De eerste uitgave van ‘Tijsken van der Schilden’ (I) kwam in 1613 bij Willem Jansz. te Amsterdam uit; in 1615 zag te Delft bij Jan Andriesz. een herdruk het licht (II), terwijl Dirck Cornelisz. Houthaeck het stuk in 1642 nogmaals de wereld inzond (III). Alle drie de uitgaven zijn in 4o1).
De reden, dat het in 1613 verschenen stuk eerst hier, en niet naast Teeuwis den Boer, wordt afgedrukt, ligt in het feit, dat Coster's vaderschap over Tijsken niet voldingend bewezen is. Geen der bekende drukken vermeldt Coster's naam of zijne zinspreuk. Nochtans twijfel ik er niet aan, of Tijsken is wel degelijk door den stichter der Academie vervaardigd. Niet alleen komen in de verzameling van Coster's werken, die zich op de Leidsche Bibliotheek bevindt, de drie genoemde uitgaven voor, maar ook herinnert de taal van het Spel levendig aan Teeuwis. Evenals de inhoud van laatstgenoemd stuk, is ook die van Tijsken ontleend aan een oud volksliedje, dat gedrukt is in het Antwerpsche Liedekens-boek van Jan Roulans (1544)2) en aldus luidt:
Spel van Tiisken vander Schilden.
Tot Amsterdam, By Willem Iansz. op 't waeter, inde vergulde Sonnewyser. Anno CIↃ IↃC XIII.