terug  begin  verderprepost
[p. 21]

De Perzen, dramatisch dichtstuk.aant.

Personaadjen.

xerxes, Koning van Perzië.
atossa, weduwe van Darius en moeder van Xerxes.
rei van perzische grijzaarts.
de schim van darius.
een bode.

Het Tooneel is te Suze, in den voorhof van het koninklijk paleis, naby het graf van Darius.

Eerste tooneel.

de rei.
 
Het heir der Perziaansche scharenaant.
 
Dat voor 't gewoel der krijgsgevaren
 
Den vaderlandschen grond verliet,
 
Heeft ons de zorg van al hun schatten
[p. 22]
 
Op 's Konings voorbeeld op doen vatten,
 
Die heel zijn machtig rijksgebied
 
Vertrouwde aan dees zijn uitverkoren.
 
Darius dierbre telg! ach keer!
 
Breng ons die fiere manschap weêr!
 
O! mocht ik 't voorgevoel versmoren
 
Dat my een gruwzaam lot voorspelt!
 
Trok niet heel Azië te veld?aant.
 
Terwijl we in eindelooze klachten
 
Om onze jonglingschap versmachten,
 
Vergeefs van dag tot dag verbeid,
 
En in de wreedste onzekerheid
 
Een boô zelf vruchteloos verwachten.
 
Gy Suze, Cissa, Ekbataan!aant.
 
Gy zaagt uw muren dan verlaten,
 
Uw jeugd, gewapend tot soldaten,
 
In woesten moed' naar 't strijdperk gaan.
 
Hen voert de bloem van onze Grooten,
 
Amistres, Artaphernes aan,
 
En Megabazes, deelgenooten
 
Van vorstelijke macht en eer,
 
En hoofden van een talloos heir
 
Van zaamgedrongen ruiterscharen
 
En schutters vol ervarenheid;
[p. 23]
 
Een leger, tuk op krijgsgevaren,
 
Wiens enkele aanblik schrik verspreidt.
 
Niet minder uitgelezen helden
 
Verzellen stouten Pharnaces,
 
Iméus en Artembares;
 
Daar zelfs de korenrijke velden,
 
Bevrucht door 's Nijlstrooms koestrend slijk,
 
Ontelbare onverschrokken benden
 
Volijvrig tot hun koning zenden.
 
Pegaston, in 't Egyptisch rijkaant.
 
Geboren, en die Memphis muren
 
En Thebes oude vest besturen,
 
Zijn aan de spits dier legermacht.
 
't Moerassig land geeft vlugge knapenaant.
 
Om 't handig roeijen hoog geacht.
 
De Lydiër, in wulpsche pracht
 
Verzonken, rukte meê te wapen,
 
En volgt geheel het vasteland,
 
Dat van het edelst krijgsvuur brandt,
 
En schaart zich moedig om de vanen
 
Van 's konings machtigste onderdanen,
 
Wien hy dees streken heeft vertrouwd.
 
Het vorstlijk Sardes, rijk in goud,
 
Geeft keur van kostbre wagenscharen,
[p. 24]
 
Wier breede rangen ijzing baren.
 
Maar Mardon voert van Tmolus voetaant.
 
Zijn krijg'ren aan, in 't heetst verlangen
 
Den Griek in ketenen te prangen.
 
Het roemrijk Babel zendt een stoetaant.
 
Van scheeplingen, en schuttersdrommen
 
Die met geoefend oog en hand
 
Den taaien boog nooit vruchtloos krommen.
 
Ja! heel dit uitgestrekte land
 
Heeft wat maar wapenen kon dragen
 
Verlaten, en zijn' Vorst verzeld.
 
Nu slijten we onze droeve dagen,
 
Het hart vol zorgen en bekneld.
 
By ouders beide en echtgenooten,
 
Steeds in hun hoop te leur gesteld,
 
Dient ieder dag, met angst geteld,
 
Slechts om hun kommer te vergrooten.
keer.
 
Ontzachlijk heir! gy zijt gegaan!
 
Gy hebt den Griekschen grond betreden,
 
En brengt den vijand en zijn steden
 
In ieder tred verwoesting aan.
 
De zee, die Hella heeft verzwolgen,aant.
[p. 25]
 
Had u vergeefs den weg ontzegd;
 
Haar heeft, hoe schriklijk ook verbolgen,
 
Uw arm in ketenen gelegd.
tegenkeer.
 
De koning heeft aan alle kant
 
't Verraschte Grieken overvallen
 
Met onze duizend-duizend tallen,
 
Ter zee gewapend en te land.
 
Hy voert hen aan, met al de Grooten
 
Omgeven van zijn bloeiend rijk;
 
De Vorst, uit godenbloed gesproten,aant.
 
En goden-zelf in rang gelijk!
 
 
 
Met oogen schitt'rend van den gloed
 
Van heldenvuur en leeuwenmoed,
 
En op een rijkversierden wagen
 
Aan 't hoofd der benden omgedragen,
 
Voert hy den Perziaanschen boog
 
De Grieksche spietsen tegen.
 
Wat vijand hoopt nog op de zegen,
 
Die tegen hem ten strijde toog?
 
Wie waagt het, de opgezwollen stroomen
 
Met dijk of paalwerk in te toomen?
[p. 26]
 
Zoo schriklijk zijt ge, o Perzisch volk!
 
Maar ach, een akelige wolk
 
Benevelt, blijde hoop! uw luister.
 
Der goden wegen zijn ons duister:
 
Wat sterv'ling kan hun wil weêrstaan?
 
Des noodlots ijzren wet ontgaan?
 
Of 't loosgespannen net vermijden,
 
Hem door der goden hand gespreid?
 
Te dikwerf door hun gunst misleid,
 
Tracht hy zijn loopkring te verwijden;
 
En, altijd verder afgedwaald,
 
Ziet hij zich eindelijk verraden,
 
Vervoerd op afgelegen paden,
 
Waar alle vluchtenspoging faalt!
eerste keer.
 
Der goden bystand heeft dit land
 
Beveiligd, en van alle kant
 
Ten welvaarts top verheven.
 
Dankt, Perzen! dankt het haar alleen,
 
Die zelfs de sterkst bemuurde steên
 
Voor uwe vuist deed beven.
[p. 27]
eerste tegenkeer.
 
Dankt haar, die u den wijden vloed,
 
In 't golven schuimend en verwoed,
 
In 't eind deed overkomen.
 
Toen ge u een veilgen overtochtaant.
 
Op zaamgebonden kielen wrocht,
 
Betemmers van de stroomen!
tweede keer.
 
O! laat die gunst u nooit verlaten!
 
Klink' nooit die rouwkreet door uw straten,
 
O Suzes teêrgeliefde vest!
 
Die kreet, wiens doffe klank mijn harte
 
Ontzet door ongekende smarte:
 
Wee, wee het Perzische gewest!
tweede tegenkeer.
 
Begeeft my, aaklige gedachten!
 
Zoudt ge ook, o Cissa, van die klachten
 
Weêrgalmen in uw hoogen wal?
 
Uw vrouwen zich de sluijers scheuren,
 
Door geen vertroosting op te beuren,
 
In wanhoop om des legers val?
[p. 28]
derde keer.
 
Gelijk een dichte bijënwolk
 
Stoof overal het dappre volk
 
Uit onze rijkbewoonde steden.
 
De zee, die ons van d' overkant
 
Wou weeren, ligt gedwee in band:
 
En Xerxes leger heeft Europische aard betreden.
derde tegenkeer.
 
De teedre vrouw slijt dag en nacht
 
In afgebroken klacht op klacht,
 
En 't eenzaam bed is nat van tranen.
 
Het jeugdig, zacht gevoelend hart
 
Kwijnt weg in nooit verpoosde smart,
 
Om d'egâ die haar liet voor 's konings heldenvanen.
 
 
 
Waartoe, waartoe, die ramp gespeld?
 
Neen! voelen we ons van zorg doorknagen
 
Voor hunne ons overdierbre dagen, -
 
Kom, laten we eer naar de aankomst vragen
 
Eens boden, die ons licht den staat van 't leger meldt,
 
En tijding geeft van 's vorsten leven,
 
En wie verwinnaar is gebleven:
[p. 29]
 
De boog der schutters van het Oost
 
Of 't puntig staal van Griekens kroost? -
 
Maar 's Konings moeder richt haar schreden
 
Tot ons, met glans omstraald gelijk het oog der goôn.
 
Gy, bidt haar aan naar onze zeden,
 
En zij uw hulde haar al knielend aangeboôn!aant.

Tweede tooneel.

atossa, de rei.
de rei.
 
Verheven Koningin der trouwe Perzianen!
 
Ontfang den welkomstgroet van minnende onderdanen,
 
Gy, eedle koningsweeuw en moeder van een god
 
Van welvaart voor deez' Staat, zoo 't albestierend lot
 
Niet keerde, maar ons steeds voor rampen blijft behoeden!
atossa.
 
Helaas! dit enkel woord doet my het harte bloeden.
 
't Is daarom, dat ik thans het vorstlijk huis verlaat,
 
En troost en balsem wacht, mijn vrienden, van uw raad.aant.
[p. 30]
 
Ik zal u de oorzaak van die jagende angst verklaren.
 
'k Vrees voor ons Staatsgebouw, te hoog in bloei gevaren.
 
Och! dat dit roemrijk werk, door hemelsche genâ
 
Gevestigd, niet op eens ter neêr storte en verga!
 
Een volk, hoe talrijk, zoo 't van rijkdom is verstoken,
 
Is kwijnend, maar zijn kracht wordt eerder nog verbroken,
 
Waar 't rijk, van schatten vol, gebrek aan manschap heeft.
 
Die ramp is 't, waar mijn hart (en zonder end) voor beeft.
 
Wee, wee ons, zoo dit land zijn jonglingschap moest derven!
 
Getrouwen! laat ik heul van uwe reên verwerven!
 
Op u heb 'k steeds gesteund: het is uw grijzend hoofd
 
Wiens wijsheid my ook thans voldoenden raad belooft.
de rei.
 
Doorluchtigste! zoo naauw aan 't vorstlijk huis verbonden,
 
Hebt ge ons in raad en daad steeds blakende gevonden;
 
En nimmer wordt die gloed in 't dankbaar hart gebluscht.
atossa.
 
Mijn slaap wordt ieder nacht door droom op droom ontrust,
 
Sints mijn geliefde zoon, verwoed op Griekens steden,
 
Op keur van benden trotsch, hun bodem heeft betreden.
 
Maar nooit nog heeft me een droom met zulk een angst bekneld,
 
Als 't nachtspook dat mijn geest deez' nacht werd voorgesteld.
[p. 31]
 
Een jeugdig vrouwenpaar verscheen me, en hield mijn oogenaant.
 
Door dracht en houding van verwondring opgetogen.
 
De een hing het Perzisch kleed bevallig om de leên,
 
Maar de andre sierde een Grieksch, beî in aanloklijkheên
 
Onovertrefbaar. In de fijnbesneden trekken
 
Was aanstonds op het klaarst haar zusterschap te ontdekken.
 
Gescheiden door het lot, had deze op Griekschen grond,
 
Gene in dit werelddeel haar zetel. Nu ontstond
 
Er twist en grimmigheid, dat beider oogen blonken.
 
Maar Xerxes nadert haar, en dooft die oorlogsvonken,
 
Maar voert ze met zich meê op 't eigen oogenblik,
 
En kromt haar onder 't juk, nog roerloos van den schrik,
 
Slaat haar zijn teugels om, en ketent ze aan zijn wagen.
 
De een biedt geen tegenstand, vereerd den boei te dragen
 
Van d' onverwinbren Vorst van 't Perzische gebied:
 
Maar de andre brandt van toorn, daar zy geen rang ontziet,
 
En rukt zich spartlend los, en waagt het, vrij van banden,
 
Den vorstenwagen vol verwoedheid aan te randen,
 
En trapt het haatlijk juk en scheurt de wielen af.
 
De vorst stort neêr. Ik zie Darius, uit zijn graf
 
Verrezen, met een zucht dit droef tooneel aanschouwen,
 
En mijn verneêrden zoon in steeds ontroostbrer rouwen
 
Versmelten. 'k Zag dit, en het nachtgezicht verdween.
 
'k Stond op, en liep vol drift naar zuivre bronnen heen
[p. 32]
 
Om met een reine hand de goden te vereeren
 
Met offers, dat hun gunst dit onheil af mocht keeren.
 
Op eens vernam mijn oog een snellen adelaar
 
(Een havik vloog hem na) zich spoedend naar 't altaar.
 
Ik voelde op dit gezigt mijn gorgel toegeknepen.
 
Reeds heeft de haviksklaauw den vluchtende aangegrepen
 
En pijnigt hem den kop, die zelfs geen weêrstand biedt.
 
Ziedaar wat in mijn hart die siddring achterliet.
 
Wat roem had Xerxes van een zegepraal te wachten!
 
En thans - voorzie 'k den val van zoo veel legermachten.
 
Zoo 't noodlot hem verried.... o! Blijv' hy slechts gespaard,
 
Geen neêrlaag maakt hem ooit de koningskroon onwaard.
de rei.
 
Wy wagen 't niet, Mevrouw! dit wonder te verklaren:
 
Roep Godenbystand aan, en wil geen offers sparen,
 
Opdat hun almacht die verschrikkelijke wolk
 
Verdrijve en zegen storte op u, uw kroost en volk;
 
En pleng een heilig vocht aan de onderaardsche streken:
 
Licht schenkt uw echtgenoot, vol deernis met uw smeeken
 
En nedrige offers, uit het diepst van 's afgronds nacht
 
Versterking aan dit rijk en zijn doorlucht geslacht.
 
Dees raad slechts kunnen we u in uw bekomm'ring geven -
 
En mooglijk wordt zy dus in beter uur verdreven.
[p. 33]
atossa.
 
Mijn dierbren! in dees taal, voor 't lijdend hart zoo zoet,
 
Blinkt schittrend in mijn oog uw vroom, uw trouw gemoed.
 
Het lot vervulle uw wensch! 't Paleis weêr ingetreden,
 
Draal ik geen oogwenk meer met reukwerk en gebeden
 
En aarde- en hemelgoôn te naadren. Melde uw mond
 
My dit nog: aan wat kant ligt toch de Atheensche grond?aant.
de rei.
 
In 't Westen.
atossa.
 
En deez' stad poogt Xerxes te vernielen?
de rei.
 
Heel Grieken zou met haar voor 's konings schepter knielen.
atossa.
 
En waakt een groote macht tot hoede van haar muur?
de rei.
 
Ons heir beproefde 't eens. En ach! het stond ons duur.
[p. 34]
atossa.
 
En heeft ze ook schatten, waar de steden meest door bloeien?
de rei.
 
Ja, mijnen heeft ze, die van zilver overvloeien.aant.
atossa.
 
En zijn hun schutters vlug met pijl en schietgeweer?
de rei.
 
Zy strijden met geen boog, maar met den vasten speer.
atossa.
 
Wat vorst is aan hun hoofd?
de rei.
 
Zy noemen dit, als slaven
 
In 't onverdraaglijk juk van koningen te draven!
atossa.
 
Een ordelooze hoop durft de onzen dan weêrstaan?
[p. 35]
de rei.
 
Ach! eens deed zulk een hoop Darius heir vergaan.aant.
atossa.
 
O al te wreede zorg voor 't weeke moederharte!
de rei.
 
Versmoor, Mevrouw! een wijl die pijnigende smarte.
 
Een bode nadert ons. Verkondig' hy ellend
 
Of heil! de onzekerheid, voor 't minste, spoedt ten end.

Derde tooneel.

atossa, de rei, een bode.
de bode.
 
O smart! o vaderland! o eenmaal blijde steden
 
Van 't schittrend Azië! Wat hebt ge een ramp geleden!
 
Hoe deed een enkle dag der Perzen heil vergaan
 
Met heel uw voor'gen glans! Helaas! wat gaat my aan?
 
Ik breng, tot overmaat der jamm'ren die my drukken,
[p. 36]
 
U nog de bittre maar van al uw ongelukken.
 
Maar ach! het moet zoo zijn. 'k Weêrsta den nood niet meer:
 
Verneemt, verneemt den val van 't gantsche Perzisch heir.
de rei. - eerste keer.
 
Helaas! wat donder trof mijn ooren?
 
Wat schrikbre ramp brengt my dees dag?
 
Wie zal in tranen niet versmoren
 
Na zulk een pletterenden slag?
de bode.
 
't Is alles redloos. 'k Heb ter naauwernood mijn leven
 
Van 't hoogst gevaar gered en my tot u begeven.
de rei. - eerste tegenkeer.
 
O droevig einde van mijn dagen!
 
Ik heb te lang, te lang geleefd!
 
Nu de ijslijkste van 's noodlots slagen
 
Mijn dierbaar land getroffen heeft.
de bode.
 
Helaas! het is te waar. Geen ander deelde my
 
't Verhaal dier neêrlaag meê. Ik-zelf, ik was er by.
[p. 37]
de rei. - tweede keer.
 
Helaas! de keur van onze helden
 
Werd vruchtloos uitgerust ten strijd.
 
Zy vielen neêr op Griekens velden,
 
Aan 't machtig Godendom gewijd.
de bode.
 
Het strand van Salamis en de omgelegen vlekken
 
Zag 'k met d' onmeetbren hoop dier lijken gantsch bedekken.
de rei. - tweede tegenkeer.
 
Daar dobbren dan die dappre scharen
 
Op de altijd rustelooze zee,
 
Ten spel der hobbelende baren
 
Met de afgedwaalde wrakken meê!
de bode.
 
Geen moed, geen wapen mocht hier baten; heel de vloot
 
Vond in den heetsten strijd een jammerlijken dood.
de rei. - derde keer.
 
O wee! wat kan ons leed verzachten,
 
o Perzen! by uw ondergang?
[p. 38]
 
Stort uit, stort uit uw bittre klachten
 
In 't allerroerendst treurgezang!
de bode.
 
O haatlijk Salamis! o hatelijk Athenen!
 
Hoe zullen we ooit uw naam herdenken zonder weenen?
de rei. - derde tegenkeer.
 
Hoe dikwerf, ach! hebt ge onze vrouwen,
 
Atheen, tot raadloosheid gebracht;
 
Terwijl ze om de echtgenooten rouwen
 
Die door uw handen zijn geslacht!
atossa.
 
'k Bleef sprakeloos, van schrik, by zulk een maar, verplet,
 
Die me al mijn krachten stremt, en 't schreien-zelf belet;
 
En bevend vrage ik u 't verhaal dier ongelukken.
 
Maar ach! de sterv'ling moet voor 's noodlots wetten bukken.
 
Herneem dan zelf den moed, en ik, ik hoor bedaard
 
Uw andwoord aan. Wie heeft de wreede dood gespaard?
 
Wat hoofden zaagt ge hem 't verstrooide volk ontscheuren?
 
Wat helden moet ons hart, met 's legers val, betreuren?
[p. 39]
de bode.
 
Voor 't minst uw zoon, Mevrouw! is 't stervenslot ontvlucht.
atossa.
 
O onverwachte troost! Gy geeft mijn boezem lucht.
 
Een straal van vreugde dringt zich heen door zoo veel wolken
 
Voor heel ons treurend huis en zijn verneêrde volken.
de bode.
 
Maar 't hoofd van duizenden, de stoute Artembares
 
Viel neêr op 't bloedig strand, en veldheer Dadaces
 
Werd, doodelijk gewond, in 't bruischend nat bedolven.
 
Hier stort op Ajax grond, omsingeld van de golven,aant.
 
Het lijk van Tenago, dien fieren Bactriaan;
 
Daar valt Pheresbus met Adeua, van de monden
 
Des afgelegen Nijls uw zoon ter hulp gezonden,
 
Van uit het hooge schip in zee; aan de andre zij
 
Metallus, 't strijdbaar hoofd der zwarte ruiterij.
 
Dees, prachtig uitgedoscht in 't schitterende wapen,
 
Ziet overal den dood hem dreigend tegengapen,
 
En verwt in eigen bloed de schoone, blonde baard.
 
'k Zag wijzen Arathus neêrtuimelen ter aard;
 
Hem volgden Artames en dappere Arimardes,
[p. 40]
 
(Ontzettelijke ramp voor 't glorierijke Sardes!)
 
Amistris, Sisames, Amphistreus, zoo geacht
 
Om 't slingren van zijn schicht met meer dan mannenkracht.
 
De schoone Tharybis, die vijfmaal vijftig schepen
 
Ten strijd voert, wordt met hen door 't moordstaal aangegrepen.
 
Syennezis vindt meê den eedlen heldendood;
 
Hy, die den krijg'ren van Cilicië gebood,
 
Hy, steeds gewoon in 't bloed van vijanden te baden,
 
En om zijn deugd geroemd als om zijn oorlogsdaden.
 
Zie daar, die 's noodlots toorn ons heir betreuren deed,
 
En ach! hoe weinig nog by alles wat het leed!
atossa.
 
Wat treurenswaard verlies van onze grootste helden,
 
Wat onuitwischbren smaad kwaamt ge ons, bedroefden, melden!
 
Heeft dan zoo groot een macht gebukt voor Griekens vloot?
 
Gy, spreek! wat stelde ons toch aan zulk een onheil bloot?
 
Hoe groot dan was 't getal der Grieksche schepelingen?
 
Hoe dorst het tegen ons naar de overwinning dingen?
de bode.
 
Helaas! o koningin! 'k beken 't, tot onze schand,
 
De vijand had, naar 't scheen, slechts luttel tegenstand
 
Te bieden, en zijn vloot scheen lichtlijk te vernielen.
[p. 41]
 
Zy streden met niet meer dan vijfmaal zestig kielen,
 
Tien uitgelezen, en de Perzen met een macht
 
Van duizend, uitgerust met ongelijkbre pracht.
 
En echter vielen wy, door 't Grieksche staal verwonnen.
 
Gewis, ter kwader uur werd deze krijg begonnen!
 
De wreedheid van een God, ons eenmaal bloeiend land
 
Vijandig, boog de schaal van 't noodlot naar hun kant.
atossa.
 
Een God beschermt de stad, Minerva toegeheiligd.
de bode.
 
Onneembaar is ze, ja, en voor geweld beveiligd,
 
Zoo lang der burgren arm haar vestingmuur bewaart.
atossa.
 
Maar was de Grieksche vloot het eerst ten strijd geschaard?
 
Of heeft mijn dierbre zoon den vijand aangevallen,
 
Vertrouwend op de hulp van zoo veel duizendtallen?
de bode.
 
Voorzeker heeft een God of woedend helgedrocht,
 
Vóór d' aanvang van 't gevecht, die nederlaag gewrocht.
 
Ons had een vluchteling van uit het heir der Griekenaant.
[p. 42]
 
Bericht, dat als de nacht zijn zwartgeverwde wieken
 
Zou uitslaan, hunne vloot, voor onze macht beducht,
 
Geen zeestrijd wagen, maar een onverwachte vlucht
 
Te baat zou nemen en 't gevreesd gevaar ontloopen,
 
Als stond geen andre weg voor hun behoudnis open.
 
Naauw had de looze Griek geëindigd, of uw zoon
 
(Onkundig van zijn list en van den haat der Goôn,)
 
Geeft overal bevel dat, als de zonnestralen
 
Ten westen, en de nacht op 't aardrijk neêr zou dalen,
 
De gantsche vloot zich schaar' op een driedubble rij,
 
Op dat de vlucht ter zee den Griek onmooglijk zij,
 
En 't strand van Salamis aan alle kant besloten;
 
En zoo de vijand nog, zich reddende in zijn boten,
 
't Gevaar ontkomen mocht en onze waakzaamheid,
 
Dan was den schepeling een wisse straf bereid.
 
Wy zouden, vruchteloos geknield voor 's konings voeten
 
Onze onvoorzichtigheid met onze hoofden boeten.
 
Zoo waant hy, vol van hoop; helaas, hoe min verdacht
 
Op de ongenâ van 't lot en 't onheil dat hem wacht!
 
Op 's konings hoogen wil stelt elk der schepelingen
 
Zich onverwijld in staat den vijand te bespringen,
 
Gesterkt met spijs en wijn; en bindt de riemen aan,
 
Om op den eersten wenk ten vaart gereed te staan.
 
Maar toen de glans der zon den hemel had verlaten,
[p. 43]
 
Vliegt alles saam naar 't strand, en roeiers en soldaten,
 
En klimt de schepen op, en spoort vol vuur en moed
 
Zijn tochtgenooten aan tot d'allermeesten spoed.
 
Wy glijden op en neêr op 't wentlen van de baren,
 
Gehoorzaam aan 't bevel der hoofden, en bewaren
 
Den uitgang ons vertrouwd, en hadden heel den nacht
 
Met brandend ongeduld den vijand afgewacht.
 
Nu was de duisternis reeds van den trans geweken;
 
Nog merken we aan het strand geen kiel of vluchtensteeken.
 
Maar naauwlijks breekt de zon de bleeke kimmen door,
 
Of ijlings treft een kreet ons gretig luistrend oor,
 
Een kreet met zang vermengd, dien de Echo van de rotsen
 
Verdubbeld wijd en zijd tot ons te rug doet botsen.
 
Een plotselijke schrik gaat onze dappren aan,
 
Vervallen op die klank van hun langduurgen waan:
 
Want ach! het is geen klacht van weeke vluchtelingen,
 
Maar heldenoorlogszang, wat thans de Grieken zingen,
 
Ontstoken op 't geschal der hooge krijgstrompet:
 
Reeds bruischt de holle zee door hunne vloot bezet,
 
Reeds schuimt zy op den slag van 't samenruischend roeien;
 
En eindlijk zien wy hen tot onze kielen spoeien.
 
De rechtervleugel gaat de gantsche macht vooruit,
 
Op 't schoonst ten strijd geschaard; terwijl een woest geluid
 
Van kreten zonder end zich opheft tot de wolken,
[p. 44]
 
En dus onze ooren treft: ‘O Griekens eedle volken!
 
Strijdt, strijdt uw vaderland van vreemde heerschzucht vrij,
 
Uw vrouwen en uw kroost van 's vijands woestaardij,
 
Met de outers van de Goôn, met uwer vaadren graven:
 
Dees dag beslist uw lot, en maakt u vrij of slaven!’
 
Ons heir heft van zijn kant een schrikbren wapenkreet,
 
Elk in zijn tongval aan, tot strijden beî gereed.
 
Nu raakt men handgemeen: de menigte der schepen
 
Heeft reeds van wederzij elkander aangegrepen.
 
Een Grieksche hulk, die 't eerst aan 't hoofd van 's vijands vloot
 
't Gevecht begon, vernielt een Perziaansche boot:
 
Wy hadden moedig reeds den aanval afgeslagen,
 
Tot we allen eensklaps ons op 't naauwst besloten zagen
 
In de engten, dat geen schip tot 's anders redding spoên,
 
Noch iets de Perzen voor een neêrlaag kon behoên.
 
Wy hooren het gebots der saamgehorte kielen,
 
En zien onze eigen vloot zich in dien schok vernielen.
 
De wreede winnaar valt met dubbel woeden aan,
 
En doet de schepen in 't verzwelgend nat vergaan.
 
De golven zijn verkeerd in purperroode stroomen,
 
Met wrakken overdekt; de menigte, omgekomen
 
In 't strijden, ligt op rots en bank en strand verspreid.
 
Wy hadden vol van schrik ons tot de vlucht bereid,
 
Maar nog moest 's vijands wraak de matte vloot vervolgen.
[p. 45]
 
Hy laat geen oogwenk rust, maar slaat, op 't felst verbolgen,
 
Ons droevig overschot, gelijk een visschenzwerm,
 
Met brokken mast en riem te pletter. Een gekerm
 
Van smart en wanhoop doet zich onophoudlijk hooren,
 
Tot daar de schaâuw der nacht dien gruwbren moord kwam storen.
 
Neen! 'k melde u niet al 't kwaad dat Xerxes leger leed,
 
Al breidde ik dit verhaal tien dagen uit. Want weet
 
Dat nooit de zonnekar de kimmen heeft beklommen,
 
Ter neêr ziende op den dood van zoo veel heldendrommen.
atossa.
 
Wat onbeperkte stroom van rampen zonder tal
 
Brengt met ons vaderland heel Azië ten val!
de bode.
 
En 'k deed u nog niet eens de helft der plagen hooren,
 
Wier ijslijkheid ons trof. Nog was ons één beschoren,
 
Die op 't verdrukte hoofd met dubble zwaarte woog.
atossa.
 
Wat nog verschrikbrer lot viel op ons van omhoog?
 
Ach! meld my, welk een slag na zoo veel bittre slagen
 
Ons tot nog dieper smaad en wanhoop kon verlagen?
[p. 46]
de bode.
 
Helaas! die fiere rij van onze schoonste jeugd,
 
Die schitterend in rang, en groot in oorlogsdeugd,
 
Met onverbreekbre trouw des konings macht verzelde,
 
Werd uitgedelgd door 't zwaard, dat heel ons leger velde.
atossa.
 
Mijn vrienden! ik bezwijk, verwonnen van de smart.
 
'k Wil echter, 'k wil, bedrukte, in weêrwil van mijn hart,
 
Al 't onheil weten dat dien braven is weêrvaren.
de bode.
 
Niet ver van Salamis, aan d'andren kant der baren,aant.
 
Ligt midden in hun schoot een naauwgenaakbaar land,
 
Waar Pan zijn herderen ten feestdans voert op 't strand.
 
Daar wordt die eedle jeugd vóór 't strijden heen gezonden,
 
Op dat zy, zoo de Griek, door ons geweld ontbonden,
 
Daar hulp en veiligheid of nieuwe krachten zocht,
 
Zijn laatste poging in zijn bloed versmoren mocht,
 
En de onzen redden uit den drang der zeegevaren.
 
Maar anders moest de wil der Goden zich verklaren!
 
De zege had zich nu aan 's vijands zij gehecht,
 
En hy, nog afgemat van 't bloedige gevecht,
[p. 47]
 
Springt straks zijn kielen uit en schaart in naauwe kringen
 
Zich om het eiland rond; dat onzen jongelingen
 
Geen uitkomst overblijft, noch wegen om te vliên.
 
Zy zoeken in dien nood nog wederstand te biênaant.
 
Met vlugge pijl op pijl en pletterende steenen;
 
Maar alles is vergeefsch: hun doodsuur is verschenen.
 
De vijand valt op eens vereenigd op hen aan
 
(Onmachtig dit geweld nog langer te weêrstaan,)
 
En staakt zijn woede niet, van trots en wrevel dronken,
 
Voor ze allen aan zijn voet zieltogend zijn gezonken.
 
Uw zoon barst middlerwijl in bittre tranen los:
 
Van op een heuveltop naby het golfgeklots
 
Had hy op 't moordtooneel zijn benden gâ geslagen.
 
Nu ziet hy ijzend neêr op d' afgrond onzer plagen
 
En scheurt, van wanhoop dol, het vorstelijk gewaad
 
Aan stukken, geeft bevel tot d' aftocht, en verlaat
 
Het slagveld, om met ons op 't spoedigste te vluchten.
 
Die mare hadt gy nog by al uw ramp te duchten!
atossa.
 
o Goôn! wat valsche hoop hebt gy ons aangeboôn!
 
Is dit, is dit de wraak voor d' onvergeetbren hoon
 
Dien 't wijdberoemd Atheen ons eenmaal deed weêrvaren?
 
Of heeft geen bloed genoeg van Perziaansche scharen
[p. 48]
 
Op 't ons noodlottig veld van Marathon gevloeid?
 
En moest dan, als mijn zoon dien schandvlek zoo verfoeid
 
Poogt uit te wisschen, een nog schrikbrer onheil volgen?
 
Ach! meld my waar het lot, op de onzen zoo verbolgen,
 
Der schepen overschot voor 't minst belanden deed?
de bode.
 
De hoofden stelden zich ter wilde vlucht gereed,
 
En vliên, op willekeur van golf en wind gedreven.
 
Van 't ons nog ovrig heir verloor een deel het leven
 
Naby Beotië, van dorst en hitte droog,
 
Daar reeds een frissche bron zich opdeed aan hun oog.
 
Wy, moede en uitgeput, van rust en spijs versteken,
 
Wy loopen Phocis af en Doris hooger streken,
 
En waar Sperchéus 't veld met vruchtbre stroomen drenkt,aant.
 
Tot daar Thessalië ons een korte schuilplaats schenkt.
 
Hier zagen wy op nieuw ontelbren onzer vrinden
 
In honger en gebrek het aakligst sterflot vinden.
 
Wy, door Magnezië en het Macedonisch rijkaant.
 
By Axius rivier en Bolbes rietig slijk
 
Tot aan Pangéus berg in 't eind gevorderd, spoedden
 
Naar 't naadrend Thracië, wanneer 't ontijdig woeden
 
Des winters ons den stroom des zilvren Strymons sloot.
 
Nu smeekten we of ons aard of hemel bystand bood,
[p. 49]
 
En zelfs wie voor dien tijd het Goddelijk vermogen
 
Miskend had, hief met ons zijn noodgebed ten hoogen.
 
Dus bidden wy de Goôn om hulpverleening aan,
 
En wagen het den rug der waatren op te gaan.
 
Wy stappen veilig op de toegevroren baren,
 
Zoo lang wy nog geen glans aan de Oosterkim ontwaren:
 
Maar toen de zonnekar in brandend licht verscheen,
 
Drong zich zijn hette door 't kristal der stroomen heen
 
En smolt ze. 't Oovrig heir dat d' overkant der golven
 
Nog niet bereikt had, werd geheel in 't nat bedolven:
 
En zalig die het eerst den veegen aâm verloor!
 
Wy - kwamen Thracië en haar hindernissen door,
 
En zien u eindlijk weêr, o vaderlandsche streken!
 
Maar ach! hoe moet die komst het Perzisch harte breken,
 
Wien onze kleine hoop herinnert aan 't gemis
 
Der dierbre manschap die ons afgestorven is!
 
Zie daar een deel, Mevrouw, dier onoptelbre plagen,
 
Waarmeê der Goden toorn dees landen heeft geslagen.
de rei.
 
Ontzachelijke Goôn! hoe heeft uw overmacht
 
In onbeperkte woede ons rijk ten val gebracht!
[p. 50]
atossa.
 
Zoo is dan onze jeugd, o Perzie! omgekomen.
 
Neen! gy bedroogt my niet, gy spoken, me in mijn droomen
 
Verschenen, die my 't lot mijn ramp ten voorbô zond!
 
Gy, grijzen, die dien wenk miskendet, toen uw mond
 
Mijn angst wou stillen, 'k zal uw raad niet minder volgen:
 
'k Zal plengen aan de Goôn, op ons geslacht verbolgen,
 
En offeren aan de aard en 't bleeke schimmenrijk.
 
Ik weet, 't geleden kwaad is onherroepelijk.
 
Maar 't noodlot kan ons nog voor nieuwe jammren dekken.
 
O! laat uw trouwe zorg my thans tot hulp verstrekken!
 
Beraadt u onvermoeid en naar der zaken eisch;
 
En als mijn droeve zoon het vorstelijk paleis
 
Genaakt, leidt gy hem in en troost hem, o mijn vrinden!
 
En laat zijn lijden hier voor 't minst een eindperk vinden!

Vierde tooneel.

de rei.
 
O machtige Oppervorst der Goôn,aant.
 
Wiens albeschikkende geboôn
[p. 51]
 
De ontelbre macht van onze helden
 
Op vreemden grond ter neder velden,
 
Zie door uw gramschap Ekbataan
 
En Suzes vest in smart vergaan!
 
Zie op de tranen onzer vrouwen;
 
Zie ze om ons onheil troostloos rouwen,
 
En rukken met de zachte hand
 
Zich hoofdhair af en zilvren band!
 
Zie heel een schaar van trouwgenooten,
 
Die pas den echtknoop heeft gesloten
 
En reeds den echtgenoot betreurt,
 
Haar in 't noodlottigst uur ontscheurd!
 
O kwelling naauwlijks te verdragen!
 
Zy zal de schoonste van haar dagen
 
Van 't zuiver heilgenot beroofd,
 
Haar in dien blijden staat beloofd,
 
In 't aklig weduwbed verteeren!
 
Wat kan de wanhoop van haar keeren?
 
Ik zelf, helaas! ik voel elk oogenblik
 
Mijn rouw verdubblen, nog verpletterd van den schrik.
eerste keer.
 
Hoe treuren de omgelegen velden,
 
Van heel haar mannenteelt ontbloot!
[p. 52]
 
Ach Xerxes, Xerxes! moest ge uw helden
 
Ten offer voeren aan den dood?
 
Och! of een God u had weêrhouên
 
Van 't roekloos macht- en zelfvertrouwen
 
By d' aanvang dier onzaalge tocht,
 
En 't spoor doen volgen van uw' vader,aant.
 
Die, held en vreedzaam vorst te gader,
 
Zijn' volken niet dan weldaân wrocht!
eerste tegenkeer.
 
Gy! zwarte, vluggewiekte kielen,
 
Met onzer mannen keur belaân!
 
Gy zaagt die dappren dan vernielen,
 
En alles in hun val vergaan!
 
De koning zelf, in vreemde landen
 
Ter naauwernood uit 's vijands handen
 
Behouden door een snelle vlucht,
 
Keert, eindlijk dit gevaar ontkomen,
 
Door Thraciës bevroren stroomen
 
Te rug in vaderlandsche lucht.
tweede keer.
 
Helaas! hoe menig onzer braven,