309.Aenghesien het een onverdraghelijck ding ware, dat een treffelijck 310. overvlieghendt verstandt, zijn scharpheyt, kloeckheyt, en wackerheyt 311. te kost soude legghen aan saken die gering, slecht, en verworpelijck 312. waren, zo hebbe ic jegenwoordich voor genomen de grootheyt van 313. mijn vernuft te bewysen in 't handelen van een stoffe, die alle ande-314.ren overtreft in rijckdom, aenzien en prachticheyt.
315.Mijn Heeren. Indient V.E. gelieft my gunstich gehoor te gheven, 316. ick sal V.E. seggen van de Eere, ende u haare aart, wesen, en 317. eygenschap zo klaer als een Veneets glas met witte wijn vertonen.
318.Ick zie wel aan V.E. postuur de goede ghenegentheyt die ghy 319. hebt om myne welsprekentheyt te hooren donderen, en dat daar-
320.om op u alle past het vaers van Virgilius, Arrectisque auribus adstant. 321. Dat is te zegghen, ghy gaapt my de woorden wt mijn mont, of, 322. je vlamter op as een boer op een boekede koeck.
323.Toch eer ick begin. Indiender iemant is, die een fluym op zijn 324. borst, een katarn in zijn keel, of een qualster in zijn neus heeft, 325. die kockt, racht, hoest, en snuyt eerst alle gaar schoontges wt, 326. op dat de stroom van myne vloeyende reden niet en warde ghe-327.broken, gheschorst, ofte verhindert door de onbeleeftheyt, onbe-328.scheydenheyt, en beesticheyt van die onmanierlijcke gheluyden.
329.En voor eerst. Op dat het aan V.E. ooren niet en ghebreke, zo 330. hebbe ick tegens deesen eersten Augusti voorraadt op gedaan van 331. ettelijcke grootges van dozynen oorlepels, al ghereet om V.E. toe 332. te warpen, te eynde ghy daar V.E. ooren mede moocht reynighen 333. met sulcken yver, vlijt en naarsticheyt, als Ieroen de Kuyser, 334. hoochloffelijcker memori, de Varckes sluys, de ouwe en nieuwe 335. Brug, wanneerse van de Koren-draghers, Schuyte-boeven, en 't 336. klooties volck wel bestruyft waren, plach te zuyveren.
337.Ende alhoewel het stuck my wel komt te staan op de waarde 338. van drie penning, zo hebbe ick nochtans, de kosten niet ontziende, 339. mijn werck op heden willen voegen na mijn woorden en verstant, 340. om van de Eere te spreken, een heerlijck, eerlijck, groot-dadich 341. stuck an te rechten, te grabbel werpende alle de menichte van oor-342.lepels, niet anders als de oude Romeyntjes, arme bloetjes, haar 343. Missilinaas ondert volck plegen te goyen, ofte gelijck de geweldige 344. Vorsten van onzen tijt, op haar huldinghe, ghewoon zijn gout en 345. silver te worpen.
346.Maar holla, Ick bevinde dat aan de oorlepels tantstokers vast zijn 347. ghewrocht. Neen bylo, dat was de meening niet, dat iemandt zijn 348. tanden zoude stokelen, met iets dat van mijnder eerwaardicheyt komt.
349.Laet sien. Best behoude ick het eene met het andere, want waar 350. toe oock oorlepels, als ick het wel versin, bevinde ick dat het de 351. meeste luyden zo zeer niet in de ooren als daar achter en let, 352. daarom zal 't goedt zijn dese myne mildicheyt te besteden aan ghe-353.steenten in plaatse van oorlepels.
354.Indiender jemandt onder V.E. is, die met Sayen, Bayen, ofte 355. andere Leydtsche waren handelt, en een factoor recommanderen 356. wil, die spreke nu, 'tis tijt, want ick tegens den naaste weecke 357. kommissie meen te geven, om een party steenen van de blawe
358. steen herwarts over te schicken, de welcke ick dese goede gemeent 359. wt goethartige mildicheyt gesint ben by te setten, ten eynde zy 360. haar daar mede achter de ooren laten schrobben en schrapen, zo 361. lang, ofte dat de Key deur, ofte verdreven, ofte tot eenen elendigen 362. staet gebracht zal wesen.
363.Nu dan, Ad rem. Onlangs doorsoeckende van bladt tot bladt, ge-364.lijck mijn manier is, de boecken van deese stadt, zo vonde ick 365. daar een kaart, waar in gekonterfeyt was de boom van het ge-366.heele geslacht van me Juffrou de Eer.
367.Daar stondtse in haar pontificale volle krits, met alle haer afkoomst 368. van aver tot aver, wel tot in het vijf en neghenste lidt, met sus-369.ters, en broers, neven en nichten, omen en meuyen, elck grooter 370. hans als ander.
371.Daar mochtmen klaarlijck zien hoe datze geboren was den 372. eersten maant Ader, vande scheppinghe des werelts, regerende de 373. grootmogende Vorst, Koning, en Tyran Nimrod, de welcke zich 374. vernederde om te roffen het houwelijck van Jonckheer hoghemoet, 375. en Juffrou laat duncken, wettighe vader en moeder van Madamoy-376.selle de Eer.
377.De reden die Nimrod hier toe beweegden, waren, om dat het 378. hem gebrack van duymkruyt in 't eerste, Voorts oock an staten, 379. ambten, bedieningen quansuys, en heerlijckheden om te verzien, ende 380. te vreden te stellen alle de genen, die in zynen dienst haar bloet 381. gestort, voet, handt, arm, been, neus, ofte oor verloren hadden.
382.Want als dat volck hem achter aan liep, ende de kop kranck maeckten 383. om wat te hebben, zo liet hy me Juffrou de Eer, haar masque, 384. ofte cachene strijcken, en dat volck een ghesichjen van haar nemen.
385.Daar wierden de arme sinte Martens duyvels zo me versterct, 386. en vertroost, datse haar lieten wijs maken, dat men voor een kroon 387. van lauwerblaan op 't hooft, meer boters konde koopen als voor 388. duysent in de beurs. Zulcx dat me Juffrou de Eer, hem een Myne 389. verstreckten van grooter voordeel, als Peru an den Koninck van 390. Spanien, of de tienden penninck an Duc d'Alva dede.
391.Zonder dat, Nimrod, Ninus, Cirus, Alexander, Iulius Caeser, 392. Augustus, Tammerlan, de grooten Turck en alle de machtige van 393. de werelt waren al lang achter wt ghevaren, om met haar lieder 394. presentie, de statelijcke Companie van myne Heeren de Banckerot-395.tiren te vereeren.
396.Van zulcken kracht, macht, en mogentheyt zijn de lieffelijck 397. lonckjes, vriendelijckheytjes, troetelinges, lachjes, en anminic-398.heytjes van me Juffrou voorsz. de Eer.
399.Deese ist die de konstenaers haar tijt doet versuymen in boukonst, 400. beeldthouwery, en schilderkunst, om te komen tot den naam van 401. volmaackt, en ondertusschen qualijck drooch broot verdienen, ter-402.wijl een deel brodders, en kladders (die de werelt een praatjen 403. weten te geven, ende te doecken na haar ansicht) genoch winnen 404. om haar selven te mesten als gildt ossen, in voeghe, dat zo men 405. menschen slachten mocht, men zoude haar vleesch teghen neghen 406. stuyvers 'tpont in de Hal ghenoch quijt worden.
407.Ende en haddet me Juffrou de Eer niet gedaan, wy zouden niet 408. ghequelt worden met de ordonantien, netticheden, zuyverheden, 409. hoochsels, diepsels, zoeticheden, zwieren, en zweyen, in ghebouwen, 410. beelden, en schilderyen, die doch de duysenste mensch niet verstaat.
411.Zy ist die geleertheyt doet bloeyen, dwingende de eergierge 412. schrijvers veel eerder an de steen, aen 't graveel, podagra, ycht, 413. etc. te sterven, als de onsterfelijckheyt van haar te verzuymen, 414. die, zoze meenen, met schryven en wryven te eewighen is.
415.Ja, hare aardicheyt en behendicheyt is zo groot, en zo weetze 416. te leven, datze een deel arme neskebollen zo veel windts int hooft 417. blaast, als in twee van de grootste blasen mach, die Jan Hen 418. van zijn ossen bewaart heeft.
419.En het dunckt haar een gheweldige deun te wezen, alzulcke 420. luy, in plaats van Poëten, een blickaars op het vlugghe paart van 421. Pegasus gaan ryen, die beter een paartje schijt ghelt onder haar 422. gat dienden.
423.Ist niet een groote zotticheyt, een wonderlijcke vreucht, een 424. onghehoorde blijtschap, dieze weet te storten int harte van een 425. koterus, die zich zelven kan wijs maken, dat Salomon by hem zijn 426. hooft niet op steken durf wt vreese van een kap? en dat Demos-427.thenes, by hem geleken, maar een hoddebeck, en Cicero een sta-428.merbout is? en dat alsser questie was tusschen hem en Virgilius, 429. wie Pegasus eerst voor zijn poort zoude kussen, dat hem de voor-430.tocht toe behoort, en arme bloet, Demosthenes heeft hy noyt 431. ghekent, Cicero noyt verstaan, Virgilius noyt gesproken, zulcks 432. dat hy daar pas zo veel af weet, als twee stomme zegghen dat 433. redelijck is.
434.Voorwaar 'tzijn onnatuurlijcke dingen de me Juffrou de Eer 435. weet aan te rechten, met doen, spreken, en schryven, boecken 436. int licht te brengen, oorlogen te bestemmen, schanzen te beste-437.ken, boecken pampiers te beschryven van forten, bolwercken en 438. borstweeren, gelijck als wyder haast een wt den pars verwachten, 439. daar de Poëten achter bewaart zullen wezen, niet anders als ofze 440. met een borstlap van een boeckede koeck gheharnast waren.
441.De blixem van myne welsprekentheyt gaat omlegghen op de 442. starckheyt van uwen lof, o wonderlijcke Eer! zulcks dat ick stom 443. worde, ende niet meer weet te zeggen, als dat ghy een ghebreck 444. over u hebt, dat is, dat ghy veel van houwen kost. Vaart wel, 445. leeft lang, blijft ghezont, etc. By my Ian Hen.
Eynde.