Isab. Hoe licht valt troosten die, die self geen troost behoeven.
760.
The. Voorwaar ziet hier hy leeft, zijn lippen reppen noch.
Zerb. Mijn Lief! Isa. Mijn ziel. Z. Ey my. Ick bid u voert my toch,
Mijn alderwaartste Vrou, by wel ervaren luyden,
Die my verstercken met gheneselijcke kruyden.
Isab. Zerbijn! Zerbijn die leeft. Ziet Isabella nu
765.
Al vlytich doende, met den kluysenaar die u
Ghebeurt heeft op het paart, op dat wy mannen vinden
Die uwe wonden tot ghenesinge verbinden.
Zerb. Och zo, dat 's wel. T. Mevrou, hier langer niet vertoeft,
Vermits zijn swacke staat daat'lijcke hulp behoeft.
523. III O Rijck! waar in ick.
545. II, III Wat sou de blode loer.
554. I, II Dien schelm.
559. I Man. ontbreekt.
564. III Oft schellems.
621. I bloothertichtyt.
640, 641. II, III Deze beide verzen staan naast elkander.
642, 643. II, III Deze beide verzen staan naast elkander.
649, 650. II, III Deze beide verzen staan naast elkander.
651, 652. II, III Deze beide verzen staan naast elkander.
653. I Kan weer-staan.
654. I getyuyter. - III Vóór dezen regel staat Isabella.
655. III Isabella ontbreekt.
708. I lief ick haar wat ontdoen.
713. I, II Deze regel ontbreekt.
745. II Mijn ongeluck, die 'k niet.
746. I, II Ach hulpsame God.
750. I slechs niet wilt dus.
759. I Hoe licht vlat troosten.
771. III manhaftich neder velde.
772. I in 't yser om en om bekloncken.
778. I Sarisinen.
781. III waar dat hy wort bekent.
786. III beweech den mannen door mijn daden.