Seste toneel.
Tiit. VVaarheyt. Academi. Bedroch. Logen. Achterc. Spiit.
Hier ben ick in wiens eeuw' en onder wiens ghebiet
Komt alles aan den dagh, en weer' om gaat te niet:
Ick ben de vlugghe tijdt dien ooghenblick niet stil staat,
Maar maackt dat alle dinck ter werelt na mijn wil gaet,
355.
En dat al watter beurt, beurt op zijn rechte tijdt.
Dan is de eendracht voocht en dan de bittre nijdt,
En dan, ghelijck alst nu veel jaren heeft ghebleken,
Ist in des loghens oegst met vuyl en qualijck spreken,
Die 'k nu al moe ben, en niet langher en vermach,
360.
Dies brengh ick hier de naackte waarheyt aan den dach:
Die zal de leughentaal en achterklap beschamen,
En 't listighe bedroch, dat zy te hulpe namen,
Ontdecken, want 'tis tijdt, en over tijdt althans
Dat het gheschiede door des waarheyts held're glans,
365.
Die welkoom wesen zal in vroomer lieder ooghen:
Maar zeer onaanghenaam voor die, die niet en dooghen.
VVaa.
Wie maackt de moeyten hier in dit vermaarde huys?
Schud uyt de kleeren, knap ghy goddeloos ghespuys,
Dat elck sie wat ghy quaats hebt onder uwe leden.
370.
'K vernoech my niet int schijn van uyterlijcke kleden.
Schud uyt, segh ick, schud uyt. Wat 's onder het verdeck?
Flucx treckt my datelijck 't mom-aensicht van den beck.
Tyt.
Fy, fy vervloeckt ghedroch. Fy, fy godloose dieren,
Vaert datelijcke na den Hel toe met u vieren:
375.
Spreeckt daar uw' achterklap, spant daar uw' loghens uyt:
Bedrieght malkand'ren daar ghy over gheven kruyt.
En ghy die barst van spijt, gaat heen knaacht daar u zelven,
Of beter mooght ghy in den afgrondt u bedelven.
VVaa.
Ey achteloose mensch die u tot leegheyt gheeft,
380.
En arrem zijnde noch soo kostelijcke leeft
By volck van uws ghelijck, met vol en sat te suypen,
[p. 486]
Om dan heel schaamteloos tot kuffen in te sluypen,
Daar ghy het gheldt (u van de goede luy vereert
Tot nootdruft in u huys) onnuttelijck verteert:
385.
En als die luyden zien u reuckeloose leven
En des ghedwonghen zijn om u niet meer te gheven,
Soo spreeckt ghy qualijck, alst d'ondanckbaren betaamt,
Ja zoo verbolghen dat een yder het hem schaamt.
Bedaart eer 't is te laat, en wilt van 'tselschap scheyden,
390.
Dat u, o wulpsche mensch, zoeckt godtloos te verleyden,
Blijft zitten wercken thuys en wint u broodt met eeren,
Daar ghy met wijf en kind het jaar langh af moocht teeren.
Tyd.
En ghy luy schaamt u vry voor de beganghen schandt
Van u ghestoockt, ghedult. Daar u van hoogher handt
395.
Nochtans, de toesicht is, ghelijck ick weet, bevolen:
Dan ghy en deed' het niet, hebt ghy dan niet ghestolen,
Of laat ick segghen wel, ghesocht te steelen d'eer
Van dien, al kond' hy wel u schelden nimmermeer?
VVaa.
Neen neen zy zal haar niet met loghen-taal te spreken
400.
Noch met gheen achterklap aan haren vyandt wreken,
Dat maar van sot gheboeft en goddeloos gheslacht
Wordt aanghenomen, en van goede luy veracht:
Gaat heen, ziet beter toe, en schuijmt de boose menschen
Wt u gheselschap, die ons alder val toe wenschen.
405.
Tyd.
En ghy verheven vrou langhmoedich ende trots,
Al zijn de nijdighen vol leughen-taal en spots,
En acht haar niet, want zy niet anders en bedrijven
Als dat haar quaat sal aan haar zellever beklijven.
En of een hoope guyts u drieghden op den huyt
410.
Te komen, denckt dat haar ghesnater niet beduyt,
't Is niet de pijne waart dat ghy daarom in smart leeft,
't Zijn loeren, en ick weet dat gheen van haar het hart heeft.