terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Boere-klucht van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen.aant.

[p. 3]

Blijkens het woord ‘Tot den Leser’ is Coster's Teeuwis voor het eerst in 1612 opgevoerd door de leden der rederijkerskamer ‘In Liefd' bloeyende’. Breeroo schreef in datzelfde jaar zijne Klucht van de Koe en misschien de Klucht van Symen sonder Soeticheyt; de andere kluchten en blijspelen van onzen grootsten blijspeldichter zijn van later datum.

Vijftien jaren na de eerste opvoering, in 1627, schijnt de Teeuwis bij Vander Plasse te Amsterdam voor het eerst te zijn gedrukt (I). In 1633 bezorgde deze uitgever een tweeden druk (II), maar in 't zelfde jaar gaf ook Dirck Cornelisz. Houthaeck den Teeuwis uit (III), en wel (zoo wij het Titelblad en 't Voorbericht mogen gelooven) met behulp van Coster zelven. Deze druk verschilt in vele opzichten van de twee vroeger genoemde. Nagenoeg geheel aan (III) gelijk is eene uitgave, in die 1642 bij Houthaeck verscheen (IV). Bij Jacob Lescaille werd de Teeuwis nog eens gedrukt in 1663 (V), geheel volgens den tekst van IV; enkele moeilijke en bedorven plaatsen zocht V te verbeteren, terwijl de naam van God in deze uitgave zooveel mogelijk vermeden wordt. Eindelijk wordt in de ‘Naamlijst der Tooneelspellen behoorende onder de privilegie van den Amsterdamschen Schouwburg’ nog eene editie van 1668 bij Lescaille vermeld; deze druk is mij onbekend. Misschien is 1668 eene drukfout voor 1663.

De intrige van den Teeuwis is niet van Coster's eigen vinding; zijne bron was het volkslied, ‘Een boerman had een domme sin’, dat hij in het laatste bedrijf door een paar jongens laat zingen. Dit liedje is o.a. te vinden in het Antwerpsche ‘Liedekens-Boeck’ van Jan Roulans (1544). Daar de tekst van het liederboek op sommige plaatsen afwijkt van dien van Coster, moge hij hier nogmaals afgedrukt worden1):

1.
Een boerman hadde eenen dommen sin.
 
daer op so schafte hi zijn ghewin
 
Het voer een boerman wt meyen
 
Hi brocht sinen heere een voeder houts
 
Sijnder vrouwen den coelen mey
[p. 4]
2.
Die boer al op den houe tradt
 
die vrouwe op hoogher tinnen lach
 
Si lach op hoogher salen
 
Mocht ick een corte wijle bi v zijn
 
Ick gaue daer om mijn ros mijn wagen
3.
Die vrouwe die reden so haest vernam
 
Si liet den boerman comen an
 
So heymelijc al stille
 
Al in een duyster camerken
 
Daer deden si twee haren wille
4.
Doen hi zijn willeken hadde ghedaen
 
die boer moste vander tinne gaen
 
Ende hi bestont te claghen
 
Ik segghe v dat het deen is ghelijc dander
 
Mit rout mijn ros mijn waghen
5.
Die heere quam wter iaechte ghereden
 
Hi hoorde den boerman seere claghen
 
Hi hoorde den boerman claghen
 
Ghi seght dat het een is als dander is
 
die waerheyt suldy mi saghen
6.
Die boer had schier een loeghen bedacht
 
Ick hadde een voederken houts gebracht
 
Ende daer was een crom hout onder
 
Ick seg v dat het deen als dander brant
 
Als si biden viere comen
7.
Hierom was v vrouw so gram
 
dat si mijn ros mijn waghen nam
 
Om sulcken cleynen schulde
 
Ic bidde v lieue heere mijn
 
Verwerft mijnder vrouwen hulde
8.
Die here ginc voor zijnder vrouwen staen
 
Wat heeft desen armen boer misdaen
 
Schaemt ghi v der sonden niet
 
Gheeft hem zijn ros zijn waghen weder
 
Laet hem varen tot sinen kinder
9.
Vaert henen vaert henen goet boere mijn.
 
dat eerste sal v vergheuen zijn
 
Vaert henen dijnre straten
 
Och coemt ooc weder als ghi moecht
 
Brengt ons dat crom hout vake.
[p. 5]

S. Costers Boere-klvcht, van Teeuwis de Boer, en men Juffer van Grevelinckhuysen:

Op het Woordt,
't Krom hout brandt soo vvel alst recht, alst by de vyer ken komen.
Over. al. Thvys.

t'Amstelredam.

Voor Cornelis Lodowijcksz. van der Plasse, Boeckvercooper op de hoeck van de Beurs, inden Italiaenschen Bybel. 1627.

[p. 6]

In III en IV vindt men op de achterzijde van het titelblad het volgende

Sonnet.
 
Die oyt vermakelijck in Klucht of Boerterye
 
Te lesen soeckt, die lees my die vol soeticheyt
 
Van sin en woorden ben seer aenghenaem gheseyt,
 
Gelijck ghy hooren sult aen Teeuvvis maet en vrye
 
Lof Coster, lof segh ick, comt u tot allen tye,
 
Vermits u Pen de roem van uwe naem verbreyt,
 
Dit spel dat is van u soo sinrijck uytgheleyt,
 
Dat het geneuchelijck doet yeder een verblye:
 
Daerom wie dat my leest, of immer lesen sal,
 
Recht op sijn Amsterdams, die sal my moeten prijsen,
 
Dus stuert, versendt my vry, van hier naer over al,
 
Dat my een Doctor schreef, dat kan ick elck bewijsen,
 
En dat het Crom-hout brant so vvel gelijck het recht
 
Dat beelt den Joncker af met Teeuvvis syne knecht.
 
 
 
T.K.H.

1)Vgl. Antwerpener Liederbuch vom Jahre 1544. Uitgg. door Hoffmann von Fallerseben, Hannover 1855. Bl. 50.
Varianten. Op het Titelblad van II (druk van het jaar 1633, uitgever C. Lz. vander Plasse) staat onder het spreekwoord: ‘Op 't nieuw verbetert door den voorz Autheur’; van III en IV (1633 en 1642, uitgever D. Cz. Houthaeck): ‘Door den Auteur oversien ende verbetert’; van V (1663, J. Lescaille): ‘Den jongsten Druk, van nieus oversien en verbetert. - Gespeelt op d'Amsterdamsche Schouwburgh.’
prepostterug  begin  verder