terug  begin  verderprepost
[p. VII]

Inleiding.

Samuel Coster werd den 16en September 1579 te Amsterdam geboren1). Zijn vader was de uit Montfoort afkomstige timmerman Adriaan Lenaertszoon, die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan de beeldstormerij, in 1566 te Amsterdam gepleegd2). Voor eene dergelijke beschuldiging bestonden vermoedelijk voldoende redenen. Lenaertsz toch stond bekend als een fel anti-Katholiek. Hooft vermeldt in een' zijner brieven,3) ‘hoe de doctoor Coster placht te vertellen, dat zeker houten beeldt, gelicht ujt eenighe Kerk in 't plonderen der zelve t' Amsterdam, ende op 't vuir gelejdt, door eenen Oom (zoo my verstaet) van D. Coster, zich zelven over ejndt rechtte: doch entlijk vertreden zijnde met de voet, zich verbranden liet.’ Niet onwaarschijnlijk is de bedoelde beeldstormer, wiens betrekking tot Dr. Coster den Muider Drost niet duidelijk meer voor den geest stond, de vader en niet de oom van onzen Samuel geweest. Onder de Amsterdamsche kerken, die in 1566 geplunderd werden, behoorde ook die van het Minder-broeders-klooster, welke tot Gereformeerde kerk werd ingericht, nadat Adriaan Lenaertsz haar ‘van gebroken beelden en outers gezuiverd en met stoelen en banken voorzien hadt.’4) Dezelfde Lenaertsz werd daarop tot koster en doodgraver aangesteld.5) Toen echter in het volgende jaar de Katholieken in Amsterdam weer de overhand kregen, verliet hij, evenals vele andere Gereformeerden, de stad, trok naar Emden en vatte het zwaard tegen de Spanjaarden op. Onder Lodewijk van Nassau heeft toen ‘den slagh van Heiligherlee ... helpen winnen.’6) Den 6en Juni 1569 werd Lenaertsz, ‘die ... uit Amsterdam geweeken (was),.. door den Raad der Beroerten gebannen, met verbeurdverklaaring van goederen.’7) Hem werd ten laste gelegd, dat hij ‘de beelden en altaaren, in de Minderbroeders-Kerke, gebroken’, ‘de Sectarissen als gravemaaker gediend, en in de Minderbroeders-Kerke een winkel van nieuwe Psalmboeken gehouden hadt.’8)

[p. VIII]

Den 17en Mei 1571 stierf Lenaertsz' vrouw Jannetjen Jans en kort daarop zijn eenig overgebleven kind. Reeds den 4en Maart 1572 huwde hij weder en wel met Aeltgen Jansdochter, weduwe van ‘de duytsce moeriaen van Amsterdam.’ Toen in het voorjaar van 1578 Amsterdam de zijde des Prinsen koos, keerde Lenaertsz uit zijne ballingschap terug en werd hij tot koster in de Oude Kerk aangesteld. In 1580 vatte hij evenwel zijn vroeger beroep van timmerman weder op. Den bijnaam Koster (of Coster) bleef hij echter voeren.

Wij hebben reeds vermeld, dat Samuel Adriaanszen Coster in 1579 het levenslicht zag. Van zijne jeugd is ons nagenoeg niets bekend. Hij was lid van de Rederijkerskamer In Liefde Bloeiende1) en liet zich, nadat zijne ouders gestorven waren, den 12en Mei 1607 (dus op 27-jarigen leeftijd) te Leiden inschrijven als student in de letteren, met het doel zich later op de medicijnen toe te leggen. Vier maanden later, den 9en Sept. 1607, huwde hij met Josina Albrechtsdochter van Beuningen, die in Naaldwijk woonde. Coster promoveerde den 30en April 1610 in de medicijnen en vestigde zich daarop in zijne geboorteplaats, waar hij weldra tot dokter van het Gasthuis werd aangesteld. In Amsterdam knoopte hij de betrekkingen met de Oude Kamer weder aan.

Het bleek weldra, dat er in den Egelantier niet meer de eensgezindheid van vroeger heerschte. Brederode spreekt in 1615 een krachtig woord van vermaan tot de ‘Broeders in Liefde Bloeyende.’ Hij zegt o.a:

 
‘Ach! Camer, Camer! Ach! als ick u nu bekijck
 
Hoe seer zijt ghy Helas! u selven onghelijck.
 
V Bloeyende ghedaant, daar ick met plach te brallen,
 
Is door 't twisten des tijts, becans en al vervallen.

Die jammerlijke toestand wordt veroorzaakt door

 
‘Dit wraackgoet, dit uytschodt, dees onwetende Buffels’,

tot welke Brederoo, naar het schijnt, in de eerste plaats Theodoor Rodenburg rekent. Hij hoopt nog, dat

 
‘.. Campen, Lambert, Hooft, en Samuel sal 't geschil
 
Wel slechten met voorsicht.’2)

Die hoop werd niet vervuld. Noch aan Samuel Coster, noch ann Hooft, noch aan een ander is het gelukt, een einde te maken aan de verdeeldheid, of den ‘onnutten en ongebondenen, die alleene tegens de geregeltheit schoorvoeten’, de Kamer te doen ruimen.

In 1617 kwam het tot eene scheuring. Met Coster aan het hoofd, scheidden vele leden (en onder deze de beste) zich af.

Op de Keizersgracht, tusschen de Beerenstraat en de Runstraat, werd nu, geheel of grootendeels op kosten van Samuel, een erf aangekocht, waarop in korten tijd een houten gebouw verrees, dat sedert den naam droeg van Coster's Academie, of Eerste Duitsche Academie.

[p. IX]

Het doel, dat men met de oprichting beoogde, was niet alleen, zich aan de dichtkunst te wijden. Ook oude talen, wiskunde, sterrenkunde, muziek, dans enz. zouden beoefend worden.1) Die plannen zijn slechts voor een betrekkelijk klein gedeelte verwezenlijkt; want reeds kort na de opening hield men zich in de Academie bijna uitsluitend met poëzie, voornamelijk met het drama, bezig.

Evenals de eigenlijke Rederijkerskamers had de Academie ook een blazoen en eene zinspreuk: een bijenkorf geplaatst bij een rozestruik (egelantier), met het onderschrift Yver en het randschrift Fervet opus, redolentque thymo fragrantia mella. 1617.2)

Coster sloot den 23en Sept. 1617 een contract met de regenten van het Weeshuis,3) waarbij hij aan deze inrichting gedurende de zes eerste jaren een derde, en vervolgens de helft der ‘proffijten vande speelen en andere oeffeningen comende’ afstond. Het overige zou hem zelven ten goede komen.

Reeds in het jaar der stichting bleek het, dat de Academie in den strijd tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten voor eerstgenoemden partij trok. In Coster's treurspelen Iphigenia en Polyxena werden de onverdraagzame Gomaristische predikanten fel gehekeld. Deze lieten daarop niet na, van den kansel heftig uit te varen tegen den dokter en zijne ‘queeckplaets van Libertijnen en Arminianen’.4) Van den Eerwaarden Otto Badius getuigde Vondel (Een Otter in 't Bolwerck):

 
‘Het quyl dat loopt hum uyt syn mongt,
 
Soo schelt hy d' Academie.’

Bij schelden lieten de predikanten het niet. Zij wisten te bewerken, dat de Burgemeesters zich met de zaak bemoeiden en Coster vermaanden. Het schijnt zelfs, dat zij de zaak zóó ver wisten te drijven, dat Coster zich genoodzaakt zag, de Academie geheel aan het Weeshuis over te doen.5) Zooveel is ten minste zeker, dat hij afstand deed van de hem toekomende baten, en in den zomer van 1622 het gebouw ‘De Duytsche Akademie’ aan de Regenten van het Weeshuis verkocht.6)

In 1620 is het laatste tooneelstuk (Niemant Ghenoemt, Niemant Gheblameert) van Coster verschenen. In 1648 evenwel, ter viering van den Munsterschen vrede, werden nog een zestal Vertooningen door hem ‘toegesteld.’ Langen tijd heeft men gemeend, dat Coster kort na '48 zou zijn gestorven.7) Uit een lofdicht van Vondel blijkt evenwel, dat

 
‘Befaemde Koster, out en wonderlijck ervaren,
 
... 't Gasthuis trouw bediende een ry van vijftich jaeren.8)

Van Lennep en aanvankelijk ook Jonckbloet hebben gemeend, dat dit gedicht in

[p. X]

1640 moest worden gesteld en dat vijftich jaeren veranderd diende te worden in dertich jaeren. Die onderstelling was evenwel onjuist.1) Nemen wij aan, dat Coster terstond na zijne promotie (1610) dokter van het Gasthuis geworden is, dan kan Vondels lofdicht van niet vroeger dan 1660 dagteekenen.2) Blijkt uit Coster's dichtregelen op het verkiezen van Jacob Van Wassenaar ‘tot L. Ammiraal van Holland, etc.,’ dat het dichterlijk vuur van onzen dokter in 1653 nog niet was uitgedoofd, wij weten thans ook, dat op den 18en December 1655 Joan Deyman ‘op verzoek van Dr. Samuel Coster tot diens adsistentie als dokter in het gasthuis’ werd aangenomen, en dat Coster ‘den 6 April 1662 emeritus werd.’3)

Coster was toen twee en tachtig jaar oud. De onderstelling, dat hij niet lang daarna gestorven is, zal dus wel niet al te gewaagd zijn. Zeker weten we - en al wisten wij het niet, wij zouden het veilig kunnen aannemen - dat Vondel Coster heeft overleefd. Als Antonides van der Goes in zijne ‘Uitvaert van den Heere Joost van den Vondel’ beschrijft, hoe deze na zijn verscheiden ‘het zalig zielenvelt’ intreedt, zegt hij:

 
‘Zijn tijtgenoten, hier vergaert aen alle kant,
 
Omhelzen hem, en elk reikt hem de rechterhant.
 
Men ziet'er Spiegel weêr zijn' ouden vrient ontmoeten,
 
Met Roemer, en verheugt van Mander hem begroeten,
 
Met Koster, Viktorijn, en die den naem verdooft
 
Der dichtren zijner eeuw, de noit volprezen Hooft.
 
(Gedichten v.J. Antonides van der Goes, Amst. 1685, bl. 183).

Wat Coster's uiterlijk betreft, zijne afbeelding, die Wybrand's uitstekend werk ‘Het Amsterdamsche Tooneel van 1617-1772‘ versiert, doet hem ons kennen als een man met een hoog, breed voorhoofd, groote oogen, een dikken neus, een gedeeltelijk achter een flinken knevel verborgen mond, eene sik en golvende haren. Zijn gelaat drukt vastberadenheid uit, en doet ons tevens vermoeden, dat hij een vriend was van eene goede tafel en eene goede flesch. Gezellig van aard, geestig, (‘men haalde zijne snedige gezegden aan’4)), tevens een man van initiatief, moedig en met een vasten wil, was hij een even vroolijk en prettig vriend, als gevreesd tegenstander. Op de gemakkelijkheid, waarmee Coster zich in de maatschappij bewoog, op zijne vroolijke levensopvatting wijst ook zijne spreuk ‘Overal Thuis’; tot zijn wapen koos hij een schildpad, het dier, dat zijn huis steeds met zich mededraagt.

Door zijne tijdgenooten werd Samuel Coster meermalen welverdiende (en ook méér dan verdiende) lof toegezwaaid.

Slechts een paar bewijzen. Johan Van Heemskert zegt:

 
‘Leest Koster's zoeten zang, waarmeê hij ieder spel
 
Doorstrooid heeft tot sieraad zoo kunstig en zoo wel’5).
[p. XI]

Barlaeus wijdt hem het volgende gedicht:

 
‘In effigiem Cl. Viri et Medici
 
Samuelis Costeri.
 
Cui toties molli recitata est fabula socco,
 
Qui tragicum Batavo carmine scripsit epos;
 
Serius adspicitur, vultumque Machaonis orbi
 
Exhibet, et Cois legibus aegra juvat.
 
Ista sales fundit gravitas, vindexque bonorum
 
Arguto solos verberat ore malos.’

Jan Vos rijmde, eveneens op Coster's afbeelding, het volgende:

 
‘Dus ziet men Koster, die de Doodt aan 't Y doet zwichten.
 
Natuur, d'Almoeder, wordt bywyl door Kunst geredt.
 
Het Stadt- en Staatnutspel deedt hem de Schouwburg stichten.
 
Zoo wierdt Apollo, door zyn zorg, ten troon gezet.
 
Hy leert ons, door zyn pen, de plicht der onderdaanen.
 
Wie 't woeste volk betoomt heeft loffelyke kracht.
 
Nu smelt de Schouwburg, door zyn treurspel, heel aan traanen.
 
Dan schaatertze van vreugdt, door 't kittlen van zyn schacht.
 
Hy wykt geen Marciaal, om 't boos gemoed te steecken.
 
Een afgerecht vernuft zal nimmer stof ontbreeken’1).

Een ander2) schreef:

Op de afbeelding van Samuel Koster, m.D.
 
als dese man in 't gasthuijs comt,
 
en maar eens stampt, of maakt geluijt,
 
of tast, of schikt, of schrijft, of domt:
 
de doot moet straks ter poorten uijt.
 
Apollo geeft sijn kruijden cragt,
 
en rijm: dat niemant garen wagt.

Van Vondel zijn twee gedichten op Coster bekend. Het eerste luidt:

 
So sal Sandrart nog lang ons Koster laten sien,
 
Den AEsculaep, die stout den doot het hooft durf biên,
 
Tot datze tgasthuis ruimt, beschimpt van soo veel zieken.
 
Maer als Pegaes hem voert ten hemel op zijn wiecken,
 
Dan hoort men hemelval, een tong gestipt in zout.
 
Den Hollantschen Parnas heeft hy aen 't Y gebouwt.

Het tweede:

 
Befaemde Koster, out en wonderlijck ervaeren,
 
Die 't Gasthuis trouw bediende een ry van vijftigh jaeren,
[p. XII]
 
Schonck eindelijck zijn beelt, geschildert van Sandrart,
 
Sint Peters Gasthuis, uit een toegeneghen hart.
 
Heeft Godt dien Hippokraet tot 's levens stut gegeven,
 
Men eere uit dankbaerheit hem noch, als in zijn leven1).

Jan Van Duisberg, die in 1658 de ‘Dichtkunst van Jan Vos’ de wereld inzond, noemt in het woord tot den ‘Dichtlievenden Leezer’ ‘den geestigen Koster’ onder de ‘starren (die) voor alle onbenevelde oogen en harssenen, eeuwig .... blinken en lichten.’

Geeraerdt Brandt heet hem ‘een bekent Poëet, die, indien hy zyn geestige invallen hadt willen bearbeiden, de grootste dichters hadt naar de kroon gesteeken.’2)

Dat Coster's tooneelstukken opgang maakten, blijkt niet alleen uit zijne voorrede tot de spelen van Brederode (deze uitg. bl. 621), maar ook uit de volgende woorden van Jan Vos: ‘Zoo menigmaal als Ulysses in het treurspel van Polixena, door den vermaarden Samuel Koster gedicht, Astianax .... van de toorentrans wierp, scheen het nagebootste kint d'aanschouwers zoo hardt op het hart gelijk op d'aardt te vallen: men zagh de traanen niet min uit d'oogen dan het nagebootste bloedt langs het tooneel vloejen. (Medea, Voorrede).

Coster maakte het evenwel niet iedereen naar den zin. In 1630, toen zijne Iphigenia weder op het tooneel kwam, werd hij in een paar Contra-Remonstrantsche pamfletten uitgemaakt voor en ‘Godtslasteraer, een Godtlose Iphigenia-quant,’ een ‘Smuller’, een ‘overgeven Arminiaen’, een ‘Leugenaer’, voor iemandt, die ‘de genade onses Heeren Jesu Christi misbruyckt tot wulpsheyt’; men noemde hem ‘Samel Coster Over-al-'thuys, bang voor Christi cruys’ en ‘Schamel Coster aent gasthuys’3) - maar dat alles belette niet, dat hij ‘tot zynen dood toe, de agting van de aanzienlijkste burgers en van veele Leden der Regeeringe (behieldt).’4)

In onze dagen heeft men Coster's talent zeer verschillend beoordeeld. Wilde Van Lennep5) hem alleen den ‘bijster (schralen) lof’ toekennen van voor zijnen tijd ‘niet onverdienstelijk’ geschreven te hebben, M. De Vries roemt hem in zijn Warenar6) zéér als treurspeldichter, en C.N. Wybrands acht hem ‘als comicus, even als Brederoo, zijn tijdgenooten verre vooruit.’7). Van Lennep's oordeel is zeker het minst juiste. Coster's Teeuwis de Boer behoort tot onze beste blijspelen, zoowel door de intrige, als door de karakterteekening en den geestigen dialoog. Nemen wij in aanmerking, dat de Warenar en Het Moortje naar Latijnsche voorbeelden zijn bewerkt, en dat in Den Spaanschen Brabander (hoe uitstekend de afzonderlijke tooneeltjes er ook in zijn) nagenoeg alle intrige en alle handeling ontbreekt, dan geloof ik, dat de Teeuwis in de lange rij onzer zeventiende-eeuwsche comedies zoo niet de eerste, dan toch de tweede of derde plaats inneemt. De Tijsken heeft ongetwijfeld eene veel geringere letterkundige waarde.

Het is ons voornemen niet, hier de verdienste van al Coster's treurspelen te schat-

[p. XIII]

ten. Wij verwijzen daartoe naar Jonckbloets ‘Geschiedenis der Nederl. Letterk. in de Zeventiende Eeuw’, en merken slechts op, dat de vele schoonheden der Polyxena in genoemd werk o.i. niet genoegzaam zijn gewaardeerd.

Coster's werken zijn voordezen nooit gezamenlijk uitgegeven. Zoowel zijne drama's als zijne gedichtjes en zijne beschrijvingen van Vertooningen zagen afzonderlijk het licht. De Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden bezit echter eene vrij volledige verzameling van de werken van Samuel Coster, waarschijnlijk het laatst der 17e eeuw door een beminnaar zijner poëzie bijeengebracht. Zij bestaat uit vier 4o deelen in leer gebonden, op den rug gemerkt I, II, III en IV.

Inhoud van I:

1.Op een ingeplakt blad staan onder elkander drie eigenhandig geschreven gedichten; van het eerste is de vervaardiger mij onbekend, het tweede is van Barlaeus en het derde van Vondel1).
Boven aan de bladzijde staat: 16 24/12 97.
2.Op een schutblad leest men:
Samuel Costers
POESY
(Blazoen en Zinspreuk der Academie)
t' Amsteldam,
Voor Cornelis Lodewijcksz vander Plasse, Boec-verkooper, woonende op de Beurs in d' Italiaensche Bybel.
Anno 1622.
Zoowel deze woorden als het blazoen zijn evenwel afzonderlijk op het schutblad geplakt, nadat zij uit het een of andere werk waren geknipt. De titel is dus nooit als zoodanig gedrukt geweest.
3.Spel van Tiisken vander Schilden. 1613.
4.Spel vande Rijcke-Man (met De Clucht van Meyster Berendt). 1615.
5.Itys. 1615.
6.Een Tafel-spel van twee Personagien, te weten, een Quacksalver met zijn Knecht. 1615.
7.S.S. Apollo over De inwydinghe vande Neerlandtsche Academia De Byekorf. 1617. (Door Suffridus Sixtinus; op het titelblad het blazoen der Academie).
8.Iphigenia. 1617.
9.De Titel van ‘De Spelen van Gerbrand Adriaensz Bredero Amsterdammer (1617)’ en Coster's Voorrede tot dit werk.
10.De Titel van ‘G.A. Brederoods Spaanschen Brabander Ierolimo (1618)’ en Coster's Lofdicht op dit blijspel.
11.Een blad uit ‘G.A Brederoos Groot Liedt-Boeck,’ waarop aan de eene zijde Brederodes afbeelding prijkt en vier gedichten - van S. C(oster), I.v. V(ondel), H.C. H(ooft) en P. S(chrijver?) - op hem te lezen zijn; op de andere zijde een Latijnsch lofdicht van H.C. Hooft op Brederodes poëzie.
12.Titelblad van het ‘Trver-Spel Van de Moordt, begaen aen Wilhem by der Gratie
[p. XIV]
Gods, Prince van Oraengien, etc. Ghedicht door G. van Hoghendorp (1617).’ Op de andere zijde een Lof-dicht van S. Koster en een Sonnet van R. Telle.
13.Vertoninghen Tot Amsterdam ghedaan door de Nederduytsche Academie, Op den Inkomste van zijn Excellentie, Maurits Prince van Orangen, etc. 1618.
14.Eene gravure van Claes Jansz. Visscher (1618), betrekking hebbende op:
15.Ghezelschap der Goden vergaert op de ghewenste Bruyloft van Apollo ... met de ... Academie. 1618.
16.Vvare-nar. Dat is: Aulularia van Plautus. 1617. (Van P. Cz. Hooft).

Inhoud van II:

1.S.S. Apollo over De Inwydinghe vande Neerlandtsche Academia De Byekorf. 1617. (Door Suffridus Sixtinus. Op het titelblad het wapen van Amsterdam; overigens zelfde uitgave als genoemd is onder I, 7).
2.Spel van Tiisken vander Schilden. 1615.
3.Ithys. 1619.
4.Isabella. 1619.
5.Polyxena. 1619.
6.Boere-klvcht, van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen. 1627.
7.Vertoninghen Tot Amsterdam ghedaan door de Nederduytsche Academie, Op de Inkomste van zijn Excellentie, Maurits, Prince van Orangien, etc. 1618. (Op de keerzijde van het titelblad eene voorede ‘Tot de Lief hebbers van de Nederduytsche Academi.’ (Andere uitgave, dan genoemd is I, 13.)
8.Korte Verklaring van de Ses Eerste Vertoningen, Gedaen binnen Amsterdam, op de Eevwige Vrede. 1648. (Blad in folio, slechts aan ééne zijde gedrukt).

Inhoud van III:

1.Duytsche Academi. 1619.
2.Nederduytsche Academijs Niemant ghenoemt, niemant gheblameert. 1620.
3.Verthooninghen, Ghedaan by die vande Nederduytsche Academie. Door bevel van de E. Heeren deser Stede Amsterdam: tot onthaal van zyne Koninglijcke Majesteyt van Bohemen. In 't Iaar 1621, den 6 Iunij. (Blazoen der Academie). t'Amsterdam, Voor Antony van Salinghen. 1621.
4.Rijcke-man (met De klucht van Meyster Berendt). 1621.
5.De Titel van ‘Alle de Spelen van Gerbrand Adriaensz. Bredero, Amsterdammer’ (Rotterdam, 1622) en Coster's Voorrede.
6.De Titel van G.A. Brederoos Spaanschen Brabander, Jerolimo (Rotterd. 1622) met de opdracht aan Iacob van Diick, en Lofdichten van S. Coster en eenige anderen.
7.Iphigenia. 1626.
8.Titel en vier bladzijden (opgeplakt) van de Iphigenia. 1631.
9.Isabella. 1627.
10.Boere-klucht, van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen. 1633. (Bij vander Plasse).
11.Korte Verklaringh van de Ses Eerste Vertoningen, Gedaen binnen Amsterdam, op de Eeuwige Vrede. Den tweeden Druck. 1648. (In 4o).

Inhound van IV:

1.Boere-klucht van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen. 1633. (Bij Houthaeck).
[p. XV]
2.Spel van Tiisken vander Schilden. 1642.
3.Ithys. 1643.
4.Isabella. 1644.
5.Polyxena. 1644.
6.Boere-Klucht van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinck-huysen. 1642.
7.Lof-dicht Ter eeren van...Heyndrick Storm (opgeplakt).
8.Op het verkiezen van den Heer Jacob van Wassenaer,.... tot L. Ammiraal van Holland, etc. (opgeplakt).
9.Kleynigheyts Lof (opgeplakt).
10.Vit Reinald Scots Ontdekking van Tooverij. Sonnet. Tot den Lezer (opgeplakt).
11.Grafschrift op....Johan van Oldenbarnevelt (opgeplakt).
12.Lof van 't Landtleven (opgeplakt).
13.Op een Rol van den Ridder Dirk van Rodenburg, Gegeven aan Thomas Gerritsen de Keizer Om van hem gespeelt te worden.
Voor de Bank van Leening, de Historie daar Jozef 't Egiptisch koorn uit deelt (opgeplakt: ééne bladzijde).
14.Aen Iohan Koenerding (opgeplakt).
15.Liedeken, Op de wijze: Cornette Musicaal. (Onderteekend: By my, die ick zy. - Ingevoegd.)
16.Korte Verklaring van de zes eerste Vertooningen, gedaen binnen Amsterdam, op de Eeuwige Vreede. (Zonder naam van den drukker en zonder jaar).

Behalve de genoemde vier banden bezit de Leidsche Bibliotheek nog een deeltje in 8o, hetwelk bevat: de Iphigenia (1630, zesde druk), de Polyxena (1630) en de Boereklucht van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen (1663).

 

Omtrent het niet opnemen in deze uitgave van twee stukken, welke wel eens aan Coster zijn toegeschreven, heb ik mij nog te verantwoorden. Het eerste is de beschrijving der ‘Verthooninghen....tot onthaal van zijne Koninglijcke Majesteyt van Bohemen,’ 1621. (Zie onder III, 3). Dit stuk werd gedrukt voor Antony van Salinghen, bij ‘Nicolaas Biestkens, inde Lelie onder de Doornen.’ De opdracht aan ‘De Edele, Erentfeste, VVyse, Hoochgeleerde Heeren, Doctor Iohan Grooten-huis, Schout ende Raadt: Ende den Heere Ridder, Doctor Adriaen Pau, Pensionaris der Stede Amsterdam’ is ook onderteekend ‘Antoni van Salinghen. Een der leden des Nederduytschen Acadamie’. Mij dunkt, dat het voor de hand ligt, Van Salinghen voor den schrijver te houden. Aan het slot der ‘Verthooninghen’ leest men: ‘Dit navolghende schrift heeft den Koning op den 7 Iunij in S. Costers Stam-boeck met zijn eygen handt tot memory geschreven.

 

16. E. 21.

 

A.E.T.C.A.C.

 

Fridericus.

 

Wij weten, dat bij komst van Maria de Medicis te Amsterdam (1638)1) ‘d'overvliegende geest, wakkerheyt, en arbeit van den ervaren Arts Samuel Koster, en Joan

[p. XVI]

Victorijn koninglijke Vertooningen konden toestellen, die d'eere der Vorstin en vermaarde Stadt niet onwaardig waren’1). Deze vertooningen zijn evenwel beschreven door C. Barlaeus.

‘Het jaar 1642 gaf het vernuft van onzen spitsvondigen Koster nieuwe stoffe tot vertooningen; want zijn Hoogheit Frederik Hendrik, hoogloflijker gedachtenis, geleide haar Majesteit van Groot Britanjen, da Prinsse Wilhem zijn kooningklijke gemaalin, om Hollandt, maar inzonderheit om Amsteldam, de beroemste Koopstadt te bezichtigen’2). Nog in hetzelfde jaar zag ‘t'Amsterdam, by Nicolaes van Ravesteyn, voor Pieter Nolpe, Boeckverkooper inde Calverstraet’ het licht eene ‘Beschrivinge vande Blyde Inkoomste, Rechten van Zeegebogen en ander toestel op de Wel-koomste van Haare Majesteyt van Groot-Britanien, Vrankryk, en Ierland.’ De opdracht aan Burgemeesteren van Amsterdam eindigt aldus: ‘Eedele, Groot-achtbare, zeer Wijze ende Voorzienige Heeren, ontfangt deeze kleene offerhande, die wy van dit werk aen uwe Ed. doen, dewelke wy houden die toe te komen, eer wy dit ons werck, onder uwer Ed: wel-gevallen tot dienste van de Lief-hebbers des Vaderlands, gemeen maken.

Uwer Ed: Groot-achtbaerheyd, zeer Wijse ende Voorsienige Onderdanige Dienaar

Pieter Nolpe.’

Vooral met het oog op deze woorden geloof ik, dat er geen genoegzame grond bestaat om met C. Kram3) aan te nemen, dat de ‘Blyde Inkoomste’ van de hand van Samuel Coster is.

1)Wat hier wordt medegedeeld van Coster's geboorte, familiebetrekkingen, studie en huwelijk, is ontleend aan J.H. Rössing's nog onuitgegeven monographie: Samuel Coster.
2)Wagenaar, Amsterdam (fol. uitg. van 1760-1767) I, 287.
3)P.C. Hooft's Brieven. Uitgeg. door Van Vloten III, 36.
4)Wagenaar t.a.p. I, 290.
5)t.a.p.
6)Hooft's Brieven II, 191.
7)Wagennar t.a.p. I, 317.
8)t.a.p.
1)In zijne omwerking (1607) van den brief uit ‘Fiorenza’, aan de ‘Camer in Liefd' Bloeyende’ spreekt Hooft van ‘Koster, Vondelen, Breeroô en Victorijn, Die nu al toonen wat z' hier namaals zullen zijn.’
2)Dit gedicht is o.a. te vinden in G.A. Brederoos Nederduytsche Rymen, Rotterdam, 1622. Zie verder over de onderlinge twisten der leden van de Oude Kamer: Jonckbloet, Gesch. der Nederl. Letterk. 3e druk, XVII eeuw, Ie deel, bl. 109 vg.
1)Zie C.N. Wybrands, Het Amsterd. Tooneel van 1617-1772, bl. 40 en 41. - Taal- en Letterbode, VI (1875), bl. 167.
2)Jonckbloet vergist zich, als hij in zijne beschrijving van het blazoen der Academie (t.a.p. 146) vermeldt, dat de bijenkorf door een schildpad gedragen wordt. Eerst wanneer de Academie en de Egelantier vereenigd zijn tot de kamer Door IJver in Liefde Bloeiende, verschijnt de schildpad onder den bijenkorf.
3)Wybrands t.a.p. 36.
4)Zoo over deze twisten Dr. J.H. Gallée, Academie en Kerkeraad 1617-1632 (Utrecht, 1878), bl. 19 vg.
5)Vgl. Jonckbloet t.a.p. bl. 185 en 186.
6)Vgl. Wybrands t.a.p. bl. 225 en 226.
7)Zie b.v. Paquot, (Mémoires. Louvain, 1768), die vermeldt, dat Coster geboren werd ‘vers l'an 1580 ou 1590’ en stierf ’vers le milieu du siècle suivant.’
8)Van Lennep's uitgave van Vondel, IV, 7.
1)Zie V. Vloten, Beknopte Geschied. der Nederl. Letteren 2e druk, bl. 238, noot. - Jonckbloet t.a.p. bl. 179.
2)Uit den laatsten regel: ‘Men eere uit dankbaerheit hem noch, als in zijn leven’ blijkt, dat Vondel's gedicht na Coster's dood (dus op zijn vroegst in 1662) geschreven moet zijn.
3)Jhr. J. Six, Twee verloren schilderijen van het amsterdamsche chirurgijns-gild. (Nederl. Spectator 1882, no. 20, 20 Mei, bl. 169).
4)Jonckbloet t.a.p. bl. 105. - ‘D. Coster plaght Amsterdam een modderpraem te heeten, om dattet rondom in moeren lejdt’ (Hooft's Brieven II, 42).
5)Geciteerd bij Dr. Penon, Bijdragen tot de Geschied. der Nederl. Letterk. 2e deel (1881), bl. 60.
1)Den Eed. Heer Dokter Samuel Koster &c. Door Sandrart geschildert. (Jan Vos, Alle de Gedichten. Amst. 1726, I 266).
2)Wie? Uit de onderteekening lees ik S.I. 28(?) Zou misschien aan S. Ingen gedacht moeten worden? Zie ook bl. XIII.
1)Vondel's Werken uitgeg. door Van Lennep, IV, 7.
2)Leven van Vondel, uitgeg. door Verwijs, bl. 18.
3)Dr. Gallée t.a.p. bl. 44 vg.
4)Wagenaar t.a.p. III, 245.
5)t.a.p. I, 657.
6)Inleiding, XIX.
7)Wybrands t.a. pl. bl. 27.
1)Deze drie gedichten zijn naar het handschrift afgedrukt in deze Inleiding op bl. XI. Dat van Vondel begint: Sol sal Sandrart.
1)Wagenaar t.a.p. I, 533.
1)Inleydinge Tot de Beschryving Der zes middelste Vertooningen Van D'opkomst der Batavieren... Op d'Afkunding der Eeuwige Vreede vertoont (door Geeraardt Brandt; zie zijne Gedichten, uitgeg. door N.B.A. te Rotterdam bij Ioannes Naeranus 1649. Bl. 249-286 (met de Aanteekeningen tot 347).
2)G. Brandt, t.a.p.
3)In de Berichten Histor. Genootsch. Utrecht. 1846. bl. 152.
prepostterug  begin  verder