Met een gevoel van innigen weemoed bied ik aan de vereerders van Da Costa - neen, van echte, schoone en verhevene Poezij, wier geest in hem boven velen leefde en aan zoovele zijner dichterlijke scheppingen een onsterfelijk leven gaf, - hun bied ik hierbij het Eerste Deel van des ontslapenen Zangers kompleete Dichtwerken aan. - Men zal daarin zijn gedichten zooveel mogelijk naar tijdsorde geregeld vinden. Wat tot opheldering van den inhoud scheen te kunnen bijdragen, is door mij in de Toelichtingen medegedeeld, waarin tevens des Dichters eigen Voorredenen en Aanteekeningen, bij zijne verschillende werken gevoegd, zijn opgenomen; en wel zóó, dat het niet moeijelijk zijn zal, het eigen werk des Dichters van mijn bijwerk (welk laatste tusschen [ ] is geplaatst) te onderscheiden. Dat ook in de wijze van uitvoering alle zorg is besteed, om deze uitgave den grooten Zanger waardig, en aldus als een letterkundig gedenk- en eereteeken op zijn pas gesloten graf te doen zijn, - ik vertrouw dat een enkele oogopslag op dezen Bundel genoegzaam zal wezen om den Lezer daarvan te overtuigen.
En zoo ga dan nu deze nieuwe Uitgave, die de gansche dichterlijke Nalatenschap van Da Costa, beide in zijne uitgegevene en nog onuitgegevene Gedichten, kompleet bevatten zal, haren weg! Zij verrijke de Boekverzameling van allen, die het wèl meenen met de Vaderlandsche Letteren en Schoone Kunst! Maar zij vinde niet dáár alleen hare plaats: zij worde opgenomen in de hoofden en harten van alle kinderen onzes Volks, die vatbaar zijn om door den klank der dichterlijke luit niet alleen bekoord, gestreeld en geboeid, maar ook bezield, veredeld, geheiligd te worden. Zoo blijve Da Costa voor ons volk niet alleen een Zanger bij uitnemendheid, maar losse de bewondering en waardering van de eenige gave, hem geschonken, zich op - ik gebruik voor dien wensch hem betreffende, en in zijnen geest geuit, zijne eigene woorden - ‘in de kennis en aanbidding van Hem, die gekend en geëerd wil worden in Zijne werken en in de werken van Zijne werken!’
Amsterdam,
30 Junij 1861.
J.P. Hasebroek.