terug  begin  verderprepost
[p. 99]

Alfonsus de Eerste, treurspel.aant.

Φίλος γὰρ ἐχθρὸ, ἐγένɛτ᾿, ἀλλ᾿ὅμως Φίλος. eurip. phoen.

Personaadjen.

don alfonsus, Zoon en opvolger van Graaf Hendrik van Portugal.
dona mathilda, zijne Echtgenoote.
dona theresia, Weduwe van Graaf Hendrik, moeder van Don Alfonsus en hertrouwd met
don ferdinand perez, Graaf de trava, Castiljaansch Edelman.
don egas moniz, Portugeesch Edelman, opvoeder van Don Alfonsus.
omar, Afgezant van den Oppervorst der Mooren.
don lorenzo d'aganil, Hoofd van Don Alfonsus Lijfwacht.
don pedro d'avila, Hoofd van Graaf de Travaas Lijfwacht.
dona leonora, Vertrouwde van Dona Mathilda.
Een Schildknaap.
Spaansche en Portugeesche Edellieden, aan de Trava gehecht, met don alonzo gomez aan hun hoofd.
Portugeesche Edellieden.
Lijfwachten van Don Alfonsus en de Trava.

Het Tooneel is te Guimaraens, de toenmalige Hoofdstad, liggende op de rivier den Ave. Het Eerste, Vierde en Vijfde Bedrijf speelt in het Paleis van Don Alfonsus, het Tweede en Derde in dat van den Graaf de Trava. - Het stuk neemt een aanvang tegen den middag van den eenen dag en eindigt tegen dien van den volgenden. Tusschen het Derde en Vierde Bedrijf onderstelt men de ruimte van éénen nacht.

Eerste bedrijf.

Eerste tooneel.

dona mathilda, dona leonora.
leonora.
 
Hoe! steeds verdiept, Mevrouw, in zorgen zonder baat!
 
Het uur des nachts voert u geen troost; de dageraad
[p. 100]
 
Verrascht uw slaaploos oog in steeds vernieuwde tranen!
 
Wy zien op uw gelaat den glans der jonkheid tanen
 
In nevelen van smart! Gy, eedle deelgenoot
 
Der trouw, die heel een volk, door moed en braafheid groot,
 
Aan de afkomst toedraagt van den held, die 't deed herbloeien,
 
Gy, wier aanminnigheid zijn boezem deed ontgloeien
 
In liefde, waar hy zints geheel zijn lust in vond,
 
Gy, treuren zonder end, waar 't al u heil verkondt!
 
We eerbiedigen, Mevrouw, de smart, die gy doet blijken,
 
Maar 't zachte vrouwenhart pleegt eerder te bezwijken
 
Voor ingebeeld gevaar en dreiging van het lot.
 
Zoo smoor die bange vrees, wier foltring u 't genot
 
Der kalme zielrust licht voor eeuwig kan verstoren!
 
De vaderlijke kroon is uw gemaal beschoren,
 
En ras verrijst de zon, die u begroeten zal
 
Als wettige Gravin van 't juichend Portugal!
 
O! laat geen knagende angst u zulk een hoop verbittren!
 
De dag, door ons verbeid, zal onbeneveld schittren.
mathilda.
 
Mijn Leonoor! helaas! hoe dikwerf heeft mijn hart
 
Zich zelf de weekheid niet verweten van zijn smart?
 
Onwillig baadt mijn oog in tranen: zucht op zuchten
 
Beklemmen my de borst, als stond me een slag te duchten,
[p. 101]
 
Niet af te keeren en verschrikkingvol. 'k Aanbid
 
De deugden van een Gâ, die heel mijn ziel bezit!
 
De kroon, waarmeê zijn hand my eenmaal moet versieren,
 
Is dierbaar aan mijn hart; maar waan de flonkervieren
 
Der vorstendiadeem niet machtig om mijn wond
 
Te heelen! 't Is die min, die my aan hem verbond,
 
Wier zorgen dus mijn borst, en rusteloos, bezwaren.
 
Ach! ieder oogenblik verdubbelt de gevaren,
 
Waaraan mijn angstig oog Alfonsus bloot ziet staan!
 
Bedriegelijke tijd, wiens voorspoed my den waan
 
Van onverstoorbaar heil, zoo onbedacht, deed kweken,
 
Uw uitzicht is van my voor eeuwig afgeweken!
 
Mijn Leonoor, uw trouw herinnert zich dien tijd,
 
Toen heel mijn aanzijn, aan de zoetste hoop gewijd,
 
Niet vatbaar dan voor vreugd, geen kommer kon vermoeden
 
Aan mijn Alfonsus zij! 't Noodlottig uur moest spoeden,
 
Dat my heel de ijslijkheid mijns noodlots opensloot.
 
Zints drukt me een looden zorg ter neêr: mijn oog verstoot
 
Den slaap, geen troost, hoe lief, vermag mijn moed te sterken.
 
'k Doorzag met killen schrik wat heerschzucht kan bewerken!
 
En waar ik de oogen wend, of waar ik toevlucht zoek,
 
't Vertoont zich overal als of des hemels vloek
 
Gereed staat op het hoofd van mijn gemaal te dalen!
[p. 102]
leonora.
 
Wat laat ge dus, Mevrouw, uw sombre geesten dwalen
 
In 't uitzicht op een smart, die gy u-zelve baart!
 
Waar is die donkre wolk, van jammeren bezwaard,
 
Waar 't voorgevoelig hart een onweêr uit kan spellen!
 
Laat af door ijdle zorg uw teedre jeugd te kwellen,
 
Of leer my wat de bron van zoo veel angsten zij!
mathilda.
 
Een vreemdling oefent hier Graaf Hendriks heerschappij,
 
En de erfgenaam van 't rijk, door goddelooze boosheid
 
Verraderlijk verdrukt in doffe werkeloosheid,
 
Ziet, in zijn toorn geboeid, door die hem 't leven gaf
 
Zijn heiligst recht vertreên op 't vaderlijke graf!
 
Alfonsus lijdt dien hoon, en ik, ik zou niet beven?
leonora.
 
O! dat dees schrikbare angst uw boezem moog begeven!
 
Hoe! daar heel Portugal den blijden dag verbeidt,
 
Waarop de Trava zelf uw Gâ ten troon geleidt,
 
Gelukkig in den glans, die van zijn kruin zal stralen.....
[p. 103]
mathilda.
 
Onnoosle!... doch ook ik moest eens zoo argloos dwalen!
 
Gy kent de Trava en zijn echtgenoote niet!
 
Zy willig afzien van het vorstelijk gebied?
 
Zy zelven Hendriks kroost 's rijks erfgenaam verklaren,
 
Of dulden dat het heersch', waar zy eens meester waren?
 
'k Erken 't, de Trava's list en huichelend gelaat
 
Ontveinst met de eigen kunst zijn heerschzucht en zijn haat;
 
Maar nooit gelukte 't hem Alfonsus te misleiden!
 
Wie meldt de ontwerpen al, steeds uitgedacht door beiden,
 
(Graaf Hendriks Weduw en den Voogd van Portugal!)
 
Om hem en 't wettig huis te storten in zijn val?
 
Naauw had Don Hendriks dood de teugels dezer Staten
 
Aan 't moederlijk bestier der rijksvoogdes gelaten,
 
Tot eens mijn Egâ zelf, met mannelijke kracht
 
Zijn rechten oefnen mocht, of zy, terstond bedacht
 
Haar kroost, haar eigen kroost van de oppermacht te weeren,
 
En met geroofd gezag zijn volken te regeeren,
 
Deelt door een tweeden trouw de schendige voogdij
 
Een vreemden krijgsman meê, heerschzuchtig, trotsch, als zy,
 
Wiens listig staatsbeleid en oorlogsfaam haar sterken
 
In 't gruwelijk ontwerp, dat zy hier uit wil werken.
 
Zints was Alfonsus steeds het voorwerp van haar haat,
[p. 104]
 
De haat, o hemel! van een moeder! Men bestaat
 
In 't eerst den heldenmoed van 't jeugdig hart te stremmen,
 
En houdt hem, brandende de vuist om 't zwaard te klemmen,
 
In laffe rust geboeid, op dat hy dus het bloed
 
Waaruit hy d' oorsprong nam verloochnend, het gemoed
 
Des dappren Portugees zich zou afkeerig maken,
 
En, diep vervallen, uit die sluimring nooit ontwaken.
 
En mooglijk waar die list, waarvan gy gruwt, gelukt,
 
Had niet de braafste held hem aan 't verderf ontrukt:
 
Don Egas, steeds gereed zich voor zijn Vorst te wagen,
 
Dorst met standvastigheid zich by den Voogd beklagen,
 
Dat grooten Hendriks zoon dus vreemd bleef aan het staal,
 
En voert zijn kweekeling ten strijd, ten zegepraal!
 
Van daar is 't, zoo mijn Gâ een oorlogsroem mocht winnen,
 
Wiens grootheid hier zijn naam vereeren doet en minnen,
 
En by den Saraceen nog siddering verspreidt.
 
En thans, daar heel het volk en de adel zich bereidt,
 
Hem plechtig 't hoog gebied zijns vaders op te dragen,
 
Thans poogt men steeds dien dag op 't kunstigst te vertragen,
 
En woelt aan alle kant om zich in de oppermacht
 
Te staven; wat ik zie, is my van hun verdacht!
 
Alfonsus middlerwijl, wiens fier en moedig harte
 
Geweld en onrecht haat, verkwijnt als ik in smarte.
 
Aan 't welzijn van zijn volk, aan zijn geheiligd recht,
[p. 105]
 
Aan de eer zijns Vaders met geheel zijn ziel gehecht,
 
Had hy zints lang de smet, die op hem kleeft, gewroken,
 
Werd niet zijn gramschap nog, hoe fel in 't bloed ontstoken,
 
Weêrhouden door den naam, dien zijn vervolgster voert.
 
En nu, mijn Leonoor, ('k zie u als my, ontroerd!)
 
Is 't zwakheid, zoo ik leve in zorgen, tranen, klachten?
 
Wie weet wat wreede slag mijn liefde staat te wachten?
 
Aan wat verschrikklijk lot ons huis is blootgesteld?
 
De Staatzucht kent geen wet, waar 't overmeestring geldt!
 
Ja, mooglijk ('k ijs van 't woord, dat ik hier uit ga spreken!)
 
Durft ze in Alfonsus bloed haar snoode ontwerpen wreken!
leonora.
 
Wat siddring grijpt my aan, op 't hooren van dees taal!
 
Ach! 'k deel thans in uw angst, Mevrouw.... Doch uw Gemaal
 
Schijnt met zijn trouwsten Vrind zijn schreden hier te richten;
 
Licht dat uw treurigheid voor hun gesprek zal zwichten:
 
'k Verwijder my.

Tweede tooneel.

don alfonsus, don egas, dona mathilda.
mathilda.
 
Wel nu, mijn dierbre, brengt ge in 't end
[p. 106]
 
Vertroosting aan een hart, der vreugd zints lang ontwend?
 
Of heeft uw Egâ nog die somberheid te vrezen,
 
Die op uw voorhoofd heerscht! en meldt my heel uw wezen
 
't Verschrikkelijk besluit, dat in uw boezem broedt,
 
Als onherroeplijk aan? O! schenk mijn teêrheid moed!
 
Heb deernis met een angst, de plaag van beider leven,
 
Waarvan mijn hart door u, of nimmer wordt ontheven!
alfonsus.
 
Geliefde, heeft die vrees, en my en u onwaard,
 
Zoo diep geworteld in uw geest? Verbeelding baart
 
Der liefde van een vrouw, die zoo als gy kan minnen,
 
Bezorgdheid zonder perk, door liefde te overwinnen.
 
Ja, dierbre, veel te lang regeert hier de overmoed
 
Eens vreemdlings, die op de asch, op de eer mijns Vaders woedt,
 
Wiens lage heerschzucht, op mijn rechten dol verbolgen,
 
Mijn moeder eigen kroost leert haten en vervolgen!
 
Te lang zucht Portugal naar vorsten, harer waard,
 
En de Adel schaamt het zich het eerlijk oorlogzwaard
 
Te voeren tot den dienst des dwingelands! Op heden
 
Zal ik mijn recht en rang en afkomst, lang vertreden,
 
Handhaven, en welhaast staat hy d' ontroofden staf,
 
Met hoe veel kracht geklemd, den zoon van Hendrik af!
[p. 107]
mathilda.
 
Hoe, is 't dan waarheid, is mijn onheil niet te keeren?
 
Zoo stelt de onzaalge zucht voor grootheid en regeeren
 
Dus roekloos met uw bloed 't heil van uw gade bloot?
 
Ga, koop de diadeem voor een oneedle dood!
 
Wat is my, zonder u, haar glans, mijn rang, mijn leven?
 
Of zal de Trava thans haar needrig overgeven,
 
Die jaren lang het doel van zijn verwoedheid was?
 
O! staak dit wreed besluit, 'k bezweer het u by de asch
 
Diens Vaders, die ge op my, op my alleen gaat wreken!
 
Neen, hy verbiedt u niet te zwichten voor mijn smeken,
 
Hy eischt niet dat ge uw bloed dus zonder vrucht vergiet....
alfonsus.
 
Verg alles van mijn min, maar verg mijn oneer niet!
mathilda.
 
Uw oneer? dierbre, neen! ik draag in vrouwlijke aadren
 
Geen zoo verbasterd bloed van oorlogshafte vaadren,
 
Dat ik mijn echtgenoot lafhartig wenschen kon!
 
Ja, riep u krijgsmansplicht ten oorlog, 'k overwon
 
Met mannelijken moed al de angsten die ik lijde:
 
Ik zou met eigen hand u wapenen ten strijde!
[p. 108]
 
Maar hier, waar 't snoodst verraad om 't Grafelijk gebied
 
Geen laagheid, geen geweld, geen gruwelen ontziet,
 
Bestaat ge in blinden moed die wreeden uit te dagen,
 
Om in hun razernij het uiterste te wagen:
 
Hun troon moet door uw dood met dubble vastheid staan,
 
Of hun gevloekte haat u met hun doen vergaan!
 
Of zou zijn deerenis den zoon van Hendrik sparen?
 
Of mangelt het zijn woede aan vuige moordenaren,
 
Wier laagheid met uw bloed zijn gunsten winnen mag?
 
Afgrijsselijk verdriet! helaas! ik vloek den dag,
 
Die me in het leven riep, om eindeloos in zuchten
 
Te kwijnen, en voor 't lot van 't dierbaarste te duchten!
alfonsus.
 
Mathilde, een Hemel hoedt de brooze menschlijkheid!
 
Zijn liefderijke zorg baat meer dan ons beleid.
 
Vertrouw dien zoo als ik. Ik heb mijn recht en leven
 
Met onverwrikte hoop in Zijne hoê gegeven,
 
En sneve ik, 't is voor de eer van 't bloed, waaruit ik sproot!
 
Ik, Egas kweekling, ik, Mathildaas echtgenoot,
 
Ik zou om ijdle vrees de stem der plicht versmoren?
 
Of, was 't my niet genoeg, voor de Oppermacht geboren,
 
Hier, in mijn wettig erf, te leven, onderdaan,
 
Onmachtig zelfs mijn volk in d' oorlog voor te gaan?
[p. 109]
 
En echter 'k droeg dien hoon, en offerde aan een moeder,
 
(Gevoelloos voor mijn liefde en ieder dag verwoeder)
 
De drift, die zonder haar mijn hand gewapend had.
 
Neen, 't is te lang geduld, dat men uw eer vertrad,
 
Mijn Vader! reeds te lang heeft my uw schim verweten,
 
Dat ik in laffe rust uw grootheid heb vergeten!
 
Uw arm heeft dezen grond den Saraceen ontroofd,
 
Uw vuist de Gravenkroon gevestigd op uw hoofd!
 
En 'k laat een vreemdeling hier ongestoord regeeren,
 
Uw krijgsgenooten door zijn bittren trots verneêren,
 
Ik dulde uw Portugal zijn gunstlingen ten buit,
 
Of dat hy met den Moor een laffe vrede sluit',
 
(Wiens duizenden uw arm zoo dikwerf heeft verslagen)
 
Om veiliger uw volk zijn ketens te doen dragen!
 
Neen, 'k eisch nog op dees dag de erkenning van mijn recht,
 
En 't zij de kracht van 't zwaard er de uitkomst van beslecht',
 
Het zij men door verraad mijn neêrlaag wil verwerven,
 
Ik zal voor 't minst niet meer als onderworpling sterven!
 
Of, gaat mijn drift te ver? is 't heerschzucht, die my spoort,
 
Wanneer mijn boezem nog in droefheid schier versmoort,
 
Dat ik een vijandin moet temmen in een moeder?
 
Heb 'k nog haar niet voldaan? Spreek, eedle Wapenbroeder
 
Eens vaders, dien uw deugd te rug voert voor mijn hart,
 
Is 't eindlijk lang genoeg, dat men mijn gramschap tart?
[p. 110]
egas.
 
Graaf, zints uw eerste jeugd vertrouwd werd aan mijn zorgen,
 
Heeft nimmer u mijn mond de waarheid nog verborgen,
 
En 'k zou noch jonglingsdrift, noch heerschzucht hier ontzien,
 
Om u in zulk een tijd een trouwen raad te biên.
 
De nagedachtenis van uw doorluchten Vader,
 
En 't dierbaarste belang van Portugal te gader,
 
Vereischen dat uw hand de teugels klemm' van 't rijk,
 
En wettelooze macht voor uw gezag bezwijk'.
 
Gy hebt de plicht voldaan, verschuldigd aan een moeder:
 
Thans ziet het rijk in u zijn Vorst en zijn Behoeder!
 
Verlos het van den dwang, dien 't van zijn voogden lijdt,
 
En toon 't door uw bestier uit wien ge ontsproten zijt!
mathilda.
 
Vereent zich 't al dan, om mijn droefheid te vermeêren?
 
Gy ook, getrouwe held, zult dan den slag niet keeren,
 
Die me in mijn Gade dreigt?
egas.
 
Stel u gerust, Mevrouw;
 
De dag, die thans verrijst, is u geen dag van rouw:
 
Zy is voor u en hem een boô van heil en glorie!
[p. 111]
alfonsus.
 
Neen, dierbre, wanhoop niet, de hemel schenkt viktorie,
 
Waar Egas en het recht zich scharen aan mijn zij!
mathilda.
 
Zoo sta zijn gunst uw moed en mijne zwakheid by!

Derde tooneel.

de vorigen, don lorenzo d'aganil.
lorenzo.
 
Een afgezant, Mijn Heer, van d' Oppervorst der Mooren
 
Vraagt toegang en gehoor.
alfonsus.
 
Van my? 'k Heb nooit te voren
 
Den Saraceen gekend, dan met de hand aan 't zwaard.
 
'k Ontveins niet dat zijn komst my hier verwondring baart.
 
Gelei hem herwaarts.
(Lorenzo vertrekt.)
[p. 112]
(Tot Egas, die vertrekken wil.)
 
Blijf, mijn Egas, mijn vertrouwen
 
Zal nooit uw vriendschap vreemd aan mijn belangen houên!
mathilda.
 
Ik store uw onderhoud met d' Afrikaner niet:
 
En voer uit uw gezicht mijn doodelijk verdriet.
(Zy vertrekt.)

Vierde tooneel.

don alfonsus, don egas, omar.
omar.
 
Opvolger van den held, wiens nagedachtnis we eeren,
 
Wien 't schittrendst voorbeeld leerde op mannen te regeeren,
 
En die met heel dit rijk zijn roem uw erfdeel ziet,
 
Als 't welzijn van zijn volk. De Moorsche Koning biedt
 
U, schoon nog in 't bezit van 't Graafschap niet gehuldigd,
 
Den broedergroet reeds aan, uw rang en deugd verschuldigd.
 
Mijn Koning, schoon heel 't land en de omgelegen zee
 
Zijn krijgsmacht tuigen kan, bemint een eerbre vreê;
 
En zoo reeds sedert lang uw beider onderzaten
[p. 113]
 
In ongestoorde rust d' alouden haat vergaten,
 
Die vriendschap was zijn hart, uit achting voor uw kroon,
 
Steeds onuitspreeklijk zoet. Moge, als Graaf Hendriks zoon
 
De teugels van 't gebied met eigen hand zal voeren,
 
Geen wreevlig staatsgeschil die eendracht ooit beroeren......
alfonsus.
 
Mijn Heer, voor dat de zee uw rijk van 't onze scheidt,
 
Belove ik nooit een eind aan onze oneenigheid.
 
Of heeft uw Oppervorst het heilig recht vergeten,
 
Waarmeê de Europeaan dees landstreek heeft bezeten,
 
Tot waar hem de Oceaan zijn grens heeft aangeduid?
 
En, maakte zich uw volk ons vaderland ten buit,
 
Wanneer 't met de overmacht van duizend duizendtallen
 
Van de overkant der zee ons op het lijf kwam vallen? -
 
Het lot des oorlogs heeft ons uit ons erf verjaagd;
 
De wapens in de hand wordt dit weêr opgevraagd!
 
Neen, hy kent de inborst niet der fiere Portugezen,
 
Die wanen mocht dat zy den last des oorlogs vrezen!
 
En eert uw Vorst in my Graaf Hendriks erfgenaam,
 
Hy verg' van my geen daad, die ik me als krijgsman schaam!
omar.
 
Mijn last strekt zoo ver niet, om over 't recht te spreken,
[p. 114]
 
Dat tusschen u en ons den oorlog kon ontsteken.
 
Een dringender belang voor u en uw geslacht
 
Heeft my in 's Konings naam, Graaf, hier voor u gebracht.
 
Als bondgenoot, als vriend, zond hy me in dees gewesten
 
Om 't wankelend gebied in uwe macht te vesten.
 
Uw Vader (wel is waar) heeft heel zijn levenstijd
 
Ten dienst der vijanden van onzen Staat gewijd:
 
Maar weten we ons op 't veld met leeuwenkracht te weeren,
 
Wy kunnen ook de deugd in vijanden vereeren,
 
Beschermen, wreken zelfs, en by den Saraceen
 
Wordt schittrende oorlogsroem, in wien ook, aangebeên!
 
Zints lang reeds zijn mijn Vorst de schandelijke lagen
 
Bekend, waarmeê verraad uw eerste jonglingsdagen
 
Aan alle kant omgeeft. Men spaart noch list, noch bloed,
 
Zoo slechts uw ondergang een vloekbre heerschlust boet!
 
Mijn Vorst vermag u thans gereede hulp te bieden.
 
Een vloot, die 't Noordlijkst deel van Spanje moet bespieden,
 
Kruist dicht naby dees kust: verlangt ge in éénen dag
 
U in 't bezit te zien van 't Grafelijk gezag?
 
Ik wapen tot uw dienst die dappre vlotelingen,
 
Dat ze onder mijn gelei in deze vesten dringen;
 
Gy zelf verklaart u Vorst, en zonder tegenstand
 
Vermeestert gy de stad, en met haar heel het land!
 
En wy, wy vergen niets voor deze dienstbetooning,
[p. 115]
 
Dan dat gy Portugal in leen houdt van den Koning!
alfonsus.
 
O stoutheid zonder maat! Ik, leenman van uw Vorst?
 
Ten loon van 't eerloos feit, dat gy my voorslaan dorst!
 
Ga, vlied naar 't schendig hof van die u heeft gezonden,
 
Om hem mijn antwoord - neen! mijn woede te verkonden!
 
Zeg hem, dat ik mijn recht van geen verraders hoû,
 
En dat, schoon anders niets mijn handen waapnen zou,
 
Dees dag, dees dag-alleen, mijn haat zal doen ontgloeien,
 
Om hem en heel zijn huis voor eeuwig uit te roeien!
omar.
 
Zoo loont men 's Konings gunst met smaad......
alfonsus.
 
Vertrek, Mijn Heer,
 
Ik wil geen enkel woord van zulk een gruwel meer!

Vijfde tooneel.

don alfonsus, don egas.
egas.
 
Bedaar, en laat de zorg voor dierbaarder belangen,
[p. 116]
 
Uw verontwaardiging, geliefde Vorst, vervangen!
 
Geen oogwenk dient verzuimd, waar list en staatzucht waakt,
 
En hartstocht en verdriet voor 't grootsch ontwerp verzaakt!
alfonsus.
 
Neen, hoe my 't lot vervolgt, getrouwste mijner vrinden,
 
Vrees niet dat ge ooit mijn moed zult neêrgeslagen vinden!
 
Aan vorstenplicht gewijd, aan de eer van mijn geslacht,
 
Schenkt, wat ik lijden mag, mijn boezem nieuwe kracht.
 
Kom, gaan we, 't hoog besluit is eindelijk genomen!
 
En moet der burgren bloed in deze wallen stroomen,
 
Mijn hand is schuldeloos. Dees dag getuigt mijn val,
 
Of voert Graaf Hendriks zoon ten troon van Portugal!

Tweede bedrijf.

Eerste tooneel.

de graaf de trava, dona theresia, Spaansche en Portugeesche Edellieden, met don alonzo gomez aan het hoofd.
de trava.
 
Beschermers van den Staat, doorluchte rei van helden,
 
Wier wijsheid in de vreê, wier moed op de oorlogsvelden,
[p. 117]
 
U 't voorbeeld heeft gemaakt van ridderlijke deugd!
 
Ontfangt mijn welkomsgroet! Hoe is mijn hart verheugd,
 
Voor 't heil van mijn gebied, mijn dapperste onderdanen,
 
Den adel van dit rijk, den bloem der Castiljanen,
 
Rondom mijn troon geschaard, zoo broederlijk vereend
 
Te aanschouwen. Deze band heeft ons de kracht verleend
 
Om met standvastigheid dit Graafschap, naauw geboren,
 
Te hoeden voor 't geweld der ongetrouwe Mooren:
 
En zoo 't de rust der vreê, na zoo veel jaren strijd
 
Met roem erlangen mocht, aan U is 't, dat men 't wijt!
 
Doch schoon zich 't al vereende, om dit gebied te sterken,
 
Nog is de nijd in staat zijn onheil te bewerken.
 
Verheft ze als winnares d' afschuwelijken kop,
 
Zoo stort dees troon in puin, en richt zich nooit weêr op!
 
Mijn vrienden, neen, mijn hart houdt aan uw trouwe zorgen
 
Het droevig lot, dat hem bedreigt, niet meer verborgen.
 
't Is geen uitheemsch geweld, dat ons hier waapnen zal:
 
't Verraadt smeedt zijn ontwerp in 't hart van Portugal!
 
Ja, 't kroost van uw Gravin (ik gruw het uit te spreken,)
 
Bereidt zich tegen haar het oorlogsvuur te ontsteken.
 
Alfonsus, groot door rang en mannelijken moed,
 
Maar trotsch en woest van aart, en in zijn drift verwoed
 
Naar de opperheerschappij, werd zints zijn eerste dagen
 
Omringd door vleijerij, gevormd naar 't welbehagen
[p. 118]
 
Van staatsliên, onder schijn van trouw aan zijn geslacht,
 
Op eigen grootheid slechts by 's vorsten gunst bedacht.
 
Dus leerde men zijn hart van dolle driften blaken,
 
't Belang van heel een rijk, zijn eigen bloed verzaken......
 
Zijn moeder en haar gâ zijn 't voorwerp van zijn haat!
 
Het oogenblik is dáár voor 't schaamteloos verraad,
 
Waarop 't de Gravenkroon van onze kruin moet rukken,
 
Om ze op het wufte hoofd eens jongelings te drukken!
 
O! zoo 't ontwerp gelukt, rampzalig Portugal!
 
Men voert u met geweld tot een gewissen val.
 
Geen leidsman, opgevoed in staats- en krijgsgevaren,
 
Zal meer uw wanklend rijk voor d' ondergang bewaren!
 
De prooi der driften van een onberaden vorst,
 
De prooi der gunstlingen, wier onverzaadbre dorst
 
Naar grootheid, voor zijn macht uw welzijn zal vertreden!
 
Ziet daar het heilzaam doel der gruwlen, die zy smeden!
 
Het heilig vorstenrecht moet schandelijk versmaad,
 
Castieljes dochter, die den pas herwonnen Staat
 
Ten huwlijksgoed ontfing van haar roemruchten Vader,
 
Moet in haar wettig erf, gehoond, beroofd te gader,
 
Op dat het, uitgeput, door wie 't beschermen moest,
 
In 't einde nederstort', door 't eigen zwaard verwoest,
 
Waarvan 't Castieljes Vorst gered heeft en gewroken.
 
Een enkel oogenblik, en 't twistvuur is ontstoken!
[p. 119]
 
Getrouwen, gy-alleen, kunt, wat ons dreigen mocht,
 
De rampen temmen, die gevloekte baatzucht wrocht.
 
Vertoont u één en trouw, in eedle krijgsmanszeden,
 
En leidt den zwakken op, naar 't pad, door u betreden.
 
De zege volgt u! en een dubble glans van eer
 
Daalt op het achtbaar hoofd van 's lands bevrijders neêr!
theresia.
 
Geen echte spruit van 't bloed der oude Portugezen,
 
Geen Castiljaansche held kan ons vijandig wezen!
 
Ik ben gerust: 't is geen rechtschapen Edelman,
 
Die in 't onschendbaarst recht een vrouw verraden kan!
gomez.
 
Gebieders van dit rijk, die 't eenig kunt behouên!
 
O ja! ons brandend hart beantwoordt uw vertrouwen.
 
Gy zijt het, die ons steeds het edelst voorbeeld gaaft
 
In oorlogstijd en vreê. Uw macht, uw wijsheid staaft
 
Den adel en den rang, geboorte en deugd verschuldigd.
 
Zints lang zijt gy voor ons in 't graaflijk recht gehuldigd.
 
Die hulde stave ons zwaard, en beev' wie 't onderstaat
 
Te dingen naar uw kroon door wapens of verraad!
[p. 120]
de trava.
 
'k Erken in deze taal mijn dierbre wapenbroeders,
 
Steeds gloeiende voor recht, en rijks- en troonbehoeders.
 
Mijn baanders leiden u op 't pad van eer en roem:
 
En volgt ze uw dappre schaar, der Edellieden bloem,
 
Ons zwaard of ons beleid zal 't oproervuur versmoren.
 
Wy, houden we ons gereed! Geen oogwenk zij verloren!
 
En barst de staatstorm uit, voorzien zints zoo veel tijd,
 
Zoo voere ons de eerste maar ter raadzaal of ten strijd!
 
Vaartwel!
(De Edellieden vertrekken. de trava vervolgt tegen d'avila, die bij hun uitgaan binnen getreden is.)
 
Gy, d'Avila, gelei Don Egas binnen!
(d'Avila vertrekt.)
 
Welaan! het uur is dáár, de kampstrijd gaat beginnen!
 
Ik wacht u, trotsche slaaf van een onwaardig Vorst!
 
En wat zich tegen my uw haat vermeten dorst,
 
Om in Alfonsus naam mijn Staten te regeeren,
 
Gy zult op hem en u mijn wraak zien triumfeeren!
[p. 121]

Tweede tooneel.

de graaf de trava, dona theresia, don egas.
de trava, met bitterheid.
 
Wat onverwacht geval voert hier Don Egas schreên?
 
Het Graaflijk hof zints lang heeft geene aantreklijkheên
 
Voor u, wiens gansch bestaan aan wichtiger belangen
 
Gewijd is, dan 't genot der hoven op te vangen!
 
Spreek, wat bedoelt uw komst?
egas.
 
Het welzijn van ons land,
 
De wil eens meesters, aan dat welzijn naauw verwant,
 
Vereischen 't onderhoud, Graaf, dat ik u deed vragen!
 
Ik kom, om u mijn last op 't spoedigst voor te dragen.
 
Het edel kroost des helds, wiens schittrende oorlogskracht,
 
De vrijheid in dit rijk, de kroon in zijn geslacht
 
Gevestigd heeft, wenscht thans, dat rijper jeugd zijn handen
 
In staat stelt zelf de staf te voeren dezer landen,
 
Een einde aan alle macht, die hier nog heerschen mag.
 
Heel Portugal, als hy, verwacht met drift den dag
 
Waarop de rijksvoogdij, wier zorgen zoo veel jaren
[p. 122]
 
Graaf Hendriks Weduwe en haar Echtgenoot bezwaren,
 
Zal keeren in den schoot van de opperheerschappij!
theresia.
 
Hoe, wat vermeet men zich? Alfonsus vergt van my
 
Dat ik met eigen voet mijn rechten zal vertreden,
 
Mijn Egâ zal verraân? De troon, dien wy bekleden,
 
Was Hendriks eigendom, is thans dat van zijn zoon?
 
Als of mijn vaders wil de Grafelijke kroon,
 
Mijn bruidschat, onbepaald, aan vreemden had geschonken!
 
Ontaarde! heeft haar glans u dus in 't oog geblonken,
 
Om ze aan een moeders hoofd te ontweldigen? Welaan!
 
Wat mart ge nog, mijn zoon, de hand aan 't zwaard te slaan,
 
Om met mijn bloed bespat u zelf ten troon te heffen?
 
Kom, eer nog moet uw wraak my met de mijnen treffen,
 
Eer moet die troon vergaan, en eerder heel dit rijk,
 
Dan dat Theresia gewillig voor u wijk'!
egas.
 
Hoe! heeft dan niet, Mevrouw, Don Hendrik deze Staten
 
Aan de Oppermacht zijns zoons, aan uw voogdij gelaten?
 
En hebt ge u zelve niet tot Rijksvoogdes verklaard?
[p. 123]
de trava.
 
Rampzalige uitvlucht, en zoo stout een aanslag waard!
 
Spreek! wat vermocht een vrouw, van vijanden omgeven,
 
Verbitterd op haar rang, haar afkomst en haar leven.
 
Zy zag van 't troonrecht af voor een geliefden zoon,
 
En vestte op hem haar hoop! Zijn haat, zie daar haar loon!
 
Zie daar den invloed van verachtelijke vrinden!
 
Zints deed een tweede trouw haar een beschermer vinden
 
In d'Egâ, dien zy koos. Gy ziet haar thans in staat
 
Haar recht te wreken, en te straffen, wie 't versmaadt! -
 
Niet dat haar moederliefde uw kweekling wil verstoten,
 
Ofschoon zijn boezem zich voor haar heeft toegesloten!
 
Ik-zelf, zoo dier verknocht aan Don Alfonsus bloed,
 
Heb meê met heel mijn hart de vaste hoop gevoed,
 
Dat hy in 't rijksbezit ons eenmaal zal vervangen.
 
Maar neen! men eischt veel meer: zijn toomeloos verlangen
 
Wacht niet dat onze dood hem 't Graafschap schenken zal.
 
De drift der jonglingschap moet over Portugal,
 
Moet over 't lot van hem, die haar met roem regeerde,
 
Van hem, om wiens ontzag de nabuur haar vereerde,
 
Beslisschen, en zijn wil reeds heden uitgevoerd!
 
Dees wankelende Staat, door helsche twist beroerd,
 
Haar Ridderen verkeerd in woeste muitelingen,
[p. 124]
 
Om 't al naar willekeur van hun belang te dwingen!
 
Zie daar het edel werk van hem, wiens vroege jeugd
 
De rijkskroon heeft verdiend door weêrgâlooze deugd!
egas.
 
Mijn Heer, heel Portugal kan tuigen, wie van beiden
 
De jamm'ren oorzaak gaf, die zich voor haar bereiden,
 
Indien men door het staal de kroon herwinnen moet!
 
't Kan tuigen wie van beî de banden van het bloed
 
Miskend heeft en vertrapt, en of Alfonsus daden
 
Ontembre heerschzucht of rechtaarde deugd verraden!
 
Maar waartoe een verwijt, zoo ongegrond, weêrlegd?
 
Zijn deugd beslischt hier niets! 't Is zijn geheiligd recht,
 
Dat 'k opeisch uit zijn naam. Nog blijft dat recht geschonden?
 
Ik breng uw antwoord weêr aan die my heeft gezonden!
 
Gy ziet my thans niet meer Alfonsus afgezant:
 
'k Verkondig hier den wil der Ridderschap van 't land.
 
Aan Hendrik en zijn huis heeft ze eens haar trouw gezworen,
 
Zy doet dien eed gestand aan 't kroost, uit hem geboren,
 
En van dees dag af aan erkent zy geen voogdij,
 
Noch in heel Portugal een andre macht, dan hy!
 
Zy zal zich om zijn troon als om zijn lijf vergaren,
 
En wijden d' eigen arm, die Hendriks krijgsgevaren
 
Gedeeld heeft, aan den dienst van zijn doorluchten zoon!
[p. 125]
theresia.
 
O hemel! tot hoe lang dulde ik zoo fel een hoon!
 
Ga, hoofd en afgezant van vuige muitelingen,
 
Die zelve naar de macht van hun gebieders dingen!
 
Ga, doe hun uit mijn naam hun ware plicht verstaan!
 
Don Hendrik heeft hun eed van trouwheid, hem gedaan,
 
Alleen als Egâ van Theresia ontfangen!
 
Die eed behoudt haar kracht voor hen die hem vervangen
 
In d' echt, die ons verbond, als in mijn rijksgebied.
egas.
 
Toen de overwonnen Moor dees streken siddrend liet,
 
Mevrouw, ontfing de deugd des winnaars, van uw Vader
 
Het vrijgevochten land en uwe hand te gader!
 
Maar nimmer had zijn wil (verschoon mijn vrije taal!)
 
Zijn gift onttrokken aan het kroost van uw Gemaal,
 
Noch had hy toegestaan, dat willekeur van vrouwen,
 
Aan Hendriks erfgenaam het Graafschap zou onthouên,
 
Om 't op te geven aan eens vreemdlings heerschappij!
de trava.
 
Vermetel onderdaan! Hoe! wat verwijt ge my?
 
Zoo zag Don Hendrik dan het daglicht in deze oorden?
[p. 126]
 
En naauwer band verbond hem Portugal, wien 't Noorden
 
Ter weering van den Moor, naar Spanjes Vorsten zond,
 
Aan grond en zeden vreemd?
egas.
 
Zijn bloed vloeide op dees grond!
 
Zijn degen deed den naam der eedle Portugezen
 
In 't overzeesche rijk der Saraceenen vrezen!
 
Zijn hand sloot nooit met hun een schandelijk verdrag!
 
Beschermheer van zijn volk, voor d' adel vol ontzag,
 
Verried hy hun belang aan geen uitheemsche Grooten.
 
Zie daar wat hem ons hart voor eeuwig heeft ontsloten!
 
Zie daar zijn rechten op de Portugeesche kroon,
 
Verschuldigd door zijn dood aan zijn heldhaften zoon!
de trava.
 
Genoeg! 't Is reeds te lang, dat gy 't ontzag dorst krenken,
 
Dat u mijn rang beveelt! Gy moest voor 't minst bedenken,
 
Dat ik nog meester ben, en dat mijn gramschap u,
 
Mijn onderdaan, nog kan noodlottig zijn! En nu -
 
't Is noodloos dit gesprek hier verder te verlengen.
 
Gy hebt mijn wil verstaan. Gy kunt dien overbrengen.
[p. 127]
egas.
 
Ik ga, maar keer te rug voor 't uur van middernacht,
 
Aan 't hoofd der Ridderschap, die slechts uw antwoord wacht,
 
Om vreedzaam haren Graaf de kroon op 't hoofd te drukken,
 
Of 't wraakzwaard uit de scheê voor Vorst en eer te rukken!

Derde tooneel.

de graaf de trava, dona theresia, vervolgens d'avila.
theresia.
 
O wanhoop! 'k zal den smaad van zoo veel overmoed
 
Dan dulden, en mijn hand niet in des trotschaarts bloed
 
Een muiter straffen, steeds het voorwerp van mijn woede,
 
Die in het hart mijns zoons zijn vloekbre heerschzucht voedde!
 
Zijn dood, zijn dood-alleen herstelt mijn lijdende eer!
 
Ach! drukte ons dus de keer van 't trouwloos noodlot neêr,
 
Dat, waar zoo wreed een hoon mijn boezem doet ontgloeien,
 
Onze eigen veiligheid den felsten haat moet boeien?
de trava.
 
Volharden wy, Mevrouw, by 't dringen van den nood!
[p. 128]
 
Het uur der wraak genaakt, of 't uur van onze dood!
d'avila, binnen tredende.
 
Heer Graaf, men vraagt gehoor......
de trava.
 
't Is de Afgezant der Mooren.
 
Gelei hem binnen!
(d'Avila vertrekt: hy vervolgt.)
 
Welk een lot werd ons beschoren!
 
De Saraceensche hulp ter weering van 't gevaar!
 
O foltring voor een hart als 't mijn'!

Vierde tooneel.

de graaf de trava, dona theresia, omar.
omar.
 
Het uur is dáár,
 
Heer Graaf, 't ontwerp door u tot heden afgeslagen,
 
Kan thans geen uitstel meer, geen aarzeling verdragen!
 
Besluit, en op uw wenk is 't al gereed! De vloot,
 
Wier bijstand u mijn Vorst, ten pand van vriendschap bood,
[p. 129]
 
Is eindlijk, (dank zij 't lot!) gevorderd tot uw kusten.
 
't Is thans het oogenblik de manschap uit te rusten.
 
Daar, waar zich Aves vloed met d' Oceaan vermengt,
 
Daar moet de dappre stoet, die u de zege brengt,
 
Zich scheiden van de vloot, en varen met hun boten
 
Den stroom op. Laat geen zorg dan meer die hulp verstoten!
 
De dag, die morgen rijst, berokkent ligt uw val.
 
Gebruik de gunst van 't lot, en zy brengt Portugal
 
Voor eeuwig in uw macht! Verschoon dit dringend pogen:
 
Gy hebt, als ik, de ramp die u bedreigt voor oogen!
 
Reeds woelt het wufte volk, reeds mompelt het den naam
 
Uws mededingers, roemt zijn deugd en oorlogsfaam!
 
't Draagt alles blijk van 't vuur, dat eindlijk uit moet breken!
 
Nog kunt gy 't smoren, nog regeeren, nog u wreken,
 
En ge aarzelt?
theresia.
 
't Volk, Mijn Heer, wiens muiterij gy vreest,
 
Is aan zijn wettig Heer steeds naauw verknocht geweest.
 
Het liet zich mooglijk thans door listiger verblinden!
 
Een wenk (vertrouw het vrij) doet het zijn plicht hervinden.
 
En 't oog der vorsten ziet in zulke onrustigheên,
 
Geen woede van een volk, met hun gebied te onvreên.
[p. 130]
omar.
 
Wel nu, zal dit gewoel van zelven weêr bedaren
 
En spelt het in uw oog geen grooter staatsgevaren;
 
Zoo houde ik langer niet op onzen bijstand aan,
 
En......
de trava.
 
'k Deed u nog, Mijn Heer, ons antwoord niet verstaan!
 
Ja, dikwerf weigerde ik uw hulp, my aangeboden!
 
Dus eischte 't vorstenplicht! Thans dat de macht der snooden
 
Een eerbiedwaardig volk in gruwbre rampen tracht
 
Te storten, en het al een stouten aanslag wacht,
 
Thans kan het, schoon ons hart onvatbaar is voor vrezen,
 
Tot redding van dit volk welligt noodzaaklijk wezen,
 
Tot steun van dezen troon geen midd'len meer te ontzien.
 
De heuschheid van uw Vorst liet my zijn bijstand biên!