegedraagen, mijn Heer; zij komt met
uwe beschrijving gantsch niet overeen, doch de mijne is zuivere waarheid.
Verder vaart gij voort: maar de Regenten, nu in volle
toerusting op het kussen vastgeplakt, namen terstond een houding aan, waar bij
geene Puiterveensche deftigheid in vergelijking kwam. Zij voerden met een
veelbeloovend en niets beduidend gelaat, eenen toon van overreeding, die alle
hunne misslagen voor tegenspraak beveiligden. Dit is enkel laster. De
Regenten waren niet groots omtrent hun volk, maar gemeenzaam, ja somtijds zelve
wat al te gemeenzaam en te toegeevend. Zij hadden geene kennis van de zaken,
zulks is waar; en wie zoude hen wijzer maaken? Punt verstond dat werk zo
min als zij: maar dat die Heeren, gelijk gij ter nedersteld, om hen
bespottelijk te maken, arrogant waren, is onwaarachtig.
Dit gaf, vervolgt gij, somtijds vermakelijke Tooneelen,
daar de Vriend Spatsier dan wonderlijk mede in zijnen schik was; maar die zo
niet in de smaak van Punt vielen. Op alle Tooneelen vallen twisten en
oneenigheden voor, vermakelijke en ernstige; achter de schermen is de ware
Comedie. Ik heb eeb geheele lijst van het jaar 1747. af, van zulk soort van
goedje van het Amsterdamsche | | | | Tooneel, maar ik heb 'er
Spatzier wel om hooren zuchten, somtijds ook wel om zien lachen; maar
Punt was 'er triestig onder.
De Geestige Abderiet erkende wel eens onder een Glaasje van
vrolijkheid, vervolgt gij, dat hij zijn kunst noch merkelijk verder
zoude gebracht hebben, indien hem 't geval zodanige modellen wat vroeger
verleend had. Was Spatzier een Bredanaar, dat gij hem een Abderiet
noemt? ik meende dat hij een Amsterdammer was. Of noemt gij die mogelijk ook
Abderieten? Campo Weyerman heeft dezen
Tijtel, zoo het mij voorstaat aan de Bredanaars gegeven?
Het moeten al koddige Originelen in Spatziers oogen geweest
zijn; hij had evenwel lang genoeg, zoo wel als ik, met de Rotterdammers
omgegaan
*, en kon zelfs een of twee van deze Heeren zeer wel; zoo dat
dit zijn zeggen, zo hem het geval wat vroeger zulke modellen verleend
had, op geen rede steunde.
Bij zekere gelegenheid, zegt gij, dat men den
Wedergevonden Zoon stond te speelen, zeide hij, met een cinischen grimlach: het
spijt me nu, dat ik te oud ben voor President Laagenprat! Wat wilde hij
hier mede zeggen? wilde hij mogelijk den Commissaris, die ten dien tijde
President was, tot een model nemen? het zou een groote dwaasheid van hem
geweest zijn, een Rotterdammer tot een voorbeeld te neemen, om een President
van Congnac in Vrankrijk, aan het Volk voortestellen, en dus van zijn Character
een Hollander te maken; voorwaar zeer verstandig van Spatzier, zoo 't
gepasseert is! en waarom was hij te oud voor die Rol? Preville heeft op
die jaren, die Spatzier ten dien tijd had, haar wel gespeeld, en speeld
ze mogelijk noch wel
†.
| | | | Vervolgens zegt gij: Punt was te fijn van gevoel
om zich met snakerijen te vergenoegen. Even als een ander, mijn Heer! dat
fijn gevoel, had een anderen grondslag. Hij zag met het levendigst ongeduld
dat alle schikkingen op verwarring uitliepen, terwijl men den goeden smaak in
zijne beginselen zogt te dempen. Hoe kon zulks anders zijn? Hij had de
Heeren een verwarden boel overgegeven, die hij zelf niet redden kon. Men zogt
een goeden smaak, om die, die hij goed noemde, en valsch was, te verdrijven.
Zoo was eigentlijk de zaak. 't Wierd voor eene misdaad van gekweste
Majesteit gehouden, dat hij zich daar van beklaagde; zegt gij. Zulks is
onwaar. Men veranderde van kleeding, even als te Amsterdam, en Punt
moest een Romeins kleed, van een nieuwe smaak, aantrekken; linnen en
handschoenen in 't Romeinsch achter laten: dit moet een verdriet voor hem
geweest zijn, niet om overtekomen! hij gewende 'er evenwel aan. Ik weet ook
niet, dat 'er het tegenspreken niet vrij stond, veel min, dat men zich niet
mogt beklagen: en 't zedert veranderde de koelheid, die men hem reeds van
tijd tot tijd beweezen had, in bitteren vijandschap, vervolgt gij. Hier van
weet ik niets te zeggen. Ik heb wel gehoord, dat 'er oneenigheid ontstaan is,
tusschen de Heeren Commissarissen en Punt, wegens het plan van het
nieuwe Gebouw; maar zeker Metselaar te Rotterdam, met name de Haas,
wonende op den Schotsendijk, zoude U deze Historie, zoo hij noch in wezen is,
naar waarheid, beter kunnen verhalen.
Nu vervolgd gij: Hier in wierd daarenboven veel kwaads gewerkt
door Corver, voor dezen een Leerling van Punt, en nu in alles zijnen
tegenstrever. Dit ontken ik, mijn Heer, en zal klaar het tegendeel doen
zien. Dat ik een Leerling van Punt in de Teekenkunst geweest ben, is
waar; dit heb ik hier voor nogmaals ge- | | | | zegd: en zijn tegenstrever
moest ik zijn, wijl hij de goede zaken afbrak, die ik trachte, volgens plicht,
op te bouwen, en daarenboven mij valschelijk te Amsterdam behandeld had; welke
Historien te lang zijn, om hier ter neder te stellen, doch die door den tijd,
met andere mijner zaken, het daglicht zullen zien, waar bij de gevoeglijker en
als van zelf komen zullen.
Deeze Man, vervolgt gij, op den Amsterdamschen
Schouwburg wel begunstigd, maar geenzints in den hoogsten rang gesteld, had
zich voor eenige Jaaren van daar naar's Gravenhaage
begeeven. Ik bid U mijn Heer, wat is die hoogste rang toch, waar van gij
spreekt? denkt gij, dat wij achter 't Tooneel te Amsterdam, met elkander den
rang observeerden, zoo als op het Tooneel, daar de Koning of Held en zijn
Confident onderscheiden zijn
*? och neen, wij waren elkander daar in rang en staat
gelijk, ten zij men als Tooneelmeester ordonneren moest; maar zulks betreft het
huishoudelijk werk meest, en zelden de Tooneelspelers, zoo dat ik dien rang,
waar van gij spreekt, voor gekheid aanzie. Ik heb mij van den Amsterdamschen
Schouwburg begeven, om door gantsch Holland te reizen, | | | | zoo ver ik
maar kon; en heb mij in 's Gravenhage een Domicilium vervaardigd, om des
Winters vast door te spelen; 't welk ik ook van den jaare 1766. tot 1773.
gedaan heb.
Alwaar, vervolgt gij, een Nederduitsche Schouwburg onder
begunstiging van het Hof vervaardigd wierd. En door wien werd die
vervaardigd mijn Heer? door mij: ik heb denzelven voor mijn eigen geld, dat ik
zuur genoeg met mijn zweet gewonnen, en zuinig bij elkander vergaard had,
beginnen te timmeren: hij heeft mij digt bij de 30000 guldens gekost, en alle
mijne poogingen hebben gestrekt, om al wat ik won, aan dit Gebouw te kosten te
leggen. Geen adsistentie heb ik genoten in dit werk, als van J. Brants,
Aschbaas van 's Gravenhage, die geen Hollander, maar uit het Pruissisch was;
deze heeft mij in nood met eene goede somme gelds bijgestaan, die ik ook met de
intressen afgedaan heb; en van een Bontwerker, ook een Hoogduitscher, G.C.
Schmolk genaamt, die mij altoos, als hij geld had leeg leggen, het aanbood,
voor 4, 5, à 6 maanden; waar voor hij nooit een penning intrest van mij
begeerde, ja somwijlen niet eens een handschrift nam; 't welk ik hem op moest
dringen
*: maar van mijn eige Natie, heb ik in nood,
nooit een duit kunnen krijgen; een Hollandsch antwoord, Ja, ê met
de schouders op te haalen, was de ordinaire troost, het zijn bedroefde
tijden: men moet de tijden aanzien: het gaat zo breed niet. Zulke elendige
excusen waren gemeenlijk in overvloed, maar niets anders tot mijn dienst, bij
mijne Landsgenooten, die altijd zoo hoog opgeven van | | | |
menschlievendheid, en andere Christelijke deugden; woorden die mooi klinken,
maar in zich zelf zeer weinig te beduiden hebben. De Magistraat van 's Hage
heeft mij gepermiteert te bouwen: zijne Hoogheid, de Prins Erfstadhouder was
'er mede te vrede. Zonder toestemming der Overheid, kan men immers geen Kerk of
Tooneel oprichten. Wat nu verder de begunstiging van het Hof, waar van gij
spreekt, betreft, zijne Hoogheid heeft zich in het jaar 1767. geaboneerd voor 6
maanden in 't jaar; en dus was ik verplicht 6 maanden alhier te spelen, voor
3000 guldens, die ik 'er dikwijls bij ingebrokt heb; voornamentlijk in de jaren
1770, 1771. en 1772.
* toen
ik door de vooroordeelen van onzen Landaart, 5000 gulden verloor. Een zwaren
slag in een opkoment werk. Ik heb deze gemelde 3000 guldens van zijn Hoogheid 7
jaren achter een getrokken, en dus een somma van 21000 guldens in die zeven
jaren genoten; waar uit de overledene Heer Baron van Wulkenits, mij
trachte aan 't verstand te brengen, dat de Prins mijn Gebouw betaald had. Och
ja, die goede Heer deed zijn best om mij zulks te beduiden, zeggende, dat ik
het Gebouw in mijn Request voor 21000 guldens had opgegeven
†, en ik nu 21000 guldens getrokken had. Slim gevonden! niet waar
mijn Heer? Ik vroeg hem, indien hij zoo wilde redeneren, hoe dikwils de
Fransche Comedie dan wel door 't Hof betaald was, daar wijle de Princes
Royaal, in haar tijd, na mij bericht was, | | | | wel 7 à 8000
guldens tot een abonement, 's jaarlijks aan gegeven, en de Prins zulks noch bij
aanhoudendheid vermeerderd had, dat deze dan zekerlijk, sedert het jaar 1750.
of 1751. al rijkelijk, en wel drie dubbeld betaald kon geheten worden: dat, als
ik de 3000 guldens van het Hof niet gehad had, ik geen 6 maanden, alle jaren,
achter een, in 's Hage had kunnen spelen; maar dan het oude plan van Jacob
van Ryndorp had moeten volgen, om te kunnen bestaan, dat ik dat geld tot
onderhoud van mijn Troep en niet voor mijn Gebouw gebruikt hadde, gelijk zulks
ook waar is.
Verder zegt gij, van mij sprekende: hier dacht hij zijn hart op
te haalen met de trotsche Heldenrollen, die men hem te Amsterdam niet had
durven toevertrouwen. Al weder een leugen! wat dorst men mij te Amsterdam
niet toevertrouwen? de rollen van 't eerste emplooi? vergeef mij dat; ik heb
'er verscheiden gespeelt; maar gij hebt het niet gezien, want gij waard toen
zekerlijk nog een Kind. Zijn Cyrus, Abenzaid, de Cid,
Karel Erfprins, Sevilius in Manlius Capitolinus,
Orestes in Agamemnon, Pyrrhus in Philoctetes,
Gysbrecht van Amstel, Sigismundus, Lynceus in
Hypermnestra, Farnabases, enz. dan bij u geen eerste rollen? deze
speelde ik altemaal te Amsterdam. Wat trotsche Heldenrollen zijn, weet ik niet:
zij bestaan zonder twijffel, in die winderigen naam. Punt was altoos
nijdig, als ik een rol van het eerste emplooi speelde, en boven dien laag
genoeg, om, toen men de Cyrus vertoonde, welke rol mij was opgedragen en
die hij in vroeger jaren gespeeld had, een cabaal van jongens te formeren, die
mij in het eerste en tweede Bedrijf uitfloten; doch in het derde dwong ik hen
tot zwijgen, en het geschiedde dien avond niet weder.
Doch vermits de goede Man, vervolgt gij, behalven
| | | |
eene onzuivere uitspraak, een valsche en piepende stem had,
moest 'er een hulpmiddel ter liefde van deeze gebreeken gezogt worden. Wie
heeft U dit bericht gegeven, mijn Heertje? want gij hebt mij, dit blijkt, in de
eerste 16 jaaren niet zien spelen, en kunt dus van mijne organe niet oordeelen.
Gij hebt dit bericht mogelijk uit den mond van Punt, want deze plagt
diergelijke discoursen, achter mijn rug, wel te voeren, toen ik in mijne
opkomst was, en hem te nabij kwam, om zijne cabale tegens mij te formeren; en
om dat ik in plaats van schreeuwen, 't welk men bij ons invoerde, sprak en
speelde, trachte hij mij door diergelijke redenen te verlagen; maar de ware
kenners kon hij in zijn belang niet brengen. Ik wil echter op mijne organe niet
roemen, en durf wel zeggen, dat ik van het jaar 1752. tot 1763. gewerkt heb, om
dezelve te formeren, en van dien tijd af, vast te stellen. Maar dit zijn
zaaken, waar van gij naar ik merk, geen verstand hebt. Ik ken een Acteur, die
de schoonste organe en de fraaiste figuur van de waereld heeft; zijn Tooneel
wel gebruikt, en met alle deze uiterlijke gaven vercierd, nochtans voor een
kundig oor, op verre na, voor geen recht goed Acteur kan doorgaan, dewijl hem
de verheffing van ziel, en de ware verbeeldingskracht ontbreekt: ik ken daar en
tegen een anderen, die het voordeeligste figuur niet heeft, een elendige
organe; zelf zoo, dat men horen kan, dat hij op de borst gedrukt is: maar welk
een vuur! welk een verbeeldingskragt en verheffing van ziel, is 'er bij dezen
niet te vinden! een kundig mensch zal, in weerwil zijner gebreken, en in
weerwil van alle de gaven, waar mede de eerste door de natuur bevoorregt is,
den laatsten den palm toewijën.
Geen gereeder middel in 's Gravenhage, vervolgt gij, dan
den Franschen slag 'er over te leggen; dat is te rabbe-
| | | |
len,
zo snel als de adem door neus en mond kan vliegen: onverstaanbaar, en daarom
zonder fouten. Bestaat bij U, dat geen 't welk gij den Franschen
slag gelieft te noemen, in rabbelen en onverstaanbaar zijn? mijn arm
Heertje, waar dwaalt gij na toe? 't is wel te zien, dat gij even zo weinig in
het Fransch, als in het Hollandsch Tooneel bedreven zijt. Men vindt alhier in
's Gravenhage, noch wel lieden, die over het Tooneel zeer goed kunnen
oordeelen, en een Tooneelspeler zijn fouten noch wel eens durven zeggen; en,
schoon men hier met Apollo, den Pindus, den Parnassus en
de opbouw van Taal- en Dichtkunde zoo niet in de weer is, zouden gemelde lieden
evenwel zulken groove Fransche slagen in geen Tooneelspeler dulden: maar
hen wel durven wegfluiten. Het zijn dus wederom woorden, die gij uit eens
anders mond opgeschreven hebt, die van mijn eersten tijd sprak en tot de cabaal
van Punt behoorde.
Verders zegt gij: hij ontleend dan van eenige gemeene Fransche
Speelers een nieuwe manier, en ziet hun verder eenige postuuren af, die bij
geval eens met eenig handgeklap vereerd werden. Ik moet altoos lagchen, als
ik de lieden hoor zeggen, dat ik eene nieuwe manier van speelen heb
uitgevonden. 't Is armhartig geredeneerd, en toond de onnoozelheid en
onbedrevenheid, in Tooneelspel, onzer Natie duidelijk en klaar. Deze
zoogenaamde nieuwe manier, is al 100 Jaren en langer, voor onzen tijd, in de
waereld geweest; en Punt zelfs heeft in zijn eersten tijd, eer hij zich
van den Schouwburg begaf, in die manier gespeeld
*.
Naderhand kon men zijn spelen, eer | | | | zingen als spreken noemen, en
dit kon dus eer den naam van een nieuwe manier dragen, die 'er niet door kon
bij verstandige lieden, maar wel bij fanatiken in de poëzij: en bij jonge
uilskuikens. De oude Juffrouw Niewellon te Leyden, heeft mij eens de eer
aangedaan, van een gedeelte van de rol van Kassandra, in
Agamemnon, voor mij te reciteren: dit was in de manier, die gij mijn
Heertje, nieuw gelieft te noemen, en deze Dame was een Actrice van den ouden
tijd; maar ik heb het zoo goed in lange Jaren op ons Tooneel niet gehoord. Kon
ik het nu helpen, dat de Fransche Tooneelspelers juist op hetzelfde fondament
werkten, en in dezelfde manier speelden, en dat zulks goed was. Onnoozel
schepsel, die u tot Regter van de Tooneelspelers durft opwerpen, daar gij
mogelijk, als men u zelfs hoorde declameren, niet waard zoud zijn, dat 'er een
hond of kat, veel min een Mensch naar u luisterde! Al wat goede Fransche
Tooneelspelers doen, komt volkomen met de lessen, die wij in onze oude goede
Schrijvers vinden, overeen: en Shakespear toond in zijn Hamlet,
deze manier duidelijk aan; gevolglijk is ze vrij oud: daar is maar eene goede
manier door de geheele waereld. Ik heb Hollandsche, Fransche, Duitsche,
Engelsche en Spaan- | | | | sche Tooneelspelers gezien, en alle die goed
onder dezelve waren, speelden op een en dezelfde wijze; eenvoudig op de rede en
de natuur gegrond: zonder geweld: ferm en niet opsnijend in den valschen
zoogenoemden Hollandschen Heldentoon.
Pho, pha, tra, la, la, la, wilt mijne kracht bestieren, Fa,
foe, pief, poef, pi, pa, tra, la, la, la, lieren, welk gebulk ik, en al wie
kennis heeft met mij, voor narren werk aan zie. Wat de postuuren belangd, waar
van gij spreekt, die waren mijne eige, en die, welke ik van de Franschen
ontleend heb, waren beter als die, die bij ons te Amsterdam, ten dien tijde, in
gebruik waaren: en wie, die niet verwaand is, zal zijne gebreken koesteren, als
hij dezelve verbeteren kan? of zulks nu door Franschen, door Turken, of door
Heidenen geschied, is dat niet hetzelfde? Maar laat ons nu deze Fransche
Tooneelspelers eens beschouwen, die gij Heertje, met zoo veel verwaandheid,
gemeene durft te noemen. Een Beaumont, een Quinoit, een
Villeneuve, een Armant, een Cressant, een Dormont,
een Brochart, een Le Jeune, een Dallainville, een
Aufrene
*, en
meer anderen, wie talenten, alhier, bij die, die goede smaak bezitten, noch in
geheugen bewaard worden. Deze durft gij gemeene noemen? dit is rechte
Hollandsche onbeschaamdheid. Gij hebt die Lieden niet gekent, en durft hen
gemeene Tooneelspeelers noemen? U gantsche Parnas is niet in staat, om
een vierdepart der talenten van een der bovengenoemde Acteurs, op te
leveren.
Voorts, vervolgt gij, doet hij een reisje naar
Parijs; | | | |
en zie daar mijn Heer Corver verfranscht, en
bekwaam om rang te houden met Le Kain of Grandval. Mijn reisje naar Parijs
heeft mijne Hollandsche denkbeelden, noch verfranscht, noch bedurven: ik heb
'er echter meer goed als kwaad van behouden. Ik heb in deze groote Waereldstad
zeer stil geleeft: ik heb het grootste gedeelte van het schoone, 't welk daar
te zien is, gezien, en alle avonden mij in den Franschen Schouwburg bevonden;
laatende den Italiaanschen, waarin ik vrij entré had, en waar van ik
maar tweemaal gebruik gemaakt heb, betalende in de andere Schouwplaats, daar ik
eens door Le Kain met een plaats in 't Orquest vereerd ben. De
Tooneelspeeler de Hesse mijn Landgenoot, een Hollander, heeft mij ook
zeer veel beleefdheden gedaan. Deze Man sprak noch gebroken Hollandsch: wij
hebben bijna een gantschen dag niet als Hollandsch met elkanderen gesproken.
Hij had de Troup van Rendorp noch gekend; maar had ten opzicht der
Tooneelspelen, noch het bestieren en behandelen derzelven, gantsch niet veel op
onze Natie te roemen. Ik ben uit Parijs te rug gekeerd, vervult met veel goeds,
't welk ik 'er in dien korten tijd vergaard heb, en heb de Franschen hun kwaad
laten behouden. Recht het tegendeel hier in, met sommigen mijner Landgenooten
handelende, die het kwaad van Vrankrijk in ons Land komen inbrengen, en zich
ter naauwer nood om het goede bekreunen: dezulken kan men verfranscht noemen;
maar niemand heeft mij, in Vrankrijk of in ons Vaderland, daar blijken van zien
geven. Wat het ranghouden met Le Kain of met Grandval belangd,
waar zou dit toch hier te Land plaats kunnen vinden? dit spreekt zich zelf
tegen. Ik heb Grandval nooit gezien: hij speelde toen niet meer. Van
Le Kain weet ik te spreken: zijn Nero in Brittannicus zal
mij nooit vergeten: dien moest gij eens gezien hebben, mijn Heertje, dan zoudt
| | | | gij anders wegens de Tooneelspelers oordeelen, dan zoude al uw
wonderbaar en onbetaalbaar, al wilde gij 'er noch zes vokalen bij plakken, al
haaren klank verliezen. Nero door Le Kain, Burrus door
Brizard, Agrippina door Dumesnil, en Brittannicus
door Molé, is het schoonste dat ik in het Treurspel van mijn
leven gezien heb, of immer zien zal. Maar indien de bovengemelde Acteurs, ja
Garrik zelve, alhier het daglicht gezien hadden, zouden zij, nooit tot
die perfectie hebben kunnen komen, daar zij in hun Vaderland toe gekomen zijn;
de lust zoude hun wel ras benomen geweest zijn; zoo gaat het hier gemeenelijk,
maar al hadden zij, (zo als ik gedaan heb) door alle hinderpalen heen
geworsteld, en zich zo ver geperfectioneerd als in hun Vaderland, wat rang zoud
gij ze dan toegelegd hebben? eenige lof-dichten en 2000 gulden 's Jaars
inkoomen; (mits dat zij tot haar 70 of 80 jaar toe, als ze zo lang leefden, op
het Tooneel verscheenen) zou mogelijk al hunne belooning geweest zijn; en dan
moesten zij nog wel zorg dragen, van niet op te steken, want dan ging de
achting weg, (dit heeft Punt in het aanleggen van zijn Rijtuig
ondervonden,) en zo zij niet soepel en onderdanig voor de weetnieten geweest
waren, zoud gij hen op zijn Damices behandelt hebben. Dus is de rang,
die ik hier heb zien geven; en waar aan ik een exempel genomen heb, om voor al
geen rang te begeren.
Wanneer trouwloosheid heerscht, en de ondeugd word
verheeven,
Is 't eerlijk niet te staan na 't lastig
Staatsbewind.
Zegt Cato tot zijn Zoon in het Treurspel van dien naam, en
dit kan bij mij ten opzigt van 't Tooneel ook plaats vinden.
Wij kunnen echter niet nalaaten, vervolgt gij, hier onze
gissing voor te draagen, dat naar allen schijn de eerste Franschen, die hij
volgde, eene soort van Napolitaan-
| | | |
scheRochel moeten in de
keel gehad hebben, en dat hunne Leedemaaten insgelijks door een zoortgelijk
toeval moeten verstramt geweest zijn: anders is 't onmogelijk reden te geeven
van die schorre geluiden en gewrongene stuipen, die het voortreffelijkste
gedeelte van zijn nieuwe manier uitmaaken. Ik beken, vooreerst, dat gij
voorzigtig van de eerste Franschen spreekt, om de twee anderen van Parijs te
sparen. Gij zijt een slim diefje van een Schrijver, mijn Heertje! en ten
tweede, dat ik onbewust ben, welk geluit of wat voor wringing van stuipen, de
gevolgen van Napolitaansche Rochels zijn, als hebbende nooit het minste van
dien aart, in mijn gantsche leeven, aan de leden gehad. Ik zoude op mijn beurd,
ook mogen gissen, dat gij naar allen schijn, meer kundigheid van Napolitaansche
Rochels moet hebben, dan ik, wijl gij 'er zo mooi over kunt redeneren. Ik heb
op mijn 19 Jaar, aan de linkerzijde van de keel, een schorrigheid bekomen, door
het al te zwaar spelen van Claudius in de Minnenijd, in een
Societeit of Liefhebberij: men dacht dat ik dood bleef op het eind van het
tweede Bedrijf. Dit heeft mij zo lang werk verschaft, om mijne organe in order
te krijgen; maar ze heeft mij, sints ik uit Amsterdam vertrok, van tijd tot
tijd verlaten. Ik wil zulks niet verbergen, als weinig ter zaak doende. Wat
gewrongene stuipen en gebaarden belangd, die heb ik nooit gemaakt; daar toe
verstaa ik de Contrasten te wel, en kan noch te veel teekenen, om dit in
navolging van iemant over te nemen; dus lastert en liegt gij weder mijn
Heertje, op valsche berichten. Wat de nieuwe manier belangt, dit heb ik reeds
op pag. 158. verdedigd, en zal 'er dus van zwijgen.
Verders zegt gij, ook is hij in den Haage daar mede niet zeer
gelukkig geweest, maar heeft met zijne aangeworvene Leerlingen noch al moeten
reizen, naar
| | | |
Utrecht, naar Groningen, en
elders, daar men juist zo naauw niet zag. Wat oordeelt gij allerelendigst
van het Tooneel! deed ik dat, toen ik te Amsterdam speelde, ook niet? reisden
wij, in den Zomer, als wij slechts permissie konde bekomen, niet na Utrecht,
Dort, Rotterdam, Delfshaven en elders?
Ik heb hier in 's Hage, even als te Amsterdam, in de Winter gespeeld en mijn
bestaan gehad: in den beginnen geld gewonnen, en naderhand het 'er weder
bijgelegd; maar niemant is tot nog toe, bij mij een duit te kort gekomen. Wij
verzamelden, gelijk de Mieren ons Brood in den Zomer, dat wij 's Winters hier
in 's Hage opaten; en dus konden wij, al was het 100 Jaar achtereen geweest,
bestaan hebben; maar het vooroordeel dat in ons Land in de Jaren 1770, 1771 en
1772 heerschte, en daar ik op pag. 154. van gesproken heb, heeft mij een
nekslag gegeven, anders had ik door mijn manier van leven, in weerwil van allen
die mij kwaad wilden toebrengen, noch al wat gevordert. Ik weet wel, dat men
ten dien tijde te Amsterdam bij Uws gelijken, met ons reizen den spot dreef;
maar hoe schielijk was men om mijne aangeworvene Leerlingen, met groote
aanbiedingen, tot zich te trekken; wat waaren ze toen groot, en hoe was men 'er
mede ingenomen! Thans merk ik uit uw papier, dat dat hek bij u, ook al
verhangen is; geef maar tijd en zij zullen 't nog verder ondervinden. Ziet
men op die plaatsen in de Provintiën, zo naauw niet? Gij steld dan
Amsterdam alleen als Opperrechter van 't Tooneel, om dat zij Geld heeft om een
mooije houte Schouwburg op een groot Plein te bouwen, daar men gedurende het
spelen, alle half uren de kolk van de Leydsche Poort met zeer veel gratie kan
hooren slaan, en daar men, of 'er 's jaars te kort komt of niet, evenwel
betalen kan? daar mogelijk duizenden onnut | | | | verspild worden, die
wel besteed, van groot nut kosten zijn. Zie daar, al wat zij voor hebben; en
daarom zijn ze in dat werk, het verstandigste in uwe oogen. Men vindt hier, en
in de overige Steden, even als in Amsterdam, wel naauwziende Lieden, maar het
getal van Tooneelkenners is door gantsch Holland klein: in Amsterdam is het
schande, dat 'er zo weinig zijn, daar den Parnas en den Helikon door de
Dichters zoo opgebouwd word, doch dat hunne Speelers hen niet beter
onderwijzen, is onvergeefelijk. Wij speelden bij ons zo slordig niet, als ik u
in 't vervolg hoor klagen, dat men thans bij u doet, het zou niet door gegaan
hebben.
Maar toen de Vlieger, vervolgt gij, te Rotterdam opging,
wist hij zich daar behendig in te dringen: en dit, o tempora, o mores! dit was
de vernedering van den grooten Punt. Billijke verontwaardiging belet ons dit
verhaal te vervolgen. Dien inval van billijke verontwaardiging, dien gij
daar krijgt, versteekt ons mogelijk van vele schoone onwaarheden. Kon ik
Punt zoo maar op een sprong vernederen? dan was ik sterker dan hij. Maar
gij wilt, na ik merk, mij wel zo wat kladden aanwrijven, daar ik niet weet, dat
ik u of gij mij kent; Ik heb mij te Rotterdam niet ingedrongen, men heeft 'er
mij gevraagd, toen mijn volk te Amsterdam bij u lieden ging spelen; en al had
ik noch werkelijk mijn Troup gehad, zou dit evenwel hebben kunnen gebeuren. Ik
heb 'er nooit gesolliciteerd; maar zie hier mijn Heertje, hoe de zaak zich
heeft toegedragen. In de maand van Februarij 1774. bevond ik mij in het kleene
Schouwburgje van Erkelens, alwaar Sesostris gespeeld wierd. De
Commissarissen hoorende dat ik daar was, verzogten mij op hunne Kamer, alwaar
zij mij zeer minzaam ontvingen, en ik met hen een soort van conventie aanging,
om van wederzijden, geen volk van | | | | elkander, zonder schriftelijk
consent, buiten tijds te engageren. Bij die gelegenheid vroegen zij mij of ik
bij hun niet eens spelen wilde; waar voor ik bedankte, voorgevende, dat ik
zulks niet wel schikken kon: dat ik actueel in Leyden drie maal 's weeks, en
alle weken naar den Haag moest, alwaar de Duitschers mijn Tooneel occupeerden.
Dit bleef hier bij, en ik vertrok des anderen daags. In Maart of April kwam
Juffrouw van Thil bij mij te Leyden, en des avonds, onder het praten,
kwamen wij van hun Benefice, dat in April moest gegeven worden, te spreken; bij
welke gelegenheid zij mij vroeg, of ik in hetzelve wel zou willen spelen; waar
op ik ja antwoordde. Maar wat zoude het zijn? Gustavus zeide zij: en wat
het andere? de Dobbelaar. Ik vroeg wie de Hektor maakte:
Lindeman zeide zij: 't is wel zeide ik, ik zal het doen, en begeer 'er
niets voor, als vrij reiskosten en Logement. Dit zoude dan aangaan, en ik kreeg
van een der Commissarissen een brief, die het bevestigde. Ik maakte mij gereed;
ontbood mijn Gustavus kleedje uit 's Hage, en maakte mijn pakje klaar,
wanneer ik een tweeden brief ontfing, waar in gemelde Commissaris mij zeer
vriendelijk betuigde, dat de zaak geen voortgang kon hebben, dewijl Punt
volstrekt de Gustavus zelfs wilde spelen, en Spatzier 'er zich
ook tegen verzet had: in 't kort, dat het maar niet wezen kon; doch dat hij mij
verzogt, om de week na het Benefice den Glorieux te komen spelen: dat
het Commissarissen dan aanging, maar dat dit Benefices waaren, en dus de
Acteurs meester van de Spelen. Ik bedankte dien Heer vriendelijk voor zijn
presentatie, voorgevende, dat de Glorieux bij mij bij gebrek van de rol
van Pasquyn moest achter blijven, dat zij ook niemand voor die rol
hadden, en ik ook nu geen geneigdheid had om het te doen; en dus bleef het hier
bij. | | | | Ik dacht om Rotterdam niet meer; maar tegen Kermis verzogt
Juffrouw van Thil mij aan haar huis voor een of twee dagen, met mijn
Vrouw en Zoon; met bijvoeging, dat gemelde Heer Commissaris mij tot harent
wenschte te spreken. Wij begaven ons daar naar toe, en gemelde Heer verscheen
'er ook, en zei mij, dat hij gehoord hadt, dat ik wel genegen zoude zijn,
mij bij hen te engageren, en vroeg mij, of ik mijn dienst nu kwam
presenteren. Ik bekeek hem eens van onderen tot boven, en vroeg aan
Juffrouw van Thil, die in de Kamer tegenwoordig was, of zij dit aan
dien Heer gezegd had, waar op zij begon te lagchen, en tot hem zeide,
wat is dit? hebt gij mijn Heer, mij niet verzocht om aan Corver te
schrijven, dat gij hem over den Schouwburg wilde spreken, en vraagt gij nu, of
hij zijn dienst komt presenteren? dat is zoet. Ik vroeg, of hij mij
anders niet te zeggen had? toen kwam hij uit, en zeide, dat hij mij
gaarne, wijl ik nu leeg was, aan hun Tooneel wilde hebben, en of ik niet zoude
genegen zijn, om mij te engageren? ik antwoorde van neen, dat ik geen
gegageerde bij hun wilde wezen, maar wel eenige Rollen op zekere conditien
wilde spelen, twee maal per maand. Hier op begonnen wij van den prijs te
spreken, en raakten het eens, om twee maal per maand te spelen. Dit was 18
Spelen in de 9 Maanden, (want Zomers sloten zij 3 maanden,) dat ik mijn Spelen
zelfs zoude opgeven; dat ik benevens de Naspelen die zelfs zoude verdeelen: dat
ik mijne repetities van ieder Spel 3 maal zoude beleggen, en die alleen
regeeren; alsmede de uitvoering mijner Spelen, en zulks alles voor een somme
van 1400 guldens, mits mijn eige kleederen voor mijn lijf te leveren, en mijne
reiskosten heen en weder, benevens mijn Logement en Vertering, voor mijne
rekening te nemen. Deze overeenkomst ging aan, zonder schrift of handteekening,
op 't | | | | woord van eer; en wij zijn hem twee jaar getrouwelijk, aan
weerskanten, na gekomen. Op den 17 October deszelven jaars, verscheen ik het
eerst op het Theater van Erkelens, met de rol van Zamor om
Alzire. Men was mij sterk aan om met Punt te spelen; maar dit heb
ik niet willen doen, om redenen van het Benefice van de voorgaande maand April,
wijl ik wegens zijn narrig gedrag daar omtrent gehouden, niet ongevoelig was:
doch ik nam geen een stuk, waarin ik een rol van hem bezigde. Nero in
Brittannicus en Rhadamistus, zijn de eenige geweest, die ik,
eerst in het tweede Jaar, van hem gespeeld heb; anders had ik altijd stukken
van mijn Tooneel, dat echter voor de Tooneelspelers vrij lastig viel. Tot dus
verre, ziet gij mijn Heertje, dat ik Punt niet heb getracht te doen
vallen; hij had gelegenheid genoeg om tegens mij in te werken: ook was ik geen
nieuweling te Rotterdam, want ik had 'er lang voor dien tijd, en eer
Punt 'er ooit dagt te komen, al gespeeld. Nu moet tusschen beide komen,
om dit wel aan een te schakelen, 't geen gij op pag. 89. zegt, alwaar gij u dus
uit, na Rotterdam een pluimtje gegeven te hebben. Het kon dan ook niet
missen, of Punt, door zijn Etsnaald reeds overal beroemd, won hier door het
penceel, een aanzienlijk getal van braave en welmeenende Vrienden, wier
verkeering hem zo aangenaam was, dat hij 'er eenen geruimen tijd de
verdrietigheid van veele stribbelingen aan opofferde
*. Maar niets is zo
luisterscherp als het gedult van eenen man, die moed heeft. Tot eene vrij
groote maate laat het zich rekken en smeeden als goud: maar zo gij dan een hair
breed verder wilt, springt het
| | | |
van een, als het hardste
glas, zo ging het hier: Punt wierd eindelijk het sarren moede, en nam op een
ogenblik het onwrikbaar besluit om de Maasgoden voor altoos te verlaaten, en om
in zijn Geboortestad de Etsnaald wederom bij de hand te neemen, aan het geval
overlaatende hoe de zaaken van het Tooneel zich aan het Y zouden schikken.
Volgens dit u schrijven, schijnt het, dat Punt uit zich zelf den
Rotterdamschen Schouwburg verlaten heeft. Zie hier hoe het zich inderdaad heeft
toegedragen, ter neder gesteld. Punt ongeduldig, dat op de dagen wanneer
ik speelde, gemeenelijk het meeste Volk kwam, (dat niet meer als natuurlijk
was) liet zich ontvallen, dat, zoo hij maar 18 keeren in een Jaar speelde, men
zien zoude, dat als hij zijn stukken gaf, 'er bij hem ook wel Volk zou komen.
De Commissarissen dit van hem hoorende, en ziende dat den boel hoe langer hoe
verwarder wierd, verzocht een van hun, benevens een Geintresseerde, mij bij hen
te komen, alwaar men mij van de toestand des Schouwburgs opening gaf, en mij
vroeg, of ik raad wist om de zaken te herstellen? Ik antwoorde van ja, zo men
mij als bestuurder wilde aanstellen, en dat ik dan de zaak op mij zoude nemen;
hen teffens eenig licht gevende, op welk een wijs ik, als het zo ver was, het
zoude tragten aan te leggen: men zou 'er over spreken, en dus scheiden wij.
Onderwijl viel 'er tusschen de Commissarissen en Punt en zijn Vrouw, een
groote oneenigheid voor: Juffrouw Punt bedankte de Heeren, en heeft na
dien tijd niet weder gespeeld. Eenigen tijd daar na, droeg men mij het bestuur
over het Tooneel op; echter met bepaling en niet als volkomen bestuurder, de
handen waren mij eenigzints gebonden; en schoon ik voorhield, dat ik op zulk
een wijs geen groote verandering kon maken, zo moest 'er evenwel voor
Commissarissen ook werk | | | | overgelaten worden. Zie hier op wat voet
men mij aanstelde. De Commissarissen moesten de Troup engageren: alle maanden
moest ik met dezelven de Spelen, die in die maand vertoond zouden worden,
schikken: daar na kwam alles op mij aan: het verdeelen der rollen: de
Repetietien en alles wat verder aan de huishouding vast was, (exept de geld
ontfangst of uitgaven) de gantsche order van het Tooneelwerk, benevens het
spelen mijner rollen, enz. Punt wierd op 18 Spelen geengageerd; bleef
Castelein, en had vrije wooning. Men wilde mij de Casteleinsplaats ook geven:
doch dit sloeg ik af: want dan had ik een onderkruiper geweest, en men had mij
kunnen verwijten, dat ik hem uit zijn huis gezet had.
Ik trad dan in mijn emplooi op den 14 October 1776. ik ging aan 't
werk en begon bij trappen verandering te maken, maar moest wat doorstaan, eer
ik eenige vastigheid kon leggen. In het begin liet zich alles vrij wel aanzien,
maar het geen ik gewoon was, met mijne Troup, (daar alles op commando vloog) te
verrichten, was mij met deze niet mooglijk. Ik had met lieden te doen, die van
't Amsterdamsche Tooneel kwamen, en dus de subordonantie ongewoon. Ik bevond
dat ik met meer gemak een nieuwe Troup van de straat kon opraapen, en tot stand
brengen, als eene daar 't verderf reeds in zat en gekoestert was, te recht te
brengen: had ik het niet om het bestaan gedaan, ik had met het tweede jaar 'er
reeds van afgezien. Punt heeft in dien tijd, volgens zijne gewoonte,
onder de hand, veel kwaad gestookt, schoon wij vriendelijk met elkander
omgingen: maar wij waren beiden lang genoeg aan Amstels Schouwburg geweest, om
die Parnas staatkunde niet te verstaan. Men maakte Lasterschriften tegens mij;
enfin het begon het Amsterdamsche Spelletje van de jaren 1761. en 1762. weer te
worden. Ik hield mij | | | | stil, denkende, als 't mij verveeld, ga ik
heen: maar een der Commissarissen, een Vriend van Punt, die na dat
Punt al weg was, noch niet ophield, mij tord te doen, zich retireerende,
heb ik het volgende Jaar, met de drie Commissarissen, met welke ik nooit, zoo
als zij zelfs getuigen kunnen
†, eenige difficulteit gehad heb, het verder bestuurd. Maar had
ik de magt gehad, die ik in mijn troup had, ik zou in een Jaar den Schouwburg
in beter stand gebracht hebben, dan ik nu in drie Jaren heb kunnen te weeg
brengen. Als bij 30 Menschen, die ieder een stem hebben, iets moet besloten
worden, en de een voor die, en de andere voor die Spelers vooringenomen is, is
het zeer natuurlijk, dat zulks altijd schadelijk moet zijn, en 'er nooit goed
spel van te maken is, voor iemand die, met bepaling het bestuur aanvaart. In 't
eind, ik wierd, in het jaar 1776. meen ik, op een avond bij Commissarissen
ontboden, alwaar een van hen mij bekend maakten, dat hij, voornemens was
Punt te bedanken, en men vroeg 'er mijn advis over: ik antwoordde met
verbaastheid, dat men geen advis hier omtrent van mij verwachten moest: dat
ik 'er tegen protesteerde: dat men dien man zoude bederven. Waar op mij
geantwoord wierd, geschied het nu niet, dan zal het toekomende jaar vast
geschieden, en of ik den man een jaar vroeger of een jaar later bederf, ik moet
hem toch eindelijk bedanken. Spreekt 'er mij dan niet van, hervatte ik,
noch vraag mij 'er niet over, want ik moet u in dit point tegen staan. 't Is
wel, zeide hij, maar gedenkt gij wel, dat gij dan 18 keeren meer zult
moeten spelen? wat begeerd gij daar voor? ik antwoordde, dat is niet
zeker, want ik kan wel schikking maken, dat ik vrij ben; doch al moest ik 18
keeren meer spelen, begeer ik geen duit, | | | |
en wil van Punt
zijn schade, geen voordeel genieten: dit zoude ik als bloedgeld aanzien, en mij
zelven altijd verwijten. Hier op heeft men Punt eenige weken daar
na, tegens September 1777. bedankt als Speler, en als Castelein de verhuizing
aangezegd: hij stond, zoo als mij verhaald is, ten uitersten verbaasd: en zich
tot twee der Heeren keerende, die dezelfde waren, aan wie hij bij zijn komst te
Rotterdam zich geadresseerd hadt, zou hij zich dus geuit hebben: is dit nu
dat groote werk, zijn dit nu die beloften, die mij zoo schoon bij mijne komst
alhier voorgesteld zijn: 't is wel, ik zal vertrekken, en zich tot de
andere twee keerende: over u heb ik mij niet te beklagen! mijne Heeren! maar
u beiden, zeide hij tot de twee anderen, vordere ik ten jongsten dage
voor Gods Rechterstoel, wegens de onrechtvaardige handelswijs aan mij
betoond; zich verder voor de andere twee buigende, zeide hij, mijne
Heeren ik blijf uw dienaar; en verliet hier mede de Kamer. Zie hier mijn
Heer! hoe de zaak zich heeft toegedragen. Het is zuivre waarheid, die ik hier
ter neder stel, en bewijst dat ik Punt niet heb getracht te benadeelen,
noch in Amsterdam, noch in Rotterdam. Ik ben nooit van meening geweest iemand,
hoe genaamd, het brood te ontnemen, en zoude eer in staat zijn om een vijand,
zoo ik al wraak op hem begeerde, voor de vuist naar 't leven, als na zijn brood
te staan. Ik acht hem, die iemand op een eerlijke wijze ter nederlegt, minder
misdadig, dan hem die iemand in zijn bestaan benadeeld.
In de maand September 1777, vervolgt gij, nam hij zijn
afscheid met de rol van Ninus, in het beroemde Treurspel Semiramis. Is dat
bij u zulk een beroemd Treurspel? bij mij is 't maar even redelijk: de verzen
zijn goed, en het kan wel gespeeld worden, maar dat beroemd mocht 'er wel af,
ten zij gij het in vergelijking wilde brengen met een Margareta van
Henen-
| | | |
gouwen, een Aleid van Poelgeest, of diergelijke
meer; daar uwen Helicon thans wel van voorzien is; dan is 't zekerlijk een
meesterstuk. Ik heb Punt dat afscheid zien nemen; en de wijze op welke
hij op een na zijn laatsten regel, mijn bloed druipe op u kop, en spatte u
in 't gezicht, tegens Juffrouw van Thil, die Semiramis
speelde, uitsprak, gaf genoeg te kennen, dat hij haar in zijn hart, voor de
oorzaak van zijn ongeluk hield; en gevolglijk zal ik ook bij hem niet vrij
geweest zijn, schoon het niet waar is: maar de gantsche Troup had berouw, dat
ze Amsterdam verlaten hadden en hem gevolgd waaren, en dus zeer op hem te
onvreden, dat evenwel ook niet goed was, want bij den aanvang eener
onderneeming, is men nooit van den goeden uitslag verzekert: hier van heb ik
ook ondervinding, doch dat de Rotterdamsche Schouwburg aan 't kwijnen, na
zijn vertrek geraakt is, zoo als gij ter nedersteld, is onwaar; het ging en
bleef al op denzelfden voet als te vooren. In het jaar 1779, toen de Heeren
Geintrerseerden het besluit namen, om den Schouwburg te verhuren, bedankten de
drie Commissarissen nevens mij. Ik heb 'er, in het Jaar 1780. noch drie malen
in gespeeld, en sedert het einde van dat Jaar heeft men hem, op order van den
Dijkgraaf, gesloten; volgens het gebruik hier te Lande, daar men de Nationale
Tooneelspelers, als 'er Oorlog komt, schoon zij Burgers en goede Ingezetenen
zijn, die hun schot en lot gewillig opbrengen, de keel toebind.
Met de Dood van Spatzier, zegt gij, die in het jaar
1779. voorviel, gaf het Blijspel ook den geest, en dus is 'er niets
overgebleeven, dat de aandacht van Menschen, die eenigzints kundig zijn,
verdient. Dit is weer onwaar; Spatzier stierf den 9 September 1777.
en niet 1779. Gaf het Blijspel toen ook de geest? wij hebben evenwel, bij zijn
leven zelfs, wel | | | | Blijspelen gegeven, daar hij niet in speelde, en
die echter vrij goed gegeven wierden. Spatzier was buiten tegenspraak
Acteur; maar hij kon 'er somwijlen ook wel eens op toe hakken: en is 'er
niets meer der kundigen aandacht waardig, overgebleeven? wel des te beter,
dan kan ons Nationaal Spectakel, dat toch door 't gantsche Land bij de meeste
onzer landgenoten, die voor lieden van een verheven smaak willen doorgaan, met
afgunstige oogen beschouwd word, des te spoediger vernietigt worden; en dan zal
niemant als zulks volbracht is, zich door liefde voor hetzelve ongelukkig en
arm maken. 't Is doch nooit met ernst voorgestaan, maar altijd gedrukt, en de
Spelers zullen de schuld noch krijgen, daar het echter aan hen het minst
hapert: maar bij mij, moet men geen Metselaar gebruiken om het hair te
coiferen, noch geen Coifeur om den muur van een huis op te metselen; en dat is
hier het bederf, behalven nog vele andere zaken, te lang om hier ter neder te
stellen; doch die mij zeer wel en grondig bekend zijn. Ik denk dat gij mij wel
een weinig verstaat.
Nu verder op pag. 90. Bij den pragtigen bouw van den nieuwen
Amsterdamschen Schouwburg, dacht niemand, dat ook hier de bijkorf door vuige
hommels zoude onteerd worden, veel min dat de buitenspoorigste bastaardij dit
grootsch Tooneel, inderdaad de Waereldstad waardig, zo willekeurig beheerschen
zou. Ik antwoord hier op, dat die prachtige bouw van den nieuwen
Schouwburg, naar mijne gedachten geenzints zo veel ophef verdiend; een houte
tent mag men het noemen, die zich van buiten vrij wel voordoet; (het eenvoudig
Poortje van den ouden Schouwburg, dat op de Keizers gragt noch in wezen is,
stond mede gantsch niet kwaad) maar van binnen, daar eigentlijk het prachtige
zich moet | | | | opdoen, hoe is het daar toch mede gelegen? een Tooneel
dat wel circa twee voet te laag is: een Zaal, die zich eveneens opdoet, als of
hij geen gemeenschap met het Tooneel had
*, met straatklinkers de Bak bevloerd: de Gallerij aan
bruin-gecouleurde yzers hangende, die in een wit gestukadoort blafond als
pennen vast zitten
†. Is dit bij u zulk een prachtigen aanleg. Ik weet
waarachtig niet wat ik 'er van zeggen moet; dan gelijkt het wat bij u, en dan
weer niet met al, dat Poëtiesch pho, pha, dat blijft u toch bij: prachtig!
trots! grootsch! enz. zulke benamingen, aan dingen die Amsterdam betreffen, te
geven is bij u lieden dagelijks werk: en als men het eens ter deeg beschouwd,
valt het doorgaans zoo deerlijk af dat men 'er om lachen moet. Als gij van iets
grootsch in uwe Stad wilt spreken, spreek dan van Uwlieder Stadhuis, dat is
waarachtig grootsch van binnen en buiten; dat is het ware: als het nu moest
gebouwd worden, zoude het, geloof ik, vrij wat schelen; zulk eene bouwkunde te
conserveren en voort te planten, heeft men verwaarloost, en 't komt nimmer
weer. Wat nu de vuige hommels belangd, daar gij van spreekt, wel! daar
is uw Bijkorf altijd vol van geweest, en wij hadden gemeenlijk meer zoogenaamde
hommels als bijen: uw Bijkorf is niets anders gewend: de bastaardij is
'er al voor 80 Jaar geweest, en ziet gij die nu voor 't eerst? ik heb ze 'er
altijd gezien. Neen Heertje, u grootsch Tooneel, gelijk gij het noemt, is
altijd wel mildelijk met bastaardij gezegend geweest.
Verders zegt gij, maar toen de Schouwburg gereed stond, was het
getij verloopen, om na goede Speelers om te
| | | |
zien. 't
Is om te lagchen! gij zoud het Nageslagt wel trachten wijs te maaken, dat men
hier ook, even als te Londen of Parijs, goede Tooneelspelers kan ontbieden van
den eenen Troup of den anderen. gijlieden zijt 'er knapen na! het acteeren is
ook zeer eigen aan u lieden. Goede Spelers zegt gij? waren dan alle, die na
Rotterdam vertrokken, goede Spelers? Als 'er bij u een goed Tooneelspeler komt,
is hij vast binnen een of twee Jaaren zoo ver te rug gegaan, als hij bij mij in
zeven vorderen kon. Zuiderhout is mijn getuigen. Wat duivels spelen
is dat? zeide ik, toen ik zijn Haripon in de Belagchelijke
Hoofsche Juffers gezien had. Ja Baas, zeide hij, zo als hij mij
gemeenlijk plag te noemen, ik weet het wel, 't is vermalledijt slegt, en
hier zegt men dat het mooi is: maar had gij mijn Hector in den Dobbelaar
gezien; gij zoud mij waardig geoordeeld hebben, om met voeten van 't Tooneel
getrapt te worden. Wel gij hebt, zeide ik, die rol bij mij vrij goed
gespeeld. En wilt gij, antwoordde hij, dat ik dat hier te Amsterdam
zoude doen? ik had een Valerius naast mijn zij, die waardig was, om als een
Hond, met een steen om zijn hals, in de Keizers gragt verzopen te worden; en
echter heb ik buiten gemeen voldaan, de Regenten waren zoo te vreden, o wat was
ik een Knaap! maar als ik naast uwe zijde zoo gespeeld had, duizend vloeken had
ik voor eerst van u gehad; ja gij had waarachtig de Kattepoot
*, gelijk in de Belegering van Haarlem, toen ik dien mooijen Tijd
in de Vertooning maakte, met de zweep na gezeten. en een jaar daar aan,
zeide hij te Utrecht tegen mij, o Baas! ik ben God betert al bedorven; ik
zal nooit een goed Acteur worden; wat helsch Theater is dat? maar wij hebben
een oud Mans posje, ik word wel betaald, en al doe ik het noch zoo slegt, het
is altijd mooi. | | | | mij verder de belagchelijkste dingen ter
waereld verhaalende.
Men nam, vervolgt gij, uit overmoed de slechtsten die
zich aanboden; ten naasten bij overeenkomstig met het gedrag van die trotsche
schoonheden, die zo lang zij van braave Minnaars omringd worden, ongevoelig
zijn, en eindelijk met een Landlooper doorgaan. Door deze geestige
vergelijking, geeft gij uwen Schouwburg een steek, door zijne bestuurders een
heimelijk verwijt toe te brengen, als of zij landlopers van Comedianten
aangenomen hadden. Ik weet wel, dat men bij het grootste gedeelte des
Burgerstands, ja zelf wel bij Grooten, die niet beter weten, de reizende
Tooneelspelers voor landloopers uitmaakt. Toen ik jong was, heb ik altijd
Duim en Punt hooren prijzen, om dat zij, des Zomers, niet mede
uit reizen gingen; en de anderen altijd met verachting, om die reden, zien
beschouwen. Maar waarom waren Juffrouw Jordaan, Adriana Maas,
de Ridder, Brinkman, Spatzier, Punt zijn eerste
Vrouw en anderen, minder, om dat ze te Haarlem,
Leyden, Delfshaven, Alkmaar,
Zaandam, ja op Texel zelf, in den tijd dat de
Schouwburg te Amsterdam al geopend was, (daar dan de Regenten de
stukken naar schikten, om hen tijd te geven) speelden, landloopers, en minder
als Duim of Punt? Deze beiden hadden meer waard geweest als ze
gereist hadden. Was de oude Bor geen bereisd Acteur? en deed van der
Sluis zijn Zoon in Parijs in 't Dansen niet formeren? zoo uwe stelling
doorgaat om reizende Tooneelspelers bij landloopers te vergelijken, zijn
Garrik, Le Kain, en al de groote Acteurs en Actrices van Londen
en Parijs, landloopers geweest; want die hebben altemaal gereist. En wat u
zeggen belangd, dat men uit overmoed de slechtste die zich aanboden,
aannam; zulks is onwaar: men heeft moeiten genoeg gedaan, om drie, die zich
bij | | | | mij bevonden, door beloften en meer geld, van mij af te
troonen, daar twee Gecommiteerden van uw Parnas, met Rijtuig twee à
driemaal om te Leyden kwamen, zoo dat die hen zelf zochten, maar zij geenzints
zich aanboden; en had ik 'er met mijn Troup niet geweest, dan had uw' Apollo
met zijn Parnas-nimphen zich wel bezig mogen houden met, tusschen de schermen
van zijnen Helikon, wat op en neer wandelen: ook heeft een uwer Regenten, ten
dien tijde mij ook wel willen betuigen, dat men, zonder mijn Volk, niet voort
gekend hadt.
Waarschijnlijk vervolgt gij, heeft men zich het bekende
zeggen van een oud Regent herinnerd, die bij zekere gelegenheid wat gemelijk
zijnde, te kennen gaf, dat het zijns oordeels even goed zou gaan, al speelde
men met Aapen. en waarom noemt gij dezen Regent niet? Ieder bijna te
Amsterdam, weet dit zeggen van wijlen den Heer J. de Marre: ik heb het
hem zelfs wel hooren zeggen: dit raakte de aanschouwers, dewijl die meest met
Aapenvertooningen ingenomen waren, en dit zeggen strekte waarlijk het publiek
van Amsterdam tot geen eer. De Heer de Marre
bezat oordeel: hij was Dichter, geen prullig Rijmelaar: zijne Werken kunnen van
hem spreken, en zijne Jacoba van Beyeren is noch al geen van de minste
eige vindingen; het kan 'er door: ook wist hij wel wat bekwaamheid een Aap
bezat, om iemant te vermaken, dewijl hij, zo 't mij niet ontgaan is, tien
reizen naar het Aapenland gedaan had.
Verders vervolgt gij, men nam 'er de proef op; en toen dat vrij
wel ging, stak men 'er, om 't noch fraaier te maaken, twee menschen onder,
namenlijk Duim en Juffrouw Bouhon. Hier hoond gij Uwe Tooneelspelers door
een laagen scherts, en door een vooringenomenheid ten voordeele van Duim
en Juffrouw Bouhon: gij | | | | maakt hen allen, behalven de twee
laastgenoemden voor Aapen uit; maar zoudt gij 't wel vriendelijk opnemen,
wanneer deze Tooneelspelers uw eens reden afvergden? en u vroegen, of gij hen
uit de Bak, Loges, Gallerij of Staanplaats, met Aapenoogen beschouwde, en hen
dus voor uws gelijken aanzag? 't kan aan uw gezicht en gehoor ook haperen. Toen
deze Lieden eerst aan het Amsterdams Tooneel kwamen, heb ik hen met Juffrouw
Bouhon en Duim zien spelen, en ik kon niet bemerken, dat deze zoo
sterk bij hun afstaken, dat de twee laatste na menschen, en de anderen naar
Aapen geleken: het onderscheid was niet groot, ik heb in geen vier of vijf
Jaren in Amsterdam geweest
*, en kan dus van ulieder tegenwoordige Spelers en Speeleressen
niet oordelen; doch zoo de oude stelling 'er noch plaats heeft, moeten ze
zeker, zoo zij bij hunne komst aldaar iets goed bezaten, veel van hun talent
verloren hebben, zulks is een vaste regel, want als het maar een weinig
redelijk is, bederft men de menschen terstond door loftuitingen; en men geeft
hen dadelijk zaken te bewerken, waarvan zij geen het minste begrip hebben, of
immer kunnen krijgen. Wat zeg ik: heeft men wel immer den Schouwburg zonder
Apenspel in Amsterdam kunnen voort krijgen, of doen bestaan? ten minsten in
geen 40 of 50 Jaren. Zoude men bij u de Min in 't Lazarus Huis wel
willen zien, indien dit Blijspel (dat vrij goed is, als 't maar wel gespeeld
word) door geen Aapenkuren ontsierd wierd? op een balk die op twee | | | |
schragen legt als op een koord te dansen: Lieden als door betoovering stil te
doen staan, en dan het aanzigt met stroop te besmeren, en daar veren in te
plakken, en honderd gekhedens noch lager als op de stellaadjes voor de Spellen
te maken, doen immers uwe Stadgenoten met meenigte naar den Schouwburg loopen;
en deze Aapenkuuren zijn zoo ruchtbaar in ons Land, dat, waar ik het gemelde
Stuk gespeeld heb, ik altijd genoodzaakt was, die gekheid te volgen, wilde ik
geld met het zelve ontfangen: ja ik maakte het hoe langer hoe gekker, in hoop
dat het publiek 'er een walg van zou krijgen: ik heb zelf in 't gemelde Spel
een levendigen Os, in zekere Stad, op het Tooneel gebracht; die door
Marten en Klaasje laten verloten; en het Volk kwam waarachtig om
den Os te zien. Op het laatst wierd ik het moede, en liet 'er alhier, in 's
Hage, al die Aapespellen uit, en speelde het stuk eenvoudig; maar toen wilde
het niet vlotten: zoo zeer is dat Blijspel in uw Amsterdam bedurven, dat 'er
geen Stad in Holland is, daar men van de Min in 't Lazarushuis hoort
spreken, of men vraagd terstond na de zoogenaamde Panthomimes. Het stuk zelf
wordt door weinige verstaan; ik heb het op 't laatst van mijn Tooneel gebannen,
als willende niet langer een vrij goed Spel zien rabraken, en door aperijen
bederven: maar op uwen Helicon houden die Aapenkuuren noch al stand: moogelijk
behoord dit ook onder den opbouw van Taal- en Dichtkunde, en het kan wel zijn
dat die fraaijigheden mijn begrip te boven gaan. Het geheugd mij, dat ik de
Toverijen van Armida eens zeven maal, te Amsterdam, achtereen heb helpen
rabraken: ik heb 'er Loges zien verhuren, enkel om den Aap te zien, die door
het Kind van Schmit zeer aardig gemaakt wierd: de gantsche Stad was vol
van het Aapje in Armida; ja men kwam bij het uiteinde van het Spel met
heele Gezelschappen achter het Tooneel | | | | het Aapje visite geven: de
Dames riepen, dat is een lief Aapje! kijk kijk wat een aardig Aapje! kom
hier Aapje, kom bij mij! de arme Jongen liep des Avonds ten tien uuren noch
in zijn Apenpakje, de complimenten van zijn Aapenkuren ontvangen, en kwam 'er
zoo nat als water uit. Dus ziet gij mijn Heer, dat men altijd te Amsterdam
sterk voor Aaperijen geweest is; en als deze Toneelspelers, die gij voor Aapen
neemt, waarlijk Aapen waren, dunkt mij, dat zij aan de meenigte voldoen
moesten: dat is de regte trant zeggen ze dan.
Wat de roep van Juvenalis belangd, die gij hier op laat
volgen, daar op kan ik u niet antwoorden, wijl ik geen Latijn versta.
Maar die Aapenstudie was echter verre van de algemeene
goedkeuring weg te draagen, zegt gij. De goedkeuring moet dan binnen een
Jaar 4 of 5. vermindert wezen, want ik hoorde altijd voor gemelde jaren,
wanneer ik in uwen Schouwburg was, zeggen, dat is heerlijk! dat is superber
Mân Heer! wat speeld hij, of zij, dat groots! ja ik hoorde 'er eens
een in de Bak zeggen, dat is Goddelijk gespeeld! en de Duivel haal mij,
als het meer als even redelijk was: het hek moet dan tot uwent vrij wat
verhangen wezen. Maar ik heb bij ondervinding bespeurd, dat men in veele zaken
hier te Land, wel eens de scêne van Dares met de Beer uit
Armida speeld: Eerst dans de Beer met Dares in 't
vriendelijke, en naderhand hangt hij hem aan de galg. Zoo dikwijls ik iets
toepasselijk hier op zie gebeuren, vallen mij altijd de regels van Dares
in:
Och! is 'er geen gena? Flus danste gij met mij,
Nu wurgt gij mij, de Beul is niet zo wreed als gij.
| | | | trouwens dit is iets dat aan alle Staatsformen eigen
schijnt te zijn. Die van Athenen, Sparte en Romen hebben van die
Beerendanssen ook al blijken gegeven, schoon men ten dien tijde van geen
Toverijen van Armida wist.
Daar is zelfs een beklaaglijk verval der Toneelpoëzije uit
ontstaan, vervolgt gij. Vergeef het mij! het verval der
Tooneelpoëzije, heeft al over jaren een aanvang genomen. Bij het oprechten
van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum, heeft Antonides
zich 'er reeds van beklaagd: lees zijn Marzias, en zie hoe hij daar in
dat Kunstgenootschap havend. Echter hebben zij noch veel goeds bewaart, en
onder hunne eigen vindingen, zijn goede werken: de Gelijke Tweelingen
kan men een fraai stuk werks noemen, schoon men 'er nu de neus voor optrekt en
zegt, het is zoo laag van taal. Hij die kennis van goede Tooneelstukken
heeft, zal het ver boven de Menechmen van Regnard stellen: en
hunne vertalingen zijn beter voor 't Tooneel als de hedendaagsche, zij zijn
voor de Spelers en Aanschouwers geschreven, en niet om in een Cabinet
geëxamineerd en gelikt te worden, zoo als thans vele Dichtertjes doen, die
beter voor Schoolpedanten, als voor Poëeten kunnen doorgaan. De stukken,
onder de spreuk: Latet quoque utilitas, zijn minder dan die van Vondel en Hoofd;
maar men had die evenwel meer behooren te conserveren. Naderhand is het al bij
trappen vermindert; en thans is het zoo ver, dat men versen, zonder gedachten
kan maken. 't Tooneel poëtiseeren wordt thans een gekkespel, en zulks is
dat groote legioen zoogenaamde Dichters, maar geensints de Tooneelspeelers te
wijten.
Zeker Dichter, kwam voor eenige jaren, dat ik naar zekere plaats
met de trekschuit voer, van een Buitenplaats, bij mij in de Roef stappen; hij
nam afscheid op den kant van den wal van een ander voornaam Dichter, en begon
mij, zoo dra hij gezeten was, zijne verrukking over een vers, dat hij zeide zoo
even gele- | | | | zen te hebben, mede te deelen. Mijn Heer, zeide
hij, ik kom daar van de Buitenplaats van de Heer *****, zijn Ed. heeft mij
een vaers voorgelezen, dat overheerlijk schoon is, vol geest en vuur, superbe!
superbe! ik vroeg, waar het over handelde? dat mag ik niet zeggen,
zeide hij; in 't eerst, toen hij het voor mij begon te lezen, dacht ik, dat
komt op de Gerechtigheid! maar een weinig daar na, dacht ik, neen het is de
Godsdienst! maar weer een weinig verder, dacht ik, het is de Staatkunde! in 't
eind, mijn Heer, weet dat die Heer al over de vier hondert vaerzen met leezen
gevordert was, eer ik noch wist, wat den inhoud van het vaers zoude zijn, of
waar op het uit zoude komen: maar het is een heerlijk vaers! 't is al wat
schoon in poëzij kan gezegt worden! het zal na alle gedachten in druk
komen, maar dan zult gij verwondert staan! Ik had werk om mijn lagchen in
te houden, en dagt een gedicht, waar van men na vier hondert regels gelezen te
hebben, nog niets verstaat, dat moet al iets wonders wezen, het is vast een
nieuwe smaak in de poëzij, om onverstaanbaar te zijn. Wat dunkt u van
zulke Dichtstukken, mijn Heer? is dat nu de Dichtkunst verheffen of den nek
breken?
Verders vervolgt gij op pag. 91. toen wij Punt ten tweedemaale
op het Amsterdamsch Tooneel zagen verschynen, merkten wij aan dat zijne
voortreflijke manier veele braave Dichters ontfonkte en aanmoedigde, om den
Schouwburg met eenig Kunstjuweel te verrijken. (dit heb ik op pag. 117.
reeds wederlegt) Na de opening van het nieuw Tooneel, is vlak het omgekeerde
gebeurd. Mij dunkt dat, na de opening, 'er meer nieuwe stukken in zes, als
bij Punt zijn tijd, in tien jaren gegeven zijn. Onze grote Dichteres
Juffrouw van Winter, zulk een omkeer niet verwachtende, vervolgt gij,
heeft wel willen toestaan, dat men het Tooneel inwijde met haaren Jacob
Simonsz. de Rijk: maar zij is 'er zelve niet eens tegenwoordig geweest, en
heeft
| | | |
sedert nimmer getoond eenig belang in de uitvoering
van haare Tooneelstukken te stellen. Dit is waarlijk zeer slecht van die
Dichteres gedaan, indien het zoo is als gij hier ter neder stelt: zij had niet
alleen bij het vertoonen, maar zelfs op alle de repetieties behooren
tegenwoordig te zijn, om, zoo zij eenige kennis van de uitvoering had, hare
ordres te geven, maar niet moeten toonen, dat zij 'er geen belang in stelde.
Welk een voorbeeld voor de Tooneelspelers, als de Dichter of Dichteres, Zijn of
Haar Spel met onverschilligheid behandelt! wat zullen dan de Tooneelspeelsters
doen, die 'er geen eigendom aan hebben? dit is eveneens als of men zijne
Kinderen den Beul overleeverde. Als de Dichter of Dichteres geen kennis van de
Tooneeluitvoering heeft, is het een ander zaak. Feitama kwam wel degelijk op de Repetities van zijne
stukken, en zeide ons, hoe hij gaarne hadt dat wij ons uitdrukken zouden.
Men heeft ook na dien tijd, zegt gij, weinige
Treurspelen zien te voorschijn koomen, daar de heldentoon in heerscht. In
wat Land komen die thans te voorschijn? sedert Gaston en Baiard, is 'er
geen een schoon Treurspel in Vrankrijk uitgekomen, als voor vier jaren
Oedipe chez Adméte
*; men heeft 'er geen Corneille
noch Voltaire meer: en bij ons kan ik, sedert
hondert jaren en langer, geen eigen vindingen noemen, die veel zeggen willen.
Onze Tooneel-Dichters zijn te schoolmeesteragtig, en durven niet toetasten, om,
zo als Vondel deed, de waarheid te zeggen: 't zijn niets dan mooije
opgesmukte woorden, zonder zaken, die men thans voor den dag brengt. Wij hebben
van den Heer van Haaren, | | | | Drie
nagelaten Stukken, die hij tot proeven geeft en die zeer goed zijn; maar men
heeft tot noch toe, niemant op dien voet zien volgen. Ik heb gemelde Stukken
direct doen spelen, zoo als dezelve uitkwamen; maar wat trokken een meenigte
Liefhebbers hunne neuzen op. Men riep, welke vaerzen! welke vaerzen! hoe
kunt gijlieden die van buiten leeren? waar op ik antwoorde, dat wij Agon
Sultan van Bantam, in veertien dagen geleert hadden, hoe is het moogelijk!
zeiden zij, ik zoude zulke vaerzen in 't hoofd niet kunnen krijgen, en hoe
kunt gijlieden ze noch zo glad uitspreken? Zonder moeiten, was ons
antwoord, ze vallen van zelf; het zijn zaken, en geen woorden. Vergelijk
de oudste Dichters van ons Land, eens bij de hedendaagsche Rijmertjes, welk een
onderscheid! Neemt Spiegels Hertsspiegel, en lees (in taal daar men nu om
lagchen zoude) de schoonste en zinrijkste zaken, die waardig zijn met die der
grootste Dichters van andere Landen gelijk gesteld te worden, ja die hen
somwijlen overtreffen. Het is waar, 'er is tegenwoordig een algemeen verval,
bij alle Natien, ten opzigte van het nationaal caracter zelve, en dit heeft
zijn invloed op de Dichtkunst, zoo wel als op andere zaken: het is als of men
overal in zielskracht vermindert is: zij is reeds sints hondert jaren van
langzamerhand gesleten, en het zal noch wel hondert jaren lijden, eer zij weder
in haar ouden stand komt, zoo 't immer gebeurd. Maar, vervolgt gij,
men geeft meest burgerlijk mengelmoes van jammerklachten en laffe
boerterijen, 't welk men den naam van Drames geeft; als of het woord Drama, 't
geen niets anders betekend, dan handeling of bedrijf, door een verborgen kragt
eene lichaam kon verwarmen, 't geen in zich zelve bont en blaauw is van
koude. Ik weet niet wat men tot uwent in vier of vijf jaren gegeven heeft,
maar wij hebben te Rotterdam twee Drames van Mercier gegeven, die
een zeer goeden uitslag hadden. | | | | Spreek met zo veel partijdigheid
niet van dit soort van Toneelstukken: zij zijn goed, al wat men 'er tegen zegt,
steund op zwakke gronden; en het is belagchelijk, dat men een Graaf van
Olsbach, een Deserteur uit Kinderliefde, en meer Hoogduitsche
Tooneelspellen, allen met den naam van Drames bestempelt, om dat ze in
den Spectatoriaten Schouwburg in Proza te vinden zijn, even als of men een stuk
dat men den tijtel van Drame geven wil, in geen verzen zou mogen
schrijven. Punt had het te Rotterdam, even zoo zeer op de Drames
geladen, als voor dezen op de nieuwe Habits a la Grecque. Dit was wel
een teeken, dat hij een al te straffe bepaling, omtrent de Treurspelen maakte,
maar de afgunst had 'er haar deel al vrij wat in; want hij kon in deze dingen
niet werken, even zoo min als in de stukken van Destouches of anderen
van dien aard; gelijk de Wedergevonden Zoon, en de Marquis in
Melanide, 'er bewijzen van uitgelevert hebben, en derhalven had hij
gaarne al dat werk van 't Tooneel gebannen; dit was zelfbelang, en dus op geen
reden gegrond. De wijs waar op gij van de Drames spreekt, schijnt
dezelfde te zijn, die de overleedene in zijn tijd daar omtrent gebruikt heeft;
het laatste gedeelte daar van echter uitgezondert: de beteekenis die gij van
het woord Drama geeft, is gegrond, en een ieder, die den naam van
Tooneelkenner wil dragen, behoord die te weeten, en zoo ver had Punt in
't Tooneelwerk niet gewroet. Een zeker fransch Acteur zeide voor zes jaaren,
van de Drames van Mercier met mij sprekende, en ik eenigen
derzelven goedkeurende, foei mijn Heer, men spuuwd te Parijs van de Drames
van Mercier. Ik antwoorde, dat zulks geen bewijs was, dat ze daarom niet
goed waren: en voor twee jaaren met een ander Acteur daar over sprekende,
zeide deze, men haat de Drames van Mercier te Parijs, | | | |
om dat zij de waarheid zeggen, en den Menschen hun character schilderen zoo
als ze zijn, en zulks wil men thans aldaar niet dulden: maar er zijn goede
dingen onder, en Mercier treft hen al zeer fel. Is l'Ecole des
Moeurs, ou les Suites du Libertinage, niet om die reden met de
eerste representatie te Parijs gevallen? en hebben beide de vertalers, die van
het zedelijk Tooneel, die het in proza gebracht en daar door zeer ontluistert
heeft, en die, die het zoo godsjammerlijk in Verzen vertaald heeft, hebben die
beide zeg ik, de Claus van Duling, daar hij zegt, nos Laïs,
elevant des superbes portique enz.... niet bedektelijk vertaald ja de
laatstgenoemden
* heeft die mooie reden van de Geolier op een
allerongepermitteerdste wijze vertaald; en dus is het publiek van twee fraaie
brokken in dit Stuk verstoken; waarschijnlijk om den een of den ander, die 't
geweten zou voelen ontwaken, niet te mishagen, of geene galante Dames te
vertoornen
†. Maar ik
zoude het gemelde stuk, als 'er die twee zaken afgelaten waren, om die reden
bij mij geweigert hebben te doen spelen, al had ik 'er schade bij gehad.
Wanneer het Tooneelspel niet aan het ware oogmerk, voldoen mag, is het geen
beziens waard: en of het een Treurspel, of Blijspel, of een zoogenaamde
Drame is, die men ten Tooneele voert, zulks is hetzelfde, als het stuk
maar goed is. Het is zeker, dat, hoe zeer men zich enkel op mooije woorden en
cierlijke uitdrukkingen moge toeleggen, men zich over twee hondert jaren, toch
al weer anders zal uitdrukken, en dan, even als nu, zeggen, dat de taal veel
verbeterd is, en deze, die wij tegenwoordig spreken, ouwer- | | | | wets
noemen. De goede denkbeelden, kunnen wel uit een vervallen taal opgedolven
worden; maar uit mooije woorden zonder gedachten, is niets te haalen.
Op pag. 92. zegt gij, wie eenig genoegen heeft genoomen in de
beginselen, welke wij omtrent het midden van dit werkje voordroegen, zal van de
tegenwoordige gesteltenis der zaaken in geen opzicht gunstig kunnen denken.
Maar om te begrijpen, hoe 't eene vergrijp uit het ander geboren werd, moet men
deze Horzelen zelve hunnen roem hooren uitbrommen. Zij alleen treffen de
Natuur: zij alleen beweegen het hart; zij alleen bezitten den goeden smaak. Weg
met den Heldentoon, die ons in slaap zingt; weg met gladde en gepolijste
vaerzen. Zal de poëzij draaglijk zijn, zij moet u bij kris en bij kras in
de ooren knerzen; zij moet stijf, lam, en verminkt zijn, als in de Dood van
Calas, en in de oude vertaling van den Cid. Wat spreekt men noch van Pompejus,
Horatius, Artistomenes? Ouwerwetsche wiegdeunen! het verkrachten van eene
enkele Hoogduitsche Freule, of het Arkebuzeeren van een gemeen Soldaat, is
duizentmaal verheevener dan alle die beschimmelde Roomsche en Grieksche
Staatzaken. Galg en rad, en geesselpaalen op het Tooneel; dan zou de schreeuw
der natuur eerst in zijne kracht gehoord worden, en haare cabrioolen zouden
veel meer af doen, dan de stijve deftigheid van Augustus op zijnen Keizerlijken
Troon. Deze redeneeringen zijn zot, en hen die dezelve voeren, zie ik, met
alle kundigen, voor weetnieten aan. Zij die den Heldentoon verwerpen, verstaan
gemeenlijk denzelven niet; en om die reden vallen ze 'er bij in slaap. Hij die
lamme en stijve, voor gepolijste verzen verkiest, toond een elendigen smaak:
maar gepolijste verzen zonder ziel, zijn noch elendiger als ongepolijste daar
ziel in zit. Ik ben het niet met u eens wegens de ver- | | | | oude
vertaling van den Cid: maar volkomen in het gevoelen van A. Pels, die, in zijn Gebruik en Misbruik des
Tooneels, aldus redeneert:
Het speeld alleenlijk niet voor de ooren, nóch voor de
oogen;
Maar voor de ziel, die, door dat voorbeeld
opgetoogen,
Onweetend neiging krijgt tót vólging van een'
deugd,
Die zij in anderen beschouwt met zulk een' vreugd.
Ik weet, wat reên daar zijn dit spél te
wederspreeken;
'k Weet, dat de Dichter zélf zijn spél van veel
gebreeken
Beschuldigt; wat men van de Taal zégt, Rijm, én
Stijl,
Die de Overzetter met geen Roffel, 'k zwijg een'
vijl,
Heeft overloopen; én 'k bekén, het
déê geen hinder,
Als dat wat nétter waar'; maar daar het meerder, 't
minder,
Zo krachtig overweegt, daar keurt men om het zoet,
't Geen onze geest geniet, dat minder, zacht voor
goet.
en verder zegt hij:
En schoon het juist in Taal, én stijl, én rijm
zo nét
En zuiver, als 't behoord, niet over is gezét,
Men weete, eer dat men spreek' tot nadeel, óf
verkleining
Van de overzétting, dat nooit 's Overzétters
meining
Geweest is, met het spél te geeven in de druk,
Het oordeel van élk een te noden op zijn stuk;
Maar dat hij 't Eerst' Bedrijf ter loop heeft
opgeslagen
Een' Juffer te gevalle, én onder 't wérk
behaagen
Tót voort te vaaren kreeg; zo dat hij tót het
énd,
Gelijk men wandeld in gedachten is belend;
Dat zints, een afschrift hém stilzwijgend zijnde
ontnomen,
Het voort in 't licht, én op de Schouwburg is
gekoomen;
Waarom de laatste hand daar aan niet is
gelégd,
En échter is het nóch verachtelijk, nóch
slécht.
Neen zéker; want zo sléchts ter vlucht
vertaald, én jachtig,
Is 't heel natuur'lijk, klaar, verstaan'lijk, én zeer
krachtig;
| | | |
Ja zo, dat niemand licht zou durven
onderstaan
de hand aan 't schaaven, én veranderen te
slaan;
Of die het waagde, zou 't van veel' voornaame gaaven,
Daar 't nu méé pronkt, misschien berooven door
't verschaaven.
Dit zijn mede mijne gedachten wegens de vertaling van den
Cid, door den Raadsheer Heemskerk: ik heb die verzen zoo
meenigmaal, zo stijf als ze zijn, wel doen rollen op den overledenen
Schouwburg, zelfs eer ik nog zoo ver in 't declameren was, als ik naderhand
gekomen ben; en door den Cid, ben ik, op raad van den Heer J.J.
Mauricius, die, toen ik Rodrigo voor het eerst mijns levens speelde,
in den Schouwburg tegenswoordig was, aan het bestuderen der Fransche
Tooneelspelers gegaan, 't geen zijn Ed. hoognoodzakelijk voor alle onze
Tooneelspelers vond, berispende Punt en Duim wegens hun onwil in
dit stuk, hen hier omtrent van waanwijsheid beschuldigden.
Wat verder belangd, Pompejus, Horatius,
Aristomenes voor ouderwetsche wiegdeunen uit te maken, zulks is het werk
van dwaze weetnieten. Maar kan men die stukken thans wel redelijker wijs ten
Tooneele voeren? tot de twee eerstgenoemden hoort vrij wat bekwaamheid, en ik
voor mij zou ze liever van 't Tooneel laten, als zien rabraken. Om de
Cornelia en Caezar in Pompejus, wel uit te voeren, wordt
veel vereischt: ik heb 'er hier voor reeds van gesproken en tot de
Horatius wordt ruim zoo veel als tot het eerste gevordert. Ik heb aan
Fransche Acteurs dikwijls gevraagd, of ze de rol van Sabina, in het
gemelde Stuk, ooit goed hadden zien spelen? zij antwoorde mij ja, door
Dumimil, (en dit wil ik wel gelooven) maar meer noemden zij 'er niet. Ik
zou het mijns oordeels billijker vinden om het publiek, met het verkrachten van
eene Hoogduit-
| | | |
scheFreule, of met het Arkebuseren van een
gemeen Soldaat te amuseren, en dit wel te vertoonen, als het werk van een
Corneille, of ander groot Dichter, te rabraken. waarom zou een minnaar
van schilderijen, weigeren zijn Cabinet met stukken van de Wit, van
Troost, van ten Compe en diergelijke Meesters te voorzien, om dat
hij die van Raphaël en Michel Angelo niet machtig kan
worden? weet gij wel mijn Heer, dat men, om in de stukken van Corneille
wel te spelen, met Corneille moet denken; en deze denkbeelden zijn thans
niet gemeen: de hedendaagsche denkenswijs is in 't algemeen vrij wat beneden
dat waare gedaalt: met Racine kan men noch even denken; en ik zou het
niet voor zoo onmogelijk houden, dat Vrankrijk weder een Racine
verwekte: maar aan een Corneille zou ik sterk twijffelen.
Het geen gij van galg en rad en geesselpalen
op het Tooneel, zegt, is eene onnoodige recommandatie. Het Amsterdamsche
Tooneel is altijd daar wel van voorzien geweest. In het Beleg van Leyden
zag men immers; zelfs in dien konstminnenden tijd, daar gij zo van
schreeuwt, de galg, het rad, de geesselpaal,
hangen, branden, onthoofden: en in Egmond en Hoorn,
hebt gij immers het Schavot, met twee Onthoofde Schepsels 'er op,
de koppen op pennen, en tot meer cieraad de galg, die 'er gantsch
niet bij te pas komt, ook op 't Schavot. En in Armida een
galg met een put, zeer statieus, daar Dares aan brokken
afvalt, en dan weder levendig uit den put springt. En in Hester
hangt Haman immers in volle orde aan de galg. Dus mijn Heer, roep
om geen galgen of raderen meer; het Tooneel tot uwent is 'er,
mijns dunkens, rijkelijk van voorzien: ik geloof niet dat het hier in zijn
weerga licht zal vinden: 't is mede al een van de staaltjes van goeden smaak
uwer Stadgenoten.
Wat nu de stijve deftigheid van Augustus op zijn
Kei-
| | | |
zerlijken Troon betreft; ik weet niet, dat mij een
stuk bekend is, waarin deze Keizer op zijn Troon verschijnd. Ik weet wel dat
Duim, in vroeger jaren, volgens order en gewoonte, in Cinna, als
Augustus op den Troon zat, 't welk vrij gek en belagchelijk stond: maar
ik hoor dat men zulks tegenswoordig verbeterd heeft, en dat men zich van
Stoelen bediend, 't geen oneindig beter is: maar anders weet ik niet, waar
Augustus op zijn Troon in eenig stuk te pas komt; en wat zijn stijve
deftigheid belangd, waarom moet die Man nu stijf wezen, om deftig te
zijn? Gij zoud ons al wonderlijke denkbeelden van de oude volkeren, zoo wij
niet beter wisten, trachten in te boezemen.
Nu verder, op pag. 93. vervolgt gij, ja, Heeren! men moest een
prijs uitschrijven voor den Rymelaar, die het afgrijzelijk Treurspel van George
Barnwell, in de stijfste vaerzen, die mooglijk zijn, wist te stellen, mits de
rechtspleeging in alle haare omstandigheden niet vergeetende, dat werd een
kolfje naar uw hand. Met uw believen, Heertje! ik weet beter kolfje; het
Treurspel van George Barnwell is te goed, ten minsten 'er is te veel
goed in, om in verzen gebragt te worden, en dat zou het even zo zeer, van zijn
waar goed berooven, als de Deserteur van Mercier, de Graaf van
Olsbach van Brandes, de Doriman, en Melanide, en de
Adelaart van Mercier, en om kort te gaan, al wat van Prosa
en Verzen gebracht, op uw Toneel vertoond word; en dat mede geen kleine
grondslag van verderf voor de Toneelspelers is, en hunne natuurlijke gaven en
talenten in den grond vernield. Zie hier een beter weg; neemt het Fransch
Tooneelstukje, genaamt la Vertu Rouée, daar kunt gij mede leven
zoo als gij wilt, dewijl gij de open plaatzen maar hebt in te vullen, en dan
groeid het van | | | | zelf, tot al wat gij 'er van gelieft te maken, en
de plaatjes, die 'er in zijn, wijzen u aan, dat het op rabraken en 't schavot
uit moet komen
*, Dit stukje is met voordagt
in Vrankrijk gemaakt, om de Rijmelaartjes werk te verschaffen.
Verders zegt gij, want zeker! gij treft de Natuur, juist;
gelijk menze op 't Fransche Pad ontmoet: gij beweegd het hart, maar tot
erberming; gij hebt smaak gelijk Ravens en Nachtuilen gehoor hebben; en in
kiesheid evenaard gij den kunstenaar, die ten tijde van Keizer Karel een Orgel
toestelde van maauwende Katten, ieder bij den Staart aan eene Koorde vast
gemaakt; welke Koorden hij zeer kunstig door bijzondere Clavieren trok, en dus
met afwisseling van geluiden, een allerijsselijksten Sabbath wist aan te
rechten. Hoe jammer is 't dat men die kunst niet meer bezit: anders zou het
Orkest insgelijks met eene nieuwe manier, die van het Tooneel volkomen waardig,
mogen pronken. Dit is weer niet anders dan schelden. Hoe komt het denkbeeld
van het Fransche Pad, bij den Deserteur van Mercier en bij
Wilhelmina van Blondheim te pas? komen de hartstogten die in dezen
gemelde Spelen voorkomen, met Fransche Pads denkenswijze overeen? het een is
uit het Hoogduitsch; en het andere uit het Fransch. Gij zijt weer aan 't
kolderen. Maar wat het Orgel van maauwende Katten aangaat, gij hoeft daar over
niet te jammeren, die kunst is noch werkelijk in wezen; en men heeft buiten
Rotterdam op den Binneweg, op Kermis, voor eenige jaren, dezelve noch
geoeffent; en toen de Kermis om was, bond de Directeur elke Kat een knappen
steen om den hals, en verdronk | | | | hen, een voor een, in de Vest; zij
hadden hem, die week zijn bestaan verschaft, en dus leefde hij 'er mede, zoo
als men hier te land veeltijds met Spectakelwerk gewoon is te doen: ook denk ik
dat zulk een Orkest noch wel te bekomen zoude zijn.
Verder zegt gij, wat dunkt u, lieve Leezer! indien Apollo noch
dezelfde strengheid had als voordeezen, zou hij deze schenders van zijn
Lauwerwoud niet tot dezelfde straf verwijzen, die men de Boomschenders aan den
gemeenen weg waardig acht, om ze vervolgens naar de Bierkelders en
Paruikwinkels, daar zij beter passen, te doen verhuizen. Uw Apollo,
antwoorde ik, heeft zijn recht van gestrengheid in dit geval voor lang al
verbeurd; want sedert hij heeft toegestaan dat zijne Thalia en
Melpomene van ordentelijke Meisjes, genoegzaam publieke Hoeren, ban al
wie maar de hengste bron tracht te naderen, zijn geworden, behoorde Sinjeur
Apollo zelf wat op zijn tabernakel te krijgen, dewijl men hem, in plaats
van hem met eer te bewierooken, thans niet hooger dan een Maquereau van de
Zanggodinnen moet achten.
Dus gaat gij voort. Toen de
Heer Punt wederom
teAmsterdam gekomen was, wenschte alle Dichters en verstandige
Liefhebbers, even vuurig, dat hij terstond op het nieuw Tooneel verschijnen
mogt; niet twijfelende of hij zou als eene rijzende Zon, al dat nachtgespuis
doen weg kruipen. De verstandige Liefhebbers, waar van gij hier spreekt,
toonden, mijns oordeels, hun verstand niet zeer, met een Man van bij de 69 jaar
* nog weer te willen | | | | vergen, om, in
qualiteit van eersten Acteur in 't Treurspel, het Tooneel te beklimmen: als
zulks voor verstandig kan doorgaan, zal 'er het gezond oordeel echter mijns
dunkens aan ontbreken. En Punt zou dan alles wat gij nachtgespuis
gelieft te noemen, hebben doen weg kruipen, zoo dra hij weer ten Tooneele
verscheen! Punt was evenwel geen Tooneeldichter dat ik weet: en als
Speler geloove ik dat hij 'er groot verdriet bij zou over gewonnen hebben,
zonder iets te vorderen. Maar zoo deze Dichters en verstandige Liefhebbers iets
loffelijks en edels voor dezen ouden Treurspeler hadden willen verrichten,
hadden zij bij Gecommitteerden van den Schouwburg moeten te weeg brengen, dat
die den Schouwburg 's jaarlijks, zoo lang Punt leefde, op twee aparte
avonden, hun lieden verhuurd hadden, (even als voor dezen, aan Frederick
met zijne Kinderen gedaan is) en dan hadden zij twee Spelen moeten verkiezen,
daar zij de Spelers, die zij daar toe noodig hadden, voor hadden moeten
betalen, zoo die zulks voor niet niet wilden doen, als mede de overige kosten
voor hunne rekening genomen en dan Punt geen rol hebben laten spelen,
maar tusschen het Voor- en Naspel een vers uitVondel, Hoogvliet,
Smits of eenig ander beroemd en braaf Dichter
hebben laten reciteren, en hem de geheele ontfangst, vrij en onbelast van alle
kosten laten toekomen als een Benefice. Dit zou veel eer voor deze Liefhebbers
en voor de Stad Amsterdam geweest zijn. Maar een Man van 69 Jaar te willen
vergen, om, al was het maar veertig maal in 't jaar of minder,
* dan een Orestes, dan een | | | |
Don Louis,
dan een Herodes, of iets diergelijks te willen doen spelen, is, zo 't
mij voorkomt, onder pretext van hem gaarne te willen zien en hem veel te
flatteren, gelegenheid zoeken, om hem na de andere waereld te zenden; om zich
dus op een poliete wijs van hem te ontslaan: mij dunkt dat een beker vergift,
veel spoediger uitwerking zou doen, en voor zulk een Man ruim zoo aangenaam zou
zijn. Toen de Engelsche Directeur Fisher, die geen groot Tooneelspeler
was, van mij alhier met zijn Troup naar Duinkerken vertrok, werd hij
aldaar geruineerd: hij begaf zich van daar naar Londen, zoo mij verhaald is, en
kwam bij Garrick zijn ouden vriend, die, na dat hij hem zijne reizen na
Rusland, Zeeland, Holland en Duinkerken had hooren
verhalen, tot hem zeide, mijn goede Fisher, het komt mij voor, dat gij maar
gantsch niet breed met uw finantie staat? Fisher antwoorde hem, dat hij
een geruïneerd man was; waarop Garrik zeide, kom, kom, zulks
moet niet wezen; in de aanstaande week moet uwe Vrouw een Benefice op ons
Tooneel voor haar profijt geven; ik zal in hetzelve spelen, en wij zullen u wel
redden. Dit wierd verricht, en Fisher was met deze eene
representatie geborgen. Zie mijn Heer, dit is edelmoedig, en zoo als 't
behoort: maar soortgelijke zaken, zijn hier te Land, omtrent Tooneelspelers
onbekend. Twee hondert jaren, zeide de Hoogduitsche Directeur Abt,
zullen 'er verloopen eer onze Natie wel over 't Tooneel zal leeren denken.
Wat het weeklijks Gezelschap van fraaie geesten tot zijnent te Amsterdam
betreft, waar van gij verder spreekt, hier van heb ik wel gehoord, doch weet
'er met waarheid niets van te zeggen; ik zal mij dus hier over niet uitlaten.
Uwe aanmerkingen, die gij verder, op pag. 94, wegens de burgerlijke Treurspelen
maakt, zijn niet volkomen gegrond: vooreerst kan ik niet zien, dat de voortgang
der smaak van die | | | | stukken, den ondergang onzer poëzij na
zich zal sleepen. Wij kunnen op onze Tooneelpoëzij niet roemen, mijn
Heertje! wij hebben tegenwoordig wel braave Dichters, dit erken ik volkomen,
maar rechte Tooneel-Poëten hebben wij sints zestig jaren niet gehad. De
stukken van Juffrouw van Merken, als mede eenige andere van
onderscheiden Dichters, veracht ik niet; daar is veel goeds in, en men had die
sedert den tijd, datze het daglicht zagen, al moeten afgespeeld hebben, om dus
een voorbeeld tot opwekking voor anderen te geven; dan zou 'er mooglijk, door
den tijd, noch wel iets uitmuntends voor den dag komen. Maar de teugel en zweep
der Staatkunde, regeert zoo wel den geest der Dichteren, als die der
Geestelijken. Een Dichter die vrij durft denken, en die gedachten durft uiten,
op reden gegrond, is een waar Dichter,
Hij veracht het vluchtig heeden,
Hij steund op de uitspraak van den Nazaat, die gewis
Een Rechter zonder gunst en zonder afgunst is.
*.
Gelijk ik reeds gezegt heb, de Proeven der Tooneelspelen van
van Haren, wijzen de jonge Dichters
den weg: maar zoo lang de Poëten hunnen tijd verleuteren met Drames
van Proza in Verzen en van Verzen in Proza, dat ik
beide even gek vind, te herscheppen; of stukken, die voor lang reeds
vertaald zijn, om zijn bekwaamheid in woordsmedinge en
Spelkunst te toonen, noch eens te vertalen, zal 'er niet veel
goeds op onzen Helicon te voorschijn komen, ten minsten niets dat
het oude zeer nabij komt; en dus zullen zij niet meer doen, dan de Vossen
van Esopus, die aan het glas likken, daar de wijsheid in verborgen is, en die
door de klaarheid van het
| | | |
glas gezien kan worden.
Moliere moest zich met Tabarijn veeltijds vermengen om aan de
denkenswijs van zijn tijd te voldoen; Regnart heeft zich van dat spoor
allengs verwijdert: maar Destouches heeft den hoek te boven gezeild.
Mercier en Falbaire verwerpt men tegens reden, om dat zij de
pleisters der verzeerde wonden dreigen af te zullen rukken; en om die reden
schijnt men weder tot den Spaanschen smaak over te willen gaan, waar van
de Barbier de Seville en Le Mariage de Figaro, al bewijzen van
zijn: maar, nog de Burgerlijke Treurspelen, noch het spelen in prosa, van
Blijspelen of Drames, ja de kleine Opera zelf, dat vergift voor de ziel van 't
ware Tooneelspel, zal ooit magtig worden het Treurspel te onderdrukken, als men
maar een Vondel, een Hooft, een Corneille, een Schakespear, een Voltaire of een Lessing kan doen te voorschijn komen: goede
Tooneeldichters en goede Spelers en Speleressen, om het wel uit te voeren,
moeten 'er zijn, en zoo het dan niet de Triumph behaald, verbeur ik mijn hoofd:
maar zonder dit, het met geweld te willen doen behagen, zal altijd naar de Maan
gegrepen zijn. Het geen gij verder over deze stof schrijft, is al te dikwils
herhaald, en men kan duidelijk zien, dat 'er niets dan afgunst in al dat
schrijven plaats heeft. Dichters die gaarne gebrom hooren, noemen brommende
vaerzen, poëzij, schoon ze niet eens kunnen voelen of een Speler die
valsch of goed declameerd, en 'er de minste kennis niet van hebben. Deze
verdienen door de Tooneelspelers slechts knollen voor citroenen in de hand
gestopt te worden: maar ware Dichters moeten door de Spelers geeerbiedigd
worden, en zij moeten niet te groots zijn, om van hun onderwijs, als 't goed
is, te profiteren; men is, in wat kunst het zij, nooit volleerd: maar men moet
nooit trachten een zaak al te mooi te willen maken; | | | | zulks maakt
altijd buitensporigheid; goed is altijd genoeg, en volmaaktheid word door den
tijd onvolmaaktheid, wijl Momus in 't volmaakte zelfs gebrek zal
zoeken.
Op pag. 100. en 101. maakt gij een laatste lofreden voor
Punt; dit, gelijk u geheele vertoog, heeft veel overeenkomst met een
Lijkpreek; ik zal die hier niet dan gedeeltelijk ter nederstellen. Gij zegt,
drie dingen verstond hij niet, veinzen, vleijen en kruipen. Wat
het veinzen belangd, hij was Tooneelspeler, en men zou u hier kunnen
antwoorden, 't geen Michaud in la partie de Chasse de Henry
Quatre antwoord, daar deze zegt, dat hij nooit Liegt, queu chien de
conte! ne vit a la Cour, & ca c'a ment jamais! eh! c'est mentir ca. Gij
hebt geen kennis van 't Tooneelspelers leven, en zoo gij onder het Dichterdom
thuis mocht hooren mijn Heer, behoorde gij voor al te weten, dat een
Schouwburgist zonder een weinig de Veinskunst te bezitten, 'er niet door
kan komen; ten minsten was het te Amsterdam in mijn tijd aan den Schouwburg dus
gesteld: alles was met Veinzerij vervult. Een Vleijer was hij
eigentlijk niet, maar hij zogt tog altijd zijne meerderen te behagen en hunne
achting te verkrijgen; en Kruipen kan ik niet zeggen, dat ik ooit bij
hem waargenomen heb, doch op het laatst van zijn leven, heeft hij zich somtijds
al wonderlijk moeten krommen, voor een Man van talent.
Hij bezat, zegt gij verder, de grootmoedigheid van een
Vorst, de schranderheid van een Wijsgeer, de deugden van een Burger; en niets
van een Hoveling dan den bevalligen zwier. Ik denk dat ik hier door
Vorstelijke Grootmoedigheid het Tooneelvorstelijke moet verstaan,
dat ons door de Dichters voorgeschreven word: bij voorbeeld; Augustus,
die een heele slegte knaap is geweest, komt in Cinna grootmoedig voor.
Punt
| | | | bezat wezenlijk Grootmoedigheden, die hij door
een innerlijken trek tot Glorie in zich ontsteken had, maar het zou noch
te bezien geweest zijn, of hij dezelve wel zoude bezeten hebben, als het lot
hem een hooger geboorte gegeven had.
De Vorsten, opgewiegd in ledige overdaad,
Gekitteld door 't ontzag, dat elk hen blijken laat,
Vermaaken zich alleen in 't Hofgevlei te hooren,
En leenen zelden aan verdrukte waarheid de ooren,
......zo somtijds verdienste, door geluk,
Eens deele in zijne gunst, en daar de vrucht van
plukk',
Straks ziet men de afgunst en bedrog met listig pogen
Tot haren ondergang vereenen hun vermoogen,
De Vorst bij trappen voelt zijn argwaan meer en meer,
En uit de twijfling stort hij in de dwaling
neêr.
Zegt Belizarius in het Treurspel van dien naam, en dus denk
ik, dat gij, omtrent Punt die grootmoedigheid, die de Dichters
gemeenlijk den Vorsten gewoon zijn toeteeigenen, bedoeld.
Wat de schranderheid van een Wijsgeer betreft, die gij hem
toeschrijft, vergeef mij mijn Heer! hij wist niets van de Wijsbegeerte,
en hij kwam ook in zijn denkenswijs met geen een Wijsgeer overeen:
wanneer 'er al eens over de oude Philosophie geredeneerd wierd, hadt hij het
'er niet breed op; en vooral niet op de schoone stellingen der
Stoïcijnen: hoe zeer hij het character van Cato achtte, hadt
hij echter in zijn Wysbegeerte het grootste behagen niet.
Wat de deugden van een Burger belangd, 't is waar, deze
bezat hij bijna, zoo als een Republicain die behoord te bezitten: reken
ook dat hij in 't jaar 1711. geboren was, en dus, schoon de oude Hollandsche
rondheid al rijkelijk achtkantig was geworden, 't welk ik hier voor reeds
gezegt heb, eene opvoeding, zeer verschillende van den tegenswoordigen tijd,
hadt genoten: dat men ten | | | | dien tijde de Kinderen beter
indruksels, als tegenswoordig, gaf: dat 'er minder geest, en meer gezond
vernuft onder den Burger huisvestede, dat men in 't algemeen bij alle
Lieden, nog schaamte zag regeren, en dat men nog menschen vond, die alle rampen
met een sterke ziel wisten aftewijzen; dien hun lagen burgerstand, verhevener
als Vorsten dachten, en waarlijk deugdzaam waren: de Vader van Duim, die
eerwaardige Grijsaart, die ik als mijn buurman vele jaren gekend heb, strekte
daar van een waarachtig voorbeeld.
Maar gij zegt, dat hij de bevallige zwier van een Hoveling
had. Tot een bewijs daar van diend, dat Punt, in den jare 1768. aan
't Hof in 't Hage in commissie gezonden, om bij den Stadhouder te vernemen, wat
zijn Hoogheid zou gelieven te verkiezen, dat men bij zijne komst in den
Schouwburg te Amsterdam vertoonen zoude, zoo dra hij boven in de Kamer was, hem
door een lakei, die hem niet kon, een deur die naar eene andere Kamer ging,
geopend wierd, daar hij goedschiks door zou getreden hebben; maar een andere
bedienden, die hem kende, sloot dezelve weder toe, en verzocht hem, in de Kamer
daar hij zich bevond, des Prinsen komst af te wachten: de lakei verder aan het
schuifraam met den anderen sprekende, vroeg wie die Heer was, voor wien hij de
deur, die hij geopend had, weder toesloot: deze berichte hem, dat het
Punt, een Tooneelspeler van Amsterdam was, waarop de lakei antwoordde:
Ik heb dien Heer voor een Heer uit Noord-Holland genomen, en daarom
opende ik de Porte Brizé. Zie mijn Heer, dit toond aan, dat gij
in de bevallige Hoveling-zwier, welke gij aan Punt toeschrijft,
mis hebt
*.
| | | | Nu verder, voorts is de kloekheid van zijn
welgemaakt lichaam, zijne reizige gestalte, zijn achtbaar gelaat, benevens die
heldere en doordringende Arendsoogen, lichtelijk te vinden, in de uitbeelding
van Achilles door zijne eige hand, waar van wij reeds hebben gesprooken. Noch
twee afbeeldsels gaan 'er van hem uit in zwarte konst, die hem ook geenzints
verloochenen: een in 't groot, door Ardell te Londen, naar de Schilderij van G.
van der Mijn, en een ander dat kleinder is, door Greenwood. Ik voeg 'er
noch een bij, voor 't welke hij nooit gezeten heeft; ik heb het te
Dordrecht in den Doele gezien; of het 'er noch in wezen is, is mij
onbewust; ik heb aldaar, voor eenige jaren, eenige Schilderijen, zijnde de
Pourtraiten van Burgers en Schutters, beschouwende, onder anderen het
afbeeldsel van een Vaendrig gevonden, die, in het vertrek komende, een Brief
aan den ouden Jacob de Wit, die aan een Tafel
gezeten is, overgeeft: deze Vaendrig is in houding, gelaat en alles, zoo
volmaakt het afbeeldsel van Punt, als of hij 'er zelf voor gezeten hadt;
zoo dat 'er in de voorgaande eeuw een Man moet geweest zijn, die hem volkomen
in gedaante en postuur geleek. Van 't geen gij ons verder van 's Mans einde
voorsteld, weet ik niets te zeggen, als alleen dat hij gelukkig geweest is, dat
de dood hem bevrijd heeft van weder op het Tooneel te verschijnen: ik durf
staande houden, dat hij 'er meer nadeel als voordeel door zoude zou hebben;
want de spotternij van eenige jonge Lieden, had hij voor eerst niet kunnen
ontwijken, en boven dien zouden 'er moglijk honderden zaken geweest zijn, die
hem het overige van zijn leven in alle droefheid zouden hebben doen
doorbrengen: ik verbeel mij dat het hem zou berouwd hebben, als hij het gedaan
had.
Zie hier mijn Heer, al het geen ik noodig geacht heb, | | | | u, benevens het gantsche publiek, bekent te maaken; eensdeels, om u,
en het zelve, te doen zien, dat gij zeer kwalijk onderricht zijt; en ten
anderen, om dat gij mij onrechtvaardig aangevallen, en met lastertaal bespot
hebt, 't welk, schoon ik zulks wel meer gewoon ben gedaan te zijn, ik echter
hier verplicht was af te keeren, dewijl gij een Levensbeschrijver en geen
paskwilmaker zijt: aan lieden van het laatste soort, zou ik mij niet kreunen;
ik zou hen niet verwaardigen te antwoorden.
Nu noch een woord, wegens den Ajax in Palamedes,
waar van ik op pag. 50 gewag gemaakt heb, 't welk tot een bewijs zal strekken,
dat Punt, in zijn eersten tijd, op dezelfde wijze, bij mij altijd in
gebruik gebleven, gespeeld heeft.
Eenigen tijd, na dat ik, zo als op pag. 50. staat, de rol van
Ajax in Palamedes voor Punt gereciteerd had, wanneer hij
tot mij zeide, hou maar op, het deugd niet met al: vond ik op een van
onze werktafels, onder eenige boeken, die daar gemeenlijk lagen, een J. v.
Vondels
Palamedes; ik nam hem zonder erg in de hand, en de
rol van Ajax, in het vierde bedrijf, opslaande, zag ik, met
verwondering, de gantsche rol met inkt aangehaald; en het wit papier, buiten
den druk, hier en daar, met zeer kleine letters beschreven: ik las dezelve met
veel nieuwsgierigheid, en bevond, dat het een volmaakte les was, van de wijze
op welke men deze schoone verzen declameren moest. Ik was verblijd mijn Heer!
zoo als gij denken kunt; deze les was van geene onkundige hand, en zeer
duidelijk en klaar, doch echter zeer eenvoudig opgesteld. Ik nam dit boekje des
avonds mede na mijn huis, en begon 'er zoo vlijtig in te studeren, dat ik het
binnen weinig dagen volkomen meester was; en het is nog zoo vast in mijn
hersenen geprent, dat ik het nooit vergeten zal. Eenigen tijd hier na, een
zeker Joodsch Heer, die bij | | | | ons het Teekenen leerde, mij op een
middag verzoekende, (dewijl hij mij nooit had hooren declameren) dat ik iets
voor hem reciteren zoude, en Punt dit toestaande, begon ik dezen
Ajax op te zeggen. Punt luisterde scherp, en toen ik voleind had,
zeide hij dat is zoo goed als 't gedaan kan worden; maar waar heb gij dat van
daan gehaald? ik antwoorde dat ik 'er op gestudeert en het dus gevonden had;
maar verzweeg hem dat ik met zijn kalf geploegd had; doch in 't vervolg van
tijd heb ik het hem ontdekt. Deze les heeft mij een groote handleiding gegeven.
Hier uit kunt gij duidelijk zien mijn Heer, dat Punt in dien tijd, even
in dezelfde manier waar ik spele, gespeeld heeft. De gantsche muziek van het
vers, die ik vast vertrouw van den Heer de Roode's werk geweest te zijn,
was als proza, en zo na aan de natuur, en de denkenswijze van Vondel in
deze rol verknocht, dat het niet anders wezen kan, of Vondel zou, zoo hij in wezen was geweest, gezegd
hebben, het moet niet anders uitgedrukt worden: zoo begeer ik het, en zoo
heb ik het gemeend. Ik heb mij verder op dat voetspoor geoeffend, en ben
daar in onderwezen: het komt overeen met de lessen van Michiel la
Faucheur; en ik kan niet helpen dat de Franschen die ook navolgen. Dit
goede Boekje, voor de Redenaars geschreven, is uit het Fransch vertaald, en 'er
zijn eenige Lessen voor den Predikstoel en de Pleitbank van Professor
Francius, achter gevoegd: ook komt het overeen met het geen Justus van Effen in een zijner Vertogen in den
Hollandschen Spectator zegt; als mede met het geen
Schakespear in zijn Hamlet, wegens de Tooneelspelers ons leert;
met het geen Dorat ons zegt, ja met de Verhevenheid des Stijls van
Longinus zelve, zoo dit nu, zoo als gij mij toebijt, een Franschen slag
moet genoemd worden, en bij u een dwaling heten moet, zal ik mij | | | |
maar getroosten met alle de bovengenoemden te dwalen, en al dwalende mijn leven
te slijten, liever als een zoogenaamden Hollandschen slag van u of uws gelijken
uitgevonden, aan te nemen. Ik reken het mij tot eer, dat zelfs twee
Theologanten, waar van 'er noch een in leven is, zich niet geschaamd hebben,
van in deze mijne manier, in de Preekkunst, door mij, op den Predikstoel,
weeklijks, bij de zes maanden lang, te laten onderwijzen; waar voor zij mij ook
voldaan hebben. Wanneer ik studeer, bestudeer ik altijd mijn orgineel; en een
uit het Fransch vertaald stuk, van wie het ook zij, confronteer ik altijd, zoo
ver ik de taal versta, tegens zijn orgineel; niet in de verzen, maar in de
gedachten: ik zoek in mijn Moedertaal, de gedachten van Corneille,
Racine, Voltaire, of wie het weezen mag, mijnen aanschouwer, zoo
veel mij mooglijk is, voor te dragen; en schik mijne declamatie na 't caracter
dat ik verbeelden moet, en verder na de scheiteekens mij voorgeschreven, en ik
ben van gevoelen dat deze mijne studie op goede gronden steunt. Als ik de
Gusman in Alzire op denzelven toon als de Zamor wilde
declameren, zou het immers gekken werk zijn? de eene is een Spanjaard en de
andere een Amerikaan: schoon Voltaire hen beide Fransch, en Feitama hen beide Hollandsch doen spreken, moeten de
Spelers met hun toonval of gebaarden hen geen van beide, noch tot Franschen,
nog tot Hollandschen maken, zal het goed werk zijn. Al dat zot geroep, het
is onze Hollandsche trant niet, en onze Verzen moeten klinken, acht ik niet
hooger als Ezels gebalk en Spreeuwen gesnap. het zou even fraai zijn die snaken
gehoor te geven, als of een Schilder, bij voorbeeld, die een Schilderij,
verbeeldende, Adam en Eva in het Paradijs, verzeld van alle de Dieren, door
Rubbens of van Dyk geschildert, copieerde, en in plaats van
getrouw, met al zijn ver- | | | | mogen, bij zijn orgineel te blijven, in
't hoofd kreeg, om zijn geest te toonen, Adam en Eva zwart, de Beer goud, de
Leeuw zilver, en de Tijger rood aftemalen, en ons dan trachte te overreden, dat
hij, om dat Rubbens en van Dyk, Brabanders waren, en gevolglijk
op zijn Brabandsch geschilderd hadden, hij het nu, om dat hij een Hollander
was, in een Hollandschen trant gebracht had, en dat men op zulk een wijs, om in
ons Vaderland te behagen, schilderen moest: even als zulk een Schilder, is een
Dichter of Tooneelspeler als hij van zijn origineel afwijkt.
Wat nu verder mijn Heer, uwe jammerklachten, wegens ons nationaal
Tooneel betreffen, niemand die rede heeft, zal ontkennen, dat het vervallen is.
Ik heb dien val voor vele jaren, zoo ras ik Mauricius zijn Onledigen
ouderdom gelezen had, al voorspeld; en het wordt mooglijk niet zonder studie
dus bestierd; de reden waarom zulks zoo zijn moet, heb ik na gegaan, en heb
dezelve na mijne gedachten gevonden: de middelen om het te herstellen, zijn
voor de hand: ik ken dezelve, maar ik zie 'er, zoo het nu gaat, geen gebruik
van te maken; het blijft bij klachten, en alles word intusschen nog verwarder,
ik heb al gedaan wat in mijn gering vermogen was, om in mijn beroep mijn
nationaal Tooneelspel, eer aan te doen, om dat ik met die denkenswijs behebt
ben, dat, in welk beroep men gesteld is, men altijd verplicht is, om met dat
beroep, al was het het allergeringste dat men bedenken kan, een steentje of een
klein zanthoopje aan de Eerzuil der Natie bij te dragen: maar ik moest wel stil
houden, wilde ik niet tot den bedelzak gebracht worden. Ik meene dat ik hier te
Land, mijn Heer! zeer slegte denkenswijze, omtrent ons Tooneelspel ontdekt heb;
maar die ik tot nader overtuiging bij mij houden zal: doch het valt mij
smartelijk, in dit geval, te moeten | | | | bekennen, dat ik mij
schame een Hollander geboren te zijn.
Hier mede breke ik dezen mijnen langen Brief af. Ik heb mij door u
tot dit werk gedrongen gevonden; en zonder den Overledenen oneer aan te doen,
aan de waarheid recht gedaan. Zoo men mij verder op een lasterlijke wijze hier
om mogt behandelen, gelijk mij meer ontmoet is, zal ik zwijgen: maar om dat men
na mijn dood geen valsche Levensbeschrijving van mij zou maken, zal ik al mijn
stukken eens in een nette orde schikken. Ik heb een soort van aanteekeningen
mijn Heer! die ik alleen lezen en verstaan kan, van het jaar 1747. tot heden
toe, betreffende mij zelve, en al wat mij ontmoet is, na waarheid beschreven.
Indien ik het nodig oordeel, zal ik dezelve bij mijn leven het daglicht doen
zien; dan zal een ander mij niet in mijn graf belasteren: zij behelzen al vele
rare ontmoetingen: en zoo ik het niet beleven mogt, zal ik dezelve, in een
nette orde, in vertrouwde handen stellen, die 'er geen misbruik van zullen
maken.
Ik teekene mij verder met alle achting
MIJN HEER!
UE. D.W. Dienaar
M. CORVER.
thans rustend Tooneelspeler.
P.S. Het zal uwe kiesheid, hope ik niet belgen, dat ik hier en
daar eenige onduitsche woorden in dit Werkje gebruikt heb; maar het is een
Brief, en los uit de hand geschreven, zoo als het in de gedachten viel, en
derhalven heb ik het laten blijven; ook zijn het meest genaturalizeerde
woorden.
|
*Sommigen beweren zelfs, dat Professor
Francius, die zoo schoon over de uiterlijke welsprekendheid geschreven
heeft, zelve in die welsprekendheid door Adam Karelsz. onderwezen
is.
*Dit stuk kwam in het jaar 1733, of 1732. na
mijn beste onthoud op het Tooneel. Juffrouw van Tongeren, Huisvrouw van
J. Jordaan, speelde de rol van Jacoba, de eerste, Anna Maria
de Bruin, Punts Huisvrouw de tweede keer. Dit was Adriana
Maas te kort gedaan, die in het character van Jacoba eerst te
voorschijn kwam, toen het stuk voor de derde reis gespeeld werdt. Maar zoo dra
ook deze die rol vervuld hadt, was de roem der twee te voren genoemde
Tooneelspeelsteren verdwenen, en wees, bei kundig en onkundig haar den lauwer
toe. Het stuk werdt negentien malen achter den anderen vertoond, en telkens,
beurtelings, door de drie gemelde Actrices de rol van Jacoba vervuld. De
laatste reis, dat het stuk vertoond werdt, hadt men de deuren van de
staanplaats opengezet, achter welke, tot zelfs voor het comptoir toe, het volk
op tafels en stoelen stondt te reikhalzen, om 'er slechts iets van te
zien.
*De verachting dien hij op de woorden: Ga
dien een Vorst, liet vallen, en daar op zich verheffende, daar ge eerst
Pompeus diende, en op een laager toon met een oogenblik tusschenpoozing
en mij, uitsprak, was onnavolgbaar.
*De Hollandsche Tooneelspelers gingen in dien
tijd vrij wat verder dan tegenwoordig; hun reizen hedendaags is slechts
kinderspel bij de tochten, die zij toen deden: trouwens de Hollandsche taal was
toen ter tijd vrij algemeener bekend dan heden, en de Fransche zoo algemeen
niet.
*
| Deze Enoch Krook is in het jaar 1677. aan
den Schouwburg gekoomen, |
| en won bij het
spel | 1:0:0 |
| is in het jaar 1680. verhoogd
tot | 1:16:0 |
| in het jaar
1690. | 2:5:0 |
| 1691. als hij
speelde | 2:10:0 |
| als
Soufleur | 1:4:0 |
| dit liet hij
waarnemen. |
| 1695. als hij
speelde | 2:16:0 |
| 1705. | 3:0:0 |
| 1708.
vermindert | 2:16:0 |
| voor onderwijs van Acteurs en |
| Actrices
in dat
saizoen | 75:0:0 |
| 1713. | 3:0:0 |
| werdt
in September 1619. |
| Tooneelmeester, dit bragt
jaarlijks, |
| boven het speelgeld,
op. | 300:0:0 |
| Hij is Ao. 1732.
overleeden. |
*Deze van den Burg, die de Antagonist
van den beruchte J. Campo Weyerman was, hadt, toen Punt met
Anna Maria de Bruin in 't huwelijk tradt, een Bruilofts Vaers op hem
gemaakt, en toen de Man den Schouwburg verliet, schreef hij een pasquil tegen
hem.
*Swift een Engelsch Schrijver, die het
valsche verheevene, in Prose en Poëzij, zeer geestig hekelt.
*Hier bedoelde men den Heer Michiel de
Roode mede, die een kundig Liefhebber en Boezemvriend van Punt was;
hij hadt zijn plaats in den Schouwburg altijd vlak achter het orchest, en was
een van die gestrenge Tooneelrechters, die gemeenlijk met den anderen op eene
rij zaten, en aan welke te voldoen een Speeler zich tot eene eer mocht
rekenen
*Voorwaar eene mooije handelwijs in een Stad,
die zich ook beroemen wil, op het voorbeeld van Parijs en Londen, een
Schouwburg en Tooneelspeelers te bezitten, en dan nog schreeuwt, dat ze taal en
dichtkunde, den Helikon, den Parnas enz. helpen bouwen.
*Het stondt juist in het Testament niet
beschreven, maar men vindt bij Josephus, in het 1ste boek der
Joodschen Oorloogen; dat Herodes, te Jericho zijnde, en
zijn einde voelende naderen, veele Edelen des lands tot hem geroepen heeft, die
hij allen in eene plaats Hippodromus genaamd, bij een liet sluiten, en
voorts tot Salome zijne Zuster en haren Man Alexas zeide: Ik
weet wel, dat de Jooden zich in mijnen dood verblijden zullen, nogtans mag mij
van anderen een eerlijk klagen en begravenisse geschieden, wanneer gij nu mijn
bevel doen wilt: deze Mannen, welke in de gevangenissen liggen, zult gij
terstond na mijnen dood, dooden laten, op dat het Joodsche Volk, en een
iegelijk huis bijzonder ook met onwille over mij treurig zijn moge. En
Egezippus beschrijft het aldus, in zijn Eerste Boek, want hij hadde over
lange in dat gantsche Joodsche Land uitgeschikt, en bevolen, dat alle
treffelijke Jooden van alle plaatsen te samen komen zouden: doen zulks
geschiedde, gelijk hij bevolen hadde, liet hij hen in de Renplaatse besluiten,
en riep Salome en haaren Man Alexas tot zich, hieldt hun zijnen bloeddorstigen
aanslag voor, en zeide, dat Joodsche volk zoude zijns doods vrolijk worden,
daarom heeft hij zich daar op bedacht, hoe hij een heerlijke begravenisse na
zijn dood mogt bekoomen, en begeerde van hun, dat zij alle de geenen, welke
daarin beslooten waren, wilden ombrengen laten, zo haast als hij gestorven
zoude zijn; alzoo mogt zijn dood van een iegelijk in den gantschen Joodschen
Lande, ende in allen en iegelijker huizen beweend worden, aangezien hij alle
huisgenooten een groot leed nagelaten hadt: want, wanneer zij hunner vrienden
dood beklaagden, zoo kon hij ook onder dien name zijne begankenisse verkrijgen,
en de gemeene vreugde, welke zij van zijnen dood hadden ontfangen, door hun
huiselijk leed verminderen. En, op dat zijn schandelijke aanslag en bevel
voortgang zouden hebben, en volstrekt uitgevoerd mogten werden, liet hij de
Soldaten vijf honderd drachmaas geven, op dat zij des te gewilliger tot deze
onmenschelijke daad waren, en dien afgrijselijken moord wilden
volbrengen.
*Dit schoon Tractement bestondt in eene somme
van 1072. Gl. En 10 St. 's Jaars. Waarlijk eene schoone belooning aan een
Acteur, dien men met zo veel verlangen weder op het Tooneel wenscht: het
verdient niet alleen aangetekend, en voor de vergetelheid, tot eer van Amstels
Helikon, bewaard: maar aan de Theaters van Engeland en Vrankrijk, tot een,
blijk, hoe men hier Talenten waardeert en beloont, naar waarheid bekend gemaakt
te worden. Zie hier met zekerheid al, wat Punt, benevens zijne eerste
Vrouw, op den Schouwburg getrokken heeft.
| 1730. Anna Maria de Bruin won,
per |
| spel | f 4:0:0 |
| 1732. Verhoogd tot | f 4:10:0 |
| 1733. tot | f 4:15:0 |
| is 1733. getrouwd met Jan Punt Junior,
die |
| 1732. per spel won | f 4:10:0 |
| 1733. verhoogd tot | f 5:5:0 |
| zijne Vrouw, Anna Maria de
Bruin, |
| die van 1730 in dienst is
geweest, |
| won per spel | f 4:15:0 |
| 1737. verhoogd tot | f 5:0:0 |
| 1738. tot | f 5:5:0 |
| 1735. een Jaarlijksche Recognitie |
| voor
hun beide, | f 50:0:0 |
| 1742. verhoogd tot | f100:0:0 |
| 1744. Recognitie voor hem alleen, | f
50:0:0 |
| Zij is 1744 overleeden. |
| Hij heeft gediend tot 1745. |
| 1753. Is hij weder aangenoomen, op een vast Tractement
van f 1072:10:0 's Jaars; zijnde op 90 Spellen gerekend, tot f
5:5:0. ieder Spel. Dit maakt dus eene somme van f 472:10:0 in 't jaar:
en f 600 Gl. voor eene Recognitie. |
| 1755. den 3 October
is hij tot Castelein aangesteld, alleen per spel f 5:5:0, zonder
Recognitie. |
| Of 'er, na 1755. verhooging hebbe plaats gehad, is mij
onbewust. |
*Terwijl dit Werkje, 't geen ik in het jaar
1782. geschreven heb, lang gesukkeld heeft, eer het ter drukperse vervaerdigd
wierdt, heeft de Opera op Amstels Schouwburg reeds zeer veel velds gewonnen,
dat dit mijn voorzeggen al eenigzins bevestigd heeft.
*Hij was echter geen Dobbelaar.
*Men vondt ze echter bij eenige oude Lieden,
van 60. 70, 80. jaaren oud, die ik zeer wel gekend heb, en welker Amsterdamsche
rondheid in dezen beschaafden tijd vast voor koppige brutaliteit zoude
doorgaan: 't was echter niets minder dan dat, zij waaren braave en eerlijke
Menschen.
*Trouwens, al dat boven genoemde kan
Drame geheeten worden.
†Toen ik dit schreef, was de Heer
Singoni nog in 's Hage woonachtig, maar is in den jare 1784. van daar
vertrokken.
*Ik kan met geene waarheid recht zeggen, of
zij de Iphigenia in Tauris immer gespeeld hebbe: daar zweeft mij
iets van in de gedachten, doch ik durf het niet verzekeren.
*Ik durf u wel verzekeren, dat de Schouwburg
noch lang wachten zal, eer hij weer een Actrice, als Adriana van
Schagen, op zijn Tooneel zal zien verschijnen.
*Konden de Schilders ook zulke toegevende
Kooplieden voor hunne werken krijgen, wie weet hoe vele Rafaëls en
Michiel Angeloos 'er voor den dag zouden komen.
*Daar zijn in dien tijd vertalingen genoeg
gekomen, waar in Punt gespeeld heeft, maar ook vele waar in hij niet
speelde, ook vele eige vindingen. Zie hier dezelve ter nedergesteld: In het
jaar
| 1755. | 15 December. | Aristomenes.
drie maal agter een gespeeld. |
| 1756. | 8 November. | Xantippe, drie
maal. |
| 22 dito. | De Heracliden, twee
maal. |
| 1757. | 18 April. | De Verkwister,
twee maal. |
| 1758. | 16 Januarij. | Philoctetes,
twee maal. |
| 20 Maart. | De Graaf van Essex,
twee maal. |
| 11 November. | Hendrik en
Pernille, eens. |
| 1759. | 12 Februarij. | Dionijs de
Tiran, twee maal. |
| 12 Maart. | De Wedergevonden
Zoon, vier maal. |
| 17 April. | De Nieuwe Waereld,
vier maal. |
| 26 November. | Melanide, drie
maal. |
| 1760. | 17 April. | Cenie, drie
maal. |
| 3 November. | Jugurtha, 2
maal. |
| 15 December. | Nanine, twee
maal. |
| 1761. | 19 Januarij. | Gustavus,
drie maal. |
| 14 Maart. | Eduard de Derde, twee
maal. |
| 20 April. | Demophontes, drie
maal. |
| 8 December. | De Wedergevonde
Dochter, driemaal. |
| 1762. | 15
Februarij. | Hypermnestra, drie maal. |
| 15 Maart. | 't Valsch
Vooroordeel, twee maal. |
| 5 April. | De Moeder Vertrouwde van
haar Dochter, twee maal. |
| 8 November. | Adéla, drie
maal. |
| 1763. | 7 Februarij. | De
Wispelturige, drie maal. |
In 12 van deze Vertaalingen heeft Punt gespeeld; in de
overige heeft hij geene rollen gehad, en de Naspelen die in alle die jaaren
uitgekomen zijn, heb ik niet noodig geacht hier ter neder te stellen, alzoo hij
daar nooit in speelde.
*Te weeten de Juichende
Schouwburg.
* 't Is belachelijk, Moliere,
Lucianus en Aristophanes, te vergelijken met Spatzier.
Lucianus was een Schrijver van Satijren, en geen Acteur.
Aristophanes en Moliere waaren Acteurs, maar uit dat oogpunt
worden ze hier niet beschouwd, maar wel als Schrijvers van Blijspeelen;
Spatzier komt hier echter als zodanig niet voor, dus gaat de
vergelijking mank. De Metaforische spreekwijze van Attiesch Zout, past ook op
geen Acteur, maar wel op een Dichter, Schrijver en iemand die uit eigen
beweging, in zijn spreken iets geestigs voor den dag brengt; de Acteur kan met
geen mogelijkheid met Attiesch Zout voor den dag koomen, of de maaker van het
stuk, dat hij speeld, moet 'er zijn werk mede besprenkeld hebben.
*Een soort van een Liedje, het geen op de
tweede regel van ieder couplet, geduurig met o jemini, o jemini,
eindigde, en 's Mans Talenten zeer hoonde en beschimpte. In een ander
Lasterschrift werd hij en zijne Vrouw, bij Loths Huisgezin vergeleken, die den
brand van Sodom ontvluchte, en alle die met hem gingen, bij een rei van
Sodomiten. Dit laatste is niet gedrukt geweest.
*Ragotin is de naam van het gekke
Advocaatje in de Roman Comique van Scaron.
*De Heer Hartsinck, heeft jaren daar
na, aan Juffrouw van Thil, die met hem van een Brief sprak, betuigd, dat
Spatzier gelogen had: dat zijn antwoord had ingesloten, dat 'er vast
weêr een Troup zoude komen, maar dat zijlieden gedult moesten hebben: dat
men immers reeds bouwde, en gevolglijk 'er weder gespeelt zoude worden. Ook
verhaalde hij, bij die gelegenheid aan haar, dat Spatzier een jaar of
twee voor zijn dood, bij hem zijn dienst had komen presenteren, klagende te
vreezen, dat de zaak te Rotterdam te niet zoude gaan, en dat hij beducht was,
dat men hem in zijn ouden dag, ongelukkig mogt zien, enz. Waarop gemelde Heer
hem antwoorde, dat 'er aan den Schouwburg thans voor hem geen mogelijkheid was;
maar dat hij zig naar een plaats, die hij hem noemde, in Noord-Holland moest
begeven, dat aldaar een Kosters plaats open was, en dat hij aldaar vrijelijk
uit zijn naam, om kon solliciteeren. Spatzier deed zulks, maar de plaats
was reeds begeven, anders was hij, de Kamerling van Thalia, gelijk gij
hem gelieft te noemen, in de Koster van een Kerk getransformeert.
*Hij had 'er wel 30 Jaren mede
omgegaan.
†Toen ik dit schreef, speelde
Preville te Parijs noch, maar thans is mij bericht, dat hij het Tooneel
zoo goed als verlaten heeft.
*Deze Tooneelrang was te Amsterdam in mijn
tijd, aldus: De Vorst moest altijd in het midden staan, even als een Trekpot
voor een schoorsteen, daar men de kopjes en schoteltjes ter wederzijde plaatst.
De Prinses moest altijd op de hoogerhand staan, de Vertrouwde aan haar
linkerzijde, en bij wat gelegenheid het ook ware, zelfs in de uiterste
verwarring, trachte men altijd dezen rang te bewaren. Ik heb deze onnatuurlijke
en zotte stijfheid van het Tooneel gebannen: maar welk een moeite had ik hier
in Amsterdam niet mede! ik was een Ketter in de Kunst, bij de meeste mijner
fanatiken medebroeders, die de domme meenigte gaarne hadden opgemaakt, om mij
te steenigen.
*Een Noordhollandsch Heer heeft mij ook, toen
ik mijn Troup alleen eerst overnam, met eenige penningen geassisteerd, die ik
hem met de intressen ook afgedaan heb: maar dit was lang voor dat ik in 's
Gravenhage begon te bouwen.
*In deze drie gemelde jaren was 'er geen
permissie te Rotterdam, en in de twee eerstgemelde was 'er geen permissie te
Utrecht; beide om de sterfte van het Rundvee. wegens deze zaken, hoop ik, zoo
de Hemel mij in 't leeven spaard, het publiek nader te onderhouden.
†Zulks was waar; maar het was niet
voltooid: ik heb 'er nog na die opgaaf, bij de 9000 guldens onkosten aan
gehad.
*Zie hier noch iets tot bewijs, 't welk ik van
hem gezien heb in Sesostris, daar hij in het eerste Bedrijf, van het
tweede Tooneel, beschouwende de plaats daar zijn Vader en gantsch Geslagt
vermoord is, zegt:
En gij, helaas! wiens rookend bloed
Zich aan mijn oogen' hier vertoont aan alle kanten,
O waarde schimmen van mijn' ed'le Bloedverwanten!
Gij spookt, en schreeuwt noch uit het naarste van uw
graf,
En eischt de wraak van mijn' getergde handen af.
Dit sprak hij op zulk een toon, dien hij met een gezicht
en houding paarde, als of de schimmen voor hem alleen zichtbaar, en voor de
Aanschouwers onzichtbaar rondsom hem stonden, hem aanhitsten en hij tegen hen
sprak: dit is mijns oordeels, het ware spelen, maar niet nieuw.
*Van de Troup van Parijs, wil ik hier niet
eens spreken. Deze was in den Jare 1761, toen ik dezelve gezien heb, zoo
schoon, dat men ze in geen Eeuw mogelijk weer zoo goed zien zal.
*Punt voerde een troup Tooneelspelers,
en begaf zich tevens aan zijn kunst te Rotterdam over. Daar heeft een Directeur
wel tijd toe dat werk vereischt een geheele mensch.
†Een der zelve is reeds
overleden.
*Sedert dit op de drukpers is geweest, heeft
men mij bericht, dat men de Balcons die beneden in de Bak zijn, ter wederzijden
aan het Tooneel vast getrokken heeft, dit moet zekerlijk eene verbetering
geven.
†Het is nu altemaal wit, zo men mij
bericht heeft.
*Deze Bentnaam had hij zich zelf
gegeven.
*Terwijl ik dit Werkje onderhanden heb gehad,
ben ik echter in het jaar 1783. in Amsterdam geweest, en heb drie maal het
Weeskind van China gezien, het wierd in de natuurlijke Chineesche
Kleeding gespeeld, die zeer belachelijk stond en het Spel machtig ontsierde, en
de Tarters zaten zo warm in hunne costumen, dat zij wel Armenische Kooplieden
geleken.
*Sedert dit op de Pers is, is het Treurspel
le Roi Lear in Parijs uitgekomen; in dit Stuk zijn vele schoone brokken,
maar het is niet zeer regelmatig. De Philoctete van La Harpe,
zonder Vrouwen, hier voor aangehaald, is ook aldaar in het ligt
gekomen.
*De laatstgenoemde heeft hem bijna geheel
verandert.
†Mogelijk heeft men om die zelfde reden
de Fransche Voorrede van het Stuk, ook onvertaald gelaten.
*Men zou 'er ook Muziek voor componeren
kunnen, dan kon het ook voor een Opera dienen: dit zou iets nieuws voor het
publiek zijn, op Muziek te hooren rabraken.
*Wij vinden geschreven dat de groote
Baron op zijn 68 Jaar het Tooneel, na een afzijn van 20 Jaaren weder
betradt, en in weerwil zijner Jaren niet afliet te behagen, zelfs in rollen
waarin hij voor zeer jong moest verschijnen; maar of dit alle Acteurs gelukken
zou, is hachelijk.
*Duim, zal men mij mooglijk
tegenwerpen, heeft tot in zijn 80 jaren toe gespeeld: dit is waar, maar geen
rollen die hier genoemd staan, die eigentlijk Punt zijn brillante waren,
maar rollen die minder gewigt bezaten; ook vermoeide Duim zich zo zeer
niet als Punt, wanneer hij speelde, want hij was zoo pathetiek
niet.
*In de vertaling van Peter de Groote
van Dorat.
*Dit geval is mij door iemand, die 'er
toevallig bij stond, verhaald.
|
|