terug  begin  verderprepost
[p. 81]

Alexanders zegefeest.

I.

 
Het feest der overwinning klonk
 
Door Perziës verslagen steden,
 
Door 't zegepralend heir betreden,
 
Waar voor Darius macht verzonk.
 
Te midden van de pracht der Vorstelijke zalen
 
Zat op den hoog verheven troon
 
Philippus nooit verwonnen zoon.
 
Met roos en myrt om 't hoofd en om de gouden schalen
 
Omringde hem zijn wapenbroedrenstoet;
 
En aan zijn zij zat schittrend in den gloed
 
Der jeugd, der schoonheid, en der liefde
 
De vrouw, die 't minnend harte griefde
 
Van den Veroveraar.
 
Heil u, heil u, zalig paar!
[p. 82]
 
Heldenmoed en deugd te kroonen,
 
Past de hand alléén der schoonen!
 
Past de hand alléén der schoonen!
 
Past de hand alléén der schoonen!
 
koor.
 
Heil u, heil u, zalig paar! enz.

II.

 
Timotheus, aan het hoofd der zangeren,
 
't Bezielend speeltuig in de hand,
 
Heft aan! De heil'ge vlam ontbrandt
 
Om aller zielen te bezwangeren
 
Van hemelwellust! 't Lied begint
 
Van Jupiter, van minnesmart ontzind.
 
De liefde voerde hem op aarde:
 
De vlammende opperhuid eens draaks verbergt den Vorst
 
Der goôn! Hy wringt zich aan de borst
 
Der Koningin, die Alexander baarde,
 
En lescht zijn heete liefdedorst,
 
En schept een beeldtnis van zich zelf, een' Wereldkoning!
 
De Dichter zwijgt: de vorstenwoning
[p. 83]
 
Weêrkaatst het juichen op zijn godenmelody,
 
En alles waant de godheid zelf naby!
 
De Koning hoort en wordt verheven,
 
Verheven tot een god,
 
Zijn bloote wenk tot een gebod
 
Waar aarde en hemel voor moet beven!
 
koor.
 
De Koning hoort en wordt verheven, enz.

III.

 
Nu stroomt de lof des Wijngods met zijn toon,
 
De lof van Bacchus, eeuwig jong, en eeuwig schoon!
 
Daar komt de godheid aangereden!
 
In zegepraal! Trompet en trom
 
En rinkelbom
 
Begroet zijn wagen van rondom!
 
Met vuur de godheid aangebeden!
 
De blij-, de zachtheid van 't gemoed
 
Spreekt in den tintelenden gloed
 
Van 't jeugdig bloeiend wezen!
 
Zij zijn weldaad steeds geprezen!
[p. 84]
 
Onuitspreeklijk is haar zoet,
 
Onuitputbaar de overvloed
 
Van zijn gaven,
 
Die het fel ontstoken bloed
 
Van den krijgsman laven!
 
koor.
 
Zij zijn weldaad steeds geprezen! enz.

IV.

 
Die toon ontvlamt des Konings bloed!
 
De hoogmoed groeit in 't fier gemoed,
 
En voert hem voor den geest die wijd befaamde dagen,
 
Toen voor zijn schrikkelijke slagen
 
Wat vijand was met siddring boog.
 
De kunstnaar ziet die woede stijgen,
 
Hy ziet den Vorst naar wapens hijgen,
 
't Gefronseld voorhoofd, 't vonklend oog,
 
Dat aarde en hemel daagt tot strijden! -
 
Die hoogmoed moet gesmoord, die drift bedaard!
 
Nu ruischt een toon, aandoenlijker van aart,
 
Van uit de snaren des gewijden.
[p. 85]
 
Hy zingt Darius, groot en goed,
 
Den Vorst, die eens heel Azië regeerde,
 
Wiens eer- en braafheidvol gemoed
 
Het onrechtvaardigst Lot verneêrde!
 
Vervallen van den koningstroon,
 
Door een ontmenschte hand verraden
 
Ontelbre weldaân tot een loon,
 
Ligt hy in 't vlietend bloed te baden,
 
Alléén op 't naakte strand, in 't stervensoogenblik!
 
Daar is geen mensch, zelfs om den laatsten snik
 
Des eedlen Konings op te vangen.
 
Daar zit nu de Veroveraar,
 
Verwonnen door den Kunstenaar,
 
Geketend aan zijn zangen!
 
Zijn ziel doorzag 's Lots wispelturigheên:
 
Een zucht is aan zijn borst ontgleên!
 
Een traan gloeit op zijn wangen!
 
koor.
 
Daar zit nu de Veroveraar, enz.
[p. 86]

V.

 
De Dichter zegepraalt! zijn hand
 
Zal malscher tonen nog doen hooren!
 
De deernis is aan mingevoel verwant!
 
De treurzang zweeg: de zang der liefde wordt geboren!
 
‘De oorlog is een schakel jamm'ren; roem, een flikkring die niet baat,’
 
Dartelde het lied des Dichters in zijn Lydiaansche maat!
 
‘Waartoe steeds de vuist te klemmen om dat moordgeheiligd zwaard?
 
Is 't tot eindeloos verdelgen, of veroveren van de aard?
 
Is zy, aan uw wet gekluisterd, u niet waardig het genot?
 
O! versmaad ze niet, de volheid van 't u zegenende Lot!
 
Naast uw boezem prijkt een Thaïs, en uw boezem bleef nog koel?’
 
De min, de toonkunst zegevieren
 
In 't ongekend gevoel,
 
Dat de oorlogszucht versmoort in 't hart des fieren!
 
Den Koning baat geen wederstand!
 
Zijn adem brandt!
 
Hy zucht, en laat de gloeiende oogen
 
Onwillig op de schoone gaan!
 
Hy zucht en ziet haar nog eens aan,
 
En zwicht voor Liefdes alvermogen,
[p. 87]
 
En minnedronken zinkt de Vorst
 
Op Thaïs aangebeden borst!
 
koor.
 
Den Koning baat geen wederstand enz.

VI.

 
Die weekheid verdwijne, en de krijgsmoed herrijz'!
 
Dus wil het de dichter! Zijn brommende snaren,
 
Gestemd tot verhevener krachtiger wijs,
 
Verkonden zijn wil aan de weeldrige scharen!
 
De Vorst ontwaakt op d' eigen stond,
 
En heft het hoofd ten hoogen,
 
Als aan de dood onttogen,
 
En ziet getroffen rond!
 
‘Ontwaak, (dit hoort hy, fel bewogen)
 
Ontwaak, ontwaak!
 
Zie om u heen! De schrikgodinnen waren!
 
De slangen sijfflen in heur haren!
 
In beider oogen vlamt de wraak!
 
En langs de koninklijke wanden
 
Houdt, met een heltoorts in de handen,
[p. 88]
 
Een bleeke drom van geesten wacht!
 
Ge erkent hen? 't Zijn Grieken, 't zijn eerlijke helden,
 
Tot uw dienst, tot uw roem, op de bloedige velden,
 
Ten prooi aan het hongrig gevogelt' geslacht!
 
Zie de vlam van den somberen fakkel der dooden,
 
Hoe zy dreigt op de tempels der Perzische goden,
 
Op heel 't haatlijk gewest, dat hun schimmen bespot!’
 
Alles juichte, alles vloog op des dichters gebod!
 
En de Koning nam een fakkel, en hy snelde woedend heên,
 
En een latere Heleen
 
Ging hem voor met rassche schreên,
 
Om met hem een tweede Troje tot een puinhoop te vertreên!
 
koor.
 
En de Koning nam een fakkel, en hy snelde woedend heên, enz.

VII.

 
Dus zong in lang verloopen tijden,
 
Eer nog de tooverkunst bestond
 
Den Zefier een metalen mond
 
Te vormen, waar zijn aâm welluidend door mocht glijden,
 
Dus zong Timotheus! Naar zijn lied
[p. 89]
 
Ontsprong de kittling van 't verlangen,
 
De bijtende angel van 't verdriet.
 
Maar later eeuw zag zijn gedachtenis vervangen
 
Door grooter wonder, hooger macht.
 
Cecilia betrad deze aarde,
 
Wier geest met nieuwe scheppingskracht
 
De melody des orgels baarde,
 
En, stout, het rijk der kunst tot wijder grenzen bracht!
 
Timotheus lauwer moet verteeren,
 
Of deelen beiden éénen lof!
 
Hy voerde de aard ten hemelsfeeren,
 
En zy verhemelde dit stof!
 
koor.
 
Cecilia betrad deze aarde, enz.

Naar het Engelsch van dryden.

prepostterug  begin  verder