terug  begin  verderprepost
[p. 246]

Paaschzangen.aant.

I. Het kruis.

Gaat het ulieden niet aan, gy allen, die over weg gaat? Schouwt het aan, en ziet, of er eene smart zij, gelijk mijne smart die my aangedaan is, waarmede de Heer my bedroefd heeft ten dage der hitligheid zijns toorns.

Klaagl. 1. 12.

(Wijze: Fr. Cant. 13.)

 
o! Hoe duister, hoe ontzettend,
 
Zielverscheurend, hartverplettend
 
Was dat schrikverwekkend uur,
 
Toen het vlekloos Lam geslacht werd,
 
En de losprijs aangebracht werd
 
Der gevangen creatuur!
[p. 247]
 
Toen de losgelaten Booze
 
Aan den Schuld- en Zondelooze
 
Zijn verwoede klaauwen sloeg,
 
Toen de Godmensch voor de Zijnen,
 
Doodsbenaauwdheid, hellepijnen
 
In 't geheiligd lichaam droeg!
 
 
 
Toen Gethsemane Zijn klachten
 
In dien aakligsten der nachten,
 
In dien bangsten strijd vernam;
 
Daar de Paaschmaan somber lichtte
 
Op dat hemelsch aangezichte,
 
Van 't verzoenend bloedzweet klam!
 
 
 
Toen de snoodste der verraderen
 
Zijn verkochten Heer dorst naderen,
 
Met een kus gevangen nam;
 
Toen de Christus zich liet vinden,
 
Zich liet grijpen, zich liet binden,
 
Als een weerloos offerlam.
[p. 248]
 
Toen de vierschaar der godloozen,
 
De Vergadering der boozen,
 
Tegen Hem ten oordeel zat,
 
Wien de Wet Gods Zoon verklaarde,
 
Wien als Richter van heel de aarde
 
Vader Abraham aanbad!
 
 
 
Toen Pilatus zijn geweten,
 
In zijn Gabbatha gezeten,
 
Uit lafharte vrees verried;
 
Aan den moedwil der soldaten,
 
Aan den eisch der onverlaten,
 
Den Rechtvaardige overliet.
 
 
 
Toen de Koning, Davids Zone,
 
Met de scherpe doornenkroone,
 
In het spotkleed, buitenkwam,
 
Al den smaad droeg van die snooden,
 
En den bloedkreet van de Joden,
 
Overdekt van smart, vernam!
[p. 249]
 
Toen de Heilige der heil'gen,
 
Wien Zijn Almacht kon beveil'gen,
 
't Alleruiterste onderging;
 
En, by 't lasteren der scharen,
 
Tusschen raauwe moordenaren
 
Aan 't vervloekte kruishout hing!
 
 
 
Toen de Man, by wien geen zonden,
 
Geen bedrog ooit werd gevonden,
 
Uit de diepten van zijn hert,
 
Dat ontzettend woord deed hooren,
 
En de Zone, d' Eengeboren,
 
Van Zijn God verlaten werd!
 
 
 
Gy, aanschouwers uit den hoogen!
 
Englenscharen! dekt uwe oogen
 
Voor die aartsverborgenheên!
 
Wereld, hoort het met verschrikking!
 
Hoort het, zondaars! met verkwikking,
 
Wie dat alles heeft geleên!
[p. 250]
 
Die Gekruiste, die Verwonde,
 
Die tot vloek gemaakte en zonde,
 
Is de Temmer van de hel,
 
Is de Vorst der hemelingen,
 
Is de Schepper aller dingen,
 
Is de God van Israël!
 
 
 
Ja! verneemt het, heel gy aarde!
 
Wat der tijden volheid baarde;
 
Menschenzonen! komt en ziet,
 
't Is Gods woord, dat hier vervuld wordt!
 
't Is Gods raad, die hier onthuld wordt!
 
't Is Gods wil, wat hier geschiedt!
 
 
 
Voor de zonden der Verkoornen,
 
In hun strafschuld gantsch verloornen,
 
Levert God Zijn' eigen Zoon;
 
En Hy stelt op d' eigen stonde,
 
Al den grouwel van de zonde,
 
Al Zijn zondaarsmin ten toon!
[p. 251]
 
't Recht van God, op 't felst geschonden,
 
Eischt voldoening van de zonden,
 
Maar Zijn bloed koopt zondaars vrij!
 
Ziet! Gerechtigheid en Vrede
 
Stemmen hier tot vrijspraak mede,
 
Naar de aloude profecij.1
 
 
 
Daartoe kwam dat Woord op aarde,
 
Dat de Maagd te Bethlem baarde,
 
Spruit en Hoofd van Davids huis!
 
Om te dienen, om te lijden,
 
Om ten bloede toe te strijden,
 
Om te sterven aan het kruis!
 
 
 
Ach! die oogen, die 't aanschouwen!
 
Ach! die teedre, zwakke vrouwen,
 
Die van verre staan, en 't zien!
 
Ach! wat tranen! ach! wat klagen!
 
Want de Herder werd geslagen,
 
En de ontstelde schapen vliên!
[p. 252]
 
By het kruis stond Jesus moeder,
 
Zonder Zoon meer, zonder hoeder,
 
En het zwaard ging door haar ziel!1
 
O, gy heemlen! zaagt ge ooit smarte,
 
Als die aan dat moederharte
 
Op dien stond te beurte viel?
 
 
 
O! hoe duister, hoe ontzettend,
 
Zieldoordaavrend, hartverplettend,
 
Was dat schrikverwekkend uur,
 
Dat den Zoon van God Zijn leven
 
Voor 't behoud zag overgeven
 
Der gevallen creatuur!
 
 
 
De aarde siddert, rotsen kraken,
 
Dooden in het graf ontwaken!
 
Jesus Christus geeft den geest!
 
En de voorhang van den tempel
 
Scheurt in tweeën tot den drempel! -
 
De eerste schepping is geweest!
[p. 253]
 
Golgotha! gy zaagt dat wonder!
 
't Licht der heerlijkheid gaat onder,
 
En het daglicht keert tot nacht!
 
Maar die nacht weldra wordt klaarheid,
 
Al wat schaduw was, wordt waarheid!
 
't Is vervuld, het is volbracht!
 
 
 
Ja! volbracht zijn al de woorden,
 
Die de Godspropheten hoorden!
 
Ja! vervuld is 't Recht der Wet!
 
Onze wonden zijn verbonden,
 
Onze zonden zijn verslonden,
 
En de slangenkop verplet!
 
 
 
In het kruis zal 'k eeuwig roemen!
 
En geen wet zal my verdoemen;
 
Christus droeg den vloek voor my!
 
Christus is voor my gestorven,
 
Heeft genâ voor my verworven!
 
'k Ben van dood en zonde vrij!
[p. 254]
 
Zalig, die in Hem gelooven!
 
O! bestraal ons hart van boven,
 
Geest der Waarheid! God van heil!
 
Dat mijn ziele zich verlieze,
 
(Dit's het deel, dat ik verkieze!)
 
In die liefde zonder peil!
 
 
 
Looft, o Sion! prijst uw Heere!
 
De aarde luister', 't Lam ter eere,
 
Naar uw heilig psalmgebruisch!
 
Looft Hem, die de hel verplette!
 
Looft Hem, die Zijn volk ontzette!
 
Looft uw Koning aan het kruis!
[p. 255]

II. De rust in het graf.

En op den Sabbath rusteden zy naar het gebod.

Luc. XXIII. 56.
A.
 
Op den Zevenden der dagen heeft de Almachtige gerust
 
Van den arbeid Zijner handen, Zijner oogen vreugde en lust!
 
Aard en hemel stond geschapen, man en gade, dag en nacht!
 
De eerste Schepping! 't eerste Menschdom! de eerste Sabbath! - 't Was volbracht.
B.
 
Op den Zevenden der dagen rustte Jesus in het graf
 
Van den arbeid Zijner ziele, die Hy willend overgaf!
 
In de zwakheid van den kruisdood werkt een nieuwe Scheppingskracht:
 
't Is Vervulling! 't Is Verzoening! 't Is Verlossing! - 't Is volbracht!
[p. 256]

III.

(Wijze: Psalm 66.)

 
o Rustdag, lieflijkste der dagen!
 
Hoe welkom was uw stilte aan 't hart
 
Van Jesus vrienden, moê van klagen,
 
En schier verslonden in hun smart!
 
Gy waart hun eerste troost na 't lijden
 
Van hun Verlosser, Heer en God!
 
En de eerste lichtglans van verblijden
 
Ging uit van 't Vierde Wetgebod!
 
 
 
Dit is de Sabbath van Gods kindren!
 
Dag van veraadming, hoop en troost!
 
Dien al de gramschap niet zal hindren
 
Van 't Phariseeuwsch verbasterd kroost!1
 
Nog is de raad van woede aan 't koken,
 
Die Gods Gezalfden overgaf!
 
Den Sabbath hebben zy verbroken -
 
De Heer des Sabbaths rust in 't graf!
[p. 257]
 
Gy Volk, wien 't Leven werd verworven!
 
Brengt by dat graf uw Heiland lof!
 
De Vorst des Levens is gestorven!
 
De Heer der Glorie ligt in 't stof!
 
Aanbidt dat wonder der genade!
 
Ziet, waar uw Meester werd gelegd!
 
Slaat Zijne onfeilbre wegen gade!
 
Hoort wat het Godsorakel zegt!
 
 
 
Zy hadden wel by moordenaren
 
't Deel des Onzondigen gesteld;
 
Maar Hem, wiens kruis ons heil moest baren,
 
Was in Zijn dood reeds eer voorspeld!
 
De Raadsheer van Arimathéa
 
Neemt Zijn doorstoken lichaam af!
 
De dochteren van Galiléa
 
Zien Jesus in des rijken graf!1
 
 
 
Ja! 't heilig lichaam rust in de aarde,
 
En, nederdalend in haar hert,
 
Neemt weg den vloek, die haar bezwaarde,
 
Sints de eerste mensch gevonnisd werd!
[p. 258]
 
Komt! laat ons Josephs hof bezoeken!
 
Daar werd begraven onze schuld!
 
Dáár ligt in graf- en hoofdzweetdoeken
 
De hoop der heerlijkheid gehuld!
 
 
 
Dáár is uw zegepraal begonnen,
 
O Gods verkoren Israël!
 
De leeuw van Juda heeft verwonnen!
 
Hy neemt de poorten in der hel!
 
Hy heeft volstreên! Hy legt zich neder!
 
Hy rust, Wie zal Hem op doen staan?1 -
 
Hy zelf, Hy neemt zijn leven weder!
 
En - dat de kerkers opengaan!
 
 
 
Ja! nog een weinig! en de Waarheid
 
Zal spruiten uit des aardrijks schoot!2
 
Een nooit geziene zonneklaarheid
 
Stijgt uit de diepten van den dood!
 
Het Jubeljaar is thans voldragen,
 
Door de oude schaduwwet verkond!
 
Versmelt, o Zevende der dagen!
 
In d' Eersten dag van 't Nieuw Verbond!
[p. 259]

IV. De opstanding.

God zal ze helpen in 't aanbreken des morgenstonds.

Ps. XLVI. 6.
A.
 
Op den eersten dag der dagen bracht Jehovah en Zijn Woord
 
Hemel, aarde, en al haar heiren, uit het niet ten aanzijn voort!
 
Duisternis bedekte d' afgrond en des aardrijks aangezicht!
 
Maar God sprak het woord der Almacht, Daar zij licht,
 
en daar was Licht!
B.
 
Op den eersten dag der weke, voor den daauw des morgenroods,
 
Rees de Godmensch uit de banden des te niet gebrachten doods!
 
Onverderflijkheid en Leven werden aan het licht gebracht!
 
En de Zon der Nieuwe Schepping brak d' aloude zondenacht!
[p. 260]

(Wijze: Gez. 39.)

 
In den vroegen morgenstond
 
Heeft Gods Woord Zijn Sioniten,
 
Redding uit de ellend verkond,
 
Waar hun tranen over vlieten!
 
't Werd beloofd, en 't is voldaan!
 
Onze Heer is opgestaan!
 
 
 
Vrijgekochten uit den dood!
 
Staakt uw schreien! wilt niet zorgen!
 
Ziet naar Hem uit in uw nood,
 
Als de wachters op den morgen!
 
't Licht moge op- en ondergaan!
 
Maar de Heer is opgestaan!
 
 
 
O mijn ziel! wanneer de nacht
 
Des vertwijflens, des bestrijdens,
 
U bestormt en aanvecht, wacht!
 
't Allerdonkerst uur des lijdens
 
Zal in blijdschap overgaan!
 
Want de Heer is opgestaan!
[p. 261]
 
Uitverkoren kerk van God!
 
Wil voor 't helgeweld niet schroomen!
 
Veilig, zeker blijft uw lot,
 
Schoon uw Heer schijnt weggenomen!
 
Ook uw morgenstond spoedt aan!
 
Sions Vorst is opgestaan!
 
 
 
't Onverganklijk Levenslicht
 
Rees met gansch ontdekten luister
 
Uit de smaadheid van 't gericht,1
 
Uit der graven sombren kluister!
 
't Nachtuur is voorby gegaan!
 
't Licht des Heils is opgestaan!
 
 
 
He melglans en gloed bestraalt
 
't Graf, bezegeld door de Joden!
 
De Englen Gods zijn neêrgedaald,
 
De aardsche wachters zijn gevloden!
 
Beving grijpt de wereld aan!
 
Onze Heer is opgestaan!
[p. 262]
 
't Graf is ledig! nadert! ziet!
 
O door trouw gedreven vrouwen!
 
Zoekt Hem by de dooden niet,
 
Dien geen doodsgeweld kon houên!
 
De Engel zelve kondt het aan:
 
Dien gy zoekt, is opgestaan!
 
 
 
Kloeke, teedre Magdaleen!
 
Gy, gy mocht Hem 't eerst aanbidden!
 
Hoog bevoorrechten! spoedt heen!
 
Meldt het in der broedren midden!
 
Zegt vooral het Petrus aan,
 
Dat zijn Heer is opgestaan!
 
 
 
Maar ook hy zal nog dees dag
 
Aan des Meesters voeten weenen,
 
Dien hy schuld belijden mag,
 
Die vergeving wil verleenen!
 
Jesus neemt den boetling aan!
 
Daartoe is Hy opgestaan!
[p. 263]
 
O! op Emmaus pad te zaam,
 
Diep bedroefde wandelaren!
 
U, vereenigd in Zijn naam,1
 
Komt Hy zelf de Schrift verklaren!
 
Welk een blijdschap grijpt u aan!
 
Isrels Heil is opgestaan!
 
 
 
Heilge schaar! gelooft ge nu?
 
Jesus zelve brengt U vrede!
 
Jesus ademt over u,
 
En Hy deelt Zijn Geest U mede!2
 
't Is geen droom, geen ijdle waan!
 
Hy is waarlijk opgestaan!
 
 
 
Thomas! neen! geen twijfel meer!
 
Zie die handen! zie die zijde!
 
't Is de Meester! 't is uw Heer,
 
't Is uw God, die U bevrijdde!
 
Staar Hem met aanbidding aan!
 
Waarlijk! Hy is opgestaan!
[p. 264]
 
By het Galileesche meer,1
 
Zagen honderden van oogen
 
Den verrezen Heiland weêr;
 
En voor Hem in 't stof gebogen,
 
Hieven zy den juichkreet aan:
 
Ja! de Heer is opgestaan!
 
 
 
Ook uw oog aanschouwde Hem,
 
O der jongren jongstgeboren,
 
En uw oor vernam Zijn stem!
 
Laat het tot Damascus hooren,
 
Kondig het der wereld aan:
 
'k Zag Hem! Hy is opgestaan!
 
 
 
Isrel! gy ook zult Hem zien,
 
Dien uw Vaadren hopend wachtten!
 
En aan 't Gods Lam hulde biên,
 
Dien uw Overpriesters slachtten!
 
Neen! uw zaad zal nooit vergaan!
 
Davids Zoon is opgestaan!
[p. 265]
 
Eens zal aller oog Hem zien!
 
Alle zondaars, alle volken!
 
Alle knie Hem hulde biên,
 
Als Hy weêrkomt op de wolken!
 
Beeft, verharden! schouwt het aan!
 
Ja! de Heer is opgestaan!
 
 
 
O! die dag van heil en loon!
 
Dag van jubel, dag van glorie!
 
Als de in God ontslapen doôn,
 
Zullen opstaan in viktorie!
 
't Eeuwig Licht is opgegaan!
 
Onze Heer is opgestaan!
 
 
 
O die dag, die dag van loon!
 
O die dag, die dag der wraken!
 
Als de Richter op den troon
 
Van den vollen toorn zal blaken!
 
't Rijk der zonde moet vergaan!
 
't Lam van God is opgestaan!
[p. 266]
 
Ja! de Heer is opgestaan!
 
Gods bazuinen zullen klinken!
 
De eerste dingen zijn vergaan,
 
Nieuwe heemlen zullen blinken!
 
Nieuwe tijden vangen aan -
 
God is scheppend opgestaan!

V. Lofzang.

Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.

Openb. V. 12.

(Wijze: Gez. 1.)

 
Hallelujah! Lof zij het Lam!
 
Die onze zonden op Zich nam!
 
Wiens bloed ons heeft geheiligd!
 
Die dood geweest is, en Hy leeft!1
 
Die 't volk, dat Hy ontzondigd heeft,
 
In eeuwigheid beveiligt!
[p. 267]
 
Den Koning op des Vaders troon,
 
Den Eerstgeboren uit de doôn,
 
Den Bloed- en Heilgetuige!1
 
Der Vorsten Vorst, der Heeren Heer,
 
Zij heerschappij, en dank, en eer!
 
Dat alle knie Hem buige!
 
 
 
Lof zij het Lam, Gods Medgezel,2
 
Uit Davids Zaad d' Immanuel!
 
God, in het vleesch verschenen!
 
In Hem, die wederkomen zal,
 
In Hem aanbidde 't gansch Heelal
 
Jehovah den Drieéénen!
 
 
 
Aanbidt den Vader in het Woord!
 
Aanbidt den Zoon, aan 't kruis doorboord!
 
Aanbidt den Geest uit beiden!
 
Van Zijn gemeenschap, Zijn genâ,
 
Zijn liefde en trouw, Hallelujah!
 
Zal ons geen schepsel scheiden.
1Ps. LXXXV. 11.
1Luc. II. 35.
1Matth. XXVII: 62-66.
1Jes. LIII: 9. Matth. XXVII: 57 en volg. Luc. XXIII: 50-55.
1Gen. XLIX. 9. Openb. V. 5.
2Ps. LXXXV. 12.
1Jes. LIII. 8.
1Luc. XXIV. 15. Matth. XVIII. 20.
2Joh. XX. 22.
11 Cor. XV. 6. Matth. XXVIII. 7.

1Openb. 1. 17, 18.
1Openb. 1. 5.
2Zach. XIII. 7. Matth. XXVI. 31. Openb. V. 13.
prepostterug  begin  verder