terug  begin  verderprepost
[p. 281]

Aan Bilderdijk by het afsterven van zijn' zoon Julius Willem.aant.

 
Ja, tranen zijn ons deel op aard,
 
En wat de weg des levens baart,
 
Is distel voor den voet, en voor de lippen alsem!
 
Hier treffen slagen, waar wy treên,
 
Hier groeien jamm'ren rondom heen,
 
En de aarde die ze teelt, teelt voor ons leed geen balsem.
 
 
 
Dit klonk uw lier, doorluchte Bard,
 
Zoo vroeg reeds aan de wrangste smart,
 
't Hardnekkigst lijden, prooi gegeven!
 
Dit klonk die lier, wier melody
 
Steeds somber, maar steeds groot en vrij,
 
De waarheid in den toon der Poezy deed leven.
[p. 282]
 
Gy wachtte sints uw eerste jeugd,
 
Van geen ontluisterde aarde vreugd,
 
Dan die geboren wordt uit moed en plichtsbetrachting!
 
Gewapend tegen 't grimmig lot,
 
Met onbeperkte hoop op God,
 
En met de toovermacht der Dichtkunst tot verzachting!
 
 
 
Ach! 't was geen aardsche tegenspoed,
 
Die zulk een steun, die zulk een moed
 
In d' eedlen boezem kon verwrikken!
 
Des noodlots toorn verzelde uw schreên!
 
Gy zaagt haar dreigende om u heen
 
Met onverzette blikken!
 
 
 
Maar ach! een ijsselijker slag
 
Dan al wat jammer heeten mag
 
Trof uw in 't leed vergrijsde hairen!
 
Een slag, o God!.... O! had mijn bloed
 
Den eisch van 't ijzren lot geboet,
 
Het had gestroomd, om hem uw hoofd te sparen!
[p. 283]
 
Vergeefs ontzag het brandende Oost,
 
Ontzag de storm het dierbaar kroost
 
Dat aan den boezem snelt, te lang van hem gescheiden!
 
De dood staat van haar prooi niet af,
 
En de akelige toon van 't graf
 
Vervangt het welkomstlied, wiens galmen hem verbeidden.
 
 
 
Wie zal, wie kan het thans bestaan,
 
De bittre, hartverscheurbre traan,
 
Die op de wangen brandt der ouderen, te drogen?
 
Wie spreekt hier ijdle troostreên uit
 
Verzwolgen in het smartgeluid
 
Waarin de spraak verstikt by 't onbescheiden pogen?
 
 
 
Neen! wie uw zielsgevoel verstaat,
 
Stort hier geen machtelooze maat
 
Om de overstelpte borst aan 't foltrend wee te ontscheuren.
 
Zijn lier, omfloersd met treurend zwart,
 
Geeft slechts den doffen toon der smart
 
En wat zijn hart vermag, is met het uw te treuren!
[p. 284]
 
Van U alleen, o God, komt troost!
 
Gy geeft, en gy herneemt het kroost,
 
Waar 't ingewand aan kleeft, de ziel in leeft der ouderen!
 
Is niet van U en ramp en vreugd,
 
En 't aardsche lijden zelfs der deugd?
 
Verlicht niet Gy den last van de afgetobde schouderen?
 
 
 
Van uit Uw alomvattend Hof,
 
Waar 't alles juicht in Uwen lof,
 
Slaat Gy Uw droeve kinders gade;
 
En uit de diepste kolk der smart
 
Verheft Uw hand weêr 't zinkend hart,
 
En de Englen loven Uw genade!
 
 
 
Der troostelooze moeders zucht
 
Zal niet versmelten in de lucht,
 
Maar voor Uw glansrijk aanzijn stijgen!
 
De kreet des vaders om zijn zoon,
 
Dringt door, o God, tot voor Uw troon,
 
En doet de hemelvreugde zwijgen!
[p. 285]
 
De geest des afgestorv'nen leeft!
 
De geest des afgestorv'nen zweeft
 
Naby het kwijnend moederharte!
 
Zijn geest omzweeft dat achtbaar hoofd,
 
In leedverduring afgesloofd,
 
En lenigt, ongezien, zijn smarte.
 
 
 
Ja, heilbô van Gods oppermacht,
 
Zal hy in schaduw van den nacht
 
U 't uur verkondigen, dat onzen boei moet slaken;
 
Den heildag, die het gantsch Heelal
 
In d' éénen God vereenen zal,
 
En in der schepslen heil des Scheppers werk volmaken.

1819.

prepostterug  begin  verder